|
REGELING van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer, van 20 februari 2004, nr. EV 2004017428,
Directoraat-Generaal Milieubeheer, Directie Externe Veiligheid, houdende
Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke
stoffen en artikel 1.1.1, eerste lid, artikel 2.1.1 en artikel 3.1.2 van het
Vuurwerkbesluit;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. lont: onderdeel van het vuurwerk waardoor de gebruiker in
staat wordt gesteld het vuurwerk tot ontbranding te brengen;
b. lading: samenstelling van de sas en de hoeveelheid sas in
vuurwerk;
c. zwart buskruit: mengsel bestaande uit houtskool en
natriumnitraat of kaliumnitraat met of zonder zwavel, met een
maximale verontreiniging van 3%;
d. knal: het beoogde geluidseffect ten gevolge van een explosieve
verbranding van zwart buskruit opgesloten in een afzonderlijk
compartiment;
e. burst: het effect ten gevolge van een explosieve verbranding
van een lading met als doel om effectladingen aan te steken en te
verspreiden;
f. indoortheatervuurwerk: theatervuurwerk dat geschikt is voor de
realisatie van pyrotechnische speciale effecten in besloten ruimten;
g. elektrische ontsteker: een voorwerp waarmee, middels een
gespecificeerde minimale hoeveelheid elektrische energie, een stof
of voorwerp tot ontbranding of ontsteking gebracht wordt;
h. sterren: delen of onderdelen van pyrotechnische voorwerpen in
vaste vorm (bol, cilinder, korrel) die bij verbranding een
lichtspoor of een spoor van vonken veroorzaken;
i. vonken: hete deeltjes die een kortstondig lichteffect
veroorzaken;
j. scherven: delen of onderdelen van de constructieve elementen
van pyrotechnische stoffen en voorwerpen, die een (onbedoeld) gevaar
voor personen kunnen opleveren in de vorm van verwonding of ander
letsel;
k. scherfwerking: een eigenschap van stoffen, voorwerpen of
producten om scherven te veroorzaken;
l. bijlage: bij deze regeling behorende bijlage;
m. pyrotechnische unit: afzonderlijke eenheid die een
pyrotechnisch effect teweegbrengt;
n. compartiment: afgesloten deel van vuurwerk dat een of meer
pyrotechnische units bevat.
Artikel 2
1. Het in bijlage I vermelde vuurwerk
wordt aangewezen als fop- en schertsvuurwerk.
2. Het in bijlage I vermelde vuurwerk voldoet aan de in die
bijlage gestelde eisen met betrekking tot de lading.
Artikel 3
Consumentenvuurwerk en theatervuurwerk mag niet de stoffen bevatten
vermeld in bijlage II.
Artikel 4
1. De houder van een sterretje is
vervaardigd van een materiaal, dat niet kan smelten bij de temperatuur
van de brandende lading en dat niet tot zelfontbranding kan overgaan.
2. De houder van een sterretje mag, nadat het in een horizontale
positie volledig heeft gefunctioneerd, niet meer dan 45° zijn gebogen,
gemeten op het overgangspunt metaal/pyrotechnisch materiaal naar de punt
van het sterretje.
Artikel 5
1. Consumentenvuurwerk voorzien van een
lont heeft een ontsteekvertraging van ten minste 3 en ten hoogste 8
seconden. Consumentenvuurwerk is slechts voorzien van één lont.
2. De lont is zodanig samengesteld, dat het verloop van de
ontsteking tot het moment van de ontbranding van het consumentenvuurwerk
bij voortduring zichtbaar is.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op Romeinse kaarsen.
4. Consumentenvuurwerk is niet voorzien van een
wrijvingsontsteker.
Artikel 6
1. Metalen houders en sluitingen van
consumentenvuurwerk hebben een zodanige sterkte, dat zij na de
ontsteking niet uiteen worden gereten door het functioneren van het
vuurwerk.
2. Onderdelen van zichzelf voortdrijvend consumentenvuurwerk, die
bestemd zijn om een roterend of voortbewegend effect van dat vuurwerk te
veroorzaken, zijn niet vervaardigd van metaal.
3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid mag de motorhuls
van zichzelf voortdrijvend consumentenvuurwerk, bestemd om uitsluitend
een opstijgend, niet roterend effect van dat vuurwerk te veroorzaken,
met een totale lading van ten minste 15 gram, zijn vervaardigd van
aluminium.
4. Consumentenvuurwerk dat als hoofdeffect het genereren en
verspreiden van rook heeft, is verboden.
5. Het brutogewicht van een consumentenvuurwerkartikel bedraagt
niet meer dan 10 kg.
Artikel 7
Consumentenvuurwerk dat een roterende beweging maakt, is niet aan een
stok of een draad bevestigd.
Artikel 8
Consumentenvuurwerk is niet herlaadbaar.
Artikel 9
1. De lading, constructie en
eigenschappen van consumentenvuurwerk voldoen aan de in bijlage III per
categorie gestelde eisen.
2. Consumentenvuurwerk is niet voorzien van een burst.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op consumentenvuurwerk
dat behoort tot categorie C of D2 van bijlage III.
4. Vuurwerk van categorie B, C1, C2, F en G van bijlage III mag
tijdens het functioneren niet omvallen.
5. Hulpstukken, die dienen om de stabiliteit van het in het
vierde lid bedoelde vuurwerk te verbeteren, zijn onlosmakelijk verbonden
met het vuurwerk.
6. Voor de beoordeling of consumentenvuurwerk voldoet aan het
vierde lid, wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de in bijlage IV
vastgestelde methode van onderzoek.
Artikel 10
1. Ontsteking van naastliggende
compartimenten bij gecompartimenteerd consumentenvuurwerk anders dan via
de doorverbindlont, is niet mogelijk.
2. Roterend consumentenvuurwerk is zodanig samengesteld dat de
voortdrijvende werking ervan, of van onderdelen ervan, beperkt is tot
een afstand van 2 meter van de plaats van ontsteking.
3. Bij zichzelf niet voortdrijvend consumentenvuurwerk met
uitsluitend lichteffect is de dracht van de vrijkomende delen van de
lading beperkt tot een afstand van ten hoogste twee meter van de plaats
van ontsteking.
Artikel 11
Consumentenvuurwerk mag niet door gebruikmaking van vermeldingen of
voorstellingen de indruk wekken dat het vuurwerk niet voldoet aan de in
deze regeling aan consumentenvuurwerk gestelde eisen.
Artikel 12
1. Theatervuurwerk bevat geen brandbare
vloeistoffen.
2. Theatervuurwerk mag voorzien zijn van een elektrische
ontsteker.
3. Theatervuurwerk bevat geen detonabele stoffen of voorwerpen.
4. Metalen, papieren of kunststof compartimenten, houders en
sluitingen van theatervuurwerk hebben een zodanige sterkte dat zij na de
ontsteking niet uiteen worden gereten door het functioneren van het
theatervuurwerk.
5. Delen of onderdelen van theatervuurwerk die na ontsteking
uitgeworpen worden, mogen niet zijn vervaardigd van metaal of zijn
voorzien van een burst.
6. Het vijfde lid is niet van toepassing op vuurwerk van de
categorie RR.
7. Theatervuurwerk dat bedoeld is om te worden afgevuurd vanaf
een vlakke ondergrond, en dat niet wordt gesteund door enig andere
constructie, moet zodanig geconstrueerd zijn dat het niet omvalt tijdens
het functioneren.
8. Voor de beoordeling of theatervuurwerk voldoet aan het zesde
lid, wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de in bijlage IV vastgestelde
methode van onderzoek.
9. Theatervuurwerk mag alleen scherfwerking vertonen voor zover
dit door de fabrikant of importeur is aangegeven en mede door de
fabrikant of importeur is aangegeven met welke maatregelen en
voorzieningen deze scherfwerking opgeheven kan worden.
Artikel 13
Het in bijlage V vermelde vuurwerk wordt aangewezen als
theatervuurwerk voor zover het voldoet aan de in die bijlage gestelde
eisen met betrekking tot de lading.
Artikel 14
1. Consumentenvuurwerk dat behoort tot
categorie A1 of E1 van bijlage III levert bij het ontbranden een
zodanige geluidsdruk dat het A-gewogen geluidexpositieniveau L AE op 2
meter afstand niet meer bedraagt dan 116 dB. Consumentenvuurwerk dat
behoort tot categorie A2 van bijlage III levert bij het ontbranden van
het gehele artikel een zodanige geluidsdruk dat het A-gewogen
geluidexpositieniveau LAE op 6 meter afstand niet meer bedraagt dan
140,6 dB en levert bij het ontbranden van een enkel compartiment een
zodanige geluidsdruk dat het A-gewogen geluidexpositieniveau LAE op 2
meter afstand niet meer bedraagt dan 116 dB.
2. Voor de beoordeling of consumentenvuurwerk voldoet aan het
eerste lid, wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de in bijlage VI
vastgestelde methode van onderzoek.
Artikel 15
De Regeling nadere eisen aan vuurwerk wordt ingetrokken.
Artikel 15a
Deze regeling berust mede op artikel 9.2.2.1, derde lid, van de Wet
milieubeheer.
Artikel 16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nadere eisen aan
vuurwerk 2004.
Artikel 17
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit
van 16 januari 2004 tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en enkele andere
besluiten (Stb. 2004, 26) in werking treedt, met dien verstande dat:
a. het verbod op de ingevolge artikel 3 in bijlage II, onder 8
genoemde stoffen in werking treedt met ingang van 1 maart 2005;
b. artikel 6, vierde lid, in werking treedt met ingang van 25
oktober 2004.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Kuala Lumpur, 20 februari 2004.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer
P.L.B.A. van Geel.
Bijlage I
Fop- en schertsvuurwerk (artikel 2, eerste en tweede lid)
1. Booby-traps en trektouwtjes – lading kaliumchloraat en een
brandbare stof tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 50
milligram;
2. Confetti- en tafelbommen, knalbonbons en cotillonvruchten –
lading tot een gewicht van ten hoogste 1 gram;
3. Flitswatten – lading uitsluitend collodiumwol tot een
gewicht van ten hoogste 1 gram;
4. Serpents – lading tot een gewicht van ten hoogste 3 gram;
5. Bengaalse lucifers – lading tot een gewicht van ten hoogste
2,5 gram;
6. Bengaalse handfakkels – lading tot een gewicht van ten
hoogste 25 gram;
7. Sterretjes – lading uitsluitend aluminiumpoeder tot ten
hoogste 15%, nitraten of ijzerpoeder, eventueel met toevoeging van
een bindmiddel, tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 30 gram;
8. Knalerwten en knalduiveltjes – lading zilverfulminaat tot
een gewicht van ten hoogste 2,5 milligram;
9. IJsfonteinen – lading nitraatcellulose tot een gewicht van
7,5 gram;
10. Schertslucifers – lading tot een gewicht van ten hoogste 50
milligram voor het vuureffect en ten hoogste 3,0 milligram voor het
knaleffect.
Bijlage II
Stoffen die niet mogen voorkomen in consumentenvuurwerk en
theatervuurwerk (artikel 3)
1. arseen of arseenverbindingen;
2. mengsels die meer dan 80 massa-% chloraten bevatten;
3. mengsels van chloraten met meer dan 0,15 massa-% bromaten;
4. mengsels van chloraten met metalen;
5. mengsels van chloraten met rode fosfor;
6. mengsels van chloraten met kalium hexacyanoferraat(II);
7. mengsels van chloraten met zwavel of sulfides;
8. lood of loodverbindingen;
9. kwikverbindingen;
10. witte fosfor;
11. picraten of picrinezuur;
12. zwavel met een zuurgraad (uitgedrukt als massa fractie
zwavelzuur) groter dan 0,002%;
13. zirkonium met een deeltjesgrootte van minder dan 40 µm.
Bijlage III. Eisen met betrekking tot de lading,
constructie en eigenschappen per categorie consumentenvuurwerk (artikel
9, eerste lid)
A. Zichzelf niet voortdrijvend vuurwerk dat na ontsteking door de
reactie geheel of gedeeltelijk uiteen wordt gereten;
A1. niet-gecompartimenteerd – lading: uitsluitend zwart
buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2,5 gram;
A2. gecompartimenteerd, zoals snoeren, strengen of zevenklappers – lading:
uitsluitend zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2500 gram
mits elk compartiment niet meer bevat dan ten hoogste 0,5 gram.
B. Zichzelf niet voortdrijvend vuurwerk dat na ontsteking door de
reactie niet uiteen wordt gereten met een geleidelijke uitstoot van het
effect op de grond tot een maximale hoogte van 5 meter;
B1. niet-gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met een lading tot
een gewicht van ten hoogste 100 gram;
B2. gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met een lading tot een
gewicht van ten hoogste 200 gram mits elk compartiment niet meer bevat
dan ten hoogste 100 gram.
C. Zichzelf niet voortdrijvend vuurwerk dat na ontsteking door de
reactie niet uiteen wordt gereten; indien zich in het vuurwerk een
bursteffect bevindt, dient dit pas boven een hoogte van 5 meter tot
ontbranding te komen;
C1. niet-gecompartimenteerd vuurwerk met niet meer dan een
pyrotechnische unit zonder knal met een lading tot een gewicht van ten
hoogste 50 gram; de totale lading van de burst mag maximaal 10 gram
zwart buskruit bevatten of 4 gram andere nitraathoudende lading of 2
gram perchloraat/metaal;
C2. gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met een lading tot een
gezamenlijk gewicht van ten hoogste 500 gram en een lading per
compartiment van ten hoogste 15 gram; de totale lading van de burst mag
per compartiment maximaal 10 gram zwart buskruit bevatten of 4 gram
andere nitraathoudende lading of 2 gram perchloraat/metaal;
C3. niet-gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met twee of meer
pyrotechnische units tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 50 gram
waarbij de lading per pyrotechnische unit niet meer bedraagt dan 10
gram; de totale lading van de bursteffecten mag maximaal 10 gram zwart
buskruit bevatten of 4 gram andere nitraathoudende lading of 2 gram
perchloraat/metaal; de constructie dient zodanig te zijn uitgevoerd dat
het vuurwerk eenvoudig in de grond is te plaatsen.
D. Zichzelf voortdrijvend, verticaal opstijgend vuurwerk;
D1. met knal – lading voor knaleffect: uitsluitend zwart
buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2 gram; overige lading: zwart
buskruit of een andere lading waarvan het gezamenlijk gewicht, met
inbegrip van het gewicht van de lading voor het knaleffect, ten hoogste
5 gram mag bedragen; het vuurwerk moet een vast verbonden stok voor
vluchtstabilisatie bezitten;
D2. met bursteffect dat na de ontsteking door de reactie geheel of
gedeeltelijk uiteen wordt gereten – lading: zwart buskruit of een
andere lading tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 40 gram; de
totale lading van de burst mag maximaal 10 gram zwart buskruit bevatten
of 4 gram andere nitraathoudende lading of 2 gram perchloraat/metaal;
het vuurwerk moet een vast verbonden stok voor vluchtstabilisatie
bezitten;
D3. met een geluid- of lichteffect anders dan een burst of een knal
– lading: zwart buskruit tot een gezamenlijk gewicht van ten
hoogste 40 gram; het vuurwerk moet een vast verbonden stok voor
vluchtstabilisatie bezitten.
E. Zichzelf voortdrijvend, roterend vuurwerk;
E1. dat niet opstijgt en na de ontsteking door de reactie geheel of
gedeeltelijk uiteen wordt gereten – lading voor knaleffect:
uitsluitend zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 1 gram;
overige lading: zwart buskruit of een andere lading waarvan het
gezamenlijk gewicht, met inbegrip van het gewicht van de lading voor het
knaleffect, ten hoogste 5 gram mag bedragen;
E2. dat niet opstijgt en na de ontsteking door de reactie niet uiteen
wordt gereten – lading: zwart buskruit of een andere lading,
waarvan het gezamenlijk gewicht ten hoogste mag bedragen:
a. indien het vuurwerk voor het goed functioneren moet worden
vastgezet: 40 gram;
b. indien het vuurwerk voor het goed functioneren niet moet
worden vastgezet: 15 gram;
E3. dat opstijgt en na de ontsteking door de reactie niet uiteen
wordt gereten – lading: zwart buskruit of een andere lading tot
een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 5 gram.
F. Zichzelf niet voortdrijvend vuurwerk dat na ontsteking door de
reactie niet uiteen wordt gereten met een effect dat per pyrotechnische
unit gelijktijdig geheel wordt uitgestoten en vanaf de grond tot een
maximale hoogte van 10 meter reikt;
F1. niet-gecompartimenteerd vuurwerk met niet meer dan een
pyrotechnische unit zonder knal met een lading tot een gewicht van ten
hoogste 50 gram;
F2. gecompartimenteerd vuurwerk zonder knal met een lading tot een
gewicht van ten hoogste 200 gram mits elke pyrotechnische unit niet meer
lading bevat dan 15 gram.
G. Vuurwerk bestaande uit door de fabrikant samengestelde combinaties
van B1, C2, C3 of F2 zijn toegestaan mits ieder type afzonderlijk
functioneert en voldoet aan de individuele eisen die gesteld zijn – lading:
tot een gezamenlijk gewicht van ten hoogste 500 gram.
Bijlage IV
Methode van onderzoek in verband met omvallen van vuurwerk
(artikel 9, zesde lid, alsmede artikel 12, achtste lid)
1. Het te testen artikel wordt overeenkomstig de gebruiksaanwijzing
geplaatst op een houten blok. Het bovenvlak van dit blok heeft een
helling van 10 graden ten opzichte van het horizontale vlak en is
bekleed met schuurpapier met grit P80 volgens ISO 6344-2.
2. Plaats de basis van het artikel op het houten blok en ontsteek de
lont. Voor een polygone basis (bijvoorbeeld een driehoek of ruit):
plaats één zijde van de basis evenwijdig aan de bovenrand van het
blok.
3. Observeer of het artikel eerder omvalt dan na het uitstoten van
het laatste pyrotechnische effect en dit omvallen de werking van een of
meer pyrotechnische effecten in enigerlei opzicht heeft beïnvloed.
Wanneer dit het geval is, kan de test worden gestaakt.
4. Plaats het volgende exemplaar van het artikel 90° met de klok mee
gedraaid ten opzichte van de oriëntatie in de vorige test op het houten
blok en ontsteek de lont.
5. Herhaal stap 4. voor ieder artikel uit de steekproef, tenzij het
artikel eerder omvalt dan na het uitstoten van het laatste
pyrotechnische effect en dit omvallen de werking van een of meer
pyrotechnische effecten in enigerlei opzicht heeft beïnvloed.
Bijlage V
Theatervuurwerk (artikel 13)
AA. Binair mengsel: een heterogeen mengsel van minimaal twee
vaste stoffen in poedervorm, welke volgens veiligheidsinstructies
van importeur of leverancier op locatie kan worden aangemaakt voor
direct gebruik.
AA.1 Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.
AA.2 Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 28 gram.
BB. Draadraket of lijnraket: een voorwerp dat door een
pyrotechnische sas wordt voortgestuwd en dat zodanig aan een
geleidedraad bevestigd is, dat voorkomen wordt dat het voorwerp
tijdens het functioneren van de draad kan loskomen. Tijdens
functioneren kan de draadraket een (gespecificeerd) geluid, vuur,
licht, vonk of combinatie van deze effecten veroorzaken.
BB.1 Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.
BB.2 Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 20 gram.
CC. Fakkel (flare): een pyrotechnisch voorwerp met een vlam of
vuureffect dat gedurende een bepaalde tijdsduur kan aanhouden.
CC.1 Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 500 gram.
CC.2 Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.
DD. Stroboscoop fakkel (strobe flare, flash flare): een
pyrotechnisch voorwerp met een vlam of vuureffect dat gedurende een
bepaalde tijdsduur kan aanhouden en waarbij een pulserend of
stroboscopisch vlam- of vuureffect wordt gevormd.
DD.1 Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 500 gram.
DD.2 Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.
EE. Fontein: een pyrotechnisch voorwerp van waaruit een
langdurende of kortdurende stroom van vonken wordt uitgeworpen.
EE.1 Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 250 gram.
EE.2 Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 200 gram.
FF. Komeet: een pyrotechnisch voorwerp met een éénmalige
uitstoot van een of meerdere (geperste) sterren die tot aan het
hoogst bereikbare punt een spoor van vonken of lichtsporen
achterlaten met een geringe spreiding.
FF.1 Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.
FF.2 Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 50 gram.
GG. Mijn: een pyrotechnisch voorwerp met een éénmalige uitstoot
van (losse) sterren of andere voorwerpen zoals, serpentines of
confetti.
GG.1 Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 500 gram.
GG.2 Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 135 gram.
HH. Confetti of serpentine effecten: een uitworp van confetti of
serpentines op basis van een pyrotechnische sas waarbij de
effectlading geen vuur vat.
HH.1 Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.
HH.2 Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 10 gram.
II. Vlamprojector (flame projector): een pyrotechnisch voorwerp
met een lading rookzwak kruit dat een kortstondig vuureffect
veroorzaakt in de vorm van een vuurbal of vuurzuil. Het effect mag
niet gebaseerd zijn op een brandbare vloeistof.
II.1 Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 500 gram.
II.2 Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 250 gram.
JJ. Fireball of Mortar Hit: kortstondige (gekleurde) vuurbal (vuur-
of vlameffect) van vonken of sterren, al dan niet met knal of
rookwolk, dat middels een éénmalige uitstoot van een brandbare
effectlading ontstaat en enige seconden kan aanhouden.
JJ.1 Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 500 gram.
JJ.2 Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.
KK. Waterval: een pyrotechnisch voorwerp met een effect van
vonken dat bedoeld is om over enige breedte en vanaf enige meters
hoogte het effect te veroorzaken.
KK.1 Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 500 gram.
KK.2 Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.
LL. Theaterknal (maroon, cannon simulator, concussion):
pyrotechnische stof of voorwerp bedoelt om een knal te
bewerkstelligen met dien verstande dat de lading hier in afwijking
van artikel 1, onder d, niet beperkt is tot zwart buskruit.
LL.1 Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 28 gram.
LL.2 Indoor-theatervuurwerk – lading: ten hoogste 28 gram.
MM. Batterijen en combinaties (Multi Shot Boards, Tracer Boards,
Mine Plates, Comet Plates, Fanracks): pyrotechnische voorwerpen
bestaande uit combinaties van CC, DD, EE, FF, GG, JJ en OO waarbij
de effectladingen gelijktijdig of achtereenvolgens, middels een
vertragingslont, tot ontbranding worden gebracht en waarbij ieder
type voldoet aan de individuele eisen die in deze bijlage gesteld
zijn.
MM.1 Theatervuurwerk – lading: tot een gezamenlijk gewicht
van ten hoogste 200 gram.
MM.2 Theatervuurwerk – lading, onder de voorwaarde dat de
kokers met effect (tubes) deugdelijk zijn geborgd op een basis van
hout of kunststof en zich op een onderlinge afstand van minimaal
12,7 mm van elkaar bevinden: tot een gezamenlijk gewicht van ten
hoogste 500 gram.
MM.3 Indoortheatervuurwerk – lading: tot een gezamenlijk
gewicht van ten hoogste 200 gram
NN. Draaizon (Wheel, Saxon, Merry go Round): een pyrotechnisch
voorwerp bestaande uit één of meerdere aan elkaar bevestigde
fonteinen of branders die op een zodanige wijze gemonteerd worden
dat het voorwerp bij ontbranding een roterende beweging maakt. Het
vonk- of vuureffect wordt bij rotatie van het voorwerp
spiraalsgewijs uitgeworpen.
NN.1 Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 200 gram.
NN.2 Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 100 gram.
OO. Flitspot (Flashpot, Flashpots, Sparkle Pots, Flash Trays, SPD’s):
een pyrotechnisch voorwerp dat door de fabrikant of importeur voor
direct gebruik aangeboden wordt en dat bij ontbranding een
lichtflits veroorzaakt al dan niet vergezeld van een rook-, vonk-,
ster- of knaleffect van korte duur.
OO.1 Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 28 gram.
OO.2 Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 28 gram.
PP. Theatervuur: een pyrotechnische stof die in daartoe geschikte
houders (open vlamschalen) tot ontbranding wordt gebracht ter
verkrijging van een (gekleurd) licht- of vlameffect van enige duur.
PP.1 Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 1000 gram per
houder.
PP.2 Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 500 gram per
houder.
QQ. Airburst (RTG’s, Coloured Airbursts): een pyrotechnisch
voorwerp dat door een fabrikant of importeur voor direct gebruik
wordt aangeboden en dat middels de ontstekerdraad op de door de
fabrikant aangegeven hoogte aangebracht dient te worden. Bij
ontbranding veroorzaakt het product een vonk-, licht- of stereffect
al dan niet vergezelt van een knaleffect. De effectlading kan ook
bestaan uit confetti of serpentines.
QQ.1 Theatervuurwerk – lading: ten hoogste 75 gram.
QQ.2 Indoortheatervuurwerk – lading: ten hoogste 35 gram.
RR. RR. Bombette: een pyrotechnisch voorwerp met een eenmalige
uitstoot van een effectlading en burst vervat in een separaat
compartiment dat na de initiële uitstoot vertraagd tot ontsteking
gebracht wordt en waarbij het compartiment door de reactie uiteen
wordt gereten.
RR.1. Theatervuurwerk: lading ten hoogste 150 gram.
RR.2. Indoortheatervuurwerk: niet toegestaan.
Bijlage VI. Methode van onderzoek geluidsniveau
(artikel 14, tweede lid)
1. Testlocatie
a. De test wordt uitgevoerd in de buitenlucht op een plaats met
een vlakke, harde, geluidreflecterende en onbrandbare bodem van ten
minste 4 bij 6 meter.
b. Binnen een straal van 20 meter vanaf de plaats van het
vuurwerk moet het maaiveld vlak zijn en mogen geen obstakels boven
het maaiveld uitsteken die geluid kunnen reflecteren, zoals
gebouwen, schuttingen, stoepranden, wallen of muurtjes. Dit geldt
ook indien de obstakels door begroeiing aan het oog worden
onttrokken.
2. Weersomstandigheden
De test moet worden uitgevoerd bij droog weer. De windsnelheid,
gemeten op 1,5 meter hoogte boven de grond, mag niet groter zijn dan 5
meter per seconde.
3. Meetsysteem
a. Het geluidmeetsysteem bestaat uit een microfoon met flat
random-incidence response, die aan een geluidmeter is bevestigd of
via een kabel aan een geluidmeter is gekoppeld. De geluidmeter en de
microfoon moeten voldoen aan IEC 61672-1:2002 (NEN-EN-IEC 61672-1),
onder klasse 1. Voor de ijking van het meetsysteem moet gebruik
worden gemaakt van een akoestische kalibrator, waarvan de afwijking
niet meer bedraagt dan 0,5 dB.
b. Het meetsysteem en de akoestische kalibrator worden geacht aan
de onder a. gestelde eisen te voldoen, indien zij binnen een periode
van twee jaren voorafgaande aan de meting bij een onderzoek ter zake
door de krachtens artikel 22 van de IJkwet aangewezen rechtspersoon,
blijkens een door die rechtspersoon afgegeven verklaring, aan de
hierboven gestelde eisen hebben voldaan en in die periode geen
herstellingen of veranderingen van de instrumenten hebben
plaatsgehad die van invloed kunnen zijn op het meetresultaat.
4. Meetopstelling
a. Het vuurwerk wordt geplaatst op de harde bodem als omschreven
onder punt 1. Vuurwerk dat zich tijdens de ontbranding kan
verplaatsen wordt op een hoogte van ten minste 0,2 meter boven de
bodem vastgezet.
b. De microfoon, dan wel de geluidmeter met microfoon, wordt
verticaal opgesteld op een statief, zodanig dat de hoogte van het
membraan van de microfoon zich bevindt op 1,0 meter hoogte boven de
harde bodem en de horizontale afstand tussen de microfoon en het te
testen vuurwerk 2,0 meter bedraagt.
c. in afwijking van b. geldt voor vuurwerk dat behoort tot de
categorie A2 van bijlage III dat de microfoon wordt geplaatst haaks
op het midden van het uitgelegde vuurwerk op een horizontale afstand
van 6 meter.
d. Binnen een straal van 2,0 meter van de plaats van het vuurwerk
en binnen een straal van 2,0 meter van de plaats van de microfoon
moet het bodemvlak homogeen zijn en voldoen aan de onder punt 1
gestelde eisen.
5. Meetmethode
a. De geluidmeter wordt ingesteld op het meten van het A-gewogen
geluidexpositieniveau LAE (in Engels: A-weighted sound exposure
level, ASEL).
b. Voorafgaand aan het ontsteken van het vuurwerk wordt de meting
gestart en binnen 5 seconden nadat het vuurwerk volledig tot
ontbranding is gekomen wordt de meting gestopt.
c. Nadat de meting is gestopt, wordt de gemeten waarde afgelezen.
6. Testrapport
Het testrapport moet ten minste de volgende informatie bevatten:
a. identificatie van het vuurwerk: soort vuurwerk, fabrikant,
lotnummer;
b. datum, tijdstip en locatie van de test;
c. beschrijving van het type bodemverharding waarop het vuurwerk
is getest;
d. beschrijving van de meetketen met fabrikaat en typenummer van
de apparatuur;
e. plattegrond met schematische weergave van de testlocatie,
waarop zijn aangegeven: de hierboven bedoelde bodemverharding met
afmetingen, de plaats van het vuurwerk en de plaats en oriëntatie
van de microfoon;
f. windsnelheid tijdens de test en de methode en apparatuur
waarmee de windsnelheid is gemeten;
g. wijze van ontsteking;
h. wijze waarop het vuurwerk is vastgezet (indien van
toepassing);
i. gemeten geluidexpositieniveaus LAE;
j. de toetsing van de gemeten geluidsniveaus.
|