St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet milieubeheer (Wm)

 

REGELING  BEOORDELING  LUCHTKWALITEIT  2007

Tekst zoals deze geldt op 25 januari 2012

 

  
 

 

 
REGELING van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 november 2007, nr. LMV 2007.109578, houdende regels met betrekking tot het beoordelen van de luchtkwaliteit (Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007)

     De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
     Gelet op Richtlijn nr. 96/62/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296), Richtlijn nr. 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999, betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (PbEG L 163), Richtlijn nr. 2000/69/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 november 2000 betreffende grenswaarden voor benzeen en koolmonoxide in de lucht (PbEG L 313), Richtlijn nr. 2002/3/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 februari 2002 betreffende ozon in de lucht (PbEG L 67), Richtlijn nr. 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht (PbEG L 23), de artikelen 5.15, tweede lid, 5.17, tweede lid, 5.19, vijfde lid, 5.20, eerste en tweede lid, en 5.22 van de Wet milieubeheer en artikel 6, tweede lid, van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);

     Besluit:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

depositie: de neerslag van een luchtverontreinigende stof, uitgedrukt als de massa van die stof die neerslaat op een oppervlak van een bepaalde omvang gedurende een bepaalde tijd;

emissiefactor: factor die de uitstoot van een luchtverontreinigende stof per dier per jaar of per voertuigkilometer weergeeft;

grootschalige concentratiegegevens: gegevens met betrekking tot de gemiddelde concentraties op een schaalniveau van één bij één kilometer;

meetmethode: procedure van het bemonsteren van de buitenlucht, het analyseren van aldus verkregen monsters, het kalibreren van daartoe te gebruiken apparatuur, alsmede de verwerking van het signaal tot een concentratie dan wel depositie;

Minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

polycyclische aromatische koolwaterstoffen: organische verbindingen die bestaan uit ten minste twee versmolten aromatische ringen die volledig uit koolstof en waterstof bestaan;

referentiewaarde: in bijlage 3 opgenomen concentratie bepaald met behulp van de in die bijlage omschreven situaties;

ruwheidskaart: kaart, houdende een overzicht van de gemiddelde ruwheidslengte op een schaalniveau van één bij één km;

ruwheidslengte: parameter voor de mechanische wrijving tussen luchtstromen en het landoppervlak;

totaal gasvormig kwik: elementaire kwikdamp (Hg0) en reactief gasvormig kwik, ofwel in water oplosbare kwikverbindingen met een voldoende hoge dampdruk om in de gasfase te bestaan;

totale depositie: depositie van alle luchtverontreinigende stoffen gezamenlijk;

verkeersintensiteit: aantal motorvoertuigen dat gemiddeld gedurende een bepaald tijdvak een waarneempunt bij een weg passeert;

vluchtige organische stoffen: antropogene en biogene organische verbindingen, met uitzondering van methaan, die onder invloed van zonlicht door reactie met stikstofoxiden fotochemische oxidanten kunnen vormen;

wet: Wet milieubeheer.

 

Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen inzake het vaststellen van het kwaliteitsniveau

 

Artikel 2

Het vaststellen van het kwaliteitsniveau ten behoeve van het bepalen van de mate waarin de kwaliteitsniveaus van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen voldoen aan de luchtkwaliteitseisen, opgenomen in de voorschriften 9.1, 10.1, 11.1 en 12.1 van bijlage 2 van de wet, vindt overeenkomstig deze regeling plaats op het gehele grondgebied van Nederland.

 

Artikel 2a

1.Het vaststellen van het kwaliteitsniveau door middel van meting vindt plaats overeenkomstig hoofdstuk 3.

2.Het vaststellen van het kwaliteitsniveau door middel van berekening vindt plaats overeenkomstig hoofdstuk 4.

 

Artikel 3

1. De Minister stelt door middel van meting op vaste meetpunten in agglomeraties en zones als bedoeld in artikel 5.22 van de wet, de concentraties in de buitenlucht vast van zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide, benzeen en ozon en in agglomeraties als bedoeld in artikel 5.22 van de wet, de concentraties in de buitenlucht van benzo(a)pyreen.

2. De Minister stelt door middel van meting op een vast meetpunt de concentraties in de buitenlucht vast van arseen, cadmium en nikkel.

3. De Minister stelt door middel van indicatieve meting op een vast meetpunt de achtergrondconcentraties in de buitenlucht vast van arseen, cadmium, totaal gasvormig kwik, nikkel, benzo(a)pyreen en andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen.

4. De Minister stelt door middel van indicatieve meting op een vast meetpunt de totale depositie vast van arseen, cadmium, kwik, nikkel, benzo(a)pyreen en andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen.

5. De Minister stelt door middel van meting op vaste meetpunten de concentraties in de buitenlucht vast van zwevende deeltjes (PM 2,5) op stedelijke achtergrondlocaties.

6. De Minister stelt door middel van meting op vaste meetpunten de concentraties van koolmonoxide in de buitenlucht vast op plaatsen waar, blijkens de uitkomsten van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde berekening, mensen worden blootgesteld aan een concentratie van koolmonoxide die hoger is dan 3600 microgram per m3 als 98-percentiel van acht-uurgemiddelde concentraties.

 

Artikel 4

Burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en de Minister van Verkeer en Waterstaat stellen de Minister jaarlijks voor 1 mei op een door de Minister te bepalen wijze in kennis van de meest recente, hen ter beschikking staande gegevens die nodig zijn om met behulp van de standaardrekenmethoden, bedoeld in de artikelen 71 en 75, kwaliteitsniveaus vast te kunnen stellen op plaatsen waar de bevolking, ten gevolge van emissies van bronnen die onder het beheer van het desbetreffende bestuursorgaan staan, naar hun redelijke verwachting direct of indirect kan worden blootgesteld aan concentraties in de buitenlucht die hoger zijn dan de toepasselijke in bijlage 2, voorschrift 1.1, 2.1, eerste lid, 2.1a, 4.1, 4.2 en 7.1, onder b, van de wet genoemde grenswaarden, alsmede hoger dan 3600 microgram per m3, als 98-percentiel van acht-uurgemiddelde concentraties voor koolmonoxide.

 

Artikel 5

1. Met gebruikmaking van de krachtens artikel 4 aan hem geleverde gegevens stelt de Minister door middel van berekening met behulp van de standaardrekenmethoden, bedoeld in de artikelen 71 en 75, de concentraties in de buitenlucht vast van zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen.

2. De Minister stelt jaarlijks voor 1 juli bestuursorganen die de in artikel 4 bedoelde gegevens aan hem hebben geleverd in kennis van de met die gegevens vastgestelde kwaliteitsniveaus, bedoeld in het eerste lid.

 

Artikel 6 [Vervallen per 15-08-2009]

 

Artikel 7

1. De Minister draagt zorg voor de bekostiging van de metingen, bedoeld in artikel 3.

2. Het bestuursorgaan dat krachtens artikel 4 de Minister in kennis stelt van de in dat artikel bedoelde gegevens draagt zorg voor de bekostiging van die gegevens en de bedoelde inkennisstelling.

3. De Minister draagt zorg voor de bekostiging van de berekeningen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, en van de inkennisstelling, bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

 

Artikel 8

Als de agglomeraties, bedoeld in artikel 5.22, eerste lid, van de wet, worden aangewezen:

a. de agglomeratie Amsterdam/Haarlem, omvattend de gemeenten Amsterdam, Aalsmeer, Amstelveen, Uithoorn, Ouder-Amstel, Diemen, Zaanstad, Heemskerk, Beverwijk, Velsen, Haarlem, Bloemendaal, Zandvoort, Heemstede, Bennebroek, Haarlemmerliede, Spaarnwoude en Haarlemmermeer;

b. de agglomeratie Den Haag/Leiden, omvattend de gemeenten Den Haag, Westland, Midden-Delfland, Delft, Rijswijk, Leidschendam-Voorburg, Wassenaar, Voorschoten, Leiden, Oegstgeest, Katwijk, en Leiderdorp;

c. de agglomeratie Rotterdam/Dordrecht, omvattend de gemeenten Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Maassluis, Rozenburg, Spijkenisse, Albrandswaard, Capelle aan de IJssel, Ridderkerk, Barendrecht, Zwijndrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Dordrecht, Papendrecht en Sliedrecht;

d. de agglomeratie Utrecht, omvattend de gemeenten Utrecht, Houten, Nieuwegein, IJsselstein en Maarssen;

e. de agglomeratie Eindhoven, omvattend de gemeenten Eindhoven, Best, Veldhoven, Geldrop-Mierlo, Nuenen en Helmond;

f. de agglomeratie Heerlen/Kerkrade, omvattend de gemeenten Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Brunssum, Voerendaal en Nuth.

 

Artikel 9

Als de zones, bedoeld in artikel 5.22, eerste lid, van de wet, worden aangewezen:

a. de zone noord, omvattend de provincies Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel en Flevoland;

b. de zone midden, omvattend de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland, met uitzondering van de zich in dit gebied bevindende agglomeraties, genoemd in artikel 8;

c. de zone zuid, omvattend de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg, met uitzondering van de zich in dit gebied bevindende agglomeraties, genoemd in artikel 8.

 

Hoofdstuk 3. Het door middel van meting vaststellen van het kwaliteitsniveau

 

Paragraaf 3.1. Aantal meetpunten

 

Artikel 10

De agglomeratie Amsterdam/Haarlem bevat voor de meting van de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht, ten minste:

a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;

b. vier vaste meetpunten voor stikstofdioxide;

c. vier vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);

d. vijf vaste meetpunten voor koolmonoxide;

e. vijf vaste meetpunten voor benzeen;

f. drie vaste meetpunten voor ozon, waarvan er twee in voorstedelijk gebied worden geplaatst; twee van de bedoelde meetpunten voor ozon worden tevens als meetpunten voor stikstofdioxide gebruikt, en

g. één vast meetpunt voor benzo(a)pyreen.

 

Artikel 11

De agglomeratie Den Haag/Leiden bevat voor de meting van de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht, ten minste:

a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;

b. vier vaste meetpunten voor stikstofdioxide;

c. vier vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);

d. twee vaste meetpunten voor koolmonoxide;

e. twee vaste meetpunten voor benzeen, en

f. drie vaste meetpunten voor ozon, waarvan er twee in voorstedelijk gebied worden geplaatst; twee van de bedoelde meetpunten voor ozon worden tevens als meetpunten voor stikstofdioxide gebruikt.

 

Artikel 12

De agglomeratie Rotterdam/Dordrecht bevat voor de meting van de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht, ten minste:

a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;

b. vier vaste meetpunten voor stikstofdioxide;

c. vier vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);

d. één vast meetpunt voor lood;

e. twee vaste meetpunten voor koolmonoxide;

f. twee vaste meetpunten voor benzeen;

g. drie vaste meetpunten voor ozon, waarvan er twee in voorstedelijk gebied worden geplaatst; twee van de bedoelde meetpunten voor ozon worden tevens als meetpunten voor stikstofdioxide gebruikt;

h. één vast meetpunt voor benzo(a)pyreen.

 

Artikel 13

De agglomeratie Utrecht bevat voor de meting van de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht, ten minste:

a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;

b. twee vaste meetpunten voor stikstofdioxide;

c. twee vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);

d. één vast meetpunt voor koolmonoxide;

e. één vast meetpunt voor benzeen;

f. één vast meetpunt voor ozon, dat in voorstedelijk gebied wordt geplaatst en tevens als meetpunt voor stikstofdioxide wordt gebruikt.

 

Artikel 14

De agglomeratie Eindhoven bevat voor de meting van de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht, ten minste:

a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;

b. twee vaste meetpunten voor stikstofdioxide;

c. twee vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);

d. één vast meetpunt voor koolmonoxide;

e. één vast meetpunt voor benzeen;

f. één vast meetpunt voor ozon, dat in voorstedelijk gebied wordt geplaatst en tevens als meetpunt voor stikstofdioxide wordt gebruikt.

 

Artikel 15

De agglomeratie Heerlen/Kerkrade bevat voor de meting van de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht, ten minste:

a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;

b. twee vaste meetpunten voor stikstofdioxide;

c. twee vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);

d. één vast meetpunt voor koolmonoxide;

e. één vast meetpunt voor benzeen;

f. één vast meetpunt voor ozon, dat in voorstedelijk gebied wordt geplaatst en tevens als meetpunt voor stikstofdioxide wordt gebruikt.

 

Artikel 16

De zone noord bevat voor de meting van de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht, ten minste:

a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;

b. twee vaste meetpunten voor stikstofdioxide, waarvan er één tevens als meetpunt voor stikstofoxiden wordt gebruikt;

c. zeven vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);

d. één vast meetpunt voor lood;

e. één vast meetpunt voor koolmonoxide;

f. één vast meetpunt voor benzeen;

g. zes vaste meetpunten voor ozon, waarvan er één in voorstedelijk gebied wordt geplaatst en drie tevens als meetpunt voor stikstofdioxide worden gebruikt.

 

Artikel 17

De zone midden bevat voor de meting van de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht, ten minste:

a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;

b. acht vaste meetpunten voor stikstofdioxide;

c. acht vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);

d. één vast meetpunt voor lood;

e. één vast meetpunt voor koolmonoxide;

f. vier vaste meetpunten voor benzeen;

g. zeven vaste meetpunten voor ozon, waarvan er één in voorstedelijk gebied wordt geplaatst en vier tevens als meetpunt voor stikstofdioxide worden gebruikt.

 

Artikel 18

De zone zuid bevat voor de meting van de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht, ten minste:

a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;

b. drie vaste meetpunten voor stikstofdioxide;

c. zeven vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);

d. één vast meetpunt voor lood;

e. drie vaste meetpunten voor koolmonoxide;

f. drie vaste meetpunten voor benzeen;

g. zes vaste meetpunten voor ozon, waarvan er één in voorstedelijk gebied wordt geplaatst en drie tevens als meetpunt voor stikstofdioxide worden gebruikt.

 

Artikel 19

1.Van de in de artikelen 16 tot en met 18 bedoelde meetpunten voor de meting van de concentratie van ozon in de buitenlucht, wordt in totaal één meetpunt tevens als meetpunt voor de meting van de concentratie van stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen in de buitenlucht gebruikt.

2.Van de in de artikelen 10 en 12 bedoelde meetpunten voor de meting van de concentratie van benzo(a)pyreen in de buitenlucht, wordt in totaal één meetpunt tevens als meetpunt gebruikt voor de meting van de concentratie van andere relevante polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de buitenlucht, waarvan tenminste benzo(a)antraceen, benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, indeno(1,2,3-cd)pyreen en dibenzo(a,h)antraceen deel uitmaken.

 

Artikel 20

1.Nederland bevat tenminste één vast meetpunt voor:

a. meting van de concentraties in de buitenlucht van arseen, cadmium en nikkel;

b. indicatieve meting van achtergrondconcentraties in de buitenlucht van arseen, cadmium, totaal gasvormig kwik, nikkel, benzo(a)pyreen en de andere in artikel 19, tweede lid, genoemde polycyclische aromatische koolwaterstoffen en voor

c. indicatieve meting van de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel, benzo(a)pyreen en de andere in artikel 19, tweede lid, genoemde polycyclische aromatische koolwaterstoffen.

2.De artikelen 22 en 24 zijn van overeenkomstige toepassing op de meetpunten, bedoeld in het eerste lid, onder b en c.

 

Artikel 20a

Nederland bevat voor de meting van de concentratie van zwevende deeltjes (PM2,5) in de buitenlucht op de volgende locaties vaste meetpunten:

a. Enschede, Espoortstraat;

b. Utrecht, Griftpark;

c. Veldhoven, Europalaan;

d. Heerlen, Nicolayestraat;

e. Breda, Bastenakenstraat;

f. Rotterdam, Schiedamsevest;

g. Den Haag, Rebecquestraat;

h. Groningen, Nijesteinheerd;

i. Nijmegen, De Ruyterstraat.

 

Paragraaf 3.2. Plaatsing van meetpunten

 

Artikel 21

Meetpunten voor de meting van concentraties in de buitenlucht van zwaveldioxide en stikstofoxiden ter beoordeling van de luchtkwaliteit voor de betreffende stoffen waarvoor de grenswaarden, bedoeld in bijlage 2, respectievelijk voorschrift 1.2 en 3.1, van de wet gelden, worden geplaatst op een zodanig punt dat door middel van metingen op dat punt gegevens worden verkregen over concentraties van de betreffende verontreinigende stof die representatief zijn voor gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km2, die geheel gelegen zijn:

a. op een afstand van ten minste 20 kilometer van agglomeraties of

b. op een afstand van ten minste vijf kilometer van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen, van wegen waarvan per dag tenminste 50.000 motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 gebruik maken.

 

Artikel 22

1. Meetpunten voor de meting van concentraties in de buitenlucht van zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10), lood, koolmonoxide, benzeen, arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen ten behoeve van het bepalen van de mate waarin het kwaliteitsniveau van de genoemde stoffen voldoet aan de desbetreffende luchtkwaliteitseisen, bedoeld in bijlage 2, de voorschriften 1.1, 1.3, 2.1 tot en met 2.4, 4.1, 4.2, 4.6, 4.7, 5.1, 6.1, 7.1, 7.2 en 9.1 tot en met 12.1 van de wet, worden geplaatst op een zodanig punt dat:

a. door middel van metingen op dat punt gegevens worden verkregen over concentraties van de betreffende luchtverontreinigende stof in gebieden binnen zones en agglomeraties waar de hoogste concentraties voorkomen waaraan de bevolking rechtstreeks of onrechtstreeks kan worden blootgesteld gedurende een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de betreffende luchtkwaliteitseis significant is; voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen bedraagt die periode een kalenderjaar;

b. in andere gebieden binnen zones en agglomeraties dan bedoeld onder a, door middel van metingen op dat punt gegevens worden verkregen over de concentraties van de betreffende luchtverontreinigende stof die representatief zijn voor de blootstelling van de bevolking als geheel;

c. meting van zeer kleine micromilieus in de directe omgeving wordt voorkomen, wat betekent dat een meetpunt zich op een zodanige plaats bevindt dat het, voor zover mogelijk, representatief is voor de luchtkwaliteit:

1°. van een straatsegment met een lengte van minimaal 100 meter op plaatsen die sterk door het verkeer worden beïnvloed, voor stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10), lood, benzeen en koolmonoxide;

2°. van een gebied van ten minste 200 m2 op plaatsen die sterk door het verkeer worden beïnvloed, voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen;

3°. van een gebied van minimaal 250 meter bij 250 meter op plaatsen die sterk door industriële bronnen worden beïnvloed;

4°. van een gebied van enkele vierkante kilometers op stedelijke achtergrondlocaties.

2. Meetpunten voor de meting van achtergrondconcentraties worden geplaatst op een zodanig punt dat deze niet worden beïnvloed door agglomeraties of industrieterreinen binnen een straal van vijf kilometer.

3. Meetpunten voor de meting van de concentratiebijdrage van inrichtingen worden zodanig geplaatst dat zich ten minste één meetpunt benedenwinds van de betreffende bron in het dichtstbijgelegen woongebied bevindt. Indien geen gegevens bekend zijn over de achtergrondconcentratie, wordt tevens één meetpunt geplaatst in de hoofdwindrichting.

4. De in de vorige leden bedoelde meetpunten zijn zo mogelijk ook representatief voor soortgelijke plaatsen buiten de onmiddellijke omgeving.

5. De in het eerste lid bedoelde meetpunten voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen worden, indien zinvol, op dezelfde locatie gesitueerd als meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10).

 

Artikel 23

1.Meetpunten voor de meting van concentraties van ozon in de buitenlucht ter beoordeling van de luchtkwaliteit voor ozon waarvoor de richtwaarden, informatiedrempel en alarmdrempel, bedoeld in bijlage 2, voorschriften 8.1 tot en met 8.4 van de wet gelden, worden geplaatst op een zodanig punt dat door middel van metingen op dat punt gegevens worden verkregen over concentraties van ozon:

a. in gebieden binnen zones en agglomeraties waar de hoogste concentraties voorkomen waaraan de bevolking dan wel de vegetatie kan worden blootgesteld gedurende een periode die ten opzichte van de middelingstijd van de betreffende richtwaarde, informatiedrempel of alarmdrempel significant is, en

b. waarvan aannemelijk is dat ze niet direct worden beïnvloed door plaatselijke emissiebronnen.

2.De in het eerste lid bedoelde meetpunten zijn zo mogelijk ook representatief voor soortgelijke plaatsen buiten hun onmiddellijke omgeving.

 

Paragraaf 3.3. Monsterneming

 

Artikel 24

Monsterneming bij de in de artikelen 21 en 22 bedoelde meetpunten gebeurt, voor zover mogelijk, op zodanige wijze dat:

a. de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen, binnen een hoek van ten minste 270°, zonder enige verstoring van de luchtstroom in de omgeving van het bemonsteringsapparaat;

b. de hoogte van de inlaatbuis tussen anderhalve meter (ademhalingshoogte) en vier meter boven de grond ligt, tenzij een grotere hoogte nodig is; de maximale hoogte bedraagt acht meter;

c. door situering van de inlaatbuis wordt voorkomen dat de uitstoot van bronnen rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt;

d. door situering van de uitlaatbuis wordt voorkomen dat de lucht daaruit opnieuw in de inlaatbuis kan komen.

 

Artikel 25

1. Monsterneming bij de in artikel 22 bedoelde meetpunten voor de meting van concentraties van stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10), lood, koolmonoxide en benzeen, op plaatsen die sterk door het verkeer worden beïnvloed, gebeurt, voor zover mogelijk, op zodanige wijze dat de inlaatbuizen zijn gesitueerd op:

a. ten minste 25 meter van de rand van grote kruispunten en

b. niet meer dan 10 meter van de wegrand.

2. Monsterneming bij de in artikel 22 bedoelde meetpunten voor de meting van concentraties van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen op plaatsen die sterk door het verkeer worden beïnvloed, gebeurt, voor zover mogelijk, op zodanige wijze dat de inlaatbuizen zijn gesitueerd op:

a. ten minste 25 meter van de rand van grote kruispunten,

b. ten minste vier meter van het midden van de dichtstbij gelegen rijbaan en op

c. een plaats die representatief is voor de luchtkwaliteit in de nabijheid van de rooilijn.

 

Artikel 26

Monsterneming bij de in artikel 23 bedoelde meetpunten geschiedt overeenkomstig artikel 24, onder a, b en d.

 

Paragraaf 3.4. Het door middel van meting vaststellen van concentraties van zwaveldioxide in de buitenlucht

 

Artikel 27

1.Voor de meting van concentraties van zwaveldioxide in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 1000 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor uurgemiddelde concentraties, groter dan 75 microgram per m3. De eerste volzin is niet van toepassing in de gebieden als bedoeld in bijlage 2, voorschrift 1.2, van de wet.

2.Voor de meting van concentraties van zwaveldioxide in de buitenlucht wordt in de gebieden, bedoeld in bijlage 2, voorschrift 1.2, van de wet, gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 500 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor jaargemiddelde concentraties, groter dan 12 microgram per m3.

 

Artikel 28

1.Per meetpunt voor de meting van concentraties van zwaveldioxide in de buitenlucht worden uurgemiddelde en vierentwintig-uurgemiddelde concentraties bepaald.

2.Indien per etmaal minder dan dertien uurgemiddelde concentraties beschikbaar zijn, wordt geen vierentwintig-uurgemiddelde concentratie bepaald, tenzij op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties overschrijding van de in bijlage 2, voorschrift 1.1, onder b, van de wet genoemde vierentwintig-uurgemiddelde concentratie kan worden aangetoond.

3.Het aantal gevalideerde uurwaarden per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.

4.Indien minder dan 90 procent gevalideerde uurwaarden per kalenderjaar beschikbaar zijn, wordt op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties bepaald of de in bijlage 2, voorschrift 1.1 en 1.2, van de wet genoemde waarden zijn overschreden.

5.Uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 27, eerste of tweede lid, worden niet gebruikt.

 

Artikel 29

Voor de meting van zwaveldioxide wordt gebruik gemaakt van:

a. de methode beschreven in EN 14212:2005 ‘Ambient air quality – Standard method for the measurement of the concentration of sulphur dioxide by ultraviolet fluorescence’, dan wel

b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.

 

Paragraaf 3.5. Het door middel van meting vaststellen van concentraties van stikstofdioxide en stikstofoxiden in de buitenlucht

 

Artikel 30

Voor de meting van concentraties van stikstofdioxide in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 500 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor uurgemiddelde concentraties, groter dan 32 microgram per m3.

 

Artikel 31

Voor de meting van concentraties van stikstofoxiden in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 500 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor jaargemiddelde concentraties, groter dan 24 microgram per m3.

 

Artikel 32

1.Per meetpunt voor de meting van concentraties in de buitenlucht van stikstofdioxide en stikstofoxiden worden uurgemiddelde concentraties bepaald.

2.Het aantal gevalideerde uurwaarden per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.

3.Indien minder dan 90 procent gevalideerde uurwaarden per kalenderjaar beschikbaar zijn, wordt op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties bepaald of de in bijlage 2, voorschrift 2.1 tot en met 2.3 en 3.1, van de wet genoemde waarden zijn overschreden.

4.Uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 30 of 31 worden niet gebruikt.

 

Artikel 33

Voor de meting van stikstofdioxide en stikstofoxiden wordt gebruik gemaakt van

a. de methode beschreven in EN 14211:2005 ‘Ambient air quality – Standard method for the measurement of the concentration of nitrogen dioxide and nitrogen monoxide by chemiluminescence’, dan wel van

b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.

 

Paragraaf 3.6. Het door middel van meting vaststellen van concentraties van zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10) in de buitenlucht

 

Artikel 34

Voor de meting van concentraties van zwevende deeltjes (PM10) in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 400 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 25 procent voor vierentwintig-uurgemiddelde concentraties, groter dan 30 microgram per m3.

 

Artikel 35

1. Per meetpunt voor de meting van concentraties van zwevende deeltjes (PM10) in de buitenlucht worden vierentwintig-uurgemiddelde concentraties bepaald.

2. Indien per etmaal minder dan dertien uur bemonsterd is, wordt geen vierentwintig-uurgemiddelde concentratie bepaald, tenzij op grond van de over dat etmaal beschikbare meetwaarden overschrijding van de in bijlage 2, voorschrift 4.1, onder b, of voorschrift 4.2, onder b, van de wet genoemde vierentwintig-uurgemiddelde concentraties kan worden aangetoond.

3. Het aantal gevalideerde vierentwintig-uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.

4. Indien minder dan 90 procent gevalideerde vierentwintig-uurgemiddelde concentraties beschikbaar zijn wordt op grond van de beschikbare vierentwintig-uurgemiddelde concentraties bepaald of de in bijlage 2, voorschrift 4.1 of voorschrift 4.2, van de wet genoemde waarden zijn overschreden.

5. Vierentwintig-uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 34 worden niet gebruikt.

6. Voor de toepassing van artikel 5.19, vierde lid, van de wet, wordt ten aanzien van zeezout gebruik gemaakt van de procedure zoals beschreven in bijlage 4.

 

Artikel 36

Voor de monsterneming en meting van zwevende deeltjes (PM10) wordt gebruik gemaakt van:

a. de methoden, beschreven in EN-12341:1999 ‘Air quality – Determination of the PM10 fraction of suspended particulate matter – Reference method and field test procedure to demonstrate reference equivalence of measurement methods’ en NTA 8019:2008 (Luchtkwaliteit – meeteisen voor fijnstofmetingen),

b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de, met gebruikmaking van de onder a genoemde methode, verkregen resultaten, of

c. een andere methode die een constante samenhang heeft met de onder a genoemde methode. Op de met deze methode verkregen resultaten wordt een correctiefactor toegepast, teneinde resultaten te verkrijgen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.

 

Artikel 36a

Voor de meting van concentraties van zwevende deeltjes (PM2,5) in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 200 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 25 procent voor het bereik van de toepasselijke grenswaarde, bedoeld in voorschrift 4.4 van bijlage 2 van de wet.

 

Artikel 36b

1. Per meetpunt voor de meting van concentraties van zwevende deeltjes (PM2,5) in de buitenlucht worden vierentwintig-uurgemiddelde concentraties bepaald.

2. Indien per etmaal minder dan achttien uur bemonsterd is, wordt geen vierentwintig-uurgemiddelde concentratie bepaald.

3. Het aantal gevalideerde vierentwintig-uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.

4. Indien minder dan 90 procent gevalideerde vierentwintig-uurgemiddelde concentraties beschikbaar zijn, wordt op grond van de beschikbare vierentwintig-uurgemiddelde concentraties bepaald of de in voorschriften 4.6 en 4.7 van bijlage 2 van de wet genoemde waarden zijn overschreden.

5. Vierentwintig-uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 36a worden niet gebruikt.

 

Artikel 36c

Voor de bemonstering en meting van zwevende deeltjes (PM2,5) wordt gebruik gemaakt van:

a. de methoden beschreven in EN 14907:2005 ‘Standard gravimetric measurement method for the determination of the PM2,5mass fraction of suspended particulate matter’ en NTA 8019 (Luchtkwaliteit – meeteisen voor fijnstofmetingen);

b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de, met gebruikmaking van de onder a genoemde methode, verkregen resultaten, of

c. een andere methode die een constante samenhang heeft met de onder a genoemde methode. Op de met deze methode verkregen resultaten wordt een correctiefactor toegepast, teneinde resultaten te verkrijgen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.

 

Paragraaf 3.7. Het door middel van meting vaststellen van concentraties van lood in de buitenlucht

 

Artikel 37

Voor de meting van concentraties van lood in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 1 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 50 procent voor concentraties, groter dan 0,25 microgram per m3.

 

Artikel 38

1.Per meetpunt voor de meting van concentraties in de buitenlucht van lood worden gedurende ten minste 14 procent van de tijd in een kalenderjaar concentraties bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats.

2.Het aantal gevalideerde meetwaarden per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.

3.Meetresultaten waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 37 worden niet gebruikt.

 

Artikel 39

Voor de monsterneming van lood wordt gebruik gemaakt van:

a. de methode beschreven in EN-12341:1999 ‘Air quality – Determination of the PM10 fraction of suspended particulate matter – Reference method and field test procedure to demonstrate reference equivalence of measurement methods’, dan wel van

b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.

 

Artikel 40

Voor de meting van lood wordt gebruik gemaakt van:

a. de methode beschreven in EN 14902:2005 ‘Standard method for the measurement of Pb, Cd, As and Ni in the PM10 fraction of suspended particulate matter’, dan wel

b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.

 

Paragraaf 3.8. Het door middel van meting vaststellen van concentraties van koolmonoxide in de buitenlucht

 

Artikel 41

Voor de meting van concentraties van koolmonoxide in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 50.000 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor uurgemiddelde concentraties, groter dan 7.000 microgram per m3.

 

Artikel 42

1.Per meetpunt voor de meting van concentraties van koolmonoxide in de buitenlucht worden uurgemiddelde en acht-uurgemiddelde concentraties bepaald.

2.Indien in een periode van acht uur minder dan vijf uurgemiddelde concentraties beschikbaar zijn, wordt uit de uurgemiddelde concentraties geen acht-uurgemiddelde concentratie berekend.

3.Uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentraties groter is dan bepaald in artikel 41 worden niet gebruikt.

4.Acht-uurgemiddelde concentraties worden voortschrijdend berekend uit acht achtereenvolgende uurgemiddelde concentraties. Het eerste acht-uurgemiddelde op een dag betreft de periode van 17.00 uur op de voorgaande dag tot 01.00 uur; het laatste acht-uurgemiddelde op een dag betreft de periode van 16.00 uur tot 24.00 uur.

5.Het aantal gevalideerde uurwaarden per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.

6.Indien minder dan 90 procent gevalideerde uurwaarden per kalenderjaar beschikbaar zijn wordt op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties bepaald of de in bijlage 2, voorschrift 6.1 van de wet genoemde waarde is overschreden.

 

Artikel 43

Voor de meting van koolmonoxide wordt gebruik gemaakt van:

a. de methode beschreven in EN 14626:2005 ‘Ambient air quality – Standardmethod for the measurement of the concentration of carbon monoxide by nondispersive infrared spectroscopy’, dan wel

b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.

 

Paragraaf 3.9. Het door middel van meting vaststellen van concentraties van benzeen in de buitenlucht

 

Artikel 44

Voor de meting van concentraties van benzeen in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 100 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 25 procent voor jaargemiddelde concentraties, groter dan 3,5 microgram per m3.

 

Artikel 45

1.Per meetpunt voor de meting van concentraties van benzeen in de buitenlucht worden uurgemiddelde, vierentwintig-uurgemiddelde dan wel weekgemiddelde concentraties bepaald:

a. in stedelijk gebied: gedurende ten minste 35 procent van de tijd in een kalenderjaar, en

b. in de nabijheid van inrichtingen: gedurende ten minste 90 procent van de tijd in een kalenderjaar.

2.De metingen worden continue dan wel steekproefsgewijs verricht.

3.Steekproefsgewijze metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats, met dien verstande dat gedurende één dag per week, gelijkmatig over het jaar gespreid, één meting plaatsvindt dan wel dat één meting per dag plaatsvindt gedurende acht gelijkmatig over het jaar gespreide weken.

4.Het aantal gevalideerde meetwaarden per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.

5.Meetresultaten waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 44 worden niet gebruikt.

 

Artikel 46

Voor de meting van benzeen wordt gebruik gemaakt van:

a. de methode beschreven in EN 14662:2005 en (deel 1, 2 en 3) ‘Ambient air quality – Standard method for measurement of benzene concentrations’, dan wel van

b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.

 

Paragraaf 3.10. Het door middel van meting vaststellen van concentraties van ozon in de buitenlucht

 

Artikel 47

Voor de meting van concentraties van ozon in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 1000 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor uurgemiddelde concentraties tussen 70 microgram per m3 en 500 microgram per m3.

 

Artikel 48

1.Per meetpunt voor de meting van concentraties van ozon in de buitenlucht worden uurgemiddelde concentraties bepaald.

2.Indien minder dan vijfenveertig minuten meetsignalen beschikbaar zijn, wordt geen uurgemiddelde concentratie bepaald.

3.Uit acht achtereenvolgende uurgemiddelde concentraties worden acht-uurgemiddelde concentraties voortschrijdend berekend. Het eerste acht-uurgemiddelde op een dag betreft de periode van 17.00 uur op de voorgaande dag tot 1.00 uur; het laatste acht-uurgemiddelde op een dag betreft de periode van 16.00 uur tot 24 uur.

4.Indien in een periode van acht uur minder dan zes uurgemiddelde concentraties van ozon beschikbaar zijn, wordt geen acht-uurgemiddelde concentratie berekend.

5.Indien per dag minder dan achttien voortschrijdende acht-uurgemiddelden beschikbaar zijn wordt geen hoogste acht-uurgemiddelde per dag bepaald.

6.Uit de uurgemiddelde concentraties wordt voor de periode 1 mei tot en met 31 juli en de periode 1 april tot en met 30 september een AOT40-waarde berekend.

7.Indien minder dan 90 procent van de uurwaarden tussen 08.00 uur en 20.00 uur Midden-Europese-Tijd in de periode van 1 mei tot en met 31 juli en in de periode van 1 april tot en met 30 september beschikbaar zijn, worden geen AOT40-waarden berekend.

8.Indien ten minste 90 procent, maar minder dan 100 procent van de uurwaarden tussen 08.00 uur en 20.00 uur Midden-Europese-Tijd in de periode van 1 mei tot en met 31 juli en in de periode van 1 april tot en met 30 september beschikbaar zijn, worden de AOT40-waarden bepaald door de gemeten AOT40-waarde te vermenigvuldigen met de uitkomst van het totaal aantal mogelijke uren in die periodes gedeeld door het aantal gemeten uurgemiddelde concentraties.

9.Indien voor vijf van de zes maanden in de periode van 1 april tot en met 30 september minder dan 90 procent van de hoogste acht-uurgemiddelde concentraties van de dagen dan wel minder dan 90 procent van de uurgemiddelde concentraties tussen 08.00 uur en 20.00 uur beschikbaar zijn, wordt het aantal overschrijdingen van de acht-uurgemiddelde concentratie en de hoogste acht-uurgemiddelde concentratie per jaar niet bepaald.

10.Indien het drie-jaargemiddelde van het aantal overschrijdingen, bedoeld in bijlage 2, voorschrift 8.1, onder a, van de wet niet kan worden vastgesteld op basis van een volledige en ononderbroken reeks jaargegevens, wordt gebruik gemaakt van de gegevens van ten minste één jaar.

11.Indien het vijf-jaargemiddelde van de AOT40-waarde, bedoeld in bijlage 2, voorschrift 8.2, onder a, van de wet niet kan worden vastgesteld op basis van een volledige en ononderbroken reeks jaargegevens wordt gebruik gemaakt van de gegevens van ten minste drie jaar.

 

Artikel 49

Voor de meting van ozon wordt gebruik gemaakt van:

a. de methode beschreven in EN 14625:2005 ‘Ambient air quality – Standard method for the measurement of the concentration of ozone by ultraviolet photometry’, of

b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.

 

Paragraaf 3.11. Het door middel van meting vaststellen van concentraties in de buitenlucht van arseen, cadmium en nikkel

 

Artikel 50

1.Voor de meting van concentraties van arseen in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de onderste analysegrens 0.24 nanogram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 40 procent.

2.Voor de meting van concentraties van cadmium in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de onderste analysegrens 0.10 nanogram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 40 procent.

3.Voor de meting van concentraties van nikkel in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de onderste analysegrens 1.5 nanogram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 40 procent.

 

Artikel 51

1.Per meetpunt voor de meting van concentraties in de buitenlucht van arseen, cadmium en nikkel worden gedurende ten minste 50% van de tijd in een kalenderjaar, vierentwintig-uurgemiddelde concentraties bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over de weekdagen en het kalenderjaar gespreid plaats.

2.Het aantal gevalideerde vierentwintig-uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.

3.Indien minder dan 90 procent gevalideerde vierentwintig-uurgemiddelde concentraties beschikbaar zijn wordt op grond van de beschikbare vierentwintig-uurgemiddelde concentraties bepaald of de in bijlage 2, voorschrift 9.1, 10.1 of 11.1 van de wet genoemde waarden zijn overschreden.

4.Vierentwintig-uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 50 worden niet gebruikt.

 

Artikel 52

Voor de meting van arseen, cadmium en nikkel wordt gebruik gemaakt van:

a. de methode beschreven in EN 14902:2005/C1:2006 ‘Standard method for the measurement of Pb, Cd, As and Ni in the PM10 fraction of suspended particulate matter’, of

b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.

 

Paragraaf 3.12. Het door middel van meting vaststellen van concentraties van totaal gasvormig kwik in de buitenlucht

 

Artikel 53

Voor de meting van concentraties van totaal gasvormig kwik in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 50 procent.

 

Artikel 54

1.Per meetpunt voor de meting van concentraties van totaal gasvormig kwik in de buitenlucht worden gedurende ten minste 14 procent van de tijd in een kalenderjaar concentraties bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats.

2.Het aantal gevalideerde meetwaarden per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.

3.Meetresultaten waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 53 worden niet gebruikt.

 

Artikel 55

Voor de meting van totaal gasvormig kwik wordt gebruik gemaakt van:

a. een geautomatiseerd nationale- of ISO-standaardmethode, op basis van atoomabsorptiespectrometrie of atoomfluorescentiespectrometrie, of

b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.

 

Paragraaf 3.13. Het door middel van meting vaststellen van concentraties van benzo(a)pyreen in de buitenlucht

 

Artikel 56

Voor de meting van concentraties van benzo(a)pyreen in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de onderste analysegrens 0.01 nanogram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 50 procent.

 

Artikel 57

1.Per meetpunt voor de meting van concentraties van benzo(a)pyreen in de buitenlucht worden gedurende ten minste 33 procent van de tijd in een kalenderjaar, vierentwintig-uurgemiddelde concentraties bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over de weekdagen en het kalenderjaar gespreid plaats.

2.Het aantal gevalideerde vierentwintig-uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.

3.Indien minder dan 90 procent gevalideerde vierentwintig-uurgemiddelde concentraties beschikbaar zijn wordt op grond van de beschikbare vierentwintig-uurgemiddelde concentraties bepaald of de in bijlage 2, voorschrift 12.1, van de wet genoemde waarde is overschreden.

4.Vierentwintig-uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 56 worden niet gebruikt.

 

Artikel 58

Voor de bemonstering en analyse van benzo(a)pyreen wordt gebruik gemaakt van:

a. een nationale standaardmethode of ISO-methode zoals ISO 12884, of

b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.

 

Paragraaf 3.14. Het door middel van meting vaststellen van concentraties van andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen in de buitenlucht

 

Artikel 59

Voor de meting van concentraties van andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 50 procent.

 

Artikel 60

1.Per meetpunt voor de meting van concentraties van andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen in de buitenlucht worden gedurende ten minste 14 procent van de tijd in een kalenderjaar concentraties bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats.

2.Het aantal gevalideerde meetwaarden per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.

3.Meetresultaten waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 59 worden niet gebruikt.

 

Artikel 61

Voor de bemonstering en analyse van andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen wordt gebruik gemaakt van:

a. een nationale standaardmethode of ISO-methode zoals ISO 12884, of

b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.

 

Paragraaf 3.15. Het door middel van meting vaststellen van de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen

 

Artikel 62

Voor de meting van de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke depositie minder is dan 70 procent.

 

Artikel 63

1.Per meetpunt voor de meting van de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen worden gedurende ten minste 33 procent van de tijd in een kalenderjaar deposities bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats.

2.Het aantal gevalideerde meetwaarden per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.

3.Meetresultaten waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke depositie groter is dan bepaald in artikel 62 worden niet gebruikt.

 

Artikel 64

Voor de meting van depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen wordt gebruik gemaakt van:

a. een nationale standaardmethode of

b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.

 

Hoofdstuk 4. Het door middel van berekening vaststellen van het kwaliteitsniveau

 

Paragraaf 4.1. Algemeen

 

Artikel 65

Onverminderd het bepaalde in de paragrafen 4.2 en 4.3 zijn de artikelen 21, 22, 24 en 25 van overeenkomstige toepassing op het door middel van berekening vaststellen van het kwaliteitsniveau en van effecten als bedoeld in de artikelen 5.12 en 5.16 van de wet.

 

Artikel 65a

Bij het door middel van berekening vaststellen van concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht, wordt gebruik gemaakt van een methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze:

a. voor zwaveldioxide niet meer dan 60 procent van de werkelijke uurgemiddelde concentraties afwijken;

b. voor stikstofdioxide bij wegen niet meer dan 30 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;

c. voor stikstofdioxide bij inrichtingen niet meer dan 60 procent van de werkelijke uurgemiddelde concentraties afwijken;

d. voor ‘zwevende deeltjes (PM2,5en PM10) niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties en voor PM10 niet meer dan een factor twee van de werkelijke vierentwintig-uurgemiddelde concentraties afwijken;

e. voor lood niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;

f. voor koolmonoxide niet meer dan 50 procent van de werkelijke acht-uurgemiddelde concentraties afwijken;

g. voor benzeen niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;

h. voor arseen, cadmium en nikkel niet meer dan 60 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;

i. voor totaal gasvormig kwik niet meer dan 60 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;

j. voor benzo(a)pyreen niet meer dan 60 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;

k. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen, anders dan benzo(a)pyreen niet meer dan 60 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken.

 

Artikel 66

Vóór 15 maart van ieder kalenderjaar maakt de Minister de volgende gegevens bekend:

a. een overzicht van de grootschalige concentratiegegevens van zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide, ozon en benzeen van het voorafgaande kalenderjaar;

b. een overzicht van de prognoses van de grootschalige concentratiegegevens van zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide, ozon en benzeen voor alle kalenderjaren volgend op het voorafgaande kalenderjaar tot en met het jaar 2020;

c. een overzicht van de emissiefactoren van zwaveldioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), koolmonoxide en benzeen van het voorafgaande kalenderjaar;

d. een overzicht van de prognoses van de emissiefactoren van zwaveldioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen voor alle kalenderjaren volgend op het voorafgaande kalenderjaar tot en met het jaar 2020;

e. de meteorologische gegevens van het voorafgaande kalenderjaar en de tienjarige gemiddelde meteorologische gegevens;

f. de ruwheidskaart;

g. een overzicht van de grootschalige dubbeltellingcorrectiegegevens van stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10) en ozon van het voorafgaande kalenderjaar;

h. een overzicht van de prognoses van de grootschalige dubbeltellingcorrectiegegevens van stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10) en ozon voor alle kalenderjaren volgend op het voorafgaande kalenderjaar tot en met het jaar 2020.

 

Artikel 67

1.Bij het door middel van berekening vaststellen van concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht maken bestuursorganen gebruik van de gegevens, bedoeld in artikel 66.

2.In afwijking van het eerste lid kunnen bestuursorganen andere gegevens gebruiken dan de gegevens bedoeld in artikel 66, onder a of b, indien die andere gegevens zijn goedgekeurd door de Minister. De goedkeuring wordt in elk geval onthouden indien:

a. de totstandkoming van die andere gegevens niet overeenkomstig deze regeling heeft plaatsgevonden;

b. die andere gegevens niet de grootschalige concentratiegegevens en de prognoses daarvan in een bepaald gebied omvatten die kwalitatief gelijkwaardig zijn aan de gegevens, bedoeld in artikel 66, onder a of b, of

c. de wijze van totstandkoming of het gebruik van de gegevens niet op een deugdelijke wijze is toegelicht of gemotiveerd.

 

Artikel 68

1. Wanneer de waarde van een door middel van berekening vastgestelde concentratie wordt gebruikt voor beoordeling van de luchtkwaliteit, wordt die waarde afgerond naar het dichtstbijzijnde hele getal, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde even getal.

2. Wanneer de waarde van een door middel van berekening vastgestelde concentratie wordt gebruikt voor toetsing aan de 3% grens of de tijdelijke 1% grens, genoemd in artikel 2, eerste of tweede lid, van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), wordt die waarde afgerond naar één cijfer achter de komma.

3. Bij het door middel van berekening bepalen van een effect als bedoeld in artikel 5.12, twaalfde lid, onder b, van de wet, wordt de uitkomst afgerond naar één cijfer achter de komma en wordt een waarde tussen 0 en 0,1 microgram/m3 afgerond naar 0.

 

Paragraaf 4.2. Het door middel van berekening vaststellen van concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht bij wegen

 

Artikel 69

Bij het door middel van berekening vaststellen van concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht bij wegen wordt, naast de gegevens, bedoeld in artikel 66, gebruik gemaakt van gegevens met betrekking tot de:

a. verkeersintensiteit van de onderscheidenlijke categorieën van motorvoertuigen;

b. wijze waarop het verkeer zich afwikkelt;

c. kenmerken van de betreffende weg, en

d. kenmerken van de omgeving.

 

Artikel 70

1.Bij het door middel van berekening vaststellen van concentraties van stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in de buitenlucht bij voor motorvoertuigen bestemde wegen worden concentraties bepaald:

a. op een zodanig punt dat gegevens worden verkregen waarvan aannemelijk is dat deze representatief zijn voor de luchtkwaliteit van een straatsegment met een lengte van minimaal 100 meter;

b. op niet meer dan 10 meter van de wegrand.

2.Bij het door middel van berekening vaststellen van concentraties van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen in de buitenlucht bij voor motorvoertuigen bestemde wegen worden concentraties bepaald:

a. op een zodanig punt dat gegevens worden verkregen waarvan aannemelijk is dat deze representatief zijn voor de luchtkwaliteit in een gebied van tenminste 200 m2;

b. op een plaats die representatief is voor de luchtkwaliteit in de nabijheid van de rooilijn.

3.Indien toepassing van het eerste en tweede lid, aanhef en onder b, ertoe leidt dat concentraties worden bepaald op een zodanig punt dat de verkregen gegevens niet in overeenstemming zijn met het eerste en tweede lid, aanhef en onder a, worden de concentraties, in afwijking van het eerste en tweede lid, onder b, bepaald op een afstand groter dan tien meter van de wegrand, respectievelijk dichterbij of verder weg dan de rooilijn, zodanig dat wél wordt voldaan aan het eerste en tweede lid, aanhef en onder a.

 

Artikel 71

1.Het door middel van berekening vaststellen van concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht bij wegen vindt plaats overeenkomstig de in bijlage 1 opgenomen standaardrekenmethode 1, dan wel volgens de in bijlage 2 opgenomen standaardrekenmethode 2, al naar gelang en voor zover de desbetreffende situatie valt binnen het toepassingsgebied van de ene dan wel de andere methode.

2.In situaties voor zover die binnen het toepassingsgebied vallen van standaardrekenmethode 1 of 2 kan geheel of gedeeltelijk worden afgeweken van de betreffende standaardrekenmethode, mits een andere methode waarmee wordt afgeweken passend is en kwalitatief gelijkwaardig aan die standaardrekenmethode.

3.In situaties voor zover die buiten het toepassingsgebied vallen van standaardrekenmethode 1 of 2 wordt een andere, passende methode toegepast.

 

Artikel 72

1.Bestuursorganen kunnen van een andere methode dan bedoeld in artikel 71, tweede of derde lid, gebruik maken indien het gebruik van die methode is goedgekeurd door de Minister. De goedkeuring wordt in elk geval onthouden indien:

a. de methode of het toepassingsbereik daarvan niet op een deugdelijke wijze is beschreven, of

b. in geval van gebruik van een methode als bedoeld in artikel 71, tweede lid, de resultaten daarvan:

1°. in een situatie die valt binnen het toepassingsbereik van standaardrekenmethode 1, meer dan 15 procent afwijken van de referentiewaarde voor zover deze betrekking heeft op de concentratie van stikstofdioxide, of meer dan 10 procent afwijken van de referentiewaarde voor zover deze betrekking heeft op de concentratie van zwevende deeltjes (PM10), of

2°. in een situatie die valt binnen het toepassingsbereik van standaardrekenmethode 2, meer dan 10 procent afwijken van de referentiewaarde.

2.De Minister kan de goedkeuring van het gebruik van een andere methode dan bedoeld in artikel 71, tweede of derde lid, voor bepaalde tijd verlenen.

3.Wijzigingen dan wel aanpassingen van een methode als bedoeld in artikel 71, tweede of derde lid, die worden aangebracht na de datum waarop het gebruik van de betreffende methode is goedgekeurd, worden gemeld aan de Minister. De Minister beslist binnen vier weken na ontvangst van de melding of het gebruik van de betreffende methode opnieuw ter goedkeuring moet worden voorgelegd.

 

Paragraaf 4.3. Het door middel van berekening vaststellen van concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht bij inrichtingen

 

Artikel 73

Bij het door middel van berekening vaststellen van concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht bij inrichtingen wordt, naast de gegevens, bedoeld in artikel 66, gebruik gemaakt van gegevens met betrekking tot de:

a. fysieke kenmerken van de bron;

b. kenmerken van de emissie, en

c. kenmerken van de omgeving.

 

Artikel 74

Bij het door middel van berekening vaststellen van concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht bij inrichtingen worden concentraties bepaald vanaf de grens van het terrein van de betreffende inrichting.

 

Artikel 75

1.Het door middel van berekening vaststellen van de concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht bij inrichtingen vindt plaats volgens standaardrekenmethode 3, de rekenmethode van het Nieuw Nationaal Model (Uitgave 1998, ISBN 90-76323-003), voor zover de desbetreffende situatie valt binnen het toepassingsgebied van die rekenmethode.

2.Van standaardrekenmethode 3, genoemd in het eerste lid, kan geheel of gedeeltelijk worden afgeweken, mits een andere methode waarmee wordt afgeweken passend is en gelijkwaardig aan standaardrekenmethode 3.

3.In situaties voor zover die buiten het toepassingsgebied vallen van standaardrekenmethode 3 wordt een andere, passende methode toegepast.

 

Artikel 76

1.Bestuursorganen kunnen van een andere methode als bedoeld in artikel 75, tweede of derde lid, gebruik maken indien het gebruik van die andere methode is goedgekeurd door de Minister. De goedkeuring wordt in elk geval onthouden indien de methode of het toepassingsbereik daarvan niet op een deugdelijke wijze is toegelicht en gemotiveerd.

2.De Minister kan de goedkeuring van het gebruik van een andere methode dan bedoeld in artikel 75, tweede of derde lid, voor bepaalde tijd verlenen.

3.Wijzigingen dan wel aanpassingen van een methode als bedoeld in artikel 75, tweede of derde lid, die worden aangebracht na de datum waarop het gebruik van de betreffende methode is goedgekeurd, worden gemeld aan de Minister. De Minister beslist binnen vier weken na ontvangst van de melding of het gebruik van de betreffende methode opnieuw ter goedkeuring moet worden voorgelegd.

 

Hoofdstuk 5. Beoordelingsmethoden in het kader van een programma als bedoeld in artikel 5.12 of 5.13 van de wet

 

Artikel 77

Voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus als bedoeld in artikel 5.12, derde lid, onder a, van de wet of artikel 5.13, derde lid, van de wet, het in samenhang bepalen van de effecten van ontwikkelingen, besluiten en maatregelen als bedoeld in artikel 5.12, tweede of derde lid, of 5.13, derde lid, van de wet en het bepalen van het bereiken van de grenswaarden, bedoeld in artikel 5.12, eerste of derde lid, of 5.13, eerste of derde lid, van de wet, wordt gebruik gemaakt van de standaardrekenmethoden, bedoeld in de artikelen 71 en artikel 75.

 

Hoofdstuk 6. Verslaglegging

 

Artikel 78

1. Resultaten van het door middel van berekening vaststellen van concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht bij wegen of inrichtingen worden op een inzichtelijke wijze vastgelegd in een rapport dat in elk geval bevat:

a. een verantwoording van de gebruikte methode of methoden en een motivering dat de betreffende situatie valt binnen het toepassingsbereik van de betreffende methode, en

b. een vermelding van alle gegevens die zijn gebruikt, alsmede een toelichting en onderbouwing ten aanzien van de totstandkoming en kwaliteit van die gegevens en van de wijze van invoer daarvan.

2. In situaties waarin gebruik is gemaakt van een andere methode dan bedoeld in artikel 71, tweede of derde lid, dan wel artikel 75, tweede of derde lid, bevat het rapport een toelichting op die methode en een verantwoording ten aanzien van het gebruik daarvan.

3. In situaties waarin overeenkomstig artikel 70, tweede lid, gebruik is gemaakt van een afstand groter dan tien meter van de wegrand, bevat het rapport een motivering daarvan en een toelichting op de gehanteerde afstand.

 

Artikel 79 [Vervallen per 15-08-2009]

 

Artikel 80

Het verslag over de luchtkwaliteit, alsmede over de voortgang en uitvoering van een programma en de daarin opgenomen maatregelen, ontwikkelingen en besluiten, alsmede over de effecten daarvan op de luchtkwaliteit, bedoeld in artikel 5.14 van de wet, wordt jaarlijks voor 31 december uitgebracht door de Minister. Hij betrekt daarin de, met gebruikmaking van de in artikel 4 bedoelde gegevens van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en de Minister van Verkeer en Waterstaat berekende concentraties, bedoeld in artikel 5.

 

Hoofdstuk 7. Maatregelen

 

Artikel 81 [Vervallen per 15-08-2009]

 

Slotbepalingen

 

Artikel 82 [Vervallen per 15-08-2009]

 

Artikel 83

1.Een krachtens respectievelijk artikel 4, tweede lid, artikel 10, tweede lid, of artikel 14 van het Meet- en rekenvoorschrift bevoegdheden luchtkwaliteit verleende goedkeuring geldt voor de toepassing van deze regeling als een goedkeuring, verleend krachtens respectievelijk artikel 67, tweede lid, artikel 72, eerste lid, of artikel 76, eerste lid.

2.Het gebruik van de in bijlage 2, onderdeel 5, onder b, opgenomen dubbeltellingmethoden, vóór de datum van inwerkingtreding van deze regeling wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2007 toegestaan.

 

Artikel 83a

Deze regeling berust op de artikelen 5.19, vijfde lid, 5.20 en 5.22 van de wet.

 

Artikel 84

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking treedt.

 

Artikel 85

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Den Haag, 8 november 2007.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.M. Cramer
.

 

 

Bijlagen niet opgenomen

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wet milieubeheer | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x