St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet milieubeheer (Wm)

 

REGELING  MONITORING  HANDEL  IN  EMISSIERECHTEN

Tekst zoals deze geldt op 21 maart 2009

Verwijderd uit ons regelingenbestand

 

  
 

 

 
REGELING van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 december 2004, nr.  KVI2004128141, houdende bepalingen met betrekking tot het bepalen en registreren van broeikasgasemissies ten behoeve van de implementatie van Richtlijn nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13  oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275) (Regeling monitoring handel in emissierechten)

     De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
     Gelet op Richtlijn nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275) en artikel 16.6, derde lid, van de Wet milieubeheer en de artikelen 5, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 7, 8, 9, eerste en tweede, 11, tweede lid, en 12, vierde lid, van het Besluit handel in emissierechten;

     Besluit:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

besluit: Besluit handel in emissierechten;

non-conformiteit: elke handeling of nalatigheid, bedoeld of onbedoeld, in de inrichting die in strijd is met de voorschriften van het monitoringsplan;

onjuiste opgave: omissie, verkeerde voorstelling of fout in het emissieverslag, met uitzondering van de toelaatbare onzekerheid;

standaardomstandigheden: omstandigheden met een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101,325 Pa ter bepaling van een kubieke meter normaal (Nm3), waarbij het vochtgehalte 0% is.

Hoofdstuk 2. Broeikasgasemissies

§ 2.1 Begripsbepalingen

Artikel 2. Begripsbepalingen

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

- activiteitsgegevens: gegevens over het gebruik en verbruik van de bronstromen;

- biobrandstof: biomassa bij de verbranding ten behoeve van energieopwekking;

- biomassa:

1°. niet-gefossiliseerd en biologisch afbreekbaar organisch materiaal dat afkomstig is van planten, dieren en micro-organismen;

2°. niet-gefossiliseerd en biologisch afbreekbaar organisch materiaal van producten, bijproducten, reststoffen en afvalstoffen afkomstig van landbouw, bosbouw en verwante bedrijfstakken;

3°. niet-gefossiliseerde en biologisch afbreekbare organische fracties van industriële en huishoudelijke afvalstoffen, of gassen en vloeistoffen die zijn gewonnen bij de ontbinding van niet-gefossiliseerd en biologisch afbreekbaar organisch materiaal,

waarbij onder biomassa in ieder geval de materialen in de bij deze regeling behorende bijlage VII worden verstaan, met uitzondering van turf en fossiele fracties;

- biomassafractie: massapercentage brandbaar biomassakoolstof in de totale massa koolstof in een monster;

- bron: binnen een inrichting afzonderlijk aanwijsbaar emissiepunt van waaruit CO2-emissies plaatsvinden;

- bronstroom: specifiek brandstoftype, specifieke grondstof of specifiek product waarvan het verbruik of de productie aanleiding geeft tot CO2-emissies uit een of meer bronnen, waarbij een onderscheid gemaakt kan worden tussen:

1°. de minimis-bronstromen;

2°. kleine bronstromen;

3°. grote bronstromen;

- commercieel verhandelbare brandstoffen: brandstoffen met een gespecificeerde samenstelling die regelmatig en vrij worden verhandeld, voor zover de partij in kwestie tussen economisch autonome entiteiten werd verhandeld, met inbegrip van alle commercieel verhandelbare standaardbrandstoffen, aardgas, lichte en zware stookolie, steenkool en petroleumcokes;

- commercieel verhandelbare materialen: materialen met een vaste samenstelling die regelmatig en vrij worden verhandeld, voor zover de partij in kwestie tussen economische autonome entiteiten werd verhandeld;

- commercieel verhandelbare standaardbrandstoffen: internationaal gestandaardiseerde commercieel verhandelbare brandstoffen, waarvoor het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de gespecificeerde calorische waarde ten hoogste 1% bedraagt;

- conservatief: gebaseerd op een nader in het monitoringsplan omschreven reeks aannames die garanderen dat de CO2-emissies niet worden onderschat;

- continue meetmethode: reeks handelingen die ten doel heeft de waarde van een grootheid te bepalen door middel van periodieke metingen die meerdere keren per uur plaatsvinden, waarbij hetzij in situ metingen in de schoorsteen, hetzij een extractieprocedure met een nabij de schoorsteen aangebracht meetinstrument worden gebruikt, met uitzondering van methoden die gebaseerd zijn op metingen aan monsters die individueel aan de schoorsteen worden onttrokken;

- CO2-eenheid: vaste eenheid binnen de inrichting die een procesemissie of een verbrandingsemisie in de lucht veroorzaakt met inbegrip van de bij die eenheid behorende voorzieningen voor de reiniging van rookgas;
de minimis-bronstromen: door degene die de inrichting drijft, geselecteerde kleine bronstromen die:

1°. gezamenlijk een kiloton of minder fossiel CO2 per kalenderjaar uitstoten, of

2°. minder dan 2% vertegenwoordigen van de totale jaarlijkse emissies van fossiel CO2 van de CO2-installatie vóór aftrek van het overgedragen CO2 tot een totaal maximum van 20 kiloton fossiel CO2 per kalenderjaar,

waarbij het criterium dat de hoogste absolute emissiewaarde oplevert, bepalend is;

- eindmaterialen: producten en bijproducten van een CO2-installatie waarbij in die producten en bijproducten CO2 wordt gebonden;

- emissiefactor: factor die is gebaseerd op het koolstofgehalte, uitgedrukt als tCO2/TJ, of overeenkomstig bijlage III.2 onder paragraaf 2.1, onder 1, uitgedrukt als tCO2/t of tCO2/ Nm3 voor verbrandingsemissies en uitgedrukt als tCO2/t of tCO2/ Nm3 voor procesemissies;

- energiebalansmethode: methode ter schatting van de hoeveelheid energie die in een CO2-eenheid met verbrandingsemissies als brandstof wordt gebruikt, waarbij deze hoeveelheid wordt berekend als de som van de nuttige warmte en alle relevante energieverliezen door straling en overdracht en via de rookgassen;

- inherent CO2: CO2 dat deel uitmaakt van een brandstof;

- kalibratie: reeks handelingen waarbij onder gespecificeerde voorwaarden het verband wordt vastgesteld tussen de waarden die worden aangegeven door een meetinstrument of een meetsysteem of de waarden belichaamd in een materiële maatstaf of een referentiemateriaal, en de overeenkomstige waarden, welke een grootheid aanneemt in een referentiestandaard en het meetinstrument of het meetsysteem alsmede de correcties voor dit verband;

- kleine bronstromen: door degene die de inrichting drijft, geselecteerde bronstromen die gezamenlijk 5 kiloton of minder fossiel CO2 per kalenderjaar uitstoten of die minder dan 10% van de totale jaarlijkse emissies van fossiel CO2 van de CO2-installatie vóór aftrek van het overgedragen CO2 vertegenwoordigen tot een totaal maximum van 100 kiloton fossiel CO2 per kalenderjaar, waarbij het criterium dat de hoogste absolute emissiewaarde oplevert, bepalend is;

- monitoringsmethodiek: het geheel van de methoden dat door degene die een inrichting drijft, wordt gebruikt om per bron of bronstroom de jaarvracht van de CO2 van een CO2-installatie te bepalen;

- niveau: indeling van een specifieke methodiek in een hiërarchisch opgezette reeks van nauwkeurigheden waarmee activiteitsgegevens, emissiefactoren en oxidatie- of conversiefactoren worden vastgesteld;

- onzekerheid: e en op basis van systematische en toevalsfactoren berekend betrouwbaarheidsinterval dat aangeeft binnen welke grenzen ten opzichte van het meetresultaat of het gemiddelde van meerdere meetresultaten de werkelijke waarde van de gemeten grootheid ligt;

- oxidatie- of conversiefactor: fractie van de theoretische CO2 die daadwerkelijk wordt geëmitteerd;

- partij: hoeveelheid brandstof of materiaal die hetzij in één keer, hetzij continu gedurende een bepaald tijdsverloop wordt verbruikt en gebruikt.

- procesemissie: emissie van CO2, niet zijnde een verbrandingsemissie, die optreedt ten gevolge van bedoelde of onbedoelde reacties tussen stoffen, of de transformatie daarvan, waaronder de chemische of elektrolytische reductie van metaalertsen, de thermische ontbinding van stoffen en de vorming van stoffen bedoeld om te worden gebruikt als product of als grondstof;

- variabelen: de hoeveelheid van de bronstroom, de calorische onderwaarde, de emissiefactor, het koolstofgehalte, de biomassafractie, de samenstellingsgegevens, de oxidatiefactor en de conversiefactor;

- verbrandingsemissie: emissie van CO2 die plaatsvindt bij de exotherme reactie van een brandstof met zuurstof;

- zuiver: kwalificatie die aangeeft dat bij toepassing op stoffen het materiaal of de brandstof voor ten minste 97% op massabasis bestaat uit de genoemde stof of het genoemde element, overeenstemmend met de handelsindeling ‘purum’ en bij toepassing op biomassa de totale massa koolstof in het materiaal of de brandstof voor ten minste 97% bestaat uit biomassakoolstof.

2. Voorzover dat niet reeds in het eerste lid is aangegeven, hebben de in het eerste lid gehanteerde begrippen betrekking op CO2 en de emissies van CO2.

§ 2.2. Aanvraag vergunning en inhoud monitoringsplan

Artikel 3 . Aanvraag vergunning, wijziging, aanvulling of intrekking

1. De aanvraag om een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, van de wet of de aanvraag tot wijziging, aanvulling of intrekking van een vergunning, bedoeld in artikel 16.20a van de wet, wordt gedaan door of namens degene die de inrichting drijft, waarop de aanvraag betrekking heeft.

2. De aanvraag wordt schriftelijk bij het bestuur van de emissieautoriteit ingediend.

3. Als onderdeel van de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, met uitzondering van de aanvraag om intrekking van de vergunning of de aanvraag tot wijziging van een aan de vergunning verbonden voorschrift, wordt een monitoringsplan ingediend, dat voldoet aan de eisen, gesteld in de artikelen 3a en 4.

Artikel 3a. Inhoud monitoringsplan algemeen

1. Indien de aanvraag om een vergunning betrekking heeft op het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, onder a, van de wet, vermeldt de aanvrager in het monitoringsplan voor de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, in elk geval de volgende gegevens:

a. de beoogde houder van de vergunning;

b. de naam, het adres en de ligging van de inrichting;

c. de naam van de contactpersoon van het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 van de wet voor de inrichting te verlenen;

d. de indeling, de activiteiten en de processen in de inrichting, voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de CO2-emissies in de lucht die daardoor kunnen worden veroorzaakt;

e. de wijze waarop in het emissieverslag verslag wordt gedaan van de CO2-jaarvracht en de gegevens betreffende het brandstofverbruik, het grondstofverbruik en de productie en de wijze waarop deze gegevens worden verkregen;

f. een overzicht van de beschikbaarheid en de vakbekwaamheid van de personen die met de uitvoering van het monitoringsplan en de controle op de naleving daarvan worden belast en de wijze waarop taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn verdeeld tussen deze personen;

g. de wijze waarop de werkzaamheden, bedoeld in artikel 17, door een meetinstantie worden verricht, en indien artikel 17, derde lid, van toepassing is: een lijst en beschrijving van de niet-geaccrediteerde meetinstanties, waarbij in de beschrijving wordt aangegeven dat de meetinstanties werken conform de eisen van de geaccrediteerde meetinstanties;

h. een beschrijving van de operationele procedures binnen de inrichting, die betrekking hebben op:

1°. de wijze waarop bedrijfsinterne validatie van de meetinstrumenten plaatsvindt, overeenkomstig paragaaf 2.5;

2°. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van het monitoringsplan op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, overeenkomstig paragraaf 2.6;

i. een beschrijving van de procedure waarin aan de hand van een schematische weergave alle operationele activiteiten zijn opgenomen waaronder het meten, bewerken en opslaan van gegevens, het opstellen van het emissieverslag, de verificatie daarvan en het verzenden van het emissieverslag aan het bestuur van de emissieautoriteit;

j. de werkomschrijvingen van de activiteiten, bedoeld onder j, die in het kader van de uitvoering van het monitoringsplan plaatsvinden;

k. een aanduiding of een melding is gedaan overeenkomstig artikel 8, tweede lid;

l. de datum waarop het monitoringsplan is opgesteld en het versienummer daarvan.

2. In het monitoringsplan vermeldt de aanvrager tevens een beschrijving alsmede een schematische weergave van:

a. de CO2-installatie die zich in de inrichting bevindt, en de afbakening daarvan binnen de inrichting;

b. de naam, de identificatie en het identificatienummer van de bronstromen binnen de inrichting;

c. de naam, de identificatie en het identificatienummer van de CO2-eenheden die zich binnen de inrichting bevinden;

d. de herkomst van de bronstromen;

e. de verdeling van de bronstromen over de CO2-eenheden binnen de inrichting;

f. indien een continue meetmethode als bedoeld in artikel 6, tweede lid, wordt toegepast: de naam en het identificatienummer van de bronnen die zich binnen de inrichting bevinden;

g. de aansluiting van de bronnen die zich binnen de inrichting bevinden op de CO2-eenheden;

h. de locatie, de naam, de identificatie en het identificatienummer van de meetinstrumenten die relevant zijn voor de bepaling van CO2-emissies;

i. het afzonderlijke en het totale thermisch vermogen van alle CO2-eenheden met verbrandingsemissies binnen de inrichting;

j. de afzonderlijke en de totale productiecapaciteit van alle CO2-eenheden met procesemissies binnen de inrichting.

3. Indien in het monitoringsplan ter onderbouwing van de gevraagde gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid en in artikel 3, verwijzingen zijn opgenomen, zijn deze verwijzingen traceerbaar en verifieerbaar.

4. Indien de houder van een vergunning krachtens artikel 16.49, eerste lid, onder a, van de wet een uitbreiding van de vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, onder a, in verbinding met artikel 16.5, tweede lid, van de wet aanvraagt, bevat het monitoringsplan tevens de gegevens, bedoeld in de artikelen 36 en 37.

5. In gevallen waarin de aanvraag betrekking heeft op een verandering als bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, onder b of c, van de wet, zijn het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing en vermeldt de aanvrager in het monitoringsplan voor de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, tevens:

a. het vergunningnummer van de op grond van artikel 16.5, eerste lid, onder a, van de wet verleende vergunning krachtens welke de inrichting in werking is;

b. de beoogde verandering;

c. het tijdstip waarop beoogd wordt de voorgenomen verandering te verwezenlijken.

6. Indien degene die een inrichting drijft, op het moment van de indiening van het monitoringsplan nog niet volledig aan de meetvoorschriften, bedoeld in paragraaf 2.3, of de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen, bedoeld in paragraaf 2.5, kan voldoen omdat dit technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten leidt, worden de technische niet-haalbaarheid van bedoelde voorschriften of de onredelijke kosten ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond in het monitoringsplan.

a. de reden waarom degene die een inrichting drijft, niet volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen kan voldoen, alsmede de onderbouwing daarvan;

b. het tijdstip en de wijze waarop degene die een inrichting drijft, wel volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen, zal voldoen;

c. de wijze waarop de jaarvracht van CO2 wordt bepaald in de periode waarin nog niet volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen wordt voldaan.

Artikel 4. Invulling monitoringsplan voor de CO2-installatie

Onverminderd artikel 3a wordt in het monitoringsplan tevens afzonderlijk voor de CO2-installatie die zich in de inrichting bevindt, vermeld:

a. de te monitoren bronstromen of CO2-eenheden binnen de CO2-installatie alsmede de naam, de identificatie en het identificatienummer;

b. indien een continue meetmethode als bedoeld in artikel 6, tweede lid, wordt toegepast: de naam en het identificatienummer van de bronnen die zich binnen de CO2-installatie bevinden;

c. het thermisch vermogen van CO2-eenheden met verbrandingsemissies binnen de CO2-installatie;

d. de productiecapaciteit van CO2-eenheden met procesemissies binnen de CO2-installatie;

e. de klassenbepaling van de CO2-installatie, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage IV;

f. indien artikel 4a, derde lid, of artikel 9a, tweede lid, van toepassing is: de geschatte omvang van de CO2-emissies per bronstroom en de geschatte omvang van de CO2-emissies van de CO2-installatie, uitgedrukt in absolute waarden en percentages van de totale emissies;

g. de wijze waarop met behulp van berekening of meting de totale CO2-jaarvracht wordt bepaald, alsmede de gehanteerde formules;

h. de methode waarmee per bronstroom de CO2-emissies worden berekend met inbegrip van de gehanteerde formule en de onderbouwing van de formule;

i. de methode waarmee per bron de CO2-emissies worden gemeten alsmede een onderbouwing van deze methode;

j. de wijze waarop de onder g, h en i bedoelde gegevens worden verkregen, geregistreerd en bewaard;

k. bij berekening van de CO2-emissies: een overzicht van de vereiste, toegepaste en behaalde niveaus, alsmede een onderbouwing van de toegepaste niveaus;

l. een beschrijving van de invoergegevens die voor de berekeningsformules of de correlatiemodellen ter bepaling van de CO2-jaarvracht worden gebruikt;

m. een beschrijving van de meetsystemen en een specificatie met inbegrip van de typen, het meetprincipe, het meetbereik en de specifieke locatie van de meetinstrumenten, die voor elke te monitoren bronstroom worden gebruikt;

n. indien een continue meetmethode als bedoeld in artikel 6, tweede lid, wordt toegepast: een overzicht van de vereiste, toegepaste en behaalde niveaus alsmede een onderbouwing van de toegepaste niveaus;

o. een beschrijving van de systemen en elementen voor continue meting, ten minste bestaande uit de meetpunten, de meetfrequentie, de gebruikte apparatuur, de kalibratieprocedures, de procedures voor gegevensverzameling en opslag van deze gegevens, de procedure voor de bepaling van ontbrekende gegevens, alsmede de methode die wordt gevolgd om de resultaten van de continue metingen te controleren;

p. de methode om voor de bemonstering van elke bronstroom de calorische onderwaarde, het koolstofgehalte, de emissiefactoren, de oxidatie- en conversiefactor en het biomassagehalte te bepalen;

q. de analysemethoden of informatiebronnen om voor elke bronstroom de calorische onderwaarde, het koolstofgehalte, de emissiefactoren, de oxidatie- en conversiefactor of de biomassafractie te bepalen;

r. de gegevens waaruit blijkt dat de toepasselijke onzekerheidsniveaus voor de variabelen voor elke bronstroom worden nageleefd;

s. indien de methode, bedoeld in artikel 12b wordt toegepast: de methode en de onzekerheidsanalyse;

t. indien van toepassing: koppelingen met activiteiten die plaatsvinden in het kader van het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), dan wel een ander intern milieuzorgsysteem;

u. indien toepassing wordt gegeven aan artikel 13, eerste lid: de onderbouwing van de monitoringsmethodiek van de CO2 die wordt overgedragen.

Artikel 4a. Uitzondering eisen monitoringsplan voor CO2-installaties met een lage CO2-emissie

1. Voor inrichtingen waarbinnen zich een CO2-installatie bevindt met een uitstoot per kalenderjaar van minder dan 25.000 ton fossiel CO2, inclusief de overgedragen CO2, gelden de volgende bepalingen:

a. de artikelen 3a, eerste lid, onder g en k, en 4, onder p tot en met t, zijn niet van toepassing;

b. artikel 3a, onder i, onder 1°, is niet van toepassing, op voorwaarde dat degene die de inrichting drijft, de kalibratiefrequentie en de verwijzing naar kalibratierapporten opneemt in het monitoringsplan;

c. degene die de inrichting drijft, mag in afwijking van de artikelen 7 en 15a voor de bepaling van het verbruik van de bronstromen gebruik maken van de geregistreerde facturen overeenkomstig artikel 27 en geschatte voorraadwijzigingen, op voorwaarde dat de facturen beschikbaar zijn;

d. degene die de inrichting drijft, mag zich in afwijking van artikel 15a voor de bepaling van de onzekerheid van de activiteitsgegevens baseren op de informatie die door de leverancier van de betrokken meetapparatuur is verstrekt, ongeacht de specifieke gebruiksomstandigheden.

2. Het eerste lid is van toepassing indien degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit kan aantonen dat de jaarvracht gedurende de voorgaande planperiode minder dan 25.000 ton fossiel CO2 bedroeg , inclusief de overgedragen CO2.

3. Het eerste lid is tevens van toepassing indien degene die de inrichting drijft, in gevallen waarin de gegevens over de voorgaande planperiode, bedoeld in het tweede lid:

a. niet representatief zijn voor de CO2-jaarvracht in de lopende planperiode of

b. niet beschikbaar zijn,

ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aan de hand van een conservatief onderbouwde schatting van de emissies aantoont dat de jaarvracht van de CO2-installatie gedurende de eerstvolgende vijf jaren gemiddeld minder dan 25.000 ton fossiel CO2 per kalenderjaar bedraagt.

Artikel 5. Model monitoringsplan

1. Het monitoringsplan wordt opgesteld met gebruikmaking van het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage I.

2. Van dit model mag uitsluitend worden afgeweken indien de reden daarvoor ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit wordt gemotiveerd.

Artikel 5a. Verzoek tot intrekking vergunning

Indien titel 16.2 van de wet, nadat een vergunning als bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, van de wet is verleend, door een omstandigheid niet meer van toepassing zal zijn op de inrichting, wordt binnen zes weken nadat de houder van de vergunning van deze omstandigheid kennis heeft genomen of hiervan in redelijkheid kennis heeft kunnen nemen, een verzoek tot intrekking of wijziging van de vergunning ingediend bij het bestuur van de emissieautoriteit.

§ 2.3. Monitoringsmethodiek CO2

Artikel 6. Bepalen van de CO2-emissies

1. Degene die een inrichting drijft, bepaalt de CO2-jaarvracht van de CO2-installatie per bronstroom met gebruikmaking van de rekenmethode die voor deze CO2-installatie ingevolge de bij deze regeling behorende bijlage II van toepassing is.

2. In afwijking van het eerste lid mag de CO2-jaarvracht van de CO2-installatie per bron worden bepaald door hantering van een continue meetmethode waarbij de CO2-emissies van die bron worden vastgesteld door continue meting van de concentratie van de CO2-emissies in het rookgas en het rookgasdebiet overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XII, indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat:

a. met deze methode een grotere nauwkeurigheid wordt verkregen dan met de rekenmethode, bedoeld in het eerste lid, en onredelijke kosten kunnen worden vermeden;

b. voor de vergelijking tussen deze methode en de rekenmethode, bedoeld in het eerste lid, is uitgegaan van dezelfde combinatie van bronnen en bronstromen van CO2-emissies.

Artikel 6a. Continue meetmethode

1. Indien een continue meetmethode, bedoeld in artikel 6, tweede lid, wordt gehanteerd, past degene die de inrichting drijft, het hoogste niveau als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XII, hoofdstuk XII.1, toe op elke bron waarvan de CO2-emissie met behulp van continue meting wordt bepaald.

2. Indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat het hoogste niveau, bedoeld in het eerste lid, technisch niet haalbaar is of leidt tot onredelijke kosten, mag voor de betrokken bron het eerstvolgende lagere niveau worden aangehouden.

3. In afwijking van het eerste lid wordt voor de tweede planperiode, welke loopt van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012, ten minste niveau 2 van de bij deze regeling behorende bijlage XII, hoofdstuk XII.1 toegepast, tenzij dit technisch niet haalbaar is.

Artikel 7. Bepaling activiteitgegevens

1. De activiteitsgegevens worden op jaarbasis verstrekt.

2. Indien de hoeveelheid van de bronstroom voor de berekening van de CO2-emissies niet rechtstreeks kan worden bepaald door middel van een rekenmethode als bedoeld in artikel 6, eerste lid, bepaalt degene die een inrichting drijft, de activiteitgegevens via een voorraadbalans overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage III, hoofdstuk III.1.

3. In gevallen waarin ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit de bepaling van de jaarlijkse hoeveelheid van de bronstroom als bedoeld in het tweede lid voor een kalenderjaar technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten zou leiden, mag degene die de inrichting drijft, de eerstvolgende werkdag die redelijkerwijs geëist kan worden, als grensdatum tussen twee opeenvolgende kalenderjaren hanteren, waarbij een onderschatting van de CO2-jaarvracht wordt voorkomen. Een dergelijke afwijking, die kan gelden voor een of meer bronstromen, wordt:

a. duidelijk geregistreerd,

b. verdisconteerd in een waarde die representatief is voor het kalenderjaar en

c. op consistente wijze in aanmerking genomen bij de bepaling van de jaarlijkse hoeveelheid van de bronstroom met betrekking tot het daaropvolgende kalenderjaar.

Artikel 8. Bepaling emissiefactoren

1. Degene die een inrichting drijft, bepaalt de emissiefactor door middel van een rekenmethode die op grond van artikel 6, eerste lid, van toepassing is op die CO2-installatie overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlagen III, hoofdstuk III.2, V, hoofdstuk V.1 en V.3, en VI.

2. In afwijking van het eerste lid, houdt degene die de inrichting drijft, in het geval van verbranding van aardgas in de inrichting, voor de bepaling van de CO2-emissiefactor van CO2-installaties van de klassen B en C, voor de tweede planperiode welke loopt van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012, de door de minister aan het begin van elk kalenderjaar in de Staatscourant te publiceren waarde aan, indien degene die de inrichting drijft, zulks aan de minister heeft gemeld.

3. In afwijking van het eerste lid is in geval van verbranding van aardgas als bedoeld in het tweede lid paragraaf 1.2.2.1, onder de punten a2 en b, van de bij deze regeling behorende bijlage II niet van toepassing.

4. In geval van verbranding van aardgas als bedoeld in het tweede lid wordt, indien de massabalansmethode, bedoeld in de paragrafen 1.2.2.2, 3.2.2.1, 4.2.2.1 en 5.2.2.1, van de bij deze regeling behorende bijlage II wordt toegepast, de waarde van aardgas gehanteerd die is vermeld in de bij deze regeling behorende bijlage VI.

5. De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk op 15 oktober 2007 of, indien het gaat om een inrichting waarvoor het bepaalde in artikel 16.5, eerste lid, van de wet is gaan gelden na 15 oktober 2007, bij de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, van de wet.

6. Degene die een inrichting drijft, registreert alle informatie betreffende de toegepaste emissiefactoren, met inbegrip van de informatiebronnen over en de analyseresultaten van brandstoffen, uitgangsmaterialen en eindmaterialen, overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage II.

Artikel 9. Bepaling oxidatie- of conversiefactoren

1. Degene die een inrichting drijft, bepaalt de oxidatiefactor door middel van een rekenmethode, die op grond van artikel 6, eerste lid, van toepassing is op die CO2-installatie overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlagen III, hoofdstuk III.3 en V, hoofdstuk V.2.

2. Degene die een inrichting drijft, bepaalt de conversiefactor door middel van een rekenmethode die op grond van artikel 6, eerste lid, van toepassing is op die CO2-installatie overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage III, hoofdstuk III.3.

3. Degene die een inrichting drijft, registreert alle relevante informatie betreffende de toegepaste oxidatie- of conversiefactoren, met inbegrip van de informatiebronnen over en de analyseresultaten van brandstoffen, uitgangsmaterialen en eindmaterialen, overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage II.

Artikel 9a. Klassenindeling

1. Voor het bepalen van de klasse van de CO2-installatie, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage IV, wordt voor de aftrek van de overgedragen CO2 de gemiddelde hoeveelheid fossiele CO2-emissies gehanteerd die de inrichting gedurende de voorgaande planperiode jaarlijks heeft veroorzaakt en daarover gerapporteerd in het emissieverslag.

2. Indien de gedurende de voorgaande planperiode veroorzaakte fossiele CO2-emissies niet bekend zijn of de gerapporteerde CO2-jaarvracht in het emissieverslag onjuist blijkt te zijn, maakt degene die de inrichting drijft, voor het bepalen van de klasse van de CO2-installatie, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage IV, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit een conservatief onderbouwde schatting van de jaarlijkse hoeveelheid CO2-emissies voor aftrek van de overgedragen hoeveelheid CO2.

Artikel 10. Te hanteren niveaus

1. Het hoogste op grond van deze regeling geldende niveau wordt toegepast voor alle variabelen die worden gebruikt om per bronstroom binnen de CO2-installatie van de klassen B of C, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage IV, de jaarvracht van CO2 te bepalen, overeenkomstig artikel 6, eerste lid, en daarover te rapporteren.

2. In afwijking van het eerste lid mag voor de variabelen binnen een monitoringsmethodiek het eerstvolgende lagere niveau worden toegepast indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan is aangetoond dat de methode van het hoogste niveau voor de betrokken activiteitsgegevens, emissiefactoren en oxidatie- of conversiefactoren technisch niet haalbaar is of zou leiden tot onredelijke kosten.

3. In afwijking van het eerste lid geldt de eis voor het toepassen van het hoogste niveau niet voor oxidatiefactoren.

4. Onverminderd het eerste en tweede lid geldt voor alle grote bronstromen dat degene die een inrichting drijft, ten minste de in de bij deze regeling behorende bijlage IV opgenomen niveaus aanhoudt om de CO2-jaarvracht vast te stellen, tenzij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan is aangetoond dat dit technisch niet haalbaar is.

Artikel 11. Lagere niveaus voor kleinere bronnen

1. In afwijking van artikel 10, eerste en tweede lid, mogen voor kleine bronstromen lagere niveaus worden toegepast voor de variabelen die worden gebruikt om CO2-emissies uit bronstromen te berekenen.

2. In afwijking van artikel 10, eerste en tweede lid, mag degene die een inrichting drijft, voor de minimis-bronstromen voor de monitoring gebruik maken van een eigen, niet onder een niveau vallende schattingsmethode, indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan een beschrijving is opgenomen van deze methode.

Artikel 11a. Lagere niveaus zuivere biobrandstoffen en materialen

In afwijking van artikel 10, eerste en tweede lid, mogen voor de hoeveelheid en de calorische onderwaarde van zuivere biobrandstoffen en materialen schattingsmethoden worden toegepast waarvoor geen nauwkeurigheidsniveau is bepaald, tenzij de geschatte CO2-emissies worden gebruikt voor het in mindering brengen van de CO2-emissies die door middel van continue meting als bedoeld in artikel 6, tweede lid, zijn bepaald. Gemengde brandstoffen en materialen die biomassa bevatten, worden gekarakteriseerd overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.4, tenzij de bronstroom als de minimis wordt geselecteerd.

Artikel 12. Tijdelijke niet haalbaarheid van het niveau

1. Indien een aan de de variabelen gekoppeld niveau dat in het monitoringsplan is vermeld, tijdelijk om technische redenen niet haalbaar is, mag degene die een inrichting drijft, het hoogst haalbare lagere niveau toepassen totdat de omstandigheden voor de toepassing van het oorspronkelijke niveau zijn hersteld.

2. Degene die een inrichting drijft, neemt alle noodzakelijke maatregelen teneinde te verzekeren dat de afwijking zo spoedig mogelijk wordt beëindigd.

Artikel 12a. Lagere niveaus voor CO2-installaties met een lage CO2-emissie

In afwijking van artikel 10, eerste en tweede lid, mag degene die een inrichting drijft die aan artikel 4a, eerste lid, voldoet, voor bronstromen lagere niveaus toepassen voor de variabelen die worden gebruikt om CO2-emissies uit bronstromen te berekenen.

Artikel 12b. Afwijkende monitoringsmethodiek

1. In afwijking van artikel 10, eerste en tweede lid, kan degene die een inrichting drijft, wanneer het technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten zou leiden om ten minste niveau 1 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage IV voor een of meer bronstromen aan te houden, tijdelijk een afwijkende monitoringsmethodiek hanteren op voorwaarde dat:

a. deze monitoringsmethodiek voor de gehele CO2-installatie geldt,

b. deze monitoringsmethodiek niet wordt toegepast in geval van een continue meetmethode als bedoeld in artikel 6, tweede lid, en

c. ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat met deze methodiek wordt voldaan aan de bij deze regeling behorende bijlage IVA vermelde drempelwaarden voor de totale onzekerheid met betrekking tot de jaarlijkse CO2-emissies van de CO2-installatie.

2. Ter uitvoering van de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onder c, kwalificeert degene die de inrichting drijft, ten minste de onzekerheden ten aanzien van alle variabelen die bij het berekenen van de CO2-jaarvracht worden gebruikt, waarbij rekening wordt gehouden met ISO 5186: 2005 en de gegevens uit het voorgaande kalenderjaar worden gebruikt.

3. Degene die de inrichting drijft, toont jaarlijks aan het bestuur van de emissieautoriteit in het emissieverslag de noodzaak aan van het hanteren van een afwijkende monitoringsmethodiek als bedoeld in het eerste lid. Tevens worden de gegevens, bedoeld in het tweede lid, jaarlijks in het monitoringsplan geactualiseerd.

Artikel 13. Overgedragen CO2

1. De CO2 die wordt overgebracht naar een CO2-installatie als bestanddeel van een gemengde brandstof, wordt voor die CO2-installatie meegeteld in de emissiefactor voor die brandstof.

2. In gevallen waarin een deel van het overgedragen CO2 afkomstig is van biomassa, of wanneer binnen een inrichting activiteiten worden verricht die een emissie van CO2 in de lucht veroorzaken, behorende tot een categorie die niet is aangewezen in de bij het besluit behorende bijlage I, brengt degene die een inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit slechts het gedeelte van de massa overgedragen CO2 in mindering dat afkomstig is van fossiele brandstoffen en materialen die voor onder de bij het besluit behorende bijlage I vallende activiteiten zijn gebruikt.

Artikel 14. Biomassa

Het deel van de berekende of gemeten CO2-emissies, afkomstig van biomassa, wordt in mindering gebracht op de totale CO2-emissies van de CO2-installatie door middel van de ingevolge artikel 6, eerste lid, toegepaste rekenmethode.

Artikel 15. Normen voor de meting van CO2-emissies

1. Meetprocedures voor concentraties van CO2 alsmede voor de massa- of volumestroom van rookgassen worden uitgevoerd volgens relevante CEN-normen.

2. Indien geen CEN-normen als bedoeld in het eerste lid bestaan, worden ISO-normen gebruikt dan wel andere nationale of internationale normen indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan is aangetoond dat deze normen waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige kwaliteit worden verstrekt.

3. Een in het eerste lid bedoelde CEN-norm heeft betrekking op de laatst uitgegeven norm met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een uitgegeven norm, aanvulling, onderscheidenlijk correctieblad, wordt eerst van toepassing één jaar na de datum van de uitgifte.

4. Onze Minister doet van de uitgifte van CEN-normen als bedoeld in het derde lid alsmede van de uitgifte van aanvullingen en correctiebladen voor deze normen zo spoedig mogelijk na uitgifte mededeling door kennisgeving in de Staatscourant.

Artikel 15a. Beoordeling van de onzekerheid van de meetinstrumenten

1. Degene die een inrichting drijft, bepaalt de jaarlijkse onzekerheid van het meetinstrument waarmee de hoeveelheid bronstroom wordt gemeten overeenkomstig de norm EN ISO 5168:2005 en de ‘Guide to the Expression of Uncertainty in Measurement’, ISO/TAG 4.

2. Bij het bepalen van de onzekerheid van het meetinstrument wordt rekening gehouden met de voor dat instrument specifieke onzekerheid en de manier waarop het meetinstrument in de praktijk functioneert en wordt gebruikt.

3. In afwijking van het eerste lid mag degene die een inrichting drijft, de voor het meetinstrument specifieke onzekerheid als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage XIV hanteren op voorwaarde dat het meetinstrument voldoet aan de eisen die zijn neergelegd in de bij deze regeling behorende bijlage XIV.

4. Indien het meetinstrument niet aan de eisen als bedoeld in het derde lid voldoet, telt degene die een inrichting drijft, een conservatieve en onderbouwde schatting van het effect dat het niet voldoen aan deze eisen heeft op de onzekerheid van het meetinstrument, op bij de onzekerheid als bedoeld in het derde lid.

5. Indien het meetinstrument niet in de bij deze regeling behorende bijlage XIV wordt genoemd als bedoeld in het derde lid, baseert degene die een inrichting drijft, de jaarlijkse onzekerheid van het meetinstrument en de voor dat instrument specifieke voorwaarden op de gegevens van de leverancier van het meetinstrument.

6. De additionele onzekerheid die samenhangt met de manier waarop het meetinstrument in de praktijk functioneert of wordt gebruikt, wordt ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit bepaald door middel van een conservatieve en onderbouwde schatting.

7. In afwijking van het zesde lid mag degene die een inrichting drijft, een onzekerheid van 0% hanteren voor de additionele onzekerheid die samenhangt met de manier waarop het meetinstrument in de praktijk functioneert of wordt gebruikt indien:

a. het meetinstrument is ingebouwd volgens de voorschriften van de meetfabrikant of, indien deze voorschriften niet beschikbaar zijn, volgens de algemene voorschriften die gelden voor het meetprincipe,

b. het gas, de vloeistof of de vaste stof die door het meetinstrument wordt gemeten, een medium is waarvoor het meetinstrument is ontworpen volgens de voorschriften van de meetfabrikant of indien deze voorschriften niet beschikbaar zijn, volgens de algemene voorschriften die gelden voor het meetprincipe en

c. de onzekerheid niet nadelig is beïnvloed door andere factoren.

8. In afwijking van het zesde lid mag degene die een inrichting drijft die aan artikel 4a, voldoet, een onzekerheid van 0% hanteren voor de additionele onzekerheid die samenhangt met de manier waarop het meetinstrument in de praktijk functioneert of wordt gebruikt.

9. Bij de bepaling van de onzekerheid voor gasmeters corrigeert degene die een inrichting drijft, de hoeveelheid gas overeenkomstig bijlage XIII.1.

10. Bij de bepaling van de onzekerheid voor gasmeters telt degene die een inrichting drijft, de onzekerheden van de drukmeting en de temperatuurmeting als onafhankelijke parameters op bij de onzekerheid van de gasmeter als bedoeld in bijlage XIII.1 indien er sprake is van drukcorrectie en een temperatuurcorrectie aan de hand van drukmetingen en temperatuurmetingen bij de betreffende gasmeter.

11. De onzekerheid van het meetinstrument wordt bepaald door de onzekerheid als bedoeld in het derde en zesde lid en, indien van toepassing, het tiende lid op te tellen overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XIII, hoofdstuk XIII.2.

Artikel 15b. Beoordeling van de onzekerheid van het meetsysteem

1. Degene die een inrichting drijft, bepaalt de onzekerheid van het meetsysteem waarmee de hoeveelheid bronstroom wordt gemeten, door de onzekerheden van de meetinstrumenten te combineren overeenkomstig de norm ISO 5168:2005 en de ‘Guide to the Expression of Uncertainty in Measurement’, ISO/TAG 4.

2. Indien degene die de inrichting drijft de onzekerheid van het meetinstrument heeft bepaald als bedoeld in artikel 15a, derde tot en met elfde lid, mag hij in afwijking van het eerste lid de onzekerheid van het meetsysteem waarmee de hoeveelheid bronstroom wordt gemeten, bepalen door de onzekerheden van de meetinstrumenten te combineren overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XIII, hoofdstuk XIII.3.

3. Indien er sprake is van een druk- en temperatuurcorrectie aan de hand van één centrale druk- en temperatuurmeting, telt degene die de inrichting drijft, de onzekerheden van de drukmeting en de temperatuurmeting op als afhankelijke parameters bij de onzekerheid van het meetsysteem.

Artikel 15c. Onzekerheid van commercieel verhandelbare brandstoffen en materialen

In afwijking van de artikelen 15a en 15b mag degene die een inrichting drijft, zich voor de bepaling van de jaarlijkse hoeveelheid commercieel verhandelbare brandstoffen en commercieel verhandelbaar materiaal baseren op overeenkomstig artikel 27 geregistreerde facturen, indien hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat de onzekerheidseisen die voor commercieel verhandelbare brandstoffen en commercieel verhandelbare materialen zijn neergelegd in relevante nationale of internationale normen, voldoen aan de onzekerheidseisen die in de bij deze regeling behorende bijlage II zijn neergelegd voor de hoeveelheid commercieel verhandelbare brandstoffen en commercieel verhandelbare materiaal.

Artikel 15d. Bepaling van de onzekerheid van een meetinstrument dat gemoeid is met de overschatting van de CO2-emissie

1. Indien niet alle CO2-eenheden binnen de inrichting onder de CO2-installatie vallen, mag degene die de inrichting drijft, de CO2-emissies van de CO2-installatie als volgt overschatten:

a. de CO2-emissies die niet onder het systeem van handel in broeikasgasemissierechten vallen, worden niet afgetrokken van de totale CO2-emissies of

b. de CO2-emissies die samenhangen met het onzekerheidspercentage dat het meetinstrument afwijkt om aan het vereiste niveau voor de bronstroom te voldoen, worden opgeteld bij de CO2-emissies die afkomstig zijn van de CO2-installatie.

2. Onverminderd de artikelen 15a en 15b mag degene die een inrichting drijft, het onzekerheidspercentage waarmee de CO2-emissies van de CO2-installatie worden overschat als bedoeld in het eerste lid, onder b, aftrekken van de daadwerkelijke onzekerheid van het meetinstrument dat wordt gebruikt om de hoeveelheid bronstroom te bepalen.

Artikel 16. Combinatie rekenmethode en meetmethode

1. Degene die een inrichting drijft, mag de meting en de berekening voor verschillende bronnen of bronstromen die tot één CO2-installatie behoren, combineren.

2. Indien degene die een inrichting drijft, de meting en berekening combineert overeenkomstig het eerste lid, toont hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan aan dat er geen hiaten en dubbeltellingen ten aanzien van de CO2-emissies optreden.

§ 2.4 Meetinstanties

Artikel 17. Uitvoering van werkzaamheden door een meetinstantie

1. Werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid worden verricht door een meetinstantie die voor deze verrichtingen is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005.

2. De door een meetinstantie uit te voeren werkzaamheden omvatten in elk geval:

a. de bepaling van de emissiefactor, het koolstofgehalte en de calorische onderwaarde van de brandstof, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.1;

b. de bepaling van emissiefactoren van de procesemissies, conversiefactoren en gegevens over de samenstelling van ingezette materialen en eindmaterialen, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.3;

c. de bepaling van specifieke oxidatiefactoren en onderliggende gegevens, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.2;

d. de bepaling van de biomassafractie, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage V, hoofdstuk V.4;

e. de uitvoering van parallelle metingen die plaatsvinden in het kader van de kwaliteitsborging van continue metingen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.

3. In afwijking van het eerste lid mag voor de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, een meetinstantie worden ingeschakeld die voor het uitvoeren van deze verrichtingen niet is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005, op voorwaarde dat degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont:

a. dat deze meetinstantie voldoet aan eisen die gelijkwaardig zijn aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;

b. dat deze meetinstantie technisch competent en in staat is om technisch geldige resultaten te genereren waarbij relevante analytische procedures worden gebruikt.

4. Indien een meetinstantie wordt ingeschakeld als bedoeld in het derde lid, vindt bij de totstandkoming van het contract tussen degene die een inrichting drijft, en deze meetinstantie een validatie van elke relevante analysemethode plaats alsmede een jaarlijkse onderlinge vergelijking van de analyseresultaten.

5. De validatie van elke relevante analysemethode die door de meetinstantie wordt toegepast, wordt uitgevoerd door een volgens EN ISO 17025:2005 geaccrediteerde meetinstantie met een referentiemethode. De validatie omvat een voldoende aantal herhalingen van de analysemethode van een reeks van ten minste vijf monsters die representatief zijn voor het verwachte waardenbereik, inclusief een blancomonster voor elke relevante parameter en brandstof of materiaal.

6. De onderlinge vergelijking van de resultaten van de relevante analytische methoden vindt jaarlijks plaats door een volgens EN ISO 17025:2005 geaccrediteerde meetinstantie waarbij:

a. voor elke relevante parameter en brandstof of materiaal de analyse van een representatief monster met behulp van de referentiemethode ten minste vijfmaal wordt herhaald;

b. indien een verschil wordt vastgesteld dat zodanig is dat de emissies zouden kunnen worden onderschat: degene die de inrichting drijft:

1°. alle relevante gegevens voor het betrokken kalenderjaar in conservatieve zin bijstelt;

2°. alle statistisch significante verschillen, te weten 2σ, tussen de eindresultaten ter kennis van het bestuur van de emissieautoriteit brengt en deze tegenstrijdigheden onverwijld opheft onder toezicht van een volgens EN ISO 17025:2005 geaccrediteerde meetinstantie.

7. In afwijking van het eerste lid mag degene die een inrichting drijft die aan artikel 4a, eerste lid, voldoet, voor werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid een meetinstantie inschakelen die niet is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005 op voorwaarde dat:

a. hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat deze meetinstantie over de technische competentie beschikt en in staat is om middels de betrokken analytische procedures technisch geldige resultaten te produceren, en

b. deze meetinstantie jaarlijks wordt gevalideerd door een volgens EN ISO 17025:2005 geaccrediteerde meetinstantie en zo nodig naar aanleiding hiervan corrigerende maatregelen treft.

8. Voor de bepaling van de gegevens over de samenstelling van gasvormige brandstoffen en materialen mag ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit gebruik worden gemaakt van on-line gaschromatografen en analyses met behulp van gasanalyseapparatuur, welke voldoen aan de eisen van EN ISO 9001:2000.

9. Kalibratiediensten en leveranciers van kalibratiegassen zijn geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005.

10. Indien gebruik wordt gemaakt van een systeem als bedoeld in het achtste lid worden initiële en jaarlijkse herhaalde validaties van dit systeem uitgevoerd door een volgens EN ISO 17025:2005 geaccrediteerde meetinstantie, waarbij EN ISO 10723:1995 ‘Natural gas- Performance evaluation for on-line analytical systems’ wordt toegepast.

11. In alle andere gevallen dan bedoeld in het tiende lid vinden in opdracht van degene die een inrichting drijft, een initiële validatie en een jaarlijkse onderlinge vergelijking van de analyseresultaten plaats.

12. De initiële validatie, bedoeld in het elfde lid, vindt plaats voor 31 januari 2008, dan wel als onderdeel van de inbedrijfstelling van een nieuw systeem als bedoeld in het achtste lid. Zij omvat een passend aantal herhalingen van de analyse van een reeks van ten minste vijf monsters die representatief zijn voor het verwachte waardenbereik, inclusief een blancomonster voor elke relevante parameter, brandstof of materiaal, teneinde de herhaalbaarheid van de methode te karakteriseren en de kalibratiecurve van het instrument op te stellen.

13. De onderlinge vergelijking van de resultaten van de analytische methoden, bedoeld in het elfde lid, vindt jaarlijks plaats waarbij:

a. voor elke relevante parameter en brandstof of materiaal de analyse van een representatief monster met behulp van de referentiemethode een passend aantal keren wordt herhaald;

b. indien een verschil wordt vastgesteld dat zodanig is dat de emissies zouden kunnen worden onderschat degene die de inrichting drijft:

1°. alle relevante gegevens voor het betrokken kalenderjaar in conservatieve zin bijstelt, en

2°. alle statistisch significante verschillen, te weten 2σ, tussen de eindresultaten ter kennis van het bestuur van de emissieautoriteit brengt en deze tegenstrijdigheden onverwijld opheft onder toezicht van een volgens EN ISO 17025:2005 geaccrediteerde meetinstantie.

§ 2.5 Kwaliteitsborging meetvoorzieningen

Artikel 18. Kwaliteitsborging CO2-metingen

1. Kwaliteitsborging van de CO2-jaarvracht bepaald met behulp van continue metingen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, geschiedt conform de norm NEN-EN 14181.

2. Degene die een inrichting drijft, registreert de resultaten van de kwaliteitsborging, bedoeld in het eerste lid, in het register operationele registraties, bedoeld in artikel 27, eerste lid.

3. Op grond van de resultaten, bedoeld in het tweede lid, beoordeelt degene die een inrichting drijft, de geldigheid van de resultaten van eerder uitgevoerde metingen en registreert hij de uitkomst van de beoordeling in het register operationele registraties, bedoeld in artikel 27, eerste lid.

4. Ingeval uit de kalibratie en controles blijkt dat de ter bepaling van de jaarvracht geïnstalleerde meet-, monstername- en analyseapparatuur of de apparatuur voor de automatische verwerking van meetresultaten niet naar behoren functioneert, neemt degene die een inrichting drijft, onmiddellijk maatregelen teneinde te verzekeren dat deze situatie zo spoedig mogelijk wordt beëindigd.

Artikel 19. Metingen m.b.v. apparatuur

1. In de gevallen waarin geen continue meting, bedoeld in artikel 6, tweede lid, plaatsvindt, draagt degene die een inrichting drijft, er zorg voor dat de ter bepaling van de jaarvracht geïnstalleerde meet-, monstername- of analyseapparatuur en de apparatuur voor de automatische verwerking van meetresultaten, regelmatig en voorafgaand aan het gebruik wordt gekalibreerd, bijgesteld en gecontroleerd op grond van meetnormen die, indien beschikbaar, zijn afgeleid van relevante internationale meetnormen.

2. Degene die een inrichting drijft, registreert de resultaten van voor de kwaliteitsborging benodigde werkzaamheden in het register operationele registraties, bedoeld in artikel 27, eerste lid.

3. Op grond van de resultaten, bedoeld in het tweede lid, beoordeelt degene die een inrichting drijft, de geldigheid van de resultaten van eerder uitgevoerde metingen en registreert hij de uitkomst van de beoordeling in het register operationele registraties, bedoeld in artikel 27, eerste lid.

4. Ingeval uit de kalibratie en controles blijkt dat de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, niet naar behoren functioneert, neemt degene die een inrichting drijft, onmiddellijk maatregelen teneinde te verzekeren dat deze situatie zo spoedig mogelijk wordt beëindigd.

5. Degene die een inrichting drijft, geeft in het monitoringsplan aan welke onderdelen van een meetinstrument niet kunnen worden gekalibreerd, en stelt alternatieve controleactiviteiten voor.

Artikel 20. Meetvoorzieningen

Bij een CO2-installatie worden de voorzieningen aangebracht die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de voorgeschreven metingen.

Artikel 21. Melding periodieke of parallelmeting

1. Degene die een inrichting drijft, meldt het bestuur van de emissieautoriteit ten minste twee weken van tevoren de datum en het tijdstip waarop een parallelle meting zal worden uitgevoerd.

2. Indien een parallelle meting geen doorgang vindt, wordt dit aan het bestuur van de emissieautoriteit uiterlijk op de datum waarop de parallelle meting zou worden uitgevoerd, gemeld.

Artikel 22. Melding indien geen gebruik wordt gemaakt van de meetresultaten

1. Degene die een inrichting drijft, bepaalt binnen tien werkdagen nadat de resultaten van een parallelle meting bekend zijn geworden, of hij gebruik maakt van die resultaten.

2. Indien degene die de inrichting drijft, geen gebruik maakt van de resultaten van een parallelle meting, meldt hij dit binnen twee weken nadat de resultaten van die meting bekend zijn geworden, onder opgave van redenen aan het bestuur van de emissieautoriteit. Bij deze melding worden bedoelde meetresultaten bijgevoegd.

Artikel 23. Bedrijfsinterne validatieprocedure

1. De in het monitoringsplan beschreven bedrijfsinterne validatieprocedure bestaat uit de volgende activiteiten:

a. het opstellen en beheer van een jaarplan van bedrijfsinterne validatie;

b. het opstellen van de bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden;

c. de registratie van resultaten van de bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden;

d. de controle op de wijze waarop bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden hebben plaatsgevonden en de correctieve acties die naar aanleiding daarvan zullen worden genomen.

2. Voor elk van de activiteiten in de bedrijfsinterne validatieprocedure wordt een werkomschrijving opgesteld, bestaande uit een beschrijving van:

a. de te valideren meetapparatuur, de berekeningsmethodieken, de uitvoering van vergelijkende metingen en de frequentie daarvan;

b. de wijze waarop in detail en stapsgewijs bedrijfsinterne validatie plaatsvindt;

c. de wijze waarop, de personen door wie en de plaats waar de resultaten van de bedrijfsinterne validatie worden geregistreerd.

3. Indien uit de bedrijfsinterne validatie blijkt dat de gemeten waarde niet valt binnen de toegestane nauwkeurigheidseisen en de voor de bedrijfsinterne validatie geldende streefwaarden volgens de specifieke rekenmethoden, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage II, wordt dit aan het bestuur van de emissieautoriteit gemeld.

§ 2.6 Kwaliteitsborging interne bedrijfsprocedures en organisaties

Artikel 24. Kwaliteitsborging

1. Degene die een inrichting drijft, stelt de procedures vast, zoals die overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onder d, onder 2°, in het monitoringsplan worden beschreven.

2. De in het eerste lid bedoelde procedures hebben in ieder geval betrekking op de interne audit, het documentenbeheer en de registers operationele registraties en kwaliteitsregistraties, bedoeld in artikel 27, eerste lid.

Artikel 25. Interne audit

1. Degene die een inrichting drijft, stelt voor de uitvoering van de interne audit een procedure vast die voldoet aan de vereisten genoemd in het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), de norm NEN-EN-ISO 9001, de norm NEN-EN-ISO 14001 of een gelijkwaardig systeem.

2. Per kalenderjaar wordt een auditplan opgesteld waarin de interne audits voor dat kalenderjaar zijn gepland.

3. In het eerste jaar nadat een vergunning als bedoeld in artikel 16.5, eerste lid van de wet is verleend wordt een specifieke audit uitgevoerd over de wijze waarop het monitoringsplan in de interne bedrijfsvoering is geïmplementeerd. Van de resultaten van deze audit wordt een auditrapport opgesteld, waarin conclusies en uit te voeren acties worden vermeld.

4. Met ingang van het tweede jaar nadat een vergunning als bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, van de wet is verleend wordt over elk onderdeel uit het monitoringsplan om de drie jaar een audit uitgevoerd. Indien wordt aangesloten bij een al bestaand en goed functionerend audit systeem binnen de inrichting, gelden de termijnen waarbinnen in dat systeem een audit wordt uitgevoerd. Van de resultaten van deze audit wordt een auditrapport opgesteld, waarin conclusies en uit te voeren acties worden vermeld.

5. Van het auditplan alsmede de auditrapporten wordt melding gemaakt in het register kwaliteitsregistraties, bedoeld in artikel 27, eerste lid.

Artikel 26. Documentenbeheer

1. Degene die een inrichting drijft, stelt voor het beheer van documenten een procedure vast waarvoor gebruik wordt gemaakt van het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), de norm NEN-EN-ISO 9001, de norm NEN-EN-ISO 14001 of een gelijkwaardig systeem.

2. Degene die een inrichting drijft, onderhoudt het beheer van alle documenten die zijn vereist in het kader van de handel in broeikasgasemissierechten en voert het beheer van deze documenten overeenkomstig de procedure, bedoeld in het eerste lid, uit.

Artikel 27. Bedrijfsinterne registraties

1. Degene die een inrichting drijft, onderhoudt een register operationele registraties en een register kwaliteitsregistraties.

2. Degene die een inrichting drijft, ziet erop toe dat de registraties, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar zijn waar en wanneer zij voor het verrichten van operationele activiteiten noodzakelijk zijn, en beschikt over een procedure om de verschillende versies van deze registraties te identificeren, over te leggen, te verspreiden en te controleren.

3. De bewaartermijn van de registraties, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van een kalenderjaar bedraagt tien jaren nadat het emissieverslag over dat kalenderjaar aan het bestuur van de emissieautoriteit is overgelegd.

Artikel 28. Opslag van informatie

1. Degene die een inrichting drijft, documenteert en bewaart de gegevens inzake de monitoring van CO2-emissies uit de CO2-installatie ten aanzien van een kalenderjaar tot ten minste tien jaren nadat het emissieverslag over dat kalenderjaar aan het bestuur van de emissieautoriteit is overgelegd.

2. De monitoringsgegevens worden op een zodanige wijze gedocumenteerd en bewaard dat het emissieverslag kan worden geverifieerd overeenkomstig artikel 37, 38 en 39.

3. Degene die een inrichting drijft, bewaart de onderstaande gegevens ten aanzien van een kalenderjaar tot ten minste tien jaren nadat het emissieverslag over dat kalenderjaar aan het bestuur van de emissieautoriteit is overgelegd:

a. alle gegevens en bescheiden die bij de aanvraag om een vergunning, bedoeld in artikel 16.6, eerste lid, van de wet, aan het bestuur van de emissieautoriteit worden verstrekt, waaronder het monitoringsplan;

b. alle gegevens die de juistheid aantonen van de te hanteren monitoringsmethodiek;

c. de bescheiden waarin de redenen van alle veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan worden gegeven;

d. alle gegevens inzake de veranderingen en de tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan;

e. de activiteitsgegevens, emissiefactoren en oxidatie- of conversiefactoren die zijn overgelegd in het kader van het nationale toewijzingsbesluit, bedoeld in artikel 16.29 van de wet, ten behoeve van de planperiode waarvan het betreffende kalenderjaar deel uitmaakt;

f. het emissieverslag;

g. gegevens die zijn gebruikt voor het bepalen van de niveaus en de analyse van de onzekerheid van de CO2-emissies uit elke bron of bronstroom;

h. alle overige informatie waarvan in het monitoringsplan wordt aangegeven dat deze noodzakelijk is om het emissieverslag te verifiëren.

Artikel 29. Uitbesteding

1. Indien degene die een inrichting drijft, werkzaamheden in het kader van het monitoringsplan wil uitbesteden:

a. controleert hij de kwaliteit van deze processen overeenkomstig de artikelen 23 tot en met 28,

b. stelt hij passende eisen vast ten aanzien van de te leveren prestaties en methoden en

c. toetst hij de kwaliteit van de geleverde resultaten.

2. De maatregelen voor een transparant beheer van de uitbestede werkzaamheden worden in de procedure voor kwaliteitsborging, bedoeld in artikel 24, eerste lid, aangegeven.

§ 2.7 Interne bedrijfsorganisatie

Artikel 30. Verdeling taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden

1. Bij de verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de personen die met de uitvoering van het monitoringsplan en de controle op de naleving daarvan zijn belast, bestaat een personele scheiding tussen functies die de uitvoering, onderscheidenlijk de controle op de naleving betreffen.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de in dat lid bedoelde functionele scheiding, gezien de grootte van de inrichting in redelijkheid niet kan worden geëist. In dat geval wordt ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond dat de wijze waarop de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn georganiseerd, een deugdelijke uitvoering van het monitoringsplan en een deugdelijke controle op de naleving daarvan, voldoende waarborgt.

§ 2.8. Registratie veranderingen in en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan

Artikel 31. Registratie veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan

Alle veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 16.12, vierde lid, van de wet worden opgenomen in het register operationele registraties of het register kwaliteitsregistraties als bedoeld in artikel 27, eerste lid.

Artikel 32. Veranderingen in het monitoringsplan

1. Alle veranderingen in het monitoringsplan worden in een afzonderlijke paragraaf vermeld.

2. De vermelding, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder verwijzing naar de betreffende paragraaf van het monitoringsplan waarbij een omschrijving wordt gegeven.

3. Voor veranderingen van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 16.12, vierde lid, onder a, van de wet wordt aangegeven of ze zijn gemeld of goedgekeurd

4. Indien degene die de inrichting drijft, het monitoringsplan wijzigt ingevolge artikel 16.13, tweede lid, onder b, van de wet, waarbij deze wijziging een verandering van het monitoringsplan is als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onder f, behoeft deze verandering vooraf niet door het bestuur van de emissieautoriteit te worden goedgekeurd.

5. Het vierde lid is niet van toepassing indien het voorschrift, bedoeld in artikel 33, tweede lid, onder a, deel uitmaakt van de vergunning, bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, van de wet.

6. Het monitoringsplan wordt bij wijzigingen voorzien van de datum van de wijziging en een nieuw versienummer.

§ 2.9 Voorschriften aan de vergunning

Artikel 33. Vergunningvoorschriften

1. Het bestuur van de emissieautoriteit verbindt aan de vergunning, bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, van de wet, in elk geval de volgende voorschriften:

a. in het emissieverslag worden voor de inrichting, met betrekking tot het kalenderjaar waarop het emissieverslag betrekking heeft, vermeld:

1°. de gegevens ter identificatie van de inrichting;

2°. de codes van de rapportagesystemen, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage IX, waarmee elke activiteit die in de inrichting plaatsvindt, wordt aangeduid;

b. de houder van de vergunning meldt schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit elke tijdelijke afwijking van het aan de variabelen gekoppelde niveau van nauwkeurigheid dat in het monitoringsplan is vastgelegd onder opgaaf van de redenen voor deze afwijking:

1°. binnen vijf werkdagen nadat hij van deze tijdelijke afwijking kennis heeft genomen of hiervan in redelijkheid kennis heeft kunnen nemen, of

2°. in een overzicht, iedere maand, telkens uiterlijk per de vijfde van die maand;

c. in geval van een tijdelijke afwijking van het aan de variabelen gekoppelde niveau van nauwkeurigheid dat in het monitoringsplan is vastgelegd en dat vanwege technische redenen niet haalbaar is, wordt bij de melding of in het overzicht, bedoeld onder b, gedetailleerde informatie over de voorlopige monitoringsmethodiek verstrekt;

d. een verandering van het monitoringsplan, voorzover het geen ingrijpende verandering als bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, onder c, van de wet betreft, die betrekking heeft op een wijziging van de monitoringsmethodiek, wordt vooraf door het bestuur van de emissieautoriteit goedgekeurd indien niet ten minste dezelfde nauwkeurigheid met de nieuwe monitoringsmethodiek wordt verkregen, waarbij onder wijziging van de monitoringsmethodiek wordt verstaan een verandering:

1°. van de klassebepaling van een CO2-installatie,

2°. van de gebruikte methode om de CO2-jaarvracht te bepalen,

3°. van de berekening van CO2-emissies,

4°. in de meting van CO2-emissies,

5°. in de onzekerheidsbepaling of

6°. in de onderbouwing of beschrijving van de monitoringsmethodiek;

e. indien titel 16.2 van de wet door een omstandigheid niet meer van toepassing zal zijn op de inrichting, wordt binnen zes weken nadat degene die de inrichting drijft, van deze omstandigheid kennis heeft genomen of hiervan in redelijkheid kennis heeft kunnen nemen, een melding hiervan ingediend bij het bestuur van de emissieautoriteit.

2. Onder wijziging van de monitoringsmethodiek, bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt niet verstaan een wijziging van het monitoringsplan ingevolge artikel 16.13, tweede lid, onder b, van de wet.

§ 2.10 Emissieverslag

Artikel 34. Emissieverslag CO2

Het emissieverslag wordt opgesteld met gebruikmaking van het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage VIII.

§ 2.11. Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

Artikel 34a. Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

1. Degene die een inrichting drijft, herstelt alle onjuiste opgaven en non-conformiteiten die een verificateur tijdens de verificatie en in de verklaring, bedoeld in artikel 16.12, eerste lid, onder c, van de wet, aan hem heeft medegedeeld.

2. Onjuiste opgaven en non-conformiteiten die hersteld kunnen worden en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale CO2-emissies in het emissieverslag, worden door degene die de inrichting drijft, in het totale emissiecijfer van het emissieverslag verwerkt.

3. Non-conformiteiten die niet kunnen worden hersteld voor 1 april van het betrokken kalenderjaar en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale CO2-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen zes weken na indiening van het emissieverslag.

4. Non-conformiteiten die geen gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale CO2-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen drie maanden na indiening van het emissieverslag.

§ 2.12. Toewijzing aan nieuwkomers

Artikel 34b. Toewijzing aan nieuwkomers

1. Als modelformulier voor het verzoek om toewijzing van broeikasgasemissierechten, bedoeld in artikel 16.32, tweede lid, van de wet, geldt het modelformulier opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage XV.

2. Als model voor de verklaring, bedoeld in artikel 12a, tweede lid, van het besluit, geldt de modelverklaring opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage XVI.

Hoofdstuk 3. Emissies van stikstofoxiden

§ 3.1 Begripsbepalingen

Artikel 35. Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

ISO-luchtcondities: temperatuur van 288 Kelvin (K), een druk van 101.3 kiloPascal (Pa) en een relatieve vochtigheid van 60 procent;

monitoringsmethodiek: het geheel van methoden, waaronder de klassenindeling, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X, dat door degene die een inrichting drijft, wordt gebruikt om de jaarvracht van NOx van een NOx-installatie te bepalen;

NOx-meetsysteem: meetsysteem waarmee de NOx-concentratie, genormaliseerd naar normaal omstandigheden en gecorrigeerd voor zuurstof, in de schoorsteen wordt gemeten.

§ 3.2. Monitoringsplan

Artikel 36. Inhoud monitoringsplan algemeen

1. Het monitoringsplan bestaat ten minste uit een beschrijving van:

a. de gegevens, bedoeld in artikel 3a, onder a tot en met d en f en g;

b. de operationele procedures binnen de inrichting, die betrekking hebben op:

1°. de wijze waarop bedrijfsinterne validatie van de meetinstrumenten plaatsvindt, overeenkomstig paragraaf 3.5;

2°. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van het monitoringsplan op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, overeenkomstig paragraaf 3.6;

c. de procedure waarin aan de hand van een schematische weergave alle operationele activiteiten zijn opgenomen, waaronder het meten, bewerken en opslaan van gegevens, het opstellen van het emissieverslag, de verificatie daarvan en het verzenden van het emissieverslag aan het bestuur van de emissieautoriteit;

d. de werkomschrijvingen van de activiteiten, bedoeld onder e, die in het kader van de uitvoering van het monitoringsplan plaatsvinden;

e. indien een niet-geaccrediteerde meetinstantie wordt gebruikt: een beschrijving dat de meetinstantie werkt conform de eisen van geaccrediteerde meetinstanties;

f. de datum waarop het monitoringsplan is opgesteld en het versienummer daarvan.

2. In het monitoringsplan vermeldt de aanvrager tevens een beschrijving alsmede een schematische weergave van:

a. de afbakening van de verzameling NOx-installaties binnen de inrichting;

b. de naam, de identificatie en het identificatienummer van elke NOx-installatie die zich in de inrichting bevindt;

c. de naam, de identificatie en het identificatienummer van elke installatie die zich in de inrichting bevindt en die NOx uitstoot;

d. indien van toepassing: de naam, de identificatie en het identificatienummer van het cluster NOx-verbrandingsinstallaties, het cluster NOx-procesinstallaties of het cluster NOx-verbrandingsinstallaties en NOx-procesinstallaties;

e. de naam, de identificatie en het identificatienummer van de brandstofstromen binnen de inrichting;

f. de verdeling van de brandstofstromen over de NOx-verbrandingsinstallaties;

g. de naam en het identificatienummer van de bronnen die zich binnen de inrichting bevinden en die NOx uitstoten;

h. de aansluiting van de desbetreffende bronnen op de NOx-installaties;

i. het afzonderlijke vermogen van alle verbrandingsinstallaties die NOx uitstoten binnen de inrichting;

j. de afzonderlijke productiecapaciteit van alle procesinstallaties die NOx uitstoten binnen de inrichting.

3. In het monitoringsplan vermeldt de aanvrager tevens afzonderlijk voor elke NOx-installatie die zich in de inrichting bevindt, waarop de aanvraag betrekking heeft:

a. de te monitoren brandstofstromen binnen de NOx-installatie alsmede de naam, de identificatie en het identificatienummer, voor zover het tweede lid, onder d, niet van toepassing is.

b. de naam en het identificatienummer van de bronnen die zich binnen de NOx-installatie bevinden, voor zover het tweede lid, onder f, niet van toepassing is;

c. het totale vermogen, uitgedrukt in megawatt thermisch, van de zich in de inrichting bevindende NOx-verbrandingsinstallaties;

d. het totale vermogen van alle NOx-verbrandingsinstallaties binnen de inrichting;

e. of het vermogen van de NOx-verbrandingsinstallaties, uitgedrukt in megawatt thermisch, technisch is begrensd;

f. de afzonderlijke en totale verwachte NOx-jaarvracht van de zich in de inrichting bevindende NOx-installaties;

g. de productiecapaciteit, uitgedrukt in tonnen vervaardigd product per kalenderjaar, van de zich in de inrichting bevindende NOx-procesinstallaties.

4. Indien degene die een inrichting drijft, op het moment van indiening van het monitoringsplan niet volledig aan de meetvoorschriften, bedoeld in paragraaf 3.3, of de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen, bedoeld in artikel 48, eerste lid, voldoet omdat dit technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten zou leiden, wordt de technische niet-haalbaarheid van bedoelde voorschriften, onderscheidenlijk worden de onredelijke kosten ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond. Hiertoe wordt in het monitoringsplan aangegeven:

a. de reden waarom degene die de inrichting drijft, niet aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen kan voldoen, alsmede de onderbouwing daarvan;

b. het tijdstip en de wijze waarop degene die de inrichting drijft, wel volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen zal voldoen;

c. de wijze waarop de jaarvracht van NOx wordt bepaald in de periode waarin nog niet volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen wordt voldaan.

Artikel 37. Invulling monitoringsplan inrichting

1. Onverminderd artikel 36 wordt in het monitoringsplan voor elke NOx-installatie die zich in de inrichting bevindt, de te hanteren monitoringsmethodiek aangegeven, ten minste bestaande uit:

a. de soort NOx-installatie;

b. de klasse van de NOx-installatie, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X;

c. de wijze waarop of de mate waarin de NOx-installatie met wisselende belasting of wisselende brandstof wordt gestookt, alsmede de aard van de bedrijfsvoering;

d. de invoergegevens die voor de berekeningsformules of de correlatiemodellen ter bepaling van de jaarvracht van NOx worden gebruikt;

e. een schatting van de jaarvracht van NOx met inbegrip van de gehanteerde formule en de onderbouwing daarvan;

f. de methode waarmee per NOx-installatie de jaarvracht van NOx wordt bepaald met inbegrip van de gehanteerde formule en de onderbouwing daarvan;

g. de methode waarmee per NOx-installatie in geval van een NOx-verbrandingsinstallatie het brandstofverbruik, of in geval van een NOx-procesinstallatie de productie wordt bepaald;

h. de wijze waarop de totale NOx-jaarvracht wordt bepaald, alsmede de gehanteerde formules;

i. de wijze waarop de onder e tot en met g bedoelde gegevens worden verkregen, geregistreerd en bewaard;

j. de methode waarmee het aantal opgebouwde NOx-emissierechten wordt berekend alsmede de gehanteerde formule;

k. de naam, de identificatie, het identificatienummer, het meetbereik en de kalibratiefrequentie van het meetinstrument dat relevant is voor de bepaling van de NOx-emissies of van de opgebouwde NOx-emissierechten;

l. een onderbouwing van de onzekerheid en de onzekerheidsbepaling die samenhangen met de meetinstrumenten, die relevant zijn voor de bepaling van de NOx-emissies of van de opgebouwde NOx-emissierechten;

m. de gegevens waaruit blijkt dat de onzekerheidseisen, bedoeld in artikel 17, vierde lid, van het besluit en artikel 42, derde lid, zijn nageleefd;

n. de onzekerheidseisen, bedoeld in artikel 46, zevende en achtste lid;

o. indien van toepassing: koppelingen met activiteiten die plaatsvinden in het kader van het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), dan wel een ander intern milieuzorgsysteem.

2. In het monitoringsplan wordt per NOx-installatie aangegeven of deze onder de reikwijdte van het Besluit verbranden afvalstoffen of het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A valt.

3. In het monitoringsplan wordt aangegeven of de inrichting meer dan 3000 uren per kalenderjaar in bedrijf is.

4. Onverminderd het eerste tot en met derde lid wordt in het monitoringsplan voor elke NOx-installatie die behoort tot klasse 1 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X ten minste opgenomen:

a. een beschrijving van de toegepaste technologie en de aanwezige maatregelen ter bestrijding van de NOx-emissies;

b. een beschrijving van de van de normale bedrijfsvoering afwijkende verbrandings- of procesomstandigheden, een indicatie van de frequentie waarmee dit voorkomt en de duur van de afwijkingen, alsmede een indicatie van de omvang van de NOx-emissies tijdens de afwijkende verbrandings- en procesomstandigheden;

c. of de norm NEN-EN 14181 is toegepast op het NOx-meetsysteem;

d. een beschrijving van de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van NOx en de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van het brandstofverbruik of de productie, waarbij in ieder geval worden vermeld:

1°. de omrekeningsfactoren die benodigd zijn om tot berekening van de jaarvracht van NOx en berekening van het brandstofverbruik of de productie te komen;

2°. het te hanteren meetprincipe, de frequentie waarmee monsters worden genomen, de op grond van artikel 43 van toepassing zijnde norm, en de middelingstijd;

3°. de plaats waar de parameters worden gemeten, weergegeven in een processchema;

4°. de relaties tussen de gemeten parameters, de NOx-emissies en het brandstofverbruik of de productie;

5°. het geldigheidsgebied van de gehanteerde monitoringsmethodiek voor de bepaling van de NOx-emissies, indien de bepaling van de NOx-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, onder aanduiding van de omstandigheden waaronder de alternatieve methode wordt gestart en gestopt;

6°. de methode die wordt gehanteerd wanneer een meetinstrument dat wordt gebruikt ten behoeve van de monitoring uitvalt of wanneer bij een normale bedrijfsvoering de bepaling van de NOx-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, bestaande uit een verwachtingswaarde, de methode waarop deze waarde wordt vastgesteld, of een kental dat is vastgesteld bij procesomstandigheden die tot de hoogste NOx-emissies leiden, en een onderbouwing hiervan.

5. Onverminderd het eerste tot en met derde lid wordt in het monitoringsplan voor elke NOx-installatie die behoort tot klasse 2, 3 of 4 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X ten minste opgenomen:

a. een beschrijving van de te hanteren kentallen en de wijze waarop deze worden verkregen;

b. een beschrijving van de toegepaste technologie en de aanwezige maatregelen ter bestrijding van de NOx-emissies;

c. een beschrijving van de van de normale bedrijfsvoering afwijkende verbrandings- of procesomstandigheden, een indicatie van de frequentie waarmee dit voorkomt en de duur van de afwijkingen, alsmede een indicatie van de omvang van de NOx-emissies tijdens de afwijkende verbrandings- en procesomstandigheden;

d. een beschrijving van de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van NOx, en de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van het brandstofverbruik of de productie, waarbij in ieder geval worden vermeld:

1°. de omrekeningsfactoren die nodig zijn om tot de berekening van de jaarvracht van NOx en tot de berekening van het brandstofverbruik of de productie te komen;

2°. het te hanteren meetprincipe en de middelingstijd;

3°. de plaats waar de parameters worden gemeten, weergegeven in een processchema;

4°. de relaties tussen de gemeten parameters, de NOx-emissies en het brandstofverbruik of de productie;

5°. het geldigheidsgebied van de gehanteerde monitoringsmethodiek voor de bepaling van de NOx-emissies, alsmede de te hanteren alternatieve methode, als buiten het geldigheidsgebied wordt gewerkt, waarbij wordt aangegeven bij welke omstandigheden de alternatieve methode wordt gestart en gestopt.

Artikel 37a. Uitzonderingen eisen monitoringsplan voor inrichtingen met een lage NOx-emissie

1. Voor inrichtingen waarbinnen zich NOx-installaties bevinden met een gezamenlijke uitstoot per kalenderjaar van minder dan 20 ton NOx, gelden de volgende bepalingen:

a. de artikelen 3a, eerste lid, onder g, 36, eerste lid, onder d, en 37, eerste lid, onder j, zijn niet van toepassing;

b. artikel 36, eerste lid, onder b, onder 1°, is niet van toepassing, op voorwaarde dat degene die de inrichting drijft, de kalibratiefrequentie en de verwijzing naar kalibratierapporten opneemt in het monitoringsplan.

2. Het eerste lid is van toepassing indien degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit kan aantonen dat de jaarvracht gedurende het voorgaande kalenderjaar minder dan 20 ton NOx bedroeg.

3. Het eerste lid is tevens van toepassing indien degene die de inrichting drijft, in gevallen waarin de gegevens over het kalenderjaar als bedoeld in het tweede lid:

a. niet representatief zijn voor de NOx-jaarvracht of

b. niet beschikbaar zijn,

ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aan de hand van een conservatief onderbouwde schatting van de emissies aantoont dat de jaarvracht van de inrichting gedurende de eerstvolgende vijf kalenderjaren gemiddeld minder dan 20 ton NOx per kalenderjaar zal bedragen.

Artikel 38. Model monitoringsplan

1. Het monitoringsplan wordt opgesteld met gebruikmaking van het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage I.

2. Van het model, bedoeld in het eerste lid, mag uitsluitend worden afgeweken indien de reden daarvoor ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is gemotiveerd.

Artikel 38a. Geen gegevensverstrekking bij vergunningaanvraag

De aanvrager behoeft de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 36 en 37, niet te verstrekken voorzover het bestuur van de emissieautoriteit op zijn verzoek heeft beslist dat de verstrekking van die gegevens voor het nemen van de beslissing op de aanvraag niet nodig is.

Artikel 38b. Verzoek tot intrekking vergunning

Indien titel 16.3 van de wet, nadat een vergunning als bedoeld in artikel 16.49, eerste lid, van de wet is verleend, door een omstandigheid niet meer van toepassing zal zijn op de inrichting, wordt binnen zes weken nadat degene die de inrichting drijft, van deze omstandigheid kennis heeft genomen of hiervan in redelijkheid kennis heeft kunnen nemen, een verzoek tot intrekking of wijziging van de vergunning bij het bestuur van de emissieautoriteit ingediend.

§ 3.3. Monitoringsmethodiek NOx

Artikel 39. Bepaling jaarvracht van NOx

1. Degene die een inrichting drijft, bepaalt de jaarvracht van NOx van een zich in de inrichting bevindende NOx-installatie op basis van standaardomstandigheden en overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage X.

2. In afwijking van het eerste lid mag de jaarvracht van NOx, veroorzaakt door een NOx-installatie die behoort tot klasse 1, 2 of 3 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X, indien die installatie minder dan 500 uur per kalenderjaar in bedrijf is, worden bepaald overeenkomstig de eisen die gelden voor klasse 4.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid mag de jaarvracht van NOx, veroorzaakt door een NOx-verbrandingsinstallatie die behoort tot de klasse 2, 3 of 4 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X met een jaarvracht van minder dan 1 ton NOx, worden vastgesteld op basis van historische emissiegegevens of een onderbouwde schatting van de NOx-emissies.

4. In afwijking van het eerste en tweede lid mag de jaarvracht van NOx, veroorzaakt door een NOx-installatie die per kalenderjaar minder dan zes maanden in bedrijf is met een jaarvracht van minder dan twee ton NOx per kalenderjaar, worden vastgesteld op basis van historische gegevens of een onderbouwde schatting van de NOx-emissies.

5. Indien toepassing gegeven wordt aan het derde of vierde lid, worden bij het bepalen van de NOx-jaarvracht de NOx-emissies niet onderschat.

6. In afwijking van het eerste lid mag de jaarvracht van NOx voor een cluster van NOx-verbrandingsinstallaties of een cluster van NOx-procesinstallaties per cluster worden bepaald in het gemeenschappelijke afgaskanaal overeenkomstig de eisen die gelden voor de klasse, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X, die volgt uit de gesommeerde thermische vermogens van de betreffende NOx-verbrandingsinstallaties of de gesommeerde jaarvracht van NOx van de betreffende NOx-procesinstallaties.

7. In afwijking van het eerste lid mag de jaarvracht van NOx voor een cluster van NOx-verbrandingsinstallaties en NOx-procesinstallaties gezamenlijk uitsluitend worden bepaald in het gemeenschappelijke afgaskanaal, indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit wordt aangetoond dat de te hanteren monitoringsmethodiek voldoende aansluit bij de klassenindeling, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X.

8. In afwijking van het tweede en derde lid en in afwijking van de bij deze regeling behorende bijlage X wordt de jaarvracht van NOx voor de zich in de inrichting bevindende fakkels op nul gesteld.

Artikel 40. Bepalingsmethoden NOx-emissies voor NOx-installaties in klasse 1

1. De NOx-emissies van een NOx-installatie die behoort tot klasse 1 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X, worden overeenkomstig die bijlage bepaald door de continue meting van de concentratie van NOx in combinatie met de continue meting of berekening van het afgasdebiet, bedoeld in artikel 42.

2. De concentratie van NOx wordt uitgedrukt in NO2.

3. Continue meting van de concentratie van NOx als bedoeld in het eerste lid is:

a. rechtstreekse continue meting van de concentratie in het afgas, of

b. continue meting van de parameters van de voor de NOx-installatie vastgestelde uitworpkarakteristiek.

4. De vastgestelde uitworpkarakteristiek, bedoeld in het derde lid, onder b, en de keuze van de continu te meten parameters zijn zodanig dat de concentratie in het afgas daarmee ondubbelzinnig kan worden vastgesteld.

Artikel 41. Bepalingsmethoden NOx-emissies voor NOx-installaties in klassen 2, 3 en 4

1. De NOx-emissies van een NOx-installatie die behoort tot klasse 2, 3 of 4 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X worden bepaald met toepassing van één of meerdere kentallen overeenkomstig artikel 44.

2. In afwijking van het eerste lid kan degene die een inrichting drijft, de NOx-emissies bepalen door continue meting van de concentratie van NOx in combinatie met de meting of berekening van het afgasdebiet, bedoeld in artikel 40.

Artikel 42. Bepaling afgasdebiet

1. Het afgasdebiet van een NOx-installatie die behoort tot klasse 1 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X, wordt bepaald door de continue meting of berekening van het afgasdebiet.

2. De berekening, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XI.

3. De onzekerheid van de individuele waarnemingen bij de continue meting of berekening van het afgasdebiet bedraagt 15% van het jaargemiddelde debiet, uitgedrukt als het 95%-betrouwbaar-heidsinterval, tenzij degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat dit technisch niet haalbaar is.

Artikel 43. CEN-normen bij de continue meting van NOx-emissies

1. De parallelmetingen, bedoeld in artikel 48, eerste lid, worden uitgevoerd volgens de relevante CEN-normen.

2. Indien geen CEN-normen als bedoeld in het eerste lid bestaan, worden ISO-normen gebruikt dan wel andere nationale of internationale normen indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat deze normen waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige kwaliteit worden verstrekt.

3. Een in het eerste lid bedoelde CEN-norm heeft betrekking op de laatst uitgegeven norm met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een uitgegeven norm, aanvulling, onderscheidenlijk correctieblad, wordt eerst van toepassing één jaar na de datum van de uitgifte.

4. Onze Minister doet van de uitgifte van CEN-normen, bedoeld in het derde lid, alsmede van de uitgifte van aanvullingen en correctiebladen voor deze normen zo spoedig mogelijk na uitgifte mededeling door kennisgeving in de Staatscourant.

Artikel 44. Bepaling van kentallen

1. Onder kental wordt verstaan een getal dat het gemiddelde is van de deelmetingen van een periodieke meting.

2. Een periodieke meting bestaat uit ten minste drie deelmetingen van een half uur.

3. Voor NOx-installaties kan één kental worden bepaald, indien:

a. bij de bedrijfsvoering de fluctuaties in de concentratie van NOx, uitgedrukt in mg NOx/ Nm3, minder zijn dan 20% en de fluctuaties in het afgasdebiet, uitgedrukt in Nm3 rookgas/ uur, minder zijn dan 15%, of

b. het kental is vastgesteld bij de verbrandings- of procesomstandigheden die leiden tot de hoogste NOx-emissies.

4. Indien niet aan de voorwaarden, bedoeld in het derde lid, is voldaan, worden meerdere kentallen bepaald, waarbij geldt dat:

a. meerdere processituaties worden geïdentificeerd,

b. binnen iedere processituatie de fluctuaties in de concentratie van NOx, uitgedrukt in mg NOx/ Nm3, minder zijn dan 20% en de fluctuaties in het afgasdebiet, uitgedrukt in Nm3 rookgas/ uur, minder zijn dan 15%,

c. voor iedere processituatie een kental wordt vastgesteld, en

d. de frequentie waarmee het voor de procesvoering geldende kental wordt geselecteerd en geregistreerd, minimaal eens per uur bedraagt;

e. bij de registratie van de frequentie, bedoeld onder d, wordt vermeld hoe hoog de NOx-emissie in dat uur is.

5. ndien zich binnen de inrichting identieke NOx-installaties bevinden, mag degene die de inrichting drijft, in afwijking van het vierde lid één kental vaststellen voor één NOx-installatie dat geldt voor alle identieke NOx-installaties.

6. Het vijfde lid is van toepassing indien degene die de inrichting drijft:

a. ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit heeft aangetoond dat zich binnen de inrichting identieke NOx-installaties bevinden;

b. ten minste één keer een periodieke meting heeft uitgevoerd op elke NOx-installatie;

c. ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat de NOx-emissies met deze methode met eenzelfde betrouwbaarheid kunnen worden bepaald als met de methode, bedoeld in het derde of vierde lid.

7. De registratietijd, bedoeld in het vierde lid, onder d, kan worden verruimd indien degene die de inrichting drijft, in het monitoringsplan ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat deze verruiming geen systematische afwijkingen van de van NOx-emissies tot gevolg heeft.

8. In afwijking van het derde en vierde lid kan bij batchprocessen per processtap een kental worden vastgesteld of kan een kental worden vastgesteld dat betrekking heeft op alle stappen in het batchproces, indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit wordt aangetoond dat de inschatting van de NOx-emissies voldoende nauwkeurig is.

9. In afwijking van het tweede lid kan, indien bij batchprocessen een of meer kentallen zijn vastgesteld als bedoeld in het zesde lid, het aantal deelmetingen ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit worden beperkt.

10. Voor de NOx-verbrandingsinstallaties, gasturbines, gasturbine-installaties en gasmotoren worden de kentallen uitgedrukt in gram/GJ en omgerekend naar ISO-luchtcondities en als zodanig binnen de inrichting gehanteerd.

Artikel 44a. Periode bepaling kental

1. Indien degene die een inrichting drijft, in de loop van een kalenderjaar een kental bepaalt voor NOx-installaties, klasse 3 en 4, als bedoeld in bijlage X, kan hij het kental toepassen voor dat gehele kalenderjaar.

2. Indien degene die een inrichting drijft, tussen 1 januari en 1 juli van een kalenderjaar een kental bepaalt voor NOx-installaties, klasse 2, als bedoeld in bijlage X, kan hij het kental toepassen van 1 januari tot 1 juli van het betrokken kalenderjaar.

3.

Indien degene die een inrichting drijft, tussen 1 juli en 1 december van een kalenderjaar een kental bepaalt voor NOx-installaties, klasse 2, als bedoeld in bijlage X, kan hij het kental toepassen van 1 juli tot en met 31 december van het betrokken kalenderjaar.

Artikel 45. CEN-normen bij bepaling van kentallen

1. De metingen aan een NOx-installatie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, en artikel 48, tweede lid, worden uitgevoerd volgens de CEN-normen die gelden voor de meting van NOx.

2. Indien geen CEN-normen als bedoeld in het eerste lid bestaan, worden ISO-normen gebruikt dan wel andere nationale of internationale normen indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan is aangetoond dat deze normen waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige kwaliteit worden verstrekt.

3. Een in het eerste lid bedoelde CEN-norm heeft betrekking op de laatst uitgegeven norm met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een uitgegeven norm, aanvulling, onderscheidenlijk correctieblad, wordt eerst van toepassing één jaar na de datum van de uitgifte.

4. Onze Minister doet van de uitgifte van CEN-normen, bedoeld in het derde lid, alsmede van de uitgifte van aanvullingen en correctiebladen voor deze normen zo spoedig mogelijk na uitgifte mededeling door kennisgeving in de Staatscourant.

Artikel 46. Bepaling brandstofverbruik

1. Het brandstofverbruik wordt bepaald op basis van:

a. verbruiksmetingen en de stookwaarde, of

b. rendements- en productiegegevens, indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat het technisch niet haalbaar is om de brandstofhoeveelheid te bepalen volgens de methode, bedoeld onder a.

2. De stookwaarde, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt bepaald met een frequentie die is afgestemd op de variaties die kunnen optreden in de brandstofsamenstelling.

3. De bepaling van het brandstofverbruik, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XI. Indien degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat het onmogelijk is hieraan te voldoen, mag hiervan worden afgeweken, in welk geval tevens ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit wordt aangetoond dat het brandstofverbruik op andere wijze voldoende nauwkeurig wordt bepaald.

4. Indien het brandstofverbruik niet overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XI kan worden bepaald als bedoeld in het derde lid, wordt bij de bepaling van het brandstofverbruik het brandstofverbruik niet overschat.

5. Indien zich in de inrichting fakkels bevinden en het brandstofverbruik van de fakkels is inbegrepen in de meting, bedoeld in het eerste en derde lid, wordt dat brandstofverbruik, vastgesteld op basis van de verbruiksmeting en de stookwaarde of op basis van het thermisch vermogen en het aantal fakkeluren, op het brandstofverbruik van de inrichting in mindering gebracht.

6. De bepaling van de productie vindt plaats overeenkomstig de gangbare meetpraktijk. Ten genoegen van het bestuur van de emissieautorteit wordt aangetoond dat daarmee de productie voldoende nauwkeurig kan worden bepaald. Indien dit niet kan worden aangetoond, wordt een meetpraktijk gehanteerd waarvan ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat de productie daarmee wel voldoende nauwkeurig kan worden bepaald.

7. Bij de bepaling van de productie, bedoeld in het zesde lid, wordt de productie niet overschat.

8. De procesgegevens die relevant zijn voor de bepaling van het aantal NOx-emissierechten, bedoeld in artikel 18 van het besluit, worden ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit bepaald overeenkomstig de gangbare meetpraktijk.

9. Voor de bepaling van het brandstofverbruik van de NOx-verbrandingsinstallaties voldoet de hoeveelheid brandstof en de stookwaarde aan onzekerheidseisen die ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan zijn opgenomen.

10. Voor de bepaling van de productie van de NOx-procesinstallatie voldoet de geproduceerde hoeveelheid aan onzekerheidseisen die ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit in het monitoringsplan zijn opgenomen.

§ 3.4 Meetinstanties

Artikel 47. Uitvoering van werkzaamheden door een meetinstantie

1. Periodieke metingen als bedoeld in artikel 44 en parallelmetingen die plaatsvinden in het kader van de kwaliteitsborging van continue metingen als bedoeld in artikel 40 worden uitgevoerd door een meetinstantie die voor deze verrichtingen is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005.

2. In afwijking van het eerste lid mag voor de werkzaamheden een meetinstantie worden ingeschakeld die voor het uitvoeren van deze verrichtingen niet is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005, op voorwaarde dat degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont:

a. dat deze meetinstantie voldoet aan eisen die gelijkwaardig zijn aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;

b. dat deze meetinstantie technisch competent en in staat is om technisch geldende resultaten te genereren waarbij relevante analytische procedures worden gebruikt.

§ 3.5 Kwaliteitsborging meetvoorzieningen

Artikel 48. Kwaliteitsborging NOx-metingen

1. Kwaliteitsborging van de continue metingen, bedoeld in artikel 40, geschiedt regelmatig en voorafgaand aan het gebruik van het NOx-meetsysteem overeenkomstig de norm NEN-EN 14181, waarbij in afwijking van deze norm de geïnstalleerde meetapparatuur om de drie jaar door middel van parallelmetingen wordt gekalibreerd.

2. Indien bij NOx-installaties die behoren tot klasse 2, 3 of 4 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X continue wordt gemeten als bedoeld in artikel 40, tweede lid, en de kwaliteit van de continue meting in het geval, bedoeld in artikel 41, tweede lid, niet overeenkomstig de norm NEN-EN 14181 is geborgd, worden de periodieke metingen als drie parallelmetingen uitgevoerd. Deze parallelmetingen zijn evenredig verdeeld over het geldigheidsgebied van de continue metingen.

3. Op basis van de laatst uitgevoerde periodieke meting, bedoeld in het tweede lid, wordt een correctiefactor berekend, waarmee de gemeten NOx-emissies worden gecorrigeerd.

4. Degene die een inrichting drijft, registreert de resultaten van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, in het register operationele registraties, bedoeld in artikel 57, eerste lid.

5. Degene die de inrichting drijft, beoordeelt op grond van de resultaten, bedoeld in het vierde lid, de geldigheid van de resultaten van eerder uitgevoerde metingen en registreert de uitkomst van die beoordeling in het register operationele registraties, bedoeld in artikel 57, eerste lid.

6. In geval uit de kalibratie en controles blijkt dat de ter bepaling van de jaarvracht van NOx geïnstalleerde meet-, monstername- en analyseapparatuur of de apparatuur voor de automatische verwerking van meetresultaten, bedoeld in het eerste lid, niet naar behoren functioneert, neemt degene die de inrichting drijft, onmiddellijk maatregelen teneinde te verzekeren dat deze situatie zo spoedig mogelijk wordt beëindigd.

Artikel 49. Metingen met behulp van apparatuur

1. Degene die een inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de ter bepaling van de jaarvracht van NOx geïnstalleerde meet-, monstername- en analyseapparatuur of de apparatuur voor de automatische verwerking van meetresultaten, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit regelmatig en voorafgaand aan het gebruik wordt gekalibreerd, bijgesteld en gecontroleerd.

2. Degene die een inrichting drijft, kalibreert een brandstofmeter die relevant is voor de bepaling van de NOx-emissies of de bepaling van het aantal opgebouwde NOx-emissierechten ten minste één keer per vijf jaar, tenzij hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat dit technisch niet haalbaar is of dat de leverancier het goed functioneren van de brandstofmeter garandeert met een lagere kalibratiefrequentie.

3. Degene die een inrichting drijft, onderhoudt een brandstofmeter die relevant is voor de bepaling van de NOx-emissies of de bepaling van het aantal opgebouwde NOx-emissierechten volgens de instructies van de leverancier of, indien deze niet aanwezig zijn, volgens de voor het toegepaste meetinstrument algemeen geldende instructies.

4. Degene die een inrichting drijft, kalibreert en onderhoudt urentellers en productmeters die relevant zijn voor de bepaling van de NOx-emissies of de bepaling van het aantal opgebouwde NOx-emissierechten volgens de gangbare industriële meetpraktijk die voor deze meetinstrumenten geldt.

5. Degene die een inrichting drijft, registreert de resultaten van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, in het register operationele registraties, bedoeld in artikel 57, eerste lid.

6. Op grond van de resultaten, bedoeld in het tweede lid, beoordeelt degene die de inrichting drijft, de geldigheid van de resultaten van eerder uitgevoerde metingen en registreert hij de uitkomst van de beoordeling in het register operationele registraties, bedoeld in artikel 57, eerste lid.

7. In geval uit de kalibratie en controles blijkt dat de apparatuur, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, niet naar behoren functioneert, neemt degene die de inrichting drijft, onmiddellijk maatregelen teneinde te verzekeren dat deze situatie zo spoedig mogelijk wordt beëindigd.

Artikel 50. Meetvoorzieningen

Bij een NOx-installatie worden de voorzieningen aangebracht die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de voorgeschreven metingen.

Artikel 51. Melding periodieke of parallelmeting

1. Degene die een inrichting drijft, meldt het bestuur van de emissieautoriteit ten minste twee weken van tevoren de datum en het tijdstip waarop een periodieke meting als bedoeld in artikel 44 of een parallelle meting als bedoeld in artikel 48 zal worden uitgevoerd.

2. Indien een periodieke meting of een parallelle meting geen doorgang vindt, wordt dit aan het bestuur van de emissieautoriteit uiterlijk op de datum waarop die meting zou worden uitgevoerd, gemeld.

Artikel 52. Melding indien geen gebruik van de meetresultaten

1. Degene die een inrichting drijft, bepaalt binnen tien werkdagen nadat de resultaten van de periodieke of parallelle meting bekend zijn of hij gebruik maakt van die resultaten.

2. Indien degene die de inrichting drijft, geen gebruik maakt van de resultaten van een periodieke of parallelle meting, meldt hij dit binnen twee weken nadat de resultaten van die meting bekend zijn geworden, onder opgave van redenen aan het bestuur van de emissieautoriteit. Bij deze melding worden bedoelde meetresultaten bijgevoegd.

Artikel 53. Bedrijfsinterne validatieprocedure

1. De in het monitoringsplan beschreven bedrijfsinterne validatieprocedure bestaat uit de volgende activiteiten:

a. het opstellen en beheer van een jaarplan van bedrijfsinterne validatie;

b. het opstellen van de bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden;

c. de registratie van resultaten van de bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden;

d. de controle op de wijze waarop bedrijfsinterne validatiewerkzaamheden hebben plaatsgevonden en de herstelstappen die naar aanleiding daarvan zullen worden gezet.

2. Voor elk van de activiteiten in de bedrijfsinterne validatieprocedure wordt een werkomschrijving opgesteld, bestaande uit:

a. een beschrijving van de te valideren meetapparatuur, de berekeningsmethodieken, de uitvoering van vergelijkende metingen en de frequentie daarvan;

b. een gedetailleerde en stapsgewijze beschrijving van de wijze waarop bedrijfsinterne validatie plaatsvindt;

c. een beschrijving van de wijze waarop, de personen door wie en de plaats waar de resultaten van de bedrijfsinterne validatie worden geregistreerd.

3. Indien uit de bedrijfsinterne validatie blijkt dat de gemeten waarde van de NOx-emissies niet binnen de toegestane nauwkeurigheidseisen, bedoeld in artikel 17, vierde lid, van het besluit, blijft, of niet aan de vereiste streefnauwkeurigheid, bedoeld in artikel 42, derde lid, voldoet, wordt dit onverwijld aan het bestuur van de emissieautoriteit gemeld.

§ 3.6 Kwaliteitsborging interne bedrijfsprocedures en organisaties

Artikel 54. Kwaliteitsborging

1. Degene die een inrichting drijft, stelt de procedures vast, zoals die overeenkomstig artikel 36, eerste lid, onder b, onder 2°, in het monitoringsplan worden beschreven.

2. De procedures, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval betrekking op de interne audit, het documentenbeheer en de registers operationele registraties en kwaliteitsregistraties, bedoeld in artikel 57, eerste lid.

Artikel 55. Interne audit

1. Degene die een inrichting drijft, stelt voor de uitvoering van de interne audit een procedure vast die voldoet aan de vereisten, genoemd in het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), de norm NEN-EN-ISO 9001, de norm NEN-EN-ISO 14001 of een gelijkwaardig systeem.

2. Per kalenderjaar wordt een auditplan opgesteld waarin de interne audits voor dat kalenderjaar zijn gepland.

3. In het eerste jaar nadat een vergunning als bedoeld in artikel 16.49, eerste lid, van de wet is verleend, wordt een specifieke audit uitgevoerd met betrekking tot de wijze waarop het monitoringsplan in de interne bedrijfsvoering is geïmplementeerd en geïntegreerd. Van de resultaten van deze audit wordt een auditrapport opgesteld, waarin conclusies en uit te voeren acties worden vermeld.

4. Met ingang van het tweede jaar nadat een vergunning als bedoeld in artikel 16.49, eerste lid, van de wet is verleend, wordt met betrekking tot elk onderdeel van het monitoringsplan om de drie jaar een audit uitgevoerd. Indien wordt aangesloten bij een al bestaand en goed functionerend auditsysteem binnen de inrichting, gelden in plaats van de in de eerste volzin bedoelde termijn, de termijnen waarbinnen in dat systeem een audit wordt uitgevoerd. Van de resultaten van deze audit wordt een auditrapport opgesteld, waarin conclusies en uit te voeren acties worden vermeld.

5. Van het auditplan alsmede de auditrapporten wordt melding gemaakt in het register kwaliteitsregistraties, bedoeld in artikel 57, eerste lid.

Artikel 56. Documentenbeheer

1. Degene die een inrichting drijft, stelt voor het beheer van documenten een procedure vast waarvoor gebruik wordt gemaakt van het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), de norm NEN-EN-ISO 9001, de norm NEN-EN-ISO 14001 of een gelijkwaardig systeem.

2. Degene die een inrichting drijft, onderhoudt het beheer van alle documenten die zijn vereist in het kader van het systeem van handel in NOx-emissierechten en voert het beheer van deze documenten overeenkomstig de procedure, bedoeld in het eerste lid, uit.

Artikel 57. Bedrijfsinterne registraties

1. Degene die een inrichting drijft, onderhoudt een register operationele registraties waarin de gegevens met betrekking tot paragraaf 3.5 worden opgeslagen, en een register kwaliteitsregistraties waarin de gegevens met betrekking tot paragraaf 3.6 worden opgeslagen.

2. De bewaartermijn van de registraties, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van een kalenderjaar bedraagt tien jaren nadat het emissieverslag over dat kalenderjaar bij het bestuur van de emissieautoriteit is ingediend.

Artikel 58. Opslag van informatie

1. Degene die een inrichting drijft, documenteert en bewaart de gegevens inzake de monitoring van de NOx-emissies van de inrichting ten aanzien van een kalenderjaar tot ten minste tien jaren nadat het emissieverslag over dat kalenderjaar bij het bestuur van de emissieautoriteit is ingediend.

2. De monitoringsgegevens worden op een zodanige wijze gedocumenteerd en bewaard dat het emissieverslag kan worden geverifieerd.

3. Degene die een inrichting drijft, bewaart de onderstaande gegevens ten aanzien van een kalenderjaar tot ten minste tien jaren nadat het emissieverslag over dat kalenderjaar bij het bestuur van de emissieautoriteit is ingediend:

a. alle gegevens en bescheiden die bij de aanvraag om een vergunning, bedoeld in artikel 16.6, eerste lid, in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, van de wet, aan het bestuur van de emissieautoriteit worden verstrekt, waaronder het monitoringsplan;

b. alle gegevens die de juistheid aantonen van de te hanteren monitoringsmethodiek;

c. de bescheiden waarin de redenen van alle veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan worden gegeven;

d. alle gegevens inzake de veranderingen en de tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan;

e. het emissieverslag;

f. alle overige informatie die noodzakelijk is om het emissieverslag te kunnen verifiëren.

Artikel 59. Uitbesteding

1. Indien degene die een inrichting drijft, werkzaamheden wil uitbesteden en deze uitbesteding effect heeft op de procedures voor kwaliteitsborging, zorgt hij voor een transparant beheer van de werkzaamheden.

2. De maatregelen voor een transparant beheer van de uitbestede werkzaamheden worden in de procedure voor kwaliteitsborging, bedoeld in artikel 54, eerste lid, aangegeven.

§ 3.7 Interne bedrijfsorganisatie

Artikel 60. Verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden

1. Bij de verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de personen die met de uitvoering van het monitoringsplan en de controle op de uitvoering daarvan zijn belast, wordt een personele scheiding aangebracht tussen functies die de uitvoering en de functies die de controle op de naleving betreffen.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de in dat lid bedoelde functionele scheiding, gezien de grootte van de inrichting, in redelijkheid niet kan worden geëist. In dat geval wordt ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond dat de wijze waarop de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn verdeeld een voldoende waarborg is voor een deugdelijke uitvoering van het monitoringsplan en een deugdelijke controle op de uitvoering daarvan.

§ 3.8. Registratie van veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan

Artikel 61. Registratie veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan

Alle veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 16.12, vierde lid, in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, van de wet worden opgenomen in het register overeenkomstig artikel 57, eerste lid.

Artikel 62. Veranderingen van het monitoringsplan

1. Veranderingen van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 16.12, vierde lid, onder a, in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, van de wet worden in een afzonderlijke paragraaf van dat monitoringsplan vermeld.

2. De vermelding, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder verwijzing naar de betreffende paragraaf of paragrafen van het monitoringsplan en naar de consequenties van die veranderingen voor de monitoringsmethodiek.

3. Het monitoringsplan wordt bij wijzigingen voorzien van de datum van de wijziging en een nieuw versienummer.

4. Indien degene die de inrichting drijft, het monitoringsplan dient te wijzigen ingevolge artikel 16.13, tweede lid, onder b, in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, van de wet, waarbij deze wijziging een verandering van het monitoringsplan is als bedoeld in artikel 63, eerste lid, onder f, behoeft deze verandering vooraf niet door het bestuur van de emissieautoriteit te worden goedgekeurd.

5. Het vierde lid is niet van toepassing indien het voorschrift, bedoeld in artikel 63, tweede lid, onder a, deel uitmaakt van de vergunning, bedoeld in artikel 16.49, eerste lid, van de wet.

§ 3.9 Voorschriften aan de vergunning

Artikel 63. Vergunningvoorschriften

1. Het bestuur van de emissieautoriteit verbindt aan de vergunning, bedoeld in artikel 16.49, eerste lid, van de wet, in elk geval de volgende voorschriften:

a. in het emissieverslag wordt met betrekking tot het kalenderjaar waarop het emissieverslag betrekking heeft, het aantal NOx-emissierechten vermeld dat gedurende het kalenderjaar is opgebouwd overeenkomstig artikel 18 van het besluit, inclusief de bijbehorende berekening;

b. in het emissieverslag worden, met betrekking tot het kalenderjaar waarop het emissieverslag betrekking heeft, de gegevens ter identificatie van de inrichting vermeld;

c. de houder van de vergunning meldt schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit elke tijdelijke afwijking van de monitoringsmethodiek waarin het monitoringsplan niet voorziet onder opgaaf van de redenen voor deze afwijking:

1°. binnen vijf werkdagen nadat hij van deze tijdelijke afwijking kennis heeft genomen of hiervan in redelijkheid kennis heeft kunnen nemen, of

2°. in een overzicht, iedere maand, telkens uiterlijk per vijfde van die maand, waarbij onder tijdelijke afwijking van de monitoringsmethodiek wordt verstaan een tijdelijke afwijking:

1°. van de gebruikte methode om de jaarvracht van NOx te bepalen,

2°. in continue meting van de concentratie van NOx in combinatie met de continue meting of berekening van het afgasdebiet, bedoeld in artikel 40,

3°. van het kental dat op de betrokken processituatie van toepassing is of

4°. in de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van NOx, het jaarlijks brandstofverbruik of de productie;

d. een verandering van het monitoringsplan, voor zover het geen ingrijpende verandering, bedoeld in artikel 16.49, eerste lid, onder c, van de wet betreft, die betrekking heeft op een wijziging van de monitoringsmethodiek, wordt vooraf door het bestuur van de emissieautoriteit goedgekeurd, waarbij onder wijziging van de monitoringsmethodiek wordt verstaan:

1°. een verandering van de klasse, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X,

2°. indien artikel 39, tweede lid, van toepassing is: een verandering van de tijd dat een NOx-installatie uit klasse 1, 2 of 3 als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage X in bedrijf is, waardoor deze tijd 500 uur of meer per kalenderjaar komt te bedragen,

3°. indien artikel 39, derde lid, van toepassing is: een verandering van de jaarvracht van NOx van een NOx-verbrandingsinstallatie waardoor deze jaarvracht een ton of meer komt te bedragen,

4°. een verandering van de gebruikte methode om de jaarvracht van NOx te bepalen,

5°. een verandering in de continue meting van de concentratie van NOx in combinatie met de continue meting of berekening van het afgasdebiet, bedoeld in artikel 40,

6°. een verandering in de kentalbepaling,

7°. een verandering in het geldigheidsgebied van het kental,

8°. een verandering in de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van NOx, het jaarlijkse brandstofverbruik of de jaarlijkse productie of

9°. een verandering in de onderbouwing of beschrijving van de monitoringsmethodiek.

2. Het bestuur van de emissieautoriteit kan aan de vergunning, bedoeld in artikel 16.49, eerste lid, van de wet het voorschrift verbinden dat indien titel 16.3 van de wet door een omstandigheid niet meer van toepassing zal zijn op de inrichting, binnen zes weken nadat degene die de inrichting drijft, van deze omstandigheid kennis heeft genomen of hiervan in redelijkheid kennis heeft kunnen nemen, een melding bij het bestuur van de emissieautoriteit wordt ingediend.

§ 3.10 Emissieverslag

Artikel 64. Emissieverslag NOx

1. Het emissieverslag voldoet aan de daarop betrekking hebbende onderdelen van de krachtens artikel 16.49, eerste lid, of artikel 16.5, eerste lid, in verbinding met artikel 16.5, tweede lid, voor de betrokken inrichting verleende vergunning.

2. Het emissieverslag wordt opgesteld met gebruikmaking van het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage VIII.

§ 3.11. Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

Artikel 64a. Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

1. Degene die een inrichting drijft, herstelt alle onjuiste opgaven en non-conformiteiten die een verificateur tijdens de verificatie en in zijn verklaring, bedoeld in artikel 16.49, tweede lid, in verbinding met 16.12, eerste lid, onder c, van de wet, aan hem heeft medegedeeld.

2. Onjuiste opgaven en non-conformiteiten die hersteld kunnen worden, en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale NOx-emissies in het emissieverslag, worden door degene die de inrichting drijft, in het totale emissiecijfer van het emissieverslag verwerkt.

3. Non-conformiteiten die niet kunnen worden hersteld voor 1 april van het betrokken kalenderjaar en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale NOx-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen zes weken na indiening van het emissieverslag.

4. Non-conformiteiten die geen gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale NOx-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen drie maanden na indiening van het emissieverslag.

Hoofdstuk 4. Emissies van distikstofoxide

§ 4.1. Begripsbepalingen

Artikel 65. Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

monitoringsmethodiek: het geheel van methoden, dat door degene die een inrichting drijft, wordt gebruikt om de jaarvracht van N2O van een N2O-installatie te bepalen;

N2O-installatie: broeikasgasinstallatie waarin activiteiten worden verricht, die behoren tot een categorie van activiteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van het besluit.

§ 4.2. Monitoringsplan

Artikel 66. Inhoud monitoringsplan algemeen

1. In gevallen waarin de aanvraag om een vergunning betrekking heeft op het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, onder a, van de wet, vermeldt de aanvrager in het monitoringsplan voor de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, in elk geval:

a. de beoogde houder van de vergunning;

b. uittreksel uit het handelsregister;

c. de naam, het adres en de ligging van de inrichting;

d. de naam van de contactpersoon van het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 van de wet voor de inrichting te verlenen;

e. de wijze waarop in het emissieverslag verslag wordt gedaan van de N2O-jaarvracht en de gegevens betreffende het brandstofverbruik, het grondstofverbruik en de productie en de wijze waarop deze gegevens worden verkregen;

f. de beschikbaarheid en de vakbekwaamheid van de personen die met de uitvoering van het monitoringsplan en de controle op de naleving daarvan worden belast en de wijze waarop taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn verdeeld tussen deze personen;

g. de wijze waarop de werkzaamheden, bedoeld in artikel 71, door een meetinstantie worden verricht, en indien artikel 71, derde lid, van toepassing is: een lijst en een beschrijving van de niet-geaccrediteerde meetinstanties, waarbij in de beschrijving wordt aangegeven dat de meetinstanties werken conform de eisen van de geaccrediteerde meetinstanties;

h. een beschrijving van de operationele procedures binnen de inrichting, die betrekking hebben op:

1°. de wijze waarop bedrijfsinterne validatie van de meetinstrumenten plaatsvindt, overeenkomstig paragaaf 4.5;

2°. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van het monitoringsplan op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, overeenkomstig paragraaf 4.6;

i. een beschrijving van de procedure waarin aan de hand van een schematische weergave alle operationele activiteiten zijn opgenomen waaronder het meten, bewerken en opslaan van gegevens, het opstellen van het emissieverslag, de verificatie daarvan en het verzenden van het emissieverslag aan het bestuur van de emissieautoriteit;

j. de werkomschrijvingen van de activiteiten, bedoeld onder h, die in het kader van de uitvoering van het monitoringsplan plaatsvinden;

k. de datum waarop het monitoringsplan is opgesteld en het versienummer daarvan.

2. In het monitoringsplan neemt de aanvrager tevens een beschrijving op alsmede een schematische weergave van:

a. de afbakening van de verzameling N2O-installaties binnen de inrichting;

b. de naam, identificatie en het identificatienummer van elke N2O-installatie die zich in de inrichting bevindt;

c. de naam, de identificatie en het identificatienummer van de materiaalstromen binnen de inrichting;

d. de soort N2O-installaties;

e. de naam en het identificatienummer van de bronnen die zich binnen de inrichting bevinden en die N2O uitstoten;

f. de aansluiting van de desbetreffende bronnen op de N2O-installaties.

3. In het monitoringsplan vermeldt de aanvrager tevens:

a. de capaciteit, uitgedrukt in tonnen vervaardigd product per kalenderjaar, van elke zich in de inrichting bevindende N2O-installatie;

b. de verwachte N2O-jaarvracht van elke zich in de inrichting bevindende N2O-installatie afzonderlijk en alle N2O-installaties tezamen;

c. de methode waarmee de totale jaarvracht van N2O van alle N2O-installaties tezamen wordt bepaald.

4. Indien in het monitoringsplan ter onderbouwing van de gevraagde gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid en artikel 67, verwijzingen zijn opgenomen, zijn deze verwijzingen traceerbaar en verifieerbaar.

5. Indien degene die een inrichting drijft, op het moment van de indiening van het monitoringsplan nog niet volledig aan de meetvoorschriften, bedoeld in paragraaf 4.3, of de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen, bedoeld in paragraaf 4.5, voldoet omdat het technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten leidt, worden de technische niet-haalbaarheid van bedoelde voorschriften of de onredelijke kosten ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond. Hiertoe wordt in het monitoringsplan aangegeven:

a. de reden waarom degene die de inrichting drijft, niet aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen kan voldoen, alsmede de onderbouwing daarvan;

b. het tijdstip en de wijze waarop degene die de inrichting drijft, wel volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen zal voldoen;

c. de wijze waarop de jaarvracht van N2O wordt bepaald in de periode waarin nog niet volledig aan bedoelde meetvoorschriften onderscheidenlijk de voorschriften inzake de kwaliteitsborging van de metingen wordt voldaan.

Artikel 67. Invulling monitoringsplan inrichting

1. Onverminderd artikel 66 wordt in het monitoringsplan voor elke N2O-installatie die zich in de inrichting bevindt, de te hanteren monitoringsmethodiek aangegeven, ten minste bestaande uit een beschrijving van:

a. de hoeveelheid materiaal die wordt gebruikt bij een maximale capaciteit van de N2O-installatie;

b. de methode waarmee de hoeveelheid materiaal die wordt gebruikt in het productieproces wordt bepaald;

c. de methode waarmee per N2O-installatie de hoeveelheid geproduceerd salpeterzuur in vracht per uur wordt bepaald, uitgedrukt als HNO3 100%;

d. de methode waarmee per N2O-installatie de N2O-concentratie in het afgas, uitgedrukt in mg per Nm3 wordt bepaald;

e. de methode waarmee per N2O-installatie het afgas, uitgedrukt in Nm3 per uur, wordt bepaald;

f. de wijze waarop of de mate waarin met wisselende belasting in de N2O-installatie wordt geproduceerd, alsmede de aard van de bedrijfsvoering;

g. de methode waarmee per N2O-installatie de jaarvracht van N2O wordt bepaald;

h. de methode waarop de onder b tot en met g bedoelde gegevens worden verkregen, geregistreerd en bewaard;

i. de invoergegevens die voor de berekeningsformules of de correlatiemodellen ter bepaling van de jaarvracht van N2O worden gebruikt;

j. indien van toepassing: koppelingen met activiteiten in de N2O-installatie die plaatsvinden in het kader van het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), dan wel een ander intern milieuzorgsysteem.

2. Onverminderd het eerste lid wordt in het monitoringsplan voor elke N2O-installatie ten minste een beschrijving opgenomen van:

a. de van de normale bedrijfsvoering afwijkende procesomstandigheden, een indicatie van de frequentie waarmee dit voorkomt en de duur van de afwijkingen, alsmede een indicatie van de omvang van de N2O-emissies tijdens de afwijkende procesomstandigheden;

b. de gegevens waaruit blijkt dat de onzekerheidseis als bedoeld in artikel 69, derde lid, wordt nageleefd;

c. de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van N2O en de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de productie van salpeterzuur, waarbij in ieder geval worden vermeld:

1°. de omrekeningsfactoren die benodigd zijn om tot berekening van de jaarvracht van N2O en berekening van de productie van salpeterzuur te komen;

2°. het te hanteren meetprincipe, de frequentie waarmee monsters worden genomen, de op grond van artikel 70 van toepassing zijnde norm, en de middelingstijd;

3°. de plaats waar de parameters worden gemeten, weergegeven in een processchema;

4°. de relaties tussen de gemeten parameters, de N2O-emissies en de productie van salpeterzuur;

5°. het geldigheidsgebied van de gehanteerde monitoringsmethodiek voor de bepaling van de N2O-emissies, alsmede de te hanteren alternatieve methode indien de bepaling van de N2O-emissies buiten het geldigheidsgebied valt, onder aanduiding van de omstandigheden waaronder de alternatieve methode wordt gestart en gestopt;

6°. in geval het meetinstrument uitvalt of onvoldoende functioneert: de waarde, uitgedrukt in kg/ N2O per uur, die overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XVII, hoofdstuk XVII.3, is vastgesteld.

Artikel 68. Model monitoringsplan

1. Het monitoringsplan wordt opgesteld met gebruikmaking van het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage I.

2. Van het model, bedoeld in het eerste lid, mag uitsluitend worden afgeweken indien de reden daarvoor ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit wordt gemotiveerd.

§ 4.3. Monitoringsmethodiek N2O

Artikel 69. Bepaling jaarvracht van N2O

1. Degene die een inrichting drijft, bepaalt de jaarvracht van N2O van een zich in de inrichting bevindende N2O-installatie overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage XVII.

2. De N2O-emissies van een N2O-installatie worden overeenkomstig de bijlage als bedoeld in het eerste lid bepaald door de continue meting van de concentratie van N2O en de concentratie van zuurstof in combinatie met de continue meting of berekening van het afgasdebiet.

3. De waarde van de 95%-betrouwbaarheidsintervallen van de individuele waarnemingen op grond waarvan de uurgemiddelde vracht van N2O wordt bepaald, is kleiner dan 7,5% van de jaargemiddelde uurvracht.

Artikel 70. CEN-normen bij de continue meting van N2O–emissies

1. De metingen voor de bepaling van de N2O-emissies, bedoeld in artikel 69, worden uitgevoerd volgens relevante CEN-normen.

2. Indien geen CEN-normen als bedoeld in het eerste lid bestaan, worden ISO-normen gebruikt dan wel andere nationale of internationale normen indien ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit is aangetoond dat deze normen waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige kwaliteit worden verstrekt.

3. Een in het eerste lid bedoelde CEN-norm heeft betrekking op de laatst uitgegeven norm met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een uitgegeven norm, aanvulling, onderscheidenlijk correctieblad, wordt eerst van toepassing één jaar na de datum van de uitgifte.

4. De Minister doet van de uitgifte van CEN-normen, bedoeld in het derde lid, alsmede van de uitgifte van aanvullingen en correctiebladen voor deze normen zo spoedig mogelijk na uitgifte mededeling door kennisgeving in de Staatscourant.

§ 4.4. Meetinstanties

Artikel 71. Uitvoering van werkzaamheden door een meetinstantie

1. Parallelmetingen die plaatsvinden in het kader van de kwaliteitsborging van continue metingen als bedoeld in artikel 69 worden uitgevoerd door een meetinstantie als bedoeld in het tweede lid.

2. Werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid mogen uitsluitend worden verricht door een meetinstantie die voor deze verrichtingen is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005.

3. In afwijking van het tweede lid mag voor de werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid een meetinstantie worden ingeschakeld die voor het uitvoeren van deze verrichtingen niet is geaccrediteerd volgens EN ISO 17025:2005, op voorwaarde dat degene die de inrichting drijft, ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat:

a. deze meetinstantie voldoet aan eisen die gelijkwaardig zijn aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;

b. deze meetinstantie technisch competent en in staat is om technisch geldende resultaten te genereren waarbij relevante analytische procedures worden gebruikt.

§ 4.5. Kwaliteitsborging meetvoorzieningen

Artikel 72. Kwaliteitsborging N2O-metingen

1. Kwaliteitsborging van de continue metingen van de concentratie van N2O en zuurstof geschiedt overeenkomstig de norm NEN-EN 14181, waarbij in afwijking van deze norm de geïnstalleerde meetapparatuur om de drie jaar door middel van parallelmetingen wordt gekalibreerd.

2. De meetapparatuur die de hoeveelheid luchtstroom meet, wordt jaarlijks gekalibreerd en onderhouden.

3. Artikel 18, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op N2O- emissies.

Artikel 73. Metingen met behulp van apparatuur

1. Degene die een inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de ter bepaling van de jaarvracht van N2O geïnstalleerde meet-, monstername- en analyse-apparatuur of de apparatuur voor de automatische verwerking van meetresultaten ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit regelmatig en voorafgaand aan het gebruik wordt gekalibreerd, bijgesteld en gecontroleerd.

2. Degene die een inrichting drijft, geeft in het monitoringplan aan welke onderdelen van een meetinstrument niet kunnen worden gekalibreerd, en stelt alternatieve controleactiviteiten voor.

3. Artikel 19, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op N2O- emissies.

Artikel 74. Meetvoorzieningen en meldingen

De artikelen 20 tot en met 22 zijn van overeenkomstige toepassing op N2O- emissies en N2O-installaties.

Artikel 75. Bedrijfsinterne validatieprocedure

1. Artikel 23, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op N2O- emissies.

2. Indien uit de bedrijfsinterne validatie blijkt dat niet wordt voldaan aan NEN-EN 14181 of indien uit de bedrijfsinterne validatie of NEN-EN 14181 blijkt dat een nieuwe kalibratie wordt uitgevoerd, wordt dit onverwijld aan het bestuur van de emissieautoriteit gemeld.

§ 4.6. Kwaliteitsborging interne bedrijfsprocedures en interne organisatie

Artikel 76. Kwaliteitsborging

1. Degene die een inrichting drijft, stelt de procedures vast, zoals die overeenkomstig artikel 66, eerste lid, onder g, onder 2°, in het monitoringsplan worden beschreven.

2. De artikelen 24, tweede lid, 25, 26, 27, 28, met uitzondering van het derde lid, onder e en g, 29 en 30 zijn van overeenkomstige toepassing op N2O-emissies.

§ 4.7. Registratie van veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan

Artikel 77. Veranderingen en tijdelijke afwijkingen van het monitoringsplan

De artikelen 31 en 32 zijn van overeenkomstige toepassing op N2O-emissies.

§ 4.8. Voorschriften aan de vergunning

Artikel 78. Vergunningvoorschriften

1. Het bestuur van de emissieautoriteit verbindt aan de vergunning, bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, van de wet, in elk geval de volgende voorschriften voor inrichtingen waarin zich N2O installaties bevinden:

a. in het emissieverslag worden voor de inrichting, met betrekking tot het kalenderjaar waarop het emissieverslag betrekking heeft, vermeld:

1°. de gegevens ter identificatie van de inrichting;

2°. de codes van de rapportagesystemen, bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage IX, waarmee elke activiteit die in de inrichting plaatsvindt, wordt aangeduid;

b. de houder van de vergunning meldt schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit elke tijdelijke afwijking van de monitoringsmethodiek waarin het monitoringsplan niet voorziet onder opgaaf van de redenen voor deze afwijking:

1°. binnen vijf werkdagen nadat hij van deze tijdelijke afwijking kennis heeft genomen of hiervan in redelijkheid kennis heeft kunnen nemen, of

2°. in een overzicht, iedere maand, telkens uiterlijk per de vijfde van die maand, waarbij onder een tijdelijke afwijking van de monitoringsmethodiek wordt verstaan:

1°. een tijdelijke afwijking van de gebruikte methode om de jaarvracht van N2O te bepalen,

2°. een tijdelijke afwijking in de continue meting van de concentratie van N2O en de concentratie van zuurstof in combinatie met de continue meting of berekening van het afgasdebiet, bedoeld in artikel 69,

3°. een tijdelijke afwijking in de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van N2O of de jaarlijkse productie van salpeterzuur of

4°. een verandering in de onzekerheidsbepaling;

c. een verandering van het monitoringsplan, voorzover het geen ingrijpende verandering als bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, onder c, van de wet betreft, die betrekking heeft op een wijziging van de monitoringsmethodiek, wordt vooraf door het bestuur van de emissieautoriteit goedgekeurd, waarbij onder wijziging van de monitoringsmethodiek wordt verstaan:

1°. een verandering van de gebruikte methode om de jaarvracht van N2O te bepalen,

2°. een verandering in de continue meting van de concentratie van N2O en de concentratie van zuurstof in combinatie met de continue meting of berekening van het afgasdebiet, bedoeld in artikel 69,

3°. een verandering in de parameters die worden gebruikt voor de bepaling van de jaarvracht van N2O of de jaarlijkse productie van salpeterzuur,

4°. een verandering in de onzekerheidsbepaling of

5°. een verandering in de onderbouwing of de beschrijving van de monitoringsmethodiek.

d. indien titel 16.2 van de wet door een omstandigheid niet meer van toepassing zal zijn op de inrichting, wordt binnen zes weken nadat degene die de inrichting drijft, van deze omstandigheid kennis heeft genomen of hiervan in redelijkheid kennis heeft kunnen nemen, een melding hiervan bij het bestuur van de emissieautoriteit ingediend.

2. Onder wijziging van de monitoringsmethodiek, bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt niet verstaan een wijziging van het monitoringsplan ingevolge artikel 16.13, tweede lid, onder b, van de wet.

§ 4.9. Emissieverslag

Artikel 79. Emissieverslag N2O

Als model voor het opstellen van het emissieverslag geldt het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage VIII.

§ 4.10. Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

Artikel 79a. Herstel onjuiste opgaven en non-conformiteiten

1. Degene die een inrichting drijft, herstelt alle onjuiste opgaven en non-conformiteiten die een verificateur tijdens de verificatie en in zijn verklaring, bedoeld in artikel 16.49, tweede lid, in verbinding met 16.12, eerste lid, onder c, van de wet, aan hem heeft medegedeeld.

2. Onjuiste opgaven en non-conformiteiten die hersteld kunnen worden en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale N2O-emissies in het emissieverslag, worden door degene die de inrichting drijft, in het totale emissiecijfer van het emissieverslag verwerkt.

3. Non-conformiteiten die niet kunnen worden hersteld voor 1 april van het betrokken kalenderjaar en die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale N2O-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen zes weken na indiening van het emissieverslag.

4. Non-conformiteiten die geen gevolgen hebben of kunnen hebben voor de totale N2O-emissies in het emissieverslag, worden hersteld binnen drie maanden na indiening van het emissieverslag.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 80. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.

Artikel 81. Titel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling monitoring handel in emissierechten.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Den Haag, 14 december 2004.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel
.

 

 

Bijlagen

[Niet opgenomen]

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wet milieubeheer | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x