|
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
Gelet op OSPAR-Besluit 98/4 inzake de grenswaarden voor emissie en
lozing bij de productie van vinylchloride-monomeer (VCM), met inbegrip
van de productie van 1,2-dichloorethaan (EDC) (OSPAR 98/14/1 para B-8.2
en annex 39) en op artikel 8.44 juncto artikel 21.6, zesde lid, van de
Wet milieubeheer;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. VCM: vinylchloride-monomeer;
b. EDC: 1,2-dichloorethaan;
c. dioxines: polychloordibenzo-p-dioxines en
polychloordibenzofuranen, uitgedrukt in toxiciteitsequivalenten (TEQ);
d. productie van VCM: elk industrieel proces waarbij VCM wordt
geproduceerd;
e. productie van EDC: elk industrieel proces waarbij EDC wordt
geproduceerd;
f. VCM-inrichting: een inrichting die VCM of EDC produceert
uit etheen en chloor of uit etheen of waterstofchloride als grondstof;
g. diffuse emissie: niet-gekanaliseerde emissie naar de lucht
als gevolg van lekverliezen;
h. bijlage: bij deze regeling behorende bijlage.
Artikel 2
1. Degene die de inrichting drijft,
draagt er zorg voor dat gassen die afkomstig zijn uit puntbronnen van
installaties en procesapparatuur in een VCM-inrichting, worden verzameld
en behandeld in een verbrandingsinstallatie of in apparatuur met een
vergelijkbaar rendement.
2. Degene die de inrichting drijft, draagt er zorg voor dat het
maximale jaarlijkse gemiddelde van de uitworp van rookgassen uit de in
een VCM-inrichting aanwezige verbrandingsinstallatie of apparatuur met
een vergelijkbaar rendement voldoet aan de in bijlage I opgenomen
grenswaarden.
3. Degene die de inrichting drijft, draagt er zorg voor dat aan
de in bijlage I opgenomen grenswaarden niet door middel van verdunning
van de emissies wordt voldaan.
4. Degene die de inrichting drijft, draagt er zorg voor dat
diffuse emissies naar de lucht tot een minimum worden beperkt.
Artikel 3
Degene die de inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de wijze van
bemonsteren, meten en analyseren van de concentraties en vrachten voor
de stoffen waarvoor in bijlage I grenswaarden zijn vastgesteld, ten
minste voldoen aan de in bijlage II gestelde eisen.
Artikel 4
1. Deze regeling treedt in werking met
ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant
waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze regeling blijft tot 1 januari 2006 buiten toepassing voor
een VCM-inrichting, waaraan vσσr de datum van inwerkingtreding van
deze regeling een vergunning is verleend op grond van artikel 8.1 van de
Wet milieubeheer, tenzij na die datum naar het oordeel van het bevoegd
gezag de capaciteit voor het produceren van VCM en EDC aanzienlijk is
uitgebreid of aanzienlijke technische wijzigingen van het
productieproces hebben plaatsgevonden.
Artikel 5
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling grenswaarden
luchtemissies VCM-inrichtingen milieubeheer.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
`s-Gravenhage, 7 juli 2000.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.P. Pronk.
Bijlage I, behorende bij artikel 2, tweede
en derde lid, en artikel 3 van de Regeling grenswaarden luchtemissies
VCM-inrichtingen milieubeheer
Grenswaarden
1
Het maximale jaarlijkse gemiddelde van de uitworp van rookgassen uit
de verbrandingsinstallatie of apparatuur met een vergelijkbaar rendement
bedraagt voor:
a. VCM 5 mg/ Nm3
b. EDC 5 mg/ Nm3
c. dioxines 0,1 ng TEQ/ Nm3
d. waterstofchloride 30 mg/ Nm3
2
De in het eerste lid weergegeven grenswaarden gelden voor droge
rookgassen onder standaardcondities (273o Kelvin, een druk van 101,3
kiloPascal), omgerekend naar een gehalte van 11% droge zuurstof.
Bijlage II,
behorende bij artikel 3 van de Regeling grenswaarden luchtemissies
VCM-inrichtingen milieubeheer
Eisen voor bemonstering, meting en analyse
1
Degene die de inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de monsters
op een zodanige wijze worden genomen dat deze representatief zijn voor
de emissies gedurende de periode van ιιn uur.
2
De analysefrequentie wordt bepaald door het bevoegd gezag. Hierbij
wordt rekening gehouden met de resultaten van de meting, bemonstering en
analyse.
3
Dioxines worden ιιn keer per jaar gemeten, tenzij naar het oordeel
van het bevoegd gezag met de gebruikte methode van monsterneming geen
representatief monster kan worden genomen.
4
De door degene die de inrichting drijft te gebruiken methode van
analyse is:
a. gaschromatografie voor VCM, EDC en waterstofchloride;
b. NEN-EN 1948, deel 1 tot en met 3, voor dioxines.
5
In afwijking van het onder 4 gestelde mag degene die de inrichting
drijft, een methode met een gelijke of hogere nauwkeurigheid gebruiken.
6
Degene die de inrichting drijft, draagt er zorg voor dat diffuse
emissie gekwantificeerd wordt door middel van de tracergasmethode of een
gelijkwaardige methode.
|