| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet milieubeheer (Wm)
REGELING
ALGEMENE REGELS VOOR INRICHTINGEN MILIEUBEHEER
Tekst zoals deze geldt op
25 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 9 november 2007, nr. DJZ2007104180, houdende
algemene regels voor inrichtingen (Regeling algemene regels voor
inrichtingen milieubeheer)
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 1.7, 2.9, tweede lid,
2.10, 2.16, eerste lid, 3.5, derde lid, 3.8, 3.12, achtste lid, 3.14,
vierde en vijfde lid, 3.16, 3.18, tweede lid, 3.19, 3.20, derde lid,
onderdeel b, 3.24, eerste lid, 3.28, vierde lid, 3.30, 4.1,
eerste en zevende lid, 4.2, eerste lid, 4.3, eerste lid, 4.5, eerste
lid, 4.6, 4.7, vierde lid, 4.11, derde lid, 4.12, 4.15, 4.16, 4.17,
4.19, eerste lid, 4.20, eerste en tweede lid, 4.21, tweede lid, 4.24,
eerste lid, 4.25, 4.27, tweede lid, 4.30, eerste lid, 4.31, 4.37, 4.38,
4.43, 4.48, 4.50, derde lid, 4.51, 4.55, eerste lid, 4.56, 4.59, 4.60,
tweede lid, 4.61, 4.62, tweede lid, 4.63, 4.65, tweede lid, 4.67, 4.68,
tweede lid, 4.69, 4.72, derde lid, 4.76, eerste lid, 4.79, 4.81, tweede
lid, 4.83, 4.84, vierde lid, 4.87, 4.88, 4.93, 4.95, tweede lid, 4.99,
negende lid, 4.100, negende lid, 4.103, 4.110, 4.112, 4.114 en 4.115 van
het besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Afdeling 1.1. Begripsbepalingen en
procedurele bepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
aardgas-afleverinstallatie: een
inrichting voor het afleveren van aardgas aan voertuigen die aardgas als
motorbrandstof gebruiken, bestaande uit een compressorinstallatie, een
(eventuele) bufferopslag en één of meerdere aflevertoestellen. Dit met
inbegrip van alle leidingen en toebehoren;
afgewerkte olie: afgewerkte olie als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b van het Besluit inzamelen
afvalstoffen;
afleverzuil: bovengronds gelegen gedeelte
van de afleverinstallatie bestaande uit pompen, leidingen, meet- en
regelwerken, schakelaars en afleverpistolen omgeven door een omkasting
of daarmee direct in verbinding staand;
A-hout: ongeverfd en onbehandeld hout;
besluit: Besluit algemene regels voor
inrichtingen milieubeheer;
B-hout: hout dat geen A-hout of C-hout
is;
bovengronds: geheel boven de bodem
gelegen;
C-hout: geïmpregneerd hout;
emissieterm LE: het jaargemiddelde
geluidsvermogen dat door een windturbine wordt uitgestraald per
octaafband i per beoordelingsperiode;
ETBE: ethyl-tertiair-butylether
geomembraanbaksysteem: een ondergronds
aangelegd kunststof foliesysteem dat waarborgt dat geen vloeistof aan de
niet met vloeistof belaste zijde van dat systeem kan komen;
gesloten proces: een proces of bewerking,
als bedoeld in de NRB, waarbij de gebruikte stoffen bij normale
bedrijfsvoering binnen de procesomhulling blijven en de desbetreffende
installaties niet geopend hoeven te worden;
grondwaterbeschermingsgebied: een gebied
dat krachtens artikel 1.2, tweede lid, onderdeel a, van de Wet
milieubeheer bij de provinciale milieuverordening is aangewezen en
waarvoor regels zijn gesteld ter bescherming van het grondwater met het
oog op de waterwinning;
immissiepunt: plaats waarop de
geluidsbelasting wordt bepaald;
MTBE: methyl-tertiair-butylether
noodstopvoorziening: een voorziening die
bij activering de spanning op alle afleverzuilen wegneemt;
ondergronds: geheel of gedeeltelijk in de
bodem gelegen of ingeterpt;
UN-nummer: het stofidentificatienummer:
getal van vier cijfers dat een gevaarlijke stof identificeert tijdens
het transport, volgens de ‘Recommendations on the Transport of
Dangerous Goods’ van de Verenigde Naties;
Raad voor Accreditatie: de Stichting Raad
voor Accreditatie te Utrecht;
vulplaats: de plaats waar of de ruimte
waarin de flessen worden gevuld en gecontroleerd;
vulstation: een combinatie van vulplaats
en gasopslag;
WBDBO: Weerstand tegen branddoorslag en
brandoverslag in minuten volgens NEN 6068.
Artikel 1.2
1. In deze regeling wordt verstaan
onder:
BRL K537: BRL K537/04,
Beoordelingsrichtlijn voor het verwerken van kunststoffolie, Kiwa
N.V. Certificatie en Keuringen, versie van 14 juni 2002;
BRL K548: BRL K548/01,
Beoordelingsrichtlijn voor cilindrische tanks van
glasvezelversterkte thermoharde kunststoffen met een inhoud tot
100 m3 voor de ondergrondse drukloze opslag van brandbare
vloeistoffen klasse K1, K2 en K3, Kiwa N.V. Certificatie en
Keuringen, versie 15 november 1996;
BRL K779: BRL K779/03,
Beoordelingsrichtlijn voor inwendige bekleding op stalen tanks
voor brandbare vloeistoffen, Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen,
versie van 16 juli 1992;
BRL K790: BRL K790/02,
Beoordelingsrichtlijn voor het appliceren van verfsystemen op
stalen opslagtanks voor vloeistoffen, Kiwa N.V. Certificatie en
Keuringen, versie van 15 mei 1996;
BRL K903: BRL K903/07, Regeling
erkenning installateurs tanks en leidingen voor drukloze opslag
van vloeibare aardolieproducten, Kiwa N.V. Certificatie en
Keuringen, versie van 8 december 2006;
BRL K910: BRL K910/01,
Lekdetectiesystemen voor opslag- en transportinstallaties voor
vloeibare en gasvormige producten, Kiwa N.V. Certificatie en
Keuringen, versie van 26 september 2002;
CUR/PBV-aanbeveling 44: CUR/PBV-aanbeveling
44 ‘Beoordeling vloeistofdichtheid van vloeistofdichte
voorzieningen’, Stichting CUR, Gouda, vierde herziene uitgave,
2005;
CUR/PBV-Aanbeveling 51: CUR/PBV-Aanbeveling
51: Milieutechnische criteria voor bedrijfsriolering, Stichting
CUR, Gouda, augustus 1997;
CUR/PBV-Aanbeveling 65: CUR/PBV-Aanbeveling
65: Ontwerp, aanleg en herstel van vloeistofdichte voorzieningen
van beton, Stichting CUR, Gouda, tweede herziene uitgave,september
2005;
Gasturbines: regels voor veilig
gebruik van aardgas in gasturbines van NV Nederlandse Gasunie,
januari 2006;
ISO 5815-1: ISO 5815-1:2003:
Internationale standaardnorm voor Water – Bepaling van het
biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1:
Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, augustus
2003;
ISO 5815-2: ISO 5815-2:2003:
Internationale standaardnorm voor Water – Bepaling van het
biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode
voor onverdunde monsters, april 2003;
KC 111: KC 111/01: Keuringscriteria
voor de (her)classificatie van bovengrondse tankinstallaties
(kunststof en staal), Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen
(december 2007);
NEN 1059: NEN 1059:2003:
Nederlandse norm op basis van NEN-EN 12186 en NEN-EN 12279 –
voor Gasvoorzieningsystemen– Gasdrukregelstations voor transport
en distributie, mei 2003;
NEN 2819: NEN 2819:1994:
Nederlandse norm voor Luchtkwaliteit – Uitworp door stationaire
bronnen –Monsterneming en bepaling van het gehalte aan fluoride,
mei 1994;
NEN 2826: NEN 2826:1999:
Nederlandse norm voor Luchtkwaliteit – Uitworp door stationaire
puntbronnen –Monsterneming en bepaling van het gehalte aan
gasvormig ammoniak, april 1999;
NEN 5740: NEN 5740:2009:
Nederlandse norm voor Bodem– Landbodem – Strategie voor het
uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de
milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, januari 2009;
NEN 5744: NEN 5744:1991:
Nederlandse norm voor Bodem– Monsterneming van grondwater ten
behoeve van de bepaling van metalen, anorganische verbindingen,
matig-vluchtige organische verbindingen en fysisch-chemische
eigenschappen, juni 1991;
NEN 5766: NEN 5766: 2003:
Nederlandse norm voor Bodem – Plaatsing van peilbuizen ten
behoeve van milieukundig bodemonderzoek, augustus 2003;
NEN 6068: NEN 6068:2008:
Nederlandse norm voor Milieu en veiligheid – Bepaling van de
weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen ruimten,
december 2008;
NEN 6401: NEN 6401:1991:
Nederlandse norm voor Water– Bepaling van het halogeengehalte
van vluchtige organohalogeenverbindingen (VOX), maart 1991;
NEN 6414: NEN 6414: 2008:
Nederlandse norm voor Water en slib– bepaling van de
temperatuur, december 2008;
NEN 6600-1: NEN 6600-1:2009:
Nederlandse norm voor Water –monsterneming -Deel 1: afvalwater ,
maart 2009;
NEN 6604: NEN 6604:2007:
Nederlandse norm voor Water– Bepaling van het gehalte aan
ammonium, nitraat, nitriet, chloride, ortho-fosfaat, sulfaat en
silicaat met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische
detectie, augustus 2007;
NEN 6633: NEN 6633:2006:
Nederlandse norm voor Water en (zuiverings)slib – Bepaling van
het chemisch zuurstofverbruik (CZV), december 2006 – met
aanvullingsblad NEN 6633:2006/A1:2007: Nederlandse norm voor Water
en (zuiverings)slib– Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik
(CZV), december 2007;
NEN 6646: NEN 6646:2006:
Nederlandse norm voor Water– Fotometrische bepaling van het
gehalte aan ammoniumstikstof en van de som van de gehalten aan
ammoniumstikstof en aan organisch gebonden stikstof volgens
Kjeldahl met behulp van een doorstroomanalysesysteem, oktober
2006;
NEN 6676: NEN 6676:1994:
Nederlandse norm voor Afvalwater – Bepaling van met
petroleumether extraheerbare organische gebonden halogenen (EOX-AW),
oktober 1994;
NEN 6961: NEN 6961:2005:
Nederlandse norm voor Milieu– Ontsluiting met salpeterzuur en
zoutzuur (koningswater) voor de bepaling van geselecteerde
elementen in water, waterbodem, slib, slibhoudend water,
luchtstof, grond en bouwstoffen, december 2005;
NEN 6966: NEN 6966:2005:
Nederlandse norm voor Milieu– Analyse van geselecteerde
elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire
emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, december 2005
en C1:2006, juni 2006;
NEN 7557: NEN 7557: 2009:
Nederlandse norm voor Autodemontagetechnieken – Neutralisatie
airbags en gordelspanners uit autowrakken, april 2009;
NEN-EN 858-1: NEN-EN 858-1:2002:
Europese norm voor Afscheiders en slibvangputten voor lichte
vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en
beproeving, merken en kwaliteitscontrole, juni 2002;
NEN-EN 858-2: NEN-EN 858-2:2003:
Europese norm voor Afscheiders en slibvangputten voor lichte
vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van
nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud,
februari 2003;
NEN-EN 872: NEN-EN 872:2005:
Europese norm voor Water– Bepaling van het gehalte aan
onopgeloste stoffen –Methode door filtratie over
glasvezelfilters, maart 2005;
NEN-EN 1483: NEN-EN 1483:2007:
Europese norm voor Water– Bepaling van kwik – Methode met
atomaire-absorptiespectrometrie, april 2007;
NEN-EN 1825-1: NEN-EN 1825-1:2004:
Europese norm voor Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1:
Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole,
september 2004;
NEN-EN 1825-2: NEN-EN 1825-2:2002:
Europese norm voor Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2:
Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en
onderhoud, maart 2002;
NEN-EN 1899-1: NEN-EN 1899-1:1998:
Europese norm voor Water – Bepaling van het biochemisch
zuurstofverbruik nan dagen (BODn)– Deel 1: Verdunnings- en
entmethode met toevoeging van allylthioreum, september 1998;
NEN-EN 1899-2: NEN-EN 1899-2:1998:
Europese norm voor Waterkwaliteit – Bepaling van het biochemisch
zuurstofverbruik na n dagen (BODn) – Deel 2: Methode voor
onverdunde monsters, september 1998;
NEN-EN 1911-1: NEN-EN 1911-1:1998:
Europese norm voor Uitworp door stationaire bronnen – Handmatige
methode voor de bepaling van HCL – Deel 1: Monsterneming van
gassen, mei 1998;
NEN-EN 1911-2: NEN-EN 1911-2:1998:
Europese norm voor Uitworp door stationaire bronnen – Handmatige
methode voor de bepaling van HCI – Deel 2: Absorptie van
gasvormige componenten, mei 1998;
NEN-EN 1911-3: NEN-EN 1911-3:1998:
Europese norm voor Uitworp door stationaire bronnen – Handmatige
methode voor de bepaling van HCI – Deel 3: Analyse van
absorptievloeistoffen en berekening van resultaten, mei 1998;
NEN-EN 12566-1: NEN-EN 12566-1/A1
2004: Europese norm voor Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties
tot en met 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, maart
2004;
NEN-EN 12817: NEN-EN 12817:2002:
Europese norm voor Keuring en herkeuring van bovengrondse
opslagtanks voor LPG met een capaciteit tot en met 13 m3, juni
2002;
NEN-EN 13284-1: NEN-EN
13284-1:2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen
– Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties
– Deel 1: Manuele gravimetrische methode, december 2001;
NEN-EN 13284-2: NEN-EN
13284-2:2004: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen
– Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties
– Deel 2: Geautomatiseerde meetsystemen, september 2004;
NEN-EN 13725: NEN-EN 13725 Bepaling
van de geurconcentratie door dynamische olfactometrie, september
2003;
NEN-EN 14214: NEN-EN 14214:2003:
Europese norm voor Brandstoffen voor wegvoertuigen –
Methylesters van vetzuren (FAME) voor dieselmotoren – Eisen en
beproevingsmethoden, oktober 2003;
NEN-EN 14385: NEN-EN 14385:2004:
Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling
van de totale emissie van As,Cd,Cr,Co,Cu,Mn,Ni,Pb,Sb,Tl en V,
maart 2004;
NEN-EN 14792: NEN-EN 14792:2005:
Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling
van massaconcentratie aan stikstofoxiden (NOx) –Referentiemethode
– Chemiluminescentie, december 2005;
NEN-EN-IEC 61400-2: NEN-EN-IEC
61400-2:2006: Europese norm voor Windturbines – Deel 2: Ontwerp
eisen van kleine windturbines, september 2006;
NEN-EN-IEC 61400-11: NEN-EN-IEC
61400-11:2003: Europese norm voor Generatorsystemen voor
windturbines – Deel 11: Meettechnieken voor akoestische
geluidshinder, juli 2003;
NEN-EN-ISO 2813: NEN-EN-ISO
2813:1999: Europese norm voor Verven en vernissen – Metingen van
de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen
onder 20°, 60° en 85°, mei 1999;
NEN-EN-ISO 5667-3: NEN-EN-ISO
5667-3:2004: Europese norm voor Water – Monsterneming – Deel
3: Richtlijn voor de conservering en behandeling van
watermonsters, april 2004;
NEN-EN-ISO 6468: NEN-EN-ISO
6468:1997: Europese norm voor Water – Bepaling van het gehalte
aan organochloor-bestrijdingsmiddelen, polychloorbifenylen en
chloorbenzenen – Gaschromatografische methode na
vloeistof/vloeistofextractie, februari 1997;
NEN-EN-ISO 9377-2: NEN-EN-ISO
9377-2:2000: Europese norm voor Water – Bepaling van de
minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en
gas-chromatografie, december 2000;
NEN-EN-ISO 9377-4: NEN-EN-ISO
9377-2: 2000: Ontw.en: Europese norm voor Waterkwaliteit-Bepaling
van de minerale olie index-Deel 2 Methode met vloeistofextractie
en gas-chromatografie, december 2000;
NEN-EN-ISO 10301: NEN-EN-ISO
10301:1997: Europese norm voor Water – Bepaling van zeer
vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische
methoden, mei 1997;
NEN-EN-ISO 10304-2: NEN-EN-ISO
10304-2:1996: Europese norm voor Water – Bepaling van opgeloste
anionen met vloeistofionchromatografie – Deel 2: Bepaling van
bromide, chloride, nitraat, nitriet, ortofosfaat en sulfaat in
afvalwater, oktober 1996;
NEN-EN-ISO 11143: NEN-EN-ISO
11143:2008: Europese norm voor Tandheelkunde-Amalgaanscheiders,
november 2008;
NEN-EN-ISO 11732: NEN-EN-ISO
11732:2005: Europese norm voor Water – Bepaling van ammonium
stikstof – Methode voor doorstroomanalyse (CFA en FIA) en
spectrometrische detectie, februari 2005;
NEN-EN-ISO 13395: NEN-EN-ISO
13395:1997: Europese norm voor Water – Bepaling van het
stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat
en de som van beide met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en
spectrometrische detectie, mei 1997;
NEN-EN-ISO 14403: NEN-EN-ISO
14403:2002: Europese norm voor Water – Bepaling van het totale
gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met behulp van
continue doorstroomanalyse, maart 2002;
NEN-EN-ISO 15587-1: NEN-EN-ISO
15587-1:2002: Europese norm voor Water – Ontsluiting voor de
bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1:
Koningswater ontsluiting, maart 2002;
NEN-EN-ISO 15680: NEN-EN-ISO
15680:2003: Europese norm voor Water – Gaschromatografische
bepaling van een aantal monocyclische aromatische
koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde
verbindingen met ‘purge-and-trap’ en thermische desorptie,
december 2003;
NEN-EN-ISO 15681-1: NEN-EN-ISO
15681-1:2005: Europese norm Water – Bepaling van het gehalte aan
orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van
doorstroomanalyse (FIA and CFA)– Deel 1: Methode met een
doorstroominjectiesysteem (FIA), januari 2005;
NEN-EN-ISO 15681-2: NEN-EN-ISO
15681-2:2005: Europese norm Water – Bepaling van het gehalte aan
orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van
doorstroomanalyse (FIA and CFA)– Deel 2: Methode met een continu
doorstroomanalysesysteem (CFA), januari 2005;
NEN-EN-ISO 15682: NEN-EN-ISO
15682:2001: Europese norm voor Water – Bepaling van het gehalte
aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische
of potentiometrische detectie, september 2001;
NEN-EN-ISO 17294-2: NEN-EN-ISO
17294-2:2004: Europese norm voor Water – Toepassing van
massaspectrometrie met inductief gekoppelde plasma (ICP-MS) –
Deel 2: Bepaling van 62 elementen, november 2004;
NEN-EN-ISO 17993: NEN-EN-ISO
17993:2004: Europese norm voor Water – Bepaling van 15
polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC
met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, juni
2004;
NEN-EN-ISO/IEC 17020: NEN-EN-ISO/IEC
17020:2004: Algemene criteria voor het functioneren van
verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren,
september 2004;
NEN-ISO 5663: NEN-ISO 5663:1993:
Nederlandse norm voor Water – Bepaling van het gehalte aan
Kjeldahl-stikstof –Methode na mineralisatie met seleen, december
1993;
NEN-ISO 5813: NEN-ISO 5813:1993:
Internationale standaardnorm voor Water – Bepaling van het
gehalte aan opgeloste zuurstof – Iodometrische methode, februari
1993;
NEN-ISO 5814: NEN-ISO 5814:1993:
Internationale standaardnorm voor Water – Bepaling van het
gehalte aan opgeloste zuurstof – Elektrochemische methode, mei
1993;
NEN-ISO 10849: NEN-ISO 10849:1998:
Internationale standaardnorm voor Emissies van stationaire bronnen
– Bepaling van de concentratie aan stikstofoxiden –
Prestatiekenmerken van geautomatiseerde meetsystemen, september
1998;
NEN-ISO 11083: NEN-ISO 11083:2006:
Internationale standaardnorm voor Water – Bepaling van chroom
(VI) – Spectrometrische methode met 1,5-difenylcarbazide,
december 2006;
NEN-ISO 16740: NEN-ISO 16740:2005:
Internationale norm voor Werkplekatmosfeer – Bepaling van het
gehalte aan zeswaardig chroom in deeltjes in lucht – Methode
door ion chromatografie en spectrofotometrische metingen met
gebruik van difenyl carbazide, maart 2005;
NPR 2578: NPR 2578:2007:
Nederlandse praktijkrichtlijn voor Beheer en onderhoud van LPG-,
propaan- en butaaninstallaties, augustus 2007;
NVN 11400-0: NVN 11400-0:1999/A1
2005: Nederlandse voornorm voor Windturbines – Deel 0:
Voorschriften voor typecertificatie – Technische eisen, februari
2005;
PGS 7: Richtlijn PGS 7, getiteld
‘Opslag van vaste minerale anorganische meststoffen’, zoals
gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 7:
2007 versie 0.1 (2-2009);
PGS 9: Richtlijn PGS 9, getiteld
‘Vloeibare zuurstof; Opslag van 0,45-100 m3’, zoals
gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 9:
1983 (2-2009) en het erratum van 1 oktober 2007;
PGS 13: Richtlijn PGS 13, getiteld
‘Ammoniak als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen’,
zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl,
PGS 13: 2009 versie 1.0 (2-2009);
PGS 15: Richtlijn PGS 15, getiteld
‘Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen’, zoals gepubliceerd
op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 15: 2005 (6-2005)
en de errata van 28 juni 2005, 4 oktober 2007, 7 januari 2008, 3
april 2008, 15 mei 2008, 25 juni 2008, 15 september 2008, 21
november 2008, 11 december 2008 en 12 december 2008;
PGS 19: Richtlijn PGS 19, getiteld
‘Opslag van propaan’, zoals gepubliceerd op
www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 19: 2008 versie 0.1
(2-2009);
PGS 23: Richtlijn PGS 23, getiteld
‘Propaan,Vulstations van butaan- en propaanflessen’,zoals
gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 23:
1994 versie 0.1 (2-2009);
PGS 25: Richtlijn PGS 25, getiteld
‘Gecomprimeerd aardgas, Afleverstations voor motorvoertuigen’,
zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl,
PGS 25: 1998 (6-2005);
PGS 28: Richtlijn PGS 28, getiteld
‘Vloeibare aardolieproducten, Afleverinstallaties en
ondergrondse opslag’,zoals gepubliceerd op
www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 28: 2000 (3-2005);
PGS 30: Richtlijn PGS 30, getiteld
‘Vloeibare aardolieproducten, Buitenopslag in kleine
installaties’, zoals gepubliceerd op
www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 30: 1999 versie 0.1
(2-2009);
Praktijkrichtlijn Lasrook:
beschrijving doeltreffende maatregelen bij blootstelling aan rook
en/of gassen en/of verwante processen: opgesteld door de sociale
partners in de metaal: CNV Bedrijvenbond, FNV Bondgenoten,
Vereniging FME-CWM, Koninklijke Metaalunie, De Unie en VHP
Metalektro, augustus 2006.
2. Bij de toepassing van het besluit
wordt ten aanzien van de in het besluit opgenomen
niet-publiekrechtelijke regelingen, voorschriften uit de NeR en de NRB
de tekst in acht genomen als genoemd in het eerste lid.
Artikel 1.3
1. Als oppervlaktewaterlichamen die met
het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven als bedoeld
in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, worden
aangewezen de in bijlage 2 opgenomen oppervlaktewaterlichamen.
2. De in het eerste lid bedoelde
aanwijzing beperkt zich tot het gedeelte van een
oppervlaktewaterlichaam dat valt onder het beheer van de beheerder die
bij het betreffende oppervlaktewaterlichaam in de bijlage vermeld
staat.
Artikel 1.3a
Met toepassing van artikel 28, eerste
lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om
accreditatie als bedoeld in deartikelen 3.10, tweede lid, 3.14, tweede
lid, en 4.8, vierde lid.
Afdeling 1.2. Melding
Artikel 1.4
Als soorten biologische agentia als
bedoeld in artikel 1.14a, eerste lid, onder b, van het besluit, worden
aangewezen de soorten die in bijlage 3zijn opgenomen.
Hoofdstuk 2. Inrichtingsgerelateerde
aspecten
Afdeling 2.1. Bodem
§ 2.1.1. Bodembeschermende maatregelen
Artikel 2.1
1. Een binnen de inrichting als
bodembeschermende voorziening toegepaste vloeistofdichte vloer of
verharding of geomembraanbaksysteem is overeenkomstig het daartoe
krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument
beoordeeld en goedgekeurd door een instelling, die daartoe beschikt
over een erkenning op grond van dat besluit.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op een vloeistofdichte vloer of verharding die niet
inspecteerbaar is als bedoeld in CUR/PBV-aanbeveling 44. Een
dergelijke voorziening wordt eens per zes jaar beoordeeld en
goedgekeurd overeenkomstig een door het bevoegd gezag goedgekeurde
wijze. Het vijfde lid is daarop van overeenkomstige toepassing.
3. De eerste beoordeling en goedkeuring
vindt in afwijking van het eerste lid, plaats binnen zes jaar na
aanleg, indien de vloeistofdichte vloer of verharding, bedoeld in het
eerste lid, is aangelegd overeenkomstig het daartoe krachtens het
Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een bedrijf dat
daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.
4. Een vloeistofdichte vloer of
verharding of een geomembraanbaksysteem wordt ten minste eens per zes
jaar beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig het eerste lid.
5. Degene die de inrichting drijft
draagt zorg voor:
a. reparatie en regelmatig
onderhoud van de vloeistofdichte vloer of verharding en
geomembraanbaksysteem overeenkomstig onderdeel A4 van de NRB, en
b. een jaarlijkse controle van de
bodembeschermende voorziening overeenkomstig bijlage D behorende
bij CUR/PBV-aanbeveling 44.
6. Een vloeistofdichte vloer of
verharding of een geomembraanbaksysteem wordt opnieuw beoordeeld en
goedgekeurd overeenkomstig het eerste lid, indien de reparatie, het
regelmatig onderhoud of de controle, bedoeld in het vijfde lid, niet
of niet overeenkomstig dat lid is uitgevoerd of indien een tijdens een
controle geconstateerd gebrek niet is gerepareerd.
Artikel 2.2
1. Indien een geomembraanbaksysteem als
bodembeschermende voorziening is toegepast, waarop op grond van
artikel 6.2 het eerste lid van artikel 2.1 niet van toepassing is,
worden twee grondwaterpeilbuizen geïnstalleerd overeenkomstig
paragraaf 1.2 van onderdeel B1 van de NRB zodat bodemverontreiniging
door vloeibare brandstoffen kan worden gesignaleerd.
2. Indien vloeibare brandstof,
afgewerkte olie of pekel is opgeslagen in een ondergrondse opslagtank
wordt per opslagtank ten minste één grondwaterpeilbuis
geïnstalleerd overeenkomstig paragraaf 1.2 van onderdeel B1 van de
NRB. Indien er meerdere opslagtanks zijn dan wordt per groep van drie
opslagtanks, die binnen tien meter van elkaar zijn gelegen, ten minste
één grondwaterpeilbuis geïnstalleerd.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing op een ondergrondse opslagtank, die:
a. dubbelwandig is uitgevoerd met
een systeem voor lekdetectie in de wand, of
b. in een afgedekte betonnen bak is
geplaatst met een systeem voor lekdetectie in deze bak die zich
onder de opslagtank bevindt.
Het systeem voor lekdetectie voldoet
aan BRL K910 en wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en
goedgekeurd overeenkomstig BRL K903.
4. De grondwaterpeilbuizen als bedoeld
in het eerste en tweede lid, worden zo vaak als de omstandigheden
daartoe aanleiding geven, doch ten minste eens per jaar bemonsterd
overeenkomstig NEN 5744. Bij bemonstering van grondwaterpeilbuizen bij
een ondergrondse opslagtank met vloeibare brandstof of afgewerkte olie
worden de monsters onderzocht op aanwezigheid van minerale
oliecomponenten overeenkomstig NEN-EN-ISO 9377-2, vluchtige aromaten (BETX)
volgens NEN-EN-ISO 15680 en, voor zover er sprake is van de opslag van
lichte olie, tevens op MTBE en ETBE door een laboratorium, dat daartoe
beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
Bij bemonstering van grondwaterpeilbuizen bij een ondergrondse
opslagtank met pekel worden de monsters op aanwezigheid van chloride
onderzocht overeenkomstig NEN-EN-ISO 15682 door een laboratorium, dat
daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit
bodemkwaliteit.
5. De installatie van een
grondwaterpeilbuis als bedoeld in het eerste en tweede lid, en de
bemonstering als bedoeld in het vierde lid, vinden plaats door een
bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van het
Besluit bodemkwaliteit.
6. Degene die de inrichting drijft,
zendt de gegevens van de bemonstering en analyse van de
grondwaterpeilbuizen ten aanzien van de stoffen MTBE en ETBE, bedoeld
in het vierde lid, terstond door aan het bestuursorgaan, bedoeld in
artikel 27, eerste lid, van de Wet bodembescherming, indien:
a. de geanalyseerde waarde van de
MTBE- of ETBE-verontreiniging hoger is dan 1 microgram per liter,
voor zover de inrichting is gelegen in een
grondwaterbeschermingsgebied;
b. de geanalyseerde waarde van de
MTBE- of ETBE-verontreiniging hoger is dan 15 microgram per liter,
voor zover de inrichting is gelegen buiten een
grondwaterbeschermingsgebied.
7. Het eerste tot en met het zesde lid,
zijn niet van toepassing ten aanzien van inrichtingen waar de
gemiddeld laagste grondwaterstand zich meer dan vijf meter beneden het
maaiveld bevindt. Indien deze inrichting echter is gelegen in een
grondwaterbeschermingsgebied is er een systeem voor lekdetectie
aanwezig dat voldoet aan BRL K910 en dat ten minste eenmaal per jaar
wordt beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig BRL K903.
Artikel 2.3
1. Dit artikel is slechts van
toepassing indien binnen de inrichting een vloeistofkerende
voorziening is toegepast als bodembeschermende voorziening.
2. De controle, het onderhoud en het
beheer van bodembeschermende voorzieningen wordt in eenduidige
bedrijfsinterne procedures en werkinstructies ter bescherming van de
bodem vastgelegd.
3. In de bedrijfsinterne procedures en
werkinstructies als bedoeld in het tweede lid is ten minste aangegeven
op welke wijze:
a. de staat en goede werking van
bodembeschermende voorzieningen, verpakkingen en apparatuur waarin
vloeibare bodembedreigende stoffen worden opgeslagen of
getransporteerd, wordt gecontroleerd;
b. er voor zorg wordt gedragen dat
zo vaak als de omstandigheden daarom vragen inspecties op
morsingen en lekkages plaatsvinden, en
c. is gewaarborgd dat gemorste of
gelekte stoffen direct worden opgeruimd.
4. Degene die de inrichting drijft
draagt er zorg voor dat de medewerkers die binnen de inrichting
bodembedreigende activiteiten verrichten, op de hoogte zijn van de
bedrijfsinterne procedures en werkinstructies als bedoeld in het
tweede lid, dat deze worden nageleefd en binnen de inrichting zodanig
aanwezig zijn dat een ieder daarvan op eenvoudige wijze kennis kan
nemen.
5. De controle, het onderhoud en het
beheer van bodembeschermende voorzieningen vinden zodanig plaats dat
vrijgekomen stoffen zijn verwijderd voordat deze in de bodem kunnen
geraken.
6. Morsingen en lekkages worden
overeenkomstig de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies als
bedoeld in het tweede lid, verholpen en opgeruimd.
7. Degene die de inrichting drijft
draagt er zorg voor dat de in het kader van de bedrijfsinterne
procedures en werkinstructies noodzakelijke absorptiemiddelen en
andere materialen en middelen ter bescherming van de bodem binnen de
inrichting in voldoende mate aanwezig zijn en dat er voldoende, in het
gebruik van deze middelen, geïnstrueerd personeel aanwezig is.
8. Bevindingen van controles van of
onderhoud aan bodembeschermende voorzieningen, alsmede acties genomen
na incidenten met bodembedreigende stoffen, die mogelijk hebben geleid
tot een bodemverontreiniging, worden opgenomen in een logboek dat te
allen tijde beschikbaar is voor het bevoegd gezag.
§ 2.1.2. Bodembeschermende voorzieningen
Artikel 2.4
1. Een bodembeschermende voorziening is
zodanig uitgevoerd dat:
a. gemorste of gelekte vloeibare
bodembedreigende vloeistoffen effectief worden opgevangen en
kunnen worden opgeruimd;
b. er geen hemelwater op of in
terecht kan komen, tenzij het hemelwater regelmatig van of uit de
voorziening wordt verwijderd.
2. Een bodembeschermende voorziening is
bestand tegen de inwerking van de desbetreffende vloeibare
bodembedreigende stoffen en de condities waaronder deze stoffen worden
gebruikt of opgeslagen.
3. Een lekbak waarin vloeibare
bodembedreigende stoffen in verpakking of in een opslagtank wordt
opgeslagen, heeft een opvangcapaciteit van ten minste 110% van de
inhoud van de grootste verpakkingseenheid of opslagtank, met dien
verstande dat de opvangcapaciteit ten minste 10% is van de inhoud van
alle opgeslagen stoffen.
§ 2.1.3. Aanvaardbaar bodemrisico
Artikel 2.5
De bij deze regeling gestelde regels, die
tot doel hebben te voldoen aan een verwaarloosbaar bodemrisico, zijn
niet van toepassing op een bodembedreigende activiteit waarvoor het
bevoegd gezag op grond van artikel 6.10, eerste lid van het besluit met
een maatwerkvoorschrift heeft bepaald dat een aanvaardbaar bodemrisico
kan worden gerealiseerd.
§ 2.1.4. Bewaren van documenten
Artikel 2.6
1. Indien bij of krachtens het besluit
verplichtingen gelden met betrekking tot:
a. het uitvoeren van metingen,
keuringen, controles of beoordelingen van of aan bodembeschermende
voorzieningen, ondergrondse opslagtanks en daarbij behorende
leidingen, appendages en kathodische bescherming, installaties of
onderdelen van installaties, worden de resultaten daarvan ten
minste tot aan het beschikbaar zijn van de resultaten van de
eerstvolgende meting, keuring, controle of beoordeling maar ten
minste gedurende drie jaar binnen de inrichting bewaard en ter
inzage gehouden voor het bevoegd gezag of op een door het bevoegd
gezag te stellen termijn beschikbaar gesteld;
b. het aanleggen of installeren van
bodembeschermende voorzieningen, ondergrondse opslagtanks en
daarbij behorende leidingen, appendages en kathodische
bescherming, installaties of onderdelen van installaties, worden
de bewijzen van gecertificeerde aanleg en installatie binnen de
inrichting bewaard en ter inzage gehouden voor het bevoegd gezag
of op een door het bevoegd gezag te stellen termijn beschikbaar
gesteld;
c. het uitvoeren van bodem- en
grondwateronderzoek, worden de resultaten van dat onderzoek binnen
de inrichting bewaard en ter inzage gehouden voor het bevoegd
gezag of op een door het bevoegd gezag te stellen termijn
beschikbaar gesteld;
d. het stellen van financiële
zekerheid, wordt het schriftelijk bewijsstuk als bedoeld in
artikel 2.25 en 2.26 van het besluit binnen de inrichting bewaard
en ter inzage gehouden voor het bevoegd gezag of op een door het
bevoegd gezag te stellen termijn beschikbaar gesteld.
2. Voor de toepassing van het eerste
lid wordt onder beschikbaar zijn en ter inzage houden mede verstaan:
digitaal beschikbaar zijn en via elektronische weg ter inzage houden.
Afdeling 2.2. Verkeer en vervoer [Treedt
in werking per 01-01-2013]
Artikel 2.7 [Treedt in werking per
01-01-2013]
1. Degene die een inrichting drijft
waar meer dan 50 werknemers werkzaam zijn, treft ten aanzien van het
vervoer van de eigen werknemers van en naar de inrichting de volgende
maatregelen:
a. in de interne en externe
communicatie wordt de bereikbaarheid per openbaar vervoer, fiets
en andere alternatieven minimaal gelijkwaardig aan de
bereikbaarheid per auto behandeld; en
b. de in bijlage 1 opgenomen
maatregelen tot het aantal punten dat op grond van tabel 2.8 voor
de inrichting van toepassing.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet
van toepassing indien degene die de inrichting drijft kan aantonen dat
ten aanzien van het vervoer van de eigen werknemers van en naar de
inrichting 9 van de 10 werknemers niet met de auto naar de inrichting
komen.
Artikel 2.8 [Treedt in werking per
01-01-2013]
Voor de toepassing van tabel 2.8 worden
de volgende gemeenten als een normaal regime aangemerkt:
Alkmaar, Almelo, Almere, Alphen aan den
Rijn, Amersfoort, Amstelveen, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Assen,
Bergen op Zoom, Breda, Capelle aan den IJssel, Delft, Deventer, Diemen,
Doetinchem, Dordrecht, Ede, Eindhoven, Emmen, Enschede, Goes, Gorinchem,
Gouda, ‘s-Gravenhage, Groningen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemstede,
Heerhugowaard, Heerlen, Helmond, Hengelo, ’s-Hertogenbosch, Hilversum,
Hoorn, Houten, Leeuwarden, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg,
Maastricht, Nieuwegein, Nijmegen, Oegstgeest, Oss, Papendrecht, Roermond,
Roosendaal, Rotterdam, Rijswijk, Schiedam, Sittard-Geleen, Sliedrecht,
Tilburg, Utrecht, Veenendaal, Veghel, Velsen, Venlo, Vlaardingen,
Waddinxveen, Westland, Woerden, Zaanstad, Zeist, Zoetermeer, Zoeterwoude,
Zwijndrecht en Zwolle.
Tabel 2.8
[Illustratie Verwijderd]
Afdeling 2.3. Afvalbeheer
Artikel 2.9
De categorieën van afvalstoffen, bedoeld
in artikel 2.12, vierde lid, van het besluit, waarin de afvalstoffen in
ieder geval vergelijkbaar zijn wat betreft aard, samenstelling en
concentratie, zijn de categorieën genoemd in de bijlage bij de Regeling
scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen, en:
a. autowrakken die vloeistoffen of
gevaarlijke stoffen bevatten;
b. brandblussers groter dan 1
kilogram en gasflessen en overige drukhouders die gassen bevatten;
c. LPG-tanks;
d. lege, ongereinigde verpakkingen
van gevaarlijke stoffen;
e. IBC-bouwstoffen als bedoeld in
artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
f. oliedrukkabels;
g. gepantserde papier-loodkabels;
h. teerhoudend of bitumineus
dakafval;
i. composieten van teerhoudend of
bitumineus dakafval;
j. dakgrind verkleefd met teer of
bitumen;
k. banden van voertuigen;
l. cellenbeton;
m. gipsproducten;
n. groenafval;
o. A-en B-hout;
p. kunststof dat geschikt is voor
recycling als materiaal of product;
q. laminaatverpakking en kunststof,
dat ongeschikt is voor recycling als materiaal of product;
r. metalen;
s. papier en karton;
t. papier- en kunststofgeïsoleerde
kabels en restanten, uitgezonderd oliedrukkabels en gepantserde
papier-loodkabels;
u. asfalt, anders dan teerhoudend
asfalt;
v. bouwstoffen, als bedoeld in
artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit die binnen dat besluit
toepasbaar zijn, uitgezonderd IBC-bouwstoffen, cellenbeton,
teerhoudend of bitumineus dakafval, composieten van teerhoudend of
bitumineus dakafval, dakgrind verkleefd met teer of bitumen en
asfalt;
w. textiel;
x. verpakkingsglas;
y. vlakglas.
Hoofdstuk 3. Bepalingen met betrekking
tot activiteiten in inrichtingen, tevens geldend voor inrichtingen type
C
Afdeling 3.1. Afvalwaterbeheer
§ 3.1.1. Behandelen van huishoudelijk
afvalwater op locatie
Artikel 3.1
Ter beperking van de nadelige gevolgen
voor het milieu als bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van het besluit
wordt het huishoudelijk afvalwater bij lozing in de bodem geleid door
een infiltratievoorziening die zodanig wordt uitgevoerd en onderhouden,
dat:
a. het vanuit de
zuiveringsvoorziening geloosde water in de infiltratievoorziening
niet in direct contact met het grondwater komt,
b. de infiltratievoorziening geen
hinder veroorzaakt, en
c. nadelige gevolgen voor de
volksgezondheid worden voorkomen.
Artikel 3.2
Ter beperking van de nadelige gevolgen
voor het milieu als bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van het besluit
wordt het huishoudelijk afvalwater geleid door een zuiveringsvoorziening
die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 3.3 en 3.4.
Artikel 3.3
Een zuiveringsvoorziening bestaat uit een
septic tank:
a. met een nominale inhoud van ten
minste 6 kubieke meter,
b. die voldoet aan NEN-EN 12566-1, en
c. met een hydraulisch rendement van
ten hoogste 10 gram, bepaald overeenkomstig annex B van NEN-EN
12566-1.
Artikel 3.4
Een zuiveringsvoorziening
a. is goed toegankelijk, en
b. wordt zo vaak als voor de goede
werking daarvan nodig is onderhouden.
§ 3.1.2. Behandeling van stedelijk
afvalwater
Artikel 3.4a
1. Bij het in werking hebben van een
zuiveringstechnisch werk verkeert de installatie in goede staat van
onderhoud en worden bij onderhoudswerkzaamheden zodanige maatregelen
getroffen dat geurhinder bij geurgevoelige objecten zoveel mogelijk
wordt voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is tot een
aanvaardbaar niveau wordt beperkt.
2. Het bevoegd gezag kan indien blijkt
dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt
maatwerkvoorschriften stellen waarin maatregelen als bedoeld in het
eerste lid worden geconcretiseerd.
Artikel 3.4b
1. De geurbelasting, bedoeld in de
artikelen 3.5b, eerste en tweede lid en 6.19b, tweede tot en met het
vijfde lid van het besluit, wordt bepaald met de rekenmethode van het
Nieuw Nationaal Model (Uitgave 1998, ISBN 90-76323-003) of een daaraan
gelijkwaardige methode.
2. De geuremissie vanuit een
zuiveringstechnisch werk is de som van de emissies door de
verschillende procesonderdelen, uitgedrukt in odour units per seconde,
die worden bepaald met behulp van de emissiefactoren, genoemd in
bijlage 5 bij deze regeling.
3. Indien voor een procesonderdeel als
bedoeld in het tweede lid geen emissiefactor is opgenomen in bijlage
5, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift aanvullend
geuronderzoek eisen.
4. Het bevoegd gezag kan, indien de
geurhinder als gevolg van het opslaan en verladen van slib een
aanvaardbaar niveau overschrijdt en artikel 3.5b, eerste en tweede
lid, en artikel 6.19b, tweede tot en met het vijfde lid, van het
besluit niet toereikend zijn om de overschrijding ongedaan te maken,
aanvullend maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de
technische voorzieningen in het zuiveringtechnisch werk en te treffen
gedragsmaatregelen.
Artikel 3.4c
Ten behoeve van het realiseren van een
aanvaardbaar bodemrisico voldoet het ontwerp- en aanlegproces van
bassins, tanks en leidingen in de waterlijn vanaf het ontvangstwerk tot
de selector of de beluchtingstank aan CUR/PBV-Aanbeveling 51 en CUR/PBV-Aanbeveling
65 met uitzondering van de eisen gesteld in de paragrafen 4.1, 5.1,
6.1.1, en 6.1.2 van CUR/PBV-Aanbeveling 51, alsmede paragraaf 5.2.1 van
de CUR/PBV-Aanbeveling 65.
Artikel 3.4d
1. Ten behoeve van het realiseren van
een aanvaardbaar bodemrisico gebeurt de controle op de lekdichtheid
van de bedrijfsonderdelen van de zuiveringstechnische werken, bedoeld
in artikel 3.5a van het besluit, met een grondwatermonitoringssysteem
dat bestaat uit:
a. een horizontaal
monitoringssysteem bij installaties aangelegd op of na 1 januari
2012,
b. verticale peilbuizen bij
installaties aangelegd voor die datum.
2. In afwijking van het eerste lid kan
gebruik worden gemaakt van geo-electrische metingen met een
meetfrequentie van eenmaal per zes jaar.
Artikel 3.4e
1. Het horizontaal monitoringssysteem,
bedoeld in artikel 3.4d, eerste lid, onder a, bestaat uit horizontale
buizen op een afstand van ten minste 30 meter van elkaar.
2. Indien binnen een afstand van 60
meter, gemeten van hart tot hart, meerdere bassins of tanks zijn
gesitueerd, wordt een extra horizontale buis geplaatst.
3. Indien bassins of tanks op meer dan
60 meter, gemeten van hart tot hart, van elkaar zijn gesitueerd, wordt
om de 30 meter een horizontale buis geplaatst.
4. Bij de plaatsing van de horizontale
buizen wordt rekening gehouden met de stroomrichting van het
grondwater.
5. De verticale peilbuizen, bedoeld in
artikel 3.4d, eerste lid, onder b, bevinden zich op een afstand van
ten minste 30 meter van elkaar.
6. Indien binnen een afstand van 60
meter, gemeten van hart tot hart, meerdere bassins of tanks zijn
gesitueerd, wordt een extra verticale peilbuis geplaatst.
7. Indien bassins of tanks op meer dan
60 meter, gemeten van hart tot hart, van elkaar zijn gesitueerd, wordt
om de 30 meter een verticale peilbuis geplaatst.
8. De verticale peilbuis alsmede de
plaatsing voldoet aan NEN 5766.
9. De verticale peilbuizen worden
benedenstrooms ten opzichte van de stroming van het grondwater
geplaatst.
Artikel 3.4f
1. De achtergrondwaarden aan chemische
zuurstofverbruik (CZV) en ammonium-stikstof (N-NH4) worden vastgesteld
in het grondwater van een bovenstrooms geplaatste peilbuis.
2. Eenmaal per kalenderjaar wordt een
gefiltreerd monster dat genomen is uit het horizontaal
monitoringssysteem of uit de peilbuizen geanalyseerd op CZV en N-NH4.
Tussen opeenvolgende monsternames ligt ten minste elf maanden.
3. De resultaten van deze analyses
worden eenmaal per twee kalenderjaren gerapporteerd aan het bevoegd
gezag. De rapportage vindt plaats binnen twee maanden na de laatste
van de monsternames, bedoeld in het tweede lid.
4. Indien de gemeten waarden meer dan
50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden wordt binnen twee maanden een
nieuw grondwatermonster dat genomen is het monitoringssysteem
geanalyseerd, alsmede een grondwatermonster uit de bovenstrooms
geplaatste peilbuis.
5. Indien de gemeten waarden gedurende
drie opeenvolgende waarnemingen gemiddeld meer dan 50% hoger zijn dan
de achtergrondwaarden, wordt de meetfrequentie verhoogd naar twee
monsters per jaar voor de desbetreffende peilbuis. Tussen
opeenvolgende monsternames liggen ten minste vijf maanden.
6. Meetwaardes die meer dan 50% hoger
zijn dan de achtergrondwaarde, worden gerapporteerd aan het bevoegd
gezag.
7. Indien de gemeten waarden gedurende
drie opeenvolgende waarnemingen gemiddeld meer dan 50% hoger zijn dan
de achtergrondwaarden en de afwijking geweten kan worden aan
bedrijfsmatige activiteiten:
a. worden de daarna te nemen
monsters geanalyseerd op de stoffen, genoemd in NEN 5740, en
b. wordt in overleg met en met
instemming van het bevoegd gezag een herstelplan opgesteld.
8. Het plaatsen van de peilbuizen, de
analyses van de grondwatermonsters en het opstellen van de rapporten,
bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, en in artikel 3.4e,
worden uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe
beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
Artikel 3.4g
1. Indien de controle op de
lekdichtheid, bedoeld in artikel 3.4d, uitsluitend plaatsvindt via een
grondwatermonitoringssysteem, worden ten minste één keer per 15 jaar
de dilatatievoegen en onderlinge overgangen van bassins, tanks en
leidingen visueel geïnspecteerd overeenkomstig CUR/PBV-Aanbeveling
44.
2. De bevindingen worden vastgelegd in
een logboek, dat in de inrichting aanwezig is of binnen een termijn
die wordt gesteld door het bevoegd gezag voor deze beschikbaar.
§ 3.1.3. Lozen ten gevolge van
werkzaamheden aan vaste objecten in of nabij een oppervlaktewaterlichaam
Artikel 3.4h
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. hulpconstructie:
constructie waarop of waarin reinigings-
of conserveringswerkzaamheden aan een vast object plaatsvinden;
b. stofdichte wand:
afdichting gericht op het voorkomen van
emissie van stofdelen uit de hulpconstructie;
c. vloeistofdichte wand:
afdichting gericht op het voorkomen van
emissie van vloeistof of nevel uit de hulpconstructie;
d. winddichte wand:
afdichting gericht op het voorkomen van
invloed van wind op de emissie van stofdelen, vloeistof of nevel uit
de hulpconstructie;
e. stoffen:
afvalstoffen, verontreinigende of
schadelijke stoffen, die bij reinigings- of conserveringswerkzaamheden
worden gebruikt dan wel van het vast object vrijkomen.
Artikel 3.4i
1. Als reinigingswerkzaamheden als
bedoeld in artikel 3.6a, tweede lid, van het besluit worden
aangewezen:
a. R1-technieken;
b. R2-technieken;
c. R3-technieken;
d. R4-technieken;
e. R5-technieken.
2. Als R1-technieken worden aangemerkt:
a. afwassen met water;
b. schoonspuiten met water onder
een druk van ten hoogste 200 bar zonder toevoeging van ontvetters;
c. stoomreinigen onder een druk van
ten hoogste 200 bar zonder toevoeging van ontvetters;
d. ontvetten met doeken en een
ontvetter.
3. Als R2-technieken worden aangemerkt:
a. bevochtigd handmatig schuren met
schuurpapier of met een handschuurapparaat;
b. borstelen;
c. beitelen;
d. bikken;
e. schrapen;
f. steken;
g. slijpen;
h. branden;
i. afkrabben;
j. gebruiken van naaldhamer of
bikhamer;
k. schuren of borstelen met
roterende schuurmachines met bronafzuiging;
l. mobiel werpstralen;
m. vacuümstralen met
bronafzuiging;
n. afblazen met perslucht tot 8
bar.
4. Als R3-technieken worden aangemerkt:
a. droog aanstralen;
b. droog integraal stralen;
c. integraal opruwen door stralen;
d. roestvrij maken van oppervlakken
door stralen of ministralen;
e. droog ijs- of CO2-stralen.
5. Als R4-technieken worden aangemerkt:
a. chemisch reinigen;
b. chemisch ontvetten;
c. schoonspuiten met water met
toevoeging van ontvetters;
d. stoomreinigen met toevoeging van
ontvetters.
6. Als R5-technieken worden aangemerkt:
a. watergritreinigen;
b. lage druk watergritstralen;
c. lage druk vochtig stralen;
d. handmatig hoge druk
water(grit)stralen;
e. mechanisch hoge druk
water(grit)stralen.
Artikel 3.4j
1. Als conserveringswerkzaamheden als
bedoeld in artikel 3.6a, tweede lid van het besluit worden aangewezen:
a. C1-technieken;
b. C2-technieken;
c. C3-technieken.
2. Als C1-technieken worden aangemerkt:
a. aanbrengen van verflagen of
conserveringslagen met behulp van kwast, spaan of roller;
b. HVLP-spuiten;
c. elektrostatisch spuiten;
d. hot elektrostatisch spuiten.
3. Als C2-technieken worden aangemerkt:
a. aanbrengen van verflagen of
conserveringslagen met behulp van een kneedmortelpomp;
b. spuiten van kleine oppervlakten;
4. Als C3-technieken worden aangemerkt:
a. airless spuiten;
b. airmix spuiten;
c. pneumatisch spuiten;
d. twee componenten spuiten.
Artikel 3.4k
1. Als stoffen als bedoeld in artikel
3.6a, tweede lid, van het besluit worden aangewezen:
a. stoffen uit categorie A;
b. stoffen uit categorie B;
c. stoffen uit categorie C.
2. Als stoffen uit categorie A worden
aangemerkt:
a. basalt;
b. beton en betonmortel;
c. schoonmetselwerk;
d. cementgebonden deklagen;
e. niet verduurzaamd hout;
f. steenachtige ondergronden;
g. metallische ondergronden met
uitzondering van zink, tin, koper of legeringen van die metalen.
3. Als stoffen uit categorie C worden
aangemerkt:
a. koolteer of koolteerderivaten;
b. lood- of chromaathoudende
pigmenten;
c. antifoulings;
d. andere verven op basis van
cadmium, tin of kwik dan genoemd in de onderdelen a tot en met c
van dit lid.
4. Als stoffen uit categorie B worden
aangemerkt stoffen die niet zijn aangemerkt als stoffen uit categorie
A of C.
Artikel 3.4l
1. Indien reinigingswerkzaamheden
worden uitgevoerd met behulp van een R1-techniek dan wel
conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd waarbij geen stoffen uit
categorie B of C worden gebruikt, behoeft, onverminderd artikel 2.1,
een eventueel aanwezige hulpconstructie geen voorzieningen te bevatten
ter voorkoming van het lozen in een oppervlaktewaterlichaam.
2. Indien reinigingswerkzaamheden
worden uitgevoerd met behulp van een R1-, R2-of R3-techniek dan wel
conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd waarbij geen stoffen uit
categorie B of C worden gebruikt, en de afstand van het te behandelen
deel van het oppervlak tot het wateroppervlak minder dan 50 centimeter
bedraagt, behoeft, onverminderdartikel 2.1, een eventueel aanwezige
hulpconstructie geen voorzieningen te bevatten ter voorkoming van het
lozen in een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 3.4m
1. Indien reinigingswerkzaamheden
worden uitgevoerd met behulp van een R2-techniek dan wel
conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een
C1-techniek waarbij een stof uit categorie B wordt gebruikt, worden
die werkzaamheden uitgevoerd boven een hulpconstructie waarvan de
vloer stofdicht is, is voorzien van opstaande randen met een hoogte
van ten minste 20 centimeter en voor zover mogelijk aan alle zijden
uitsteekt buiten het te behandelen object.
2. Indien conserveringswerkzaamheden
worden uitgevoerd met behulp van een C1-techniek waarbij een stof uit
categorie C wordt gebruikt en bij een windsnelheid hoger dan 8 meter
per seconde, wordt de hulpconstructie als bedoeld in het eerste lid
ten minste uitgebreid met zijwanden van gaasnetten met een maaswijdte
van ten hoogste 0,4 bij 0,4 millimeter of zeilen, die aansluiten op de
vloer en minimaal 1 meter boven het te behandelen deel van het object
uitsteken.
Artikel 3.4n
1. Indien reinigingswerkzaamheden
worden uitgevoerd met behulp van een R3-techniek, waarbij een stof uit
categorie A vrijkomt wordt in aanvulling op de maatregelen bedoeld in
artikel 3.4m, tweede lid, de hulpconstructie ook aan de bovenzijde
afgesloten.
2. Indien reinigingswerkzaamheden
worden uitgevoerd met behulp van een R3-techniek, waarbij een
metallisch straalmiddel wordt gebruikt en een stof uit categorie B
vrijkomt, worden de zijwanden en bovenafsluiting van de
hulpconstructie als bedoeld in het eerste lid winddicht uitgevoerd.
3. Indien reinigingswerkzaamheden
worden uitgevoerd met behulp van een R3-techniek waarbij smeltslakgrit
of een mineraal straalmiddel wordt gebruikt en een stof uit categorie
B vrijkomt dan wel waarbij metallisch straalmiddel wordt gebruikt en
een stof uit categorie C vrijkomt, wordt in aanvulling op het tweede
lid tijdens de werkzaamheden gezorgd voor een permanente onderdruk in
de hulpconstructie. In de daarbij geëmitteerde lucht mag het
stofgehalte niet meer bedragen dan 10 mg/Nm3, bepaald volgens NEN/ISO
9096.
4. Indien reinigingswerkzaamheden
worden uitgevoerd met behulp van een R3-techniek, waarbij
smeltslakgrit of een mineraal straalmiddel wordt gebruikt en een stof
uit categorie C vrijkomt dan wel conserveringswerkzaamheden die worden
uitgevoerd met behulp van een C3-techniek, waarbij een stof uit
categorie C wordt gebruikt, worden in aanvulling op het derde lid, de
zijwanden en bovenzijde van de hulpconstructie als bedoeld in het
derde lid, stofdicht uitgevoerd.
Artikel 3.4o
1. Indien reinigingswerkzaamheden
worden uitgevoerd met behulp van een R4-techniek wordt de vloer van de
hulpconstructie als bedoeld inartikel 3.4m, eerste lid vloeistofdicht
uitgevoerd en wordt de hulpconstructie uitgebreid met zijwanden van
gaasnetten met een maaswijdte van ten hoogste 0,4 bij 0,4 millimeter,
die aansluiten op de vloer en minimaal 1 meter boven het te behandelen
deel van het object uitsteken.
2. Bij het lozen van de in de
hulpconstructie opgevangen vloeistof bedraagt het gehalte aan
onopgeloste bestanddelen niet meer dan 50 milligram per liter.
Artikel 3.4p
1. Indien reinigingswerkzaamheden
worden uitgevoerd met behulp van een R5-techniek waarbij een stof uit
categorie A vrijkomt is artikel 3.4ovan overeenkomstige toepassing.
2. Indien reinigingswerkzaamheden
worden uitgevoerd met behulp van een R5-techniek waarbij smeltslakgrit
of mineraal straalmiddel wordt gebruikt, wordt de hulpconstructie als
bedoeld in artikel 3.4o ook aan de bovenzijde afgesloten.
3. Indien reinigingswerkzaamheden
worden uitgevoerd met behulp van een R5-techniek, waarbij een stof uit
categorie B vrijkomt of conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd
met behulp van een C2-techniek waarbij een stof uit categorie B wordt
gebruikt, worden de zijwanden en de bovenzijde als bedoeld in het
tweede lid, vloeistofdicht uitgevoerd.
4. Indien reinigingswerkzaamheden
worden uitgevoerd met behulp van een R5-techniek waarbij een stof uit
categorie C vrijkomt of conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd
met behulp van een C2-techniek waarbij een stof uit categorie C wordt
gebruikt of conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp
van een C3-techniek waarbij een stof uit categorie B wordt gebruikt,
wordt in aanvulling op het derde lid tijdens de werkzaamheden gezorgd
voor een permanente onderdruk in de hulpconstructie. In de daarbij
geëmitteerde lucht bedraagt het stofgehalte niet meer dan 10 mg/Nm3,
bepaald volgens NEN/ISO 9096.
Artikel 3.4q
Indien reinigingswerkzaamheden of
conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd aan spoorbruggen, bevat de
hulpconstructie in afwijking van de artikelen 3.4l tot en met 3.4p aan
de bovenzijde geen hulpconstructie en aan de in- en uitrijrichting geen
zijwand en lopen de zijwanden maximaal twee meter boven het te
behandelen deel van het object door.
Artikel 3.4r
Indien reinigingswerkzaamheden of
conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd aan vaste objecten die
direct in contact staan met een oppervlaktewaterlichaam, omsluit de
hulpconstructie in afwijking van deartikelen 3.4l tot en met 3.4p de
ruimte waarin wordt gewerkt zoveel mogelijk.
Artikel 3.4s
Indien reinigingswerkzaamheden of
conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd aan een vast object dat
door het aanbrengen van een hulpconstructie beperkt stabiel wordt,
omsluit de hulpconstructie in afwijking van deartikelen 3.4l tot en met
3.4p de ruimte waarin wordt gewerkt zoveel mogelijk.
Afdeling 3.2. Installaties
§ 3.2.1. In werking hebben van een
warmtekrachtinstallatie
Artikel 3.5
Deze paragraaf is van toepassing op
warmtekrachtinstallaties als bedoeld in artikel 3.7 van het besluit.
Artikel 3.6
Ten behoeve van het voorkomen van risico’s
voor de omgeving en ongewone voorvallen of, voor zover dat niet mogelijk
is, het zoveel mogelijk beperken van risico’s voor de omgeving en de
kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan,
voldoet een met aardgas te stoken gasturbine aan ‘Gasturbines, regels
voor veilig gebruik van aardgas in gasturbines’ van NV Nederlandse
Gasunie.
Artikel 3.7
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vindt het vullen en het legen van een
warmtekrachtinstallatie met vloeibare brandstof plaats boven een
bodembeschermende voorziening.
§ 3.2.2. In werking hebben van een
installatie voor het reduceren van aardgasdruk, meten en regelen van
aardgashoeveelheid of aardgaskwaliteit
Artikel 3.8
Deze paragraaf is van toepassing op het
in werking hebben van een installatie voor het reduceren van
aardgasdruk, meten en regelen van aardgashoeveelheid of aardgaskwaliteit
als bedoeld in artikel 3.11 van het besluit.
Artikel 3.9
Ten behoeve van het voorkomen van risico’s
voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet
mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de
omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen
hiervan wordt de uitvoering, opstelling en onderhoud van de technische
installatie voor het reduceren van aardgasdruk, meten en regelen van
aardgashoeveelheid of aardgaskwaliteit uitgevoerd overeenkomstig de
voorschriften 7.1 tot en met 7.3.2, 8.1 tot en met 8.8.2, 9.1 tot en met
9.4 en voorschrift 11.3 van NEN 1059 of daaraan gelijkwaardig.
Artikel 3.10
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan voldoet de opslag van tetrahydrothiofeen in
bovengrondse opslagtanks of condensaat in ondergrondse opslagtanks
behorende bij een inrichting waar aardgasdruk wordt gereduceerd of
aardgashoeveelheid wordt gemeten ten minste aan de richtlijn
tankinstallaties (PBV Rapport P 107776 2004-01-12) of gelijkwaardig
hieraan.
2. Een opgestelde Risico Inventarisatie
en -evaluatie als bedoeld in de BRL K903, waarin is aangetoond dat de
installatie aan deze richtlijn voldoet en een verklaring van een
geaccrediteerde certificatie-instelling dat het non-standaard-deel van
de installatie is uitgevoerd overeenkomstig de Risico Inventarisatie
en -evaluatie wordt binnen drie maanden na installatie aan het bevoegd
gezag overlegd. In geval van relevante wijzigingen wordt deze
procedure herhaald.
§ 3.2.3. In werking hebben van een
windturbine
Artikel 3.11
Deze paragraaf is van toepassing op
windturbines als bedoeld in artikel 3.13 van het besluit.
Artikel 3.12
1. Ten behoeve van het voorkomen of
beperken van slagschaduw en lichtschittering is de windturbine
voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine
afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige
objecten voorzover de afstand tussen de windturbine en de gevoelige
objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en gemiddeld
meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag
slagschaduw kan optreden en voorzover zich in de door de slagschaduw
getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige gebouwen of
woonwagens ramen bevinden. De afstand geldt van een punt op ashoogte
van de windturbine tot de gevel van het gevoelige object.
2. Het bevoegd gezag kan met betrekking
tot het in werking hebben van een windturbine aanvullend
maatwerkvoorschriften stellen ten behoeve van het voorkomen of
beperken van hinder door slagschaduw indien het eerste lid in een
specifiek geval niet toereikend is.
Artikel 3.13
1. Ten behoeve van het voorkomen of
beperken van slagschaduw en lichtschittering wordt lichtschittering
bij het in werking hebben van een windturbine zoveel mogelijk
voorkomen of beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen
of coatinglagen op de betreffende onderdelen. Het meten van
reflectiewaarden vindt plaats overeenkomstig NEN-EN-ISO 2813 of een
daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode.
2. Het bevoegd gezag kan met betrekking
tot het in werking hebben van een windturbine aanvullend
maatwerkvoorschriften stellen ten behoeve van het voorkomen of
beperken van hinder door lichtschittering indien het eerste lid in een
specifiek geval niet toereikend is.
Artikel 3.14
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan voldoet een windturbine aan de veiligheidseisen
opgenomen in:
a. NEN-EN-IEC 61400-2;
b. NVN 11400-0.
2. Aan het eerste lid wordt voldaan
indien voor de windturbine een certificaat is afgegeven door een
certificerende instantie waaruit blijkt dat de windturbine voldoet aan
deze regels. De certificerende instantie is geaccrediteerd voor het
afgeven van certificaten, overeenkomstig de normen bedoeld in het
eerste lid bij de Raad voor Accreditatie of bij een accrediterende
instantie die erkend is door een andere staat, aangesloten bij de
Multilateral Agreement on European Accreditation of Certification.
Artikel 3.14a
Het rapport van een akoestisch onderzoek,
bedoeld in artikel 1.11, derde lid, van het besluit, bevat de volgende
gegevens:
a. de naam van de opdrachtgever van
het onderzoek;
b. de naam van de instantie die het
onderzoek heeft uitgevoerd;
c. de datum van het onderzoek;
d. de aanleiding en het doel van het
onderzoek;
e. de gegevens waarmee wordt
aangetoond dat de betreffende situatie valt binnen het
toepassingsbereik van de gebruikte methode;
f. indien een andere methode dan die
is opgenomen in deze regeling wordt gebruikt, wordt de noodzaak
daarvan aangegeven en wordt de toegepaste methode beschreven en
verantwoord;
g. indien een rekenmethode wordt
toegepast, alle ingevoerde gegevens en tevens de geraadpleegde
windfrequentiegegevens;
h. een of meer kaarten of tekeningen
op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt gegeven van
bestaande of voorgenomen windturbines en van gevoelige gebouwen of
gevoelige terreinen waarop het akoestisch onderzoek betrekking
heeft;
i. de waarneempunten;
j. de situering, akoestisch relevante
dimensies en de aard van de doorgerekende geluidsbeperkende of
afschermende maatregelen, zowel op oorspronkelijk kaartmateriaal als
in de vorm van de geschematiseerde computerinvoer;
k. de situering, akoestisch relevante
dimensies en de aard van de overige geluidsreflecterende en
-afschermende objecten of constructies;
l. de scheidingslijn of
scheidingslijnen tussen akoestisch harde en zachte bodemvlakken, met
een aanduiding van de aard van de bodem;
m. in akoestisch gecompliceerde
situaties, een grafische weergave van de bij de berekeningen
gehanteerde geometrische invoergegevens;
n. de bestaande en toekomstige
geluidsbelastingen vanwege een windturbine of een combinatie van
windturbines van de gevel van een gevoelig object of van de grens
van een gevoelig terrein voor de situatie waarin geen maatregelen
zijn genomen ter vermindering van de geluidsemissie of ter beperking
van de geluidsoverdracht.
Artikel 3.14b
1. Ten behoeve van het akoestisch
onderzoek, bedoeld in artikel 3.14a, wordt bij de bepaling van de
geluidsbelasting van een windturbine of een combinatie van
windturbines rekening gehouden met:
a. de over een kalenderjaar
energetisch gemiddelde bronsterkte volgens de methode, bedoeld in
hoofdstuk 3 van bijlage 4, en met gebruikmaking van het door het
KNMI aangeleverde langjarig gemiddelde windprofiel op ashoogte,
tenzij wordt aangetoond dat gegevens beschikbaar zijn die een
beter beeld geven van de geluidsemissie van de windturbine of een
combinatie van windturbines;
b. de invloed van de omgeving en de
meteorologische omstandigheden op de geluidsoverdracht van de
windturbine of een combinatie van windturbines naar het
immissiepunt.
2. Indien de vaststelling van de
geluidsbelasting vanwege een windturbine of een combinatie van
windturbines plaatsvindt op de gevel van een gevoelig gebouw, bevindt
het immissiepunt zich op het punt van de gevel, waar de
geluidsbelasting het hoogst is.
3. Indien de vaststelling van de
geluidsbelasting vanwege een windturbine of een combinatie van
windturbines plaatsvindt op de grens van een gevoelig terrein, bevindt
het immissiepunt zich op het punt van de grens waar de
geluidsbelasting het hoogst is.
4. Indien de geluidsbelasting van een
windturbine of een combinatie van windturbines met andere
geluidsbronnen wordt berekend, wordt de rekenregel, bedoeld in
hoofdstuk 4 van bijlage 4, toegepast.
Artikel 3.14c
Van de methode, bedoeld in hoofdstuk 3
van bijlage 4, kan geheel of gedeeltelijk worden afgeweken indien
aannemelijk wordt gemaakt dat de toe te passen afwijking:
a. een belangrijke tijdbesparing of
kostenbesparing oplevert en in de betreffende situatie nagenoeg even
nauwkeurig is;
b. in de betreffende situatie
belangrijk nauwkeuriger is, of
c. voldoende nauwkeurig is en de
methode, bedoeld in hoofdstuk 3 van bijlage 4, in de betreffende
situatie niet leidt tot een voldoende representatieve
geluidsbelasting.
Artikel 3.14d
1. Indien de gegevens over het, van de
windsnelheid afhankelijke, bronvermogen van een windturbine of een
combinatie van windturbines niet of niet volledig beschikbaar zijn,
wordt dit bepaald volgens de methode, bedoeld in hoofdstuk 2 van
bijlage 4.
2. Indien in het kader van de
handhaving wordt beoordeeld of het bronvermogen overeenkomt met de in
het akoestisch onderzoek gebruikte waarden, wordt de methode, bedoeld
in paragraaf 2.6 van bijlage 4toegepast.
Artikel 3.14e
De drijver van de inrichting registreert
de volgende gegevens:
a. de emissieterm LE, bedoeld in
onderdeel 3.4.1 vanbijlage 4, gebaseerd op de effectieve werking
gedurende het afgelopen kalenderjaar, en
b. de voor de duur van een
handhavingsmeting als bedoeld in paragraaf 2.6 vanbijlage 4
benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte.
§ 3.2.4. In werking hebben van een
installatie voor het doorvoeren, bufferen of keren van rioolwater
Artikel 3.15
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau
beperken van geurhinder worden bij het in werking hebben van een
installatie voor het doorvoeren, bufferen of keren van rioolwater naar
de buitenlucht afgevoerde dampen, waar binnen 50 meter van een
emissiepunt een gevoelig gebouw, niet zijnde een gevoelig gebouw op
een gezoneerd industrieterrein dan wel bedrijventerrein met minder dan
1 gevoelig gebouw per hectare, is gelegen, bovendaks en omhoog gericht
afgevoerd.
2. Het bevoegd gezag kan indien blijkt
dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege
onvoldoende verspreiding van afgezogen dampen maatwerkvoorschriften
stellen met betrekking tot het verhogen van de afvoerhoogte van de
afgezogen dampen en gassen.
Artikel 3.16
1. Bij het in werking hebben van een
installatie voor het doorvoeren, bufferen of keren van rioolwater
verkeert de installatie in goede staat van onderhoud en worden bij
onderhoudswerkzaamheden zodanige maatregelen getroffen dat geurhinder
bij gevoelige gebouwen zoveel mogelijk wordt voorkomen dan wel als dit
niet mogelijk is tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.
2. Het bevoegd gezag kan indien blijkt
dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt
maatwerkvoorschriften stellen waarin maatregelen bedoeld in het eerste
lid worden geconcretiseerd.
§ 3.2.5. In werking hebben van een natte
koeltoren
Artikel 3.16a
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan beschikt degene die een inrichting met een natte
koeltoren drijft over een risicoanalyse waarin is beschreven welke
risico’s de natte koeltoren met zich meebrengt voor de omgeving
alsmede over een legionella-beheersplan waarin de maatregelen zijn
beschreven waarmee deze risico’s worden voorkomen, dan wel zoveel
mogelijk worden beperkt. De drijver van de inrichting draagt er zorg
voor dat het legionella-beheersplan wordt uitgevoerd.
2. Bij de risicoanalyse, bedoeld in het
eerste lid, worden in ieder geval de volgende risicofactoren
betrokken:
a. het risico op vermeerdering van
legionellabacteriën in de koeltoren door:
1°. de aard en kwaliteit van
het water dat wordt gebruikt;
2°. de temperatuur van het
water;
3°. de verblijfstijd van het
water;
4°. de stilstand van het
water;
5°. de aanwezigheid van
biofilm en sediment;
b. de bedrijfsvoering van de natte
koeltoren;
c. de effectiviteit van het
waterbehandelingsprogramma met betrekking tot legionellabacteriën
en biofilmvorming;
d. de risico’s voor de omgeving,
te bepalen volgens de risicocategorie-indeling in tabel 3.16a.
Tabel 3.16a.
Risicocategorie-indeling voor natte koeltorens
Risicocategorie
|
Locatie natte
koeltoren |
|
1 (hoogste risico) |
Natte koeltoren in de nabijheid
(< 200 m) van een ziekenhuis, verpleeghuis of andere (medisch
georiënteerde) zorginstelling waar mensen verblijven met een
verminderd immuunsysteem |
|
2 |
Natte koeltoren in de nabijheid
(< 200 m) van verzorgingstehuizen, hotels of andere gebouwen
waarin zich veel mensen bevinden |
|
3 |
Natte koeltoren in de nabijheid
(< 600 m) van een woonomgeving |
|
4 (laagste risico) |
Natte koeltoren die op afstand
(> 600 m) staat van een woonomgeving |
3. Het legionella-beheersplan,
bedoeld in het eerste lid, bevat naast een beschrijving van de
maatregelen, bedoeld in dat lid, in ieder geval:
a. een tekening of schema met de
actuele indeling van de natte koeltoren;
b. een beschrijving van de juiste
en veilige werking van de natte koeltoren;
c. een beschrijving van alle uit
te voeren controles aan de natte koeltoren, inclusief de
controle op de aanwezigheid van Legionella;
d. een aanduiding van de waarden
van de fysische, chemische en microbiologische parameters
inclusief de concentratie aan legionellabacteriën in de natte
koeltoren bij het bereiken waarvan maatregelen ter verbetering
worden getroffen, alsmede een beschrijving van die maatregelen;
e. een beschrijving van de
maatregelen die worden genomen bij calamiteiten.
4. De maatregelen, bedoeld in het
eerste lid, zijn ten aanzien van het voorkomen of beperken van de
risico’s voor de omgeving door legionellabacteriën bij het in
bedrijf nemen en hebben van een natte koeltoren doeltreffend indien:
a. het ontstaan en de
verspreiding van waternevel zoveel mogelijk worden beperkt;
b. de stilstand van water in
leidingen, reservoirs en appendages zoveel mogelijk wordt
vermeden;
c. de natte koeltoren en het
water dat zich daarin bevindt schoon zijn;
d. de vermeerdering van
legionellabacteriën zo veel mogelijk wordt beperkt door
toepassing van waterbehandelingstechnieken;
e. een juiste en veilige werking
van de natte koeltoren conform de processpecificaties is
gewaarborgd.
5. De risicoanalyse wordt aangepast
indien de omstandigheden binnen de inrichting of in de onmiddellijke
nabijheid daarvan daartoe aanleiding geven.
6. In het legionella-beheersplan,
bedoeld in het eerste lid, wordt aantekening gemaakt van de
onderhoudswerkzaamheden die worden verricht, de wijzigingen in de
natte koeltoren of het onderhoud, de uitkomsten van controles die
worden uitgevoerd, alsmede bijzonderheden over de werking van de
natte koeltoren. Deze aantekeningen worden ten minste gedurende drie
jaren bewaard.
7. Het bevoegd gezag, kan ten behoeve
van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone
voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel
mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat
ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan,
maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de invulling van het
legionella-beheersplan, bedoeld in het eerste lid.
Afdeling 3.3. Voorzieningen
§ 3.3.1. Afleveren van vloeibare
brandstof en gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het
wegverkeer
Artikel 3.17
Deze paragraaf is van toepassing op een
inrichting voor zover sprake is van het afleveren van vloeibare
brandstof en gecomprimeerd aardgas, bedoeld in artikel 3.17, eerste lid,
van het besluit.
Artikel 3.17a
Als testprocedure voor dampretour fase-II
als bedoeld in artikel 3.20, vierde lid, onder a, van het besluit, wordt
aangewezen de Test Procedure voor Damp Retour Systemen in Benzinepompen
voor Nederland van het NMi Certin van 1 februari 2011, dan wel een aan
die testprocedure gelijkwaardige procedure, ter beoordeling door het
bevoegd gezag.
Artikel 3.18
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan wordt bij het afleveren van vloeibare brandstof
ten minste voldaan aan de artikelen 3.20 tot en met 3.22 en bij het
afleveren van gecomprimeerd aardgas aan artikel 3.23.
2. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico wordt bij het afleveren van vloeibare
brandstof voldaan aan de artikelen 3.21, 3.21a, 3.22, 3.25 en3.26.
3. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
luchtverontreiniging wordt bij het afleveren van lichte olie voldaan
aan artikel 3.19.
Artikel 3.19
1. De tankinstallatie is zodanig
uitgevoerd dat bij het vullen van een opslagtank met lichte olie de
uit de opslagtank verdreven dampen door een gasdichte retourleiding
kunnen worden teruggevoerd naar het reservoir van de tankwagen die de
lichte olie levert (dampretour stage I). Het systeem is zo ontworpen
dat drukopbouw zoveel mogelijk wordt voorkomen. Indien een
vacuümdrukklep wordt toegepast bedraagt de drukopbouw in het gehele
systeem niet meer dan de openingsdruk van de desbetreffende klep. Deze
openingsdruk bedraagt niet meer dan 3,92 kilopascal.
2. Indien lichte olie wordt aangeleverd
worden de uit de ondergrondse opslagtank verdreven dampen teruggevoerd
met de in het eerste lid bedoelde voorziening.
3. De aansluitpunten van de
vulleidingen en de dampretourleidingen zijn zodanig uitgevoerd dat
verwisseling van de vulslang en de dampretourslang van en naar de
tankwagen, uitgesloten is.
4. Het vullen van een ondergrondse
opslagtank vindt niet plaats indien de dampretourleiding lek is.
5. Het eerste tot en met vierde lid is
niet van toepassing op een inrichting met een debiet van lichte olie
van minder dan 100 kubieke meter per jaar.
Artikel 3.20
1. De in het EU-systeem voor dampretour
fase-II gebruikte onderdelen geven geen aanleiding tot het optreden
van brand of explosie van de bij het afleveren van lichte olie aan
motorvoertuigen voor het wegverkeer uit het brandstofreservoir van het
motorvoertuig verdreven dampen die worden teruggevoerd in de
ondergrondse opslagtank.
2. Het EU-systeem voor dampretour
fase-II is voorzien van op de juiste plaats(en) aangebrachte en
doelmatig werkende vlamkerende voorziening(en).
3. Het gebruikte EU-systeem voor
dampretour fase-II verkeert in een goede staat en is vrij van
scheuren, gaten en andere gebreken.
Artikel 3.21
1. De vaste afleverinstallatie is
uitgevoerd en geïnstalleerd overeenkomstig BRL K903 door een
gecertificeerd bedrijf. Het vervangen en repareren van gedeelten van
een afleverinstallatie geschiedt overeenkomstig BRL K903 door een
gecertificeerd bedrijf.
2. De vaste afleverinstallatie voldoet
bij het afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen voor het
wegverkeer aan de voorschriften 5.8, 6.5, 6.7, 7.1, 7.7, 9.3, 9.5,
9.6, 9.6.1.1 tot en met 9.6.1.5 van PGS 28.
3. Onverminderd het tweede lid:
a. wordt het temperatuurgevoelige
element eenmaal in de twee jaar gecontroleerd. Indien naar
aanleiding van deze controle blijkt dat het temperatuurgevoelige
element niet goed meer functioneert wordt deze terstond
gerepareerd of vervangen.
b. is binnen een inrichting ten
minste één noodstopvoorziening aangebracht. Bij uitsluitend
bemande aflevering van vloeibare brandstof is die voorziening bij
de kassa te bedienen. Bij geheel of gedeeltelijk onbemande
aflevering van vloeibare brandstof is die voorziening op ten
minste één voor een ieder goed bereikbare plaats te bedienen,
die duidelijk zichtbaar en aangegeven is bij elke afleverzuil. Het
uitschakelen van de noodstopvoorziening, waardoor het afleveren
kan worden hervat, geschiedt eerst nadat de drijver van de
inrichting heeft vastgesteld dat de gevaarlijke situatie die heeft
geleid tot het inschakelen van de noodstopvoorziening, is
opgeheven.
Artikel 3.21a
1. In afwijking van artikel 3.21
voldoet een vaste afleverinstallatie bij het afleveren van minder dan
25 kubieke meter vloeibare brandstof per jaar, aan het tweede tot en
met zesde lid.
2. Het vulpistool wordt goed
weggehangen. Na gebruik lekt er geen brandstof uit het vulpistool. De
afleverslang is voorzien van een automatisch afslaand vulpistool om
overvullen van het motorvoertuig te voorkomen.
3. Als een deel van de
afleverinstallatie, leidingen of de afleverslang zich onder het
hoogste vloeistofniveau van de tank kunnen bevinden, is een antihevel
beveiliging aangebracht tussen de tank en de flexibele afleverslang.
4. Bij het toepassen van een handpomp
is de afleverslang na gebruik leeg, waarbij eventueel aanwezige
brandstofresten worden teruggevoerd naar de tank. Een vulpistool van
een elektrische pomp is voorzien van een automatisch afslagmechanisme.
5. De afleverinstallatie is voorzien
van een vulkraan die, indien deze buiten gebruik is, niet in werking
kan worden gesteld door onbevoegden.
6. Een afleverinstallatie met een
elektrische pomp is voorzien van een aan- en uitschakelaar.
Artikel 3.21b
1. Onverminderd de artikelen 3.21 en
3.21a voldoet een vaste afleverinstallatie voor het inpandig afleveren
van lichte olie dat is toegestaan op grond van artikel 6.22b van het
besluit, aan het tweede en derde lid.
2. Nabij de afleverinstallatie is ten
minste één draagbaar blustoestel aanwezig met een vulling van ten
minste 6 kilogram of liter blusstof.
3. De afleverinstallatie wordt voorzien
van een thermische brandmelder die is aangesloten op een akoestisch
signaal.
Artikel 3.22
Een mobiele afleverinstallatie voldoet
bij het afleveren van lichte olie aan motorvoertuigen voor het
wegverkeer aan de voorschriften 5.8 en 9.6.2.1 tot en met 9.6.2.5 van
PGS 28.
Artikel 3.23
Een aardgas-afleverinstallatie voldoet
bij het afleveren van gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het
wegverkeer aan hoofdstuk 7 tot en met 14 van PGS 25 met uitzondering van
de paragrafen 7.1.8, 7.3.8 tot en met 7.3.13, 7.7.1, 7.9, 8.6, 8.7, 8.8,
9.2, 10.8 en 13.4.
Artikel 3.24 [Vervallen per 31-12-2011]
Artikel 3.25
1. Het afleveren van vloeibare
brandstof aan motorvoertuigen voor het wegverkeer vindt plaats boven
een vloeistofdichte vloer of verharding.
2. De vloeistofdichte vloer of
verharding, bedoeld in het eerste lid, is aangelegd overeenkomstig het
daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument
door een bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van
dat besluit en strekt zich, voor zover erfafscheidingen, gebouwen en
andere fysieke begrenzingen dit toelaten, vanaf de afleverzuil uit
over een afstand van ten minste de lengte van de afleverslang plus
één meter, met een minimum van vijf meter. Indien de vloeistofdichte
vloer of verharding zich daardoor zou uitstrekken tot over de openbare
weg dan strekt deze vloer of verharding zich uit tot de openbare weg
met dien verstande dat deze afstand niet minder bedraagt dan drie
meter. In de laatste situatie is de afleverslang niet langer dan vier
meter. Aan de zijde waar geen tankende voertuigen kunnen worden
opgesteld strekt de vloeistofdichte vloer of verharding zich uit tot
een afstand van ten minste één meter vanaf het hart van de
afleverzuil.
3. In afwijking van het eerste lid
vindt het afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen,
waarbij minder dan 25 kubieke meter per jaar wordt afgeleverd, plaats
boven een bodembeschermende voorziening.
4. In afwijking van het tweede lid is
een mobiele afleverinstallatie opgesteld op een vloeistofdichte vloer
of verharding die reikt tot ten minste 1 meter buiten de projectie van
de afleverinstallatie.
5. Het afleveren van ureum aan
motorvoertuigen voor het wegverkeer vindt plaats boven de
bodembeschermende voorziening die op grond van het eerste tot en met
vierde lid is voorgeschreven voor het afleveren van vloeibare
brandstof.
Artikel 3.26
1. In afwijking van artikel 3.25,
eerste tot en met vierde lid, kan het afleveren van vloeibare
brandstof plaatsvinden boven een geomembraanbaksysteem, indien:
a. de inrichting is gelegen binnen
de bebouwde kom waarbij de afleverzuilen in één rij parallel aan
de naastgelegen weg staan opgesteld en het afleveren uitsluitend
aan de wegzijde op of aan de openbare weg plaatsvindt, of
b. op basis van een onderzoek naar
de grondmechanica dat vóór het aanbrengen van het
geomembraanbaksysteem is uitgevoerd, is gebleken dat het
aanbrengen van een vloeistofdichte vloer of verharding onevenredig
hoge kosten met zich brengt.
2. Een geomembraanbaksysteem als
bedoeld in het eerste lid is aangelegd overeenkomstig het daartoe
krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een
bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat
besluit.
§ 3.3.2. Het wassen van motorvoertuigen
of carrosserie-onderdelen daarvan
Artikel 3.27
1. Dit artikel is van toepassing op een
inrichting voor zover sprake is van het wassen van motorvoertuigen of
carrosserie-onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 3.23a van het
besluit.
2. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico vindt het wassen van motorvoertuigen
of carrosserie-onderdelen daarvan plaats boven een vloeistofdichte
vloer of verharding. Bij het wassen vrijkomende vloeistoffen lopen
niet over de rand van de vloeistofdichte vloer of verharding.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing indien binnen de inrichting ten hoogste één
motorvoertuig, niet zijnde een autobus of een vrachtauto als bedoeld
in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, per week
pleegt te worden gewassen.
4. In afwijking van het tweede lid is
het toegestaan motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan te
wassen in of op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd
dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken.
§ 3.3.3. Opslaan van propaan
Artikel 3.28
Deze paragraaf is van toepassing op
inrichtingen waarbij sprake is van het opslaan van propaan als bedoeld
in artikel 3.27 van het besluit.
Artikel 3.29
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan is een opslagtank met propaan die op een
bouwplaats is opgesteld en in gebruik is ten behoeve van
bouwactiviteiten, voorzover van toepassing, in overstemming met het
Warenwetbesluit drukapparatuur en voldoet de opslagtank met propaan
voorts aan hoofdstuk 7 van PGS 19.
2. Een opslagtank met propaan die
anders dan op een bouwplaats is opgesteld of anders dan ten behoeve
van bouwactiviteiten in gebruik is, is, voorzover van toepassing, in
overeenstemming met het Warenwetbesluit drukapparatuur en voldoet
voorts aan hoofdstuk 2 en de hoofdstukken 4 tot en met 6 van PGS 19.
Artikel 3.30
Een opslagtank met propaan met
toebehoren, leidingen en andere installatieonderdelen als bedoeld in
artikel 3.29, wordt gekeurd , herkeurd en onderhouden overeenkomstig
NEN-EN 12817 en NPR 2578.
Artikel 3.31
Van de bevindingen van de keuringen en
herkeuringen als bedoeld in artikel 3.30 zijn binnen de inrichting
gedagtekende verklaringen aanwezig of op een door het bevoegd gezag te
stellen termijn beschikbaar gesteld, die zijn afgegeven door of namens
degene die de keuringen of herkeuringen heeft uitgevoerd. Deze
verklaringen zijn, evenals alle relevante informatie voor een juist
gebruik van de installatie en rapportages van uitgevoerd onderhoud en
werkzaamheden, opgenomen of samengevat in een installatieboek.
§ 3.3.4. Opslaan van vloeibare brandstof
en afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks
Artikel 3.32
Deze paragraaf is van toepassing op
inrichtingen waarbij sprake is van het opslaan van vloeibare brandstof
en afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks als bedoeld in artikel
3.29 van het besluit.
Artikel 3.33
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico wordt bij het opslaan in, het vullen van en
het betrekken uit ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstof of
afgewerkte olie, alsmede alle handelingen die met dat opslaan, vullen of
betrekken in onmiddellijk verband staan, met dien verstande dat
daaronder niet wordt begrepen de aflevering van vloeibare brandstoffen,
mengsmering en aardgas voldaan aan artikel 3.34 tot en met 3.37.
Artikel 3.34
1. Een ondergrondse opslagtank met de
daarbij behorende leidingen en appendages is uitgevoerd en
geïnstalleerd en wordt gerepareerd overeenkomstig het daartoe
krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een
bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat
besluit.
2. Indien de ondergrondse opslagtank of
de daarbij behorende leidingen of appendages van staal zijn, is een
bodemweerstandsmeting uitgevoerd overeenkomstig het daartoe krachtens
het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een bedrijf,
dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.
Indien uit een bodemweerstandsmeting blijkt dat de specifieke
elektrische weerstand van de bodem minder is dan 100 ohmmeter worden
de opslagtank en de leidingen tegen corrosie beschermd door middel van
een kathodische bescherming, aangebracht overeenkomstig het daartoe
krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een
bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat
besluit.
3. De vulpunten en aftappunten van een
ondergrondse opslagtank zijn geplaatst boven of in een lekbak of boven
een vloeistofdichte vloer of verharding.
4. Een ondergrondse opslagtank met een
lengte van meer dan 10 meter en een ondergrondse opslagtank die is
gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied zijn voorzien van twee
peilopeningen.
Artikel 3.35
1. Een ondergrondse opslagtank van
staal met de daarbij behorende leidingen en appendages waarin
vloeibare brandstof is opgeslagen wordt ten minste eens in de 15 jaar
overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit
aangewezen normdocument beoordeeld en goedgekeurd door een instelling,
die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit. Deze
termijn is 20 jaar indien de opslagtank aantoonbaar is voorzien van
een inwendige coating overeenkomstig BRL K779 en aangebracht
overeenkomstig BRL K790 dan wel dubbelwandig is uitgevoerd met een
systeem voor lekdetectie in de wand, dat voldoet aan BRL K910 en ten
minste eens per jaar wordt beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig
BRL K903. In afwijking van de eerste twee volzinnen bedraagt de
termijn 10 jaar indien de ondergrondse opslagtank is gelegen in een
grondwaterbeschermingsgebied.
2. In afwijking van het eerste lid
vindt de beoordeling en goedkeuring ten minste eens in de 10 jaar
plaats indien de ondergrondse opslagtank van kunststof is vervaardigd.
Deze termijn is 15 jaar indien de opslagtank aantoonbaar is voorzien
van een inwendige coating overeenkomstig BRL K548 dan wel dubbelwandig
is uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de wand, dat voldoet
aan BRL K910 en ten minste eens per jaar wordt beoordeeld en
goedgekeurd overeenkomstig BRL K903. In afwijking van de eerste twee
volzinnen bedraagt de termijn 10 jaar indien de ondergrondse
opslagtank is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.
3. Een ondergrondse opslagtank waarin
afgewerkte olie is opgeslagen wordt ten minste eens in de vijf jaar
overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit
aangewezen normdocument beoordeeld en goedgekeurd door een instelling,
die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.
4. Een ondergrondse opslagtank als
bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste eens per jaar
gecontroleerd op de aanwezigheid van water en bezinksel overeenkomstig
het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen
normdocument door een instelling, die daartoe beschikt over een
erkenning op grond van dat besluit.
5. Indien tijdens de controle als
bedoeld in het vierde lid, water of bezinksel is aangetroffen wordt
dit onmiddellijk verwijderd. Van het verwijderde water worden de
elektrische geleidbaarheid en de zuurgraad beoordeeld overeenkomstig
het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen
normdocument door een instelling, die daartoe beschikt over een
erkenning op grond van dat besluit. Indien op grond van de beoordeling
overeenkomstig dit normdocument een inwendige beoordeling van de
opslagtank noodzakelijk is, wordt dit terstond gemeld aan het bevoegd
gezag en wordt een inwendige beoordeling uitgevoerd overeenkomstig het
daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument
door een instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond
van dat besluit.
6. Een ondergrondse opslagtank waarvan
het vermoeden bestaat dat deze lek is of in een slechte toestand
verkeert, wordt terstond op dichtheid gecontroleerd overeenkomstig het
daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument
door een instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond
van dat besluit.
7. Een ondergrondse opslagtank waarin
afgewerkte olie wordt opgeslagen wordt ten minste eens per jaar
geleegd.
8. Indien een beoordeling of controle
als bedoeld in het eerste, tweede, derde, vijfde of zesde lid, leidt
tot afkeuring van de ondergrondse opslagtank, wordt dit terstond
gemeld aan het bevoegd gezag.
9. Na de afkeuring als bedoeld in het
achtste lid, wordt binnen acht weken het opslaan van vloeistoffen in
de ondergrondse opslagtank beëindigd en de vloeistof die zich in de
opslagtank bevindt, verwijderd.
10. In afwijking van het eerste, tweede
en vijfde lid, is een inwendige beoordeling bij de keuring van een
ondergrondse opslagtank niet noodzakelijk indien deze opslagtank
dubbelwandig is uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie in de
wand. Het systeem voor lekdetectie voldoet aan BRL K910 en wordt ten
minste eens per jaar beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig BRL
K903.
Artikel 3.36
1. Een kathodische bescherming wordt
ten minste eens per jaar op zijn goede werking gecontroleerd
overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit
aangewezen normdocument door een instelling, die daartoe beschikt over
een erkenning op grond van dat besluit.
2. Indien uit de controle, bedoeld in
het eerste lid, blijkt dat de kathodische bescherming niet goed
functioneert, wordt deze direct hersteld overeenkomstig het daartoe
krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een
bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat
besluit.
3. Indien een ondergrondse opslagtank
niet behoeft te zijn voorzien van een kathodische bescherming, wordt
ten minste eens per 15 jaar een bodemweerstandsmeting uitgevoerd
overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit
aangewezen normdocument door een instelling, die daartoe beschikt over
een erkenning op grond van dat besluit.
4. Indien een ondergrondse opslagtank
niet is voorzien van een kathodische bescherming, wordt ten minste
eens per jaar een stroomopdrukproef uitgevoerd overeenkomstig het
daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument
door een instelling, die voor deze werkzaamheid beschikt over een
erkenning op grond van dat besluit, tenzij de specifieke elektrische
weerstand van de bodem meer bedraagt dan 100 ohmmeter en beschadiging
van de tankinstallatie door zwerfstromen niet te verwachten is.
Artikel 3.37
1. Een ondergrondse opslagtank met de
daarbij behorende leidingen en appendages wordt binnen de in artikel
3.35, eerste, tweede en derde lid, genoemde termijnen verwijderd.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien de opslagtank met de daarbij behorende leidingen en
appendages binnen de in het eerste lid bedoelde termijnen is
goedgekeurd overeenkomstig artikel 3.35, eerste, tweede of derde lid.
3. Degene die het opslaan van vloeistof
heeft beëindigd, verwijdert de ondergrondse opslagtank met de daarbij
behorende leidingen en appendages binnen acht weken na de
beëindiging. Indien verwijdering als gevolg van de ligging
redelijkerwijs niet kan worden gevergd wordt de ondergrondse
opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages binnen
acht weken na de beëindiging onklaar gemaakt.
4. Het verwijderen of het onklaar maken
van een ondergrondse opslagtank met de daarbij behorende leidingen en
appendages geschiedt overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit
bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een bedrijf, dat daartoe
beschikt over een erkenning op grond van dat besluit en wordt ten
minste tien dagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk
gemeld aan het bevoegd gezag.
5. Na het verwijderen of het onklaar
maken van de ondergrondse opslagtank met de daarbij behorende
leidingen en appendages wordt een door een bedrijf als bedoeld in het
vierde lid, opgestelde schriftelijke rapportage van het verwijderen of
het onklaar maken binnen drie maanden na afronding van de
werkzaamheden aan het bevoegd gezag overgelegd. In deze rapportage
worden ten minste vermeld:
a. het adres waar de opslagtank is
gelegen met een nadere aanduiding van de situering;
b. de vloeistoffen die in de
opslagtank opgeslagen zijn geweest, en
c. indien de opslagtank onklaar
gemaakt is, de wijze van het onklaar maken en de toegepaste
vulmassa.
6. Voordat een ondergrondse opslagtank
onklaar wordt gemaakt wordt deze inwendig gereinigd overeenkomstig het
daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument
door een bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van
dat besluit.
7. Na het inwendig reinigen van de
ondergrondse opslagtank wordt de opslagtank gevuld met een inerte
vulmassa overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit
bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een bedrijf, dat daartoe
beschikt over een erkenning op grond van dat besluit en wordt het
vulpunt verwijderd, dan wel worden andere maatregelen getroffen, die
verder gebruik voorkomen.
Artikel 3.38
1. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico, het voorkomen van risico’s voor de
omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk
is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en
de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan
wordt bij het opslaan van vloeibare brandstof of afgewerkte olie in
ondergrondse opslagtanks alsmede het vullen en legen van deze
opslagtanks voldaan aan de onderdelen 5.5.1, 6.1.2, 6.1.3, 6.2, 6.4,
7.4.4, 7.4.5, 7.5, 9.1, 9.2, 9.5 en 9.7 van PGS 28.
2. Indien een ondergrondse opslagtank
die gebruikt is voor opslag van afgewerkte olie gebruikt gaat worden
voor het opslaan van een andere vloeistof dan afgewerkte olie vindt
voor de wisseling van de opgeslagen vloeistof een beoordeling en
goedkeuring van de opslagtank plaats overeenkomstig artikel 3.35,
derde lid.
§ 3.3.5. Opslaan en overslaan van
goederen
Artikel 3.39
Voor de toepassing van artikel 3.31,
vierde lid, van het besluit worden onder inerte goederen, in ieder geval
de volgende goederen verstaan, voor zover deze niet verontreinigd zijn
met bodembedreigende stoffen:
a. bouwstoffen als bedoeld in artikel
1 van het Besluit bodemkwaliteit die binnen dat besluit toepasbaar
zijn, uitgezonderd IBC-bouwstoffen als bedoeld in dat artikel;
b. grond en baggerspecie als bedoeld
in artikel 39 van het Besluit bodemkwaliteit;
c. A-hout en ongeshredderd B-hout;
d. snoeihout;
e. banden van voertuigen;
f. autowrakken waaruit alle
vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf;
g. straatmeubilair;
h. tuinmeubilair;
i. aluminium, ijzer, roestvrij staal;
j. kunststof anders dan lege,
ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak
of drukinkt, bestrijdingsmiddelen of gevaarlijke stoffen;
k. kunststofgeïsoleerde kabels
anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en
papiergeïsoleerde grondkabels;
l. papier en karton;
m. textiel en tapijt;
n. vlakglas.
Artikel 3.40
1. Aan artikel 3.32, aanhef en onder c,
van het besluit wordt bij buitenopslag van goederen in ieder geval
voldaan indien:
a. op de laad- en loskade tot 2
meter uit de kaderand of oever geen opslag van goederen
plaatsvindt, of
b. er een deugdelijke keerwand
aanwezig is en er geen product tussen de keerwand en de kade of
oever ligt.
2. Om te voldoen aan artikel 3.32,
aanhef en onder c, van het besluit wordt bij het laden en lossen van
schepen het schoonmaken van grijpers zo uitgevoerd dat overslagresten
of spoelwater niet in het oppervlaktewater geraken.
Artikel 3.41
1. Aan artikel 3.32, aanhef en onder c,
van het besluit wordt bij het laden en lossen van schepen met inerte
goederen voldaan indien:
a. bij het laden en lossen van
inerte goederen de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk
is, en in ieder geval niet groter is dan 5 meter, of
b. het schip, waarin of waaruit
wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of
een morsklep.
2. Aan artikel 3.32, aanhef en onder c,
van het besluit wordt bij het laden en lossen van schepen met andere
goederen dan inerte goederen voldaan indien:
a. bij het laden en lossen van
gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen en goederen waaruit vloeibare
bodembedreigende stoffen kunnen lekken de afstand tussen wal en
schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 1
meter,
b. bij het laden en lossen van
andere goederen dan inerte goederen, en dan de goederen, bedoeld
onder a, de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en
in ieder geval niet groter is dan 2 meter, of
c. het schip, waar in of uit wordt
overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een
morsklep.
Artikel 3.42
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het
oppervlaktewater worden goederen die boven een oppervlaktewaterlichaam
worden opgeslagen en waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen
lekken, opgeslagen boven een voorziening die zich rondom of onder de
opgeslagen stoffen bevindt en de bij normale bedrijfsvoering gemorste
of wegspattende vloeistoffen kan opvangen.
2. Op de voorziening, bedoeld in het
eerste lid, isartikel 2.4 van overeenkomstige toepassing.
3. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het
oppervlaktewater staan goederen waaruit vloeibare bodembedreigende
stoffen kunnen lekken en die boven het oppervlaktewater bovendeks
aanwezig zijn, opgesteld:
a. boven een voorziening die zich
rondom of onder de opgeslagen goederen bevindt en in staat is en
de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende
vloeistoffen op te vangen en zodanig is uitgevoerd dat er geen
hemelwater op of in terecht kan komen, of
b. boven een doelmatige fysieke
voorziening die vrijgekomen stoffen keert zolang als nodig is om
met daarop afgestemde maatregelen te voorkomen dat deze stoffen in
een oppervlaktewaterlichaam kunnen geraken. Artikel 2.3, tweede
tot en met achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat voor ‘bodem’ wordt gelezen‘oppervlaktewaterlichaam’.
Artikel 3.43
1. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico vindt het opslaan van goederen waaruit
vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, plaats boven een
vloeistofdichte vloer of verharding of in gesloten verpakking, die
voldoet aan de ADR-eisen voor vergelijkbare stoffen of anderszins
deugdelijk is, boven een vloeistofkerende vloer of verharding of in
een lekbak.
2. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico worden goederen, waaruit in een
significante hoeveelheid bodembedreigende stoffen kunnen uitlogen, en
die niet vallen onder het eerste lid, en restafval dat dergelijke
stoffen kan bevatten, opgeslagen boven een vloeistofdichte vloer of
verharding.
3. In afwijking van het tweede lid
vindt de opslag plaats boven een vloeistofkerende voorziening indien
deze zodanig tegen inregenen is beschermd dat uitlogen wordt
voorkomen.
4. In afwijking van het tweede lid
vindt de opslag van zink plaats boven een bodembeschermende
voorziening, indien opslag overeenkomstig het derde lid redelijkerwijs
niet mogelijk is.
5. Het bevoegd gezag kan bij
maatwerkvoorschrift bepalen dat voor de opslag van andere metalen dan
zink het tweede lid niet van toepassing is, indien opslag conform het
derde lid redelijkerwijs niet mogelijk is, de opslag plaatsvindt boven
ten minste een vloeistofkerende voorziening, en het belang van de
bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
6. C-hout met KOMO-certificaat, grond
en niet verpompbare baggerspecie, bedoeld en geschikt voor toepassing
overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit, die ter plaatse van de
opslag niet voldoen aan de artikelen 52, 59 of 60 van dat besluit,
worden opgeslagen boven een bodembeschermende voorziening.
7. Verpompbare baggerspecie, bedoeld en
geschikt voor toepassing overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit,
die ter plaatse van de opslag niet voldoet aan de artikelen 52, 59 of
60 van het Besluit bodemkwaliteit wordt opgeslagen in een foliebassin
dat is uitgevoerd overeenkomstig de Richtlijnen mestbassins 1992.
8. Op de opslag, bedoeld in het vijfde
lid, is voorschrift 2.1 van Bijlage II bij het Besluit mestbassins
milieubeheer van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.44
1. Voor de toepassing van paragraaf
3.3.6 van het besluit en deartikelen 3.42 en 3.43 worden als goederen
waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, in ieder
geval aangemerkt:
a. nat afval van het vegen van
openbare straten en terreinen, markten en evenementen;
b. nat afval van het legen van
openbare afvalbakken en het opruimen van stranden;
c. afval van het reinigen van
havens, kanalen, sloten, grachten en vijvers;
d. afval van het reinigen van
riolen, kolken en gemalen;
e. autowrakken die vloeistoffen
bevatten;
f. onderdelen van autowrakken die
vloeistoffen bevatten;
g. van buiten de inrichting
afkomstige grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit niet is
vastgesteld op grond van artikel 38 van het Besluit
bodemkwaliteit;
h. van buiten de inrichting
afkomstige grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit de waarden,
bedoeld in de artikelen 59 en 60, van het Besluit bodemkwaliteit
overschrijdt, tenzij die ter plaatse van de opslag voldoet aan
artikel 52 van dat besluit;
i. afgedankte elektrische en
elektronische apparatuur, waaruit vloeibare bodembedreigende
stoffen kunnen lekken, uitgezonderd de apparatuur van particuliere
huishoudens, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de
Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur die
overeenkomstig artikel 4 van die regeling is ingenomen;
j. metalen met aanhangende olie of
emulsie voorafgaand aan en tijdens scheiding;
k. gebruikte oliefilters,
oliehoudende poetsdoeken en gebruikt absorptiemateriaal;
l. gebruikte oliedrukkabels;
m. beschadigde transformatoren en
uitgelekte transformatoren;
n. beschadigde oliehoudende
apparaten.
2. Voor de toepassing van artikel 3.43
worden onder goederen waaruit een significante hoeveelheid
bodembedreigende stoffen kunnen uitlogen, in ieder geval verstaan:
a. IBC-bouwstoffen als bedoeld in
artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;
b. metalen met aanhangende olie of
emulsie resterende na afscheiden van de olie of emulsie door
centrifugeren of 48 uur uitlekken;
c. andere metalen dan aluminium,
ijzer en roestvrij staal;
d. teerhoudend of bitumineus
dakafval;
e. composieten van teerhoudend of
bitumineus dakafval;
f. dakgrind verkleefd met teer of
bitumen;
g. strooizout;
h. teerhoudend asfalt;
i. straalgrit;
j. geshredderd B- en C-hout;
k. C-hout zonder KOMO-certificaat;
l. gebruikte gepantserde
papier-loodkabels;
m. gebruikte papiergeïsoleerde
grondkabels;
n. droog afval van het vegen van
openbare straten en terreinen, markten en evenementen;
o. droog afval van het legen van
openbare afvalbakken en het opruimen van stranden;
p. restafval waarin vaste
bodembedreigende stoffen die in een significante hoeveelheid
kunnen uitlogen, kan voorkomen, tenzij toepassing is gegeven aan
artikel 2.14b van het besluit of anderszins is geborgd dat dit
deze stoffen niet bevat.
Artikel 3.45
1. Artikel 2.11 van het besluit is niet
van toepassing op het opslaan van grond en baggerspecie als bedoeld in
artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit, voor zover het opslaan van
grond en baggerspecie binnen de inrichting eenmalig plaatsvindt.
2. Het eerste lid van artikel 2.11 van
het besluit is niet van toepassing op het opslaan van grond en
baggerspecie als bedoeld in artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit,
voor zover het opslaan van grond en baggerspecie binnen de inrichting
vaker dan eenmalig plaatsvindt.
Artikel 3.46
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel beperken van geurhinder worden opgeslagen bederfelijke
afvalstoffen voor zover het niet-houtachtige plantenresten betreft
binnen 14 dagen na de aanvoer uit de inrichting afgevoerd, of verwerkt
in een composteringsplaats.
2. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt
dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overstijgt vanwege de op- en
overslag van niet-houtachtige plantenresten, maatwerkvoorschriften
stellen aan de locatie van de opslag en de afvoerfrequentie van de
plantenresten.
Artikel 3.47
1. Aan artikel 3.32, aanhef en onder a
en b, van het besluit wordt bij de buitenopslag van goederen behorend
tot de stuifklasse S2 van bijlage 4.6 van de NeR in ieder geval
voldaan indien de stoffen door besproeiing vochtig worden gehouden.
2. Aan artikel 3.38, tweede lid, van
het besluit wordt bij opslag van goederen behorend tot de stuifklasse
S1 en S2 van bijlage 4.6 van de NeR in ieder geval voldaan indien
afgezogen lucht door een filtrerende afscheider wordt gevoerd die in
goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en
zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en
vervangen.
Artikel 3.48
1. Aan artikel 3.38, tweede lid, van
het besluit wordt bij het mengen van goederen behorend tot de
stuifklassen S1, S2, S3 of S4 van bijlage 4.6 van de NeR in een
gesloten ruimte in ieder geval voldaan indien de ruimte op onderdruk
wordt gehouden en de afgezogen lucht door een filtrerende afscheider
wordt gevoerd die in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek
gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is,
wordt schoongemaakt en vervangen.
2. Aan artikel 3.32, aanhef en onder a
en b, van het besluit wordt bij het mengen van goederen behorend tot
de stuifklasse S2 en S4 van bijlage 4.6 van de NeR in de buitenlucht
in ieder geval voldaan indien bij het opbouwen en afgraven van een
menghoop deze goederen worden bevochtigd.
Artikel 3.49
1. Aan artikel 3.32, aanhef en onder a
en b, van het besluit wordt bij overslag van stuifgevoelige goederen
in ieder geval voldaan indien:
a. bij het laden en lossen in de
open lucht de storthoogte wordt beperkt tot minder dan één
meter,
b. goederen uit de stuifklasse S2
en S4 van bijlage 4.6 van de NeR afdoende worden bevochtigd, zo
mogelijk vooraf, of
c. de stofemissie van goederen uit
de stuifklasse S2 en S4 van bijlage 4.6 van de NeR tijdens het
laden en lossen met een nevelgordijn wordt tegengegaan.
2. Aan artikel 3.38 van het besluit
wordt bij het vullen van een gesloten opslagruimte met goederen
behorend tot de stuifklasse S1 en S2 van bijlage 4.6 van de NeR in
ieder geval voldaan indien het overstortpunt en daarmee de ruimte
worden afgezogen, en de afgezogen luchtstroom wordt gevoerd door een
filtrerende afscheider die in goede staat van onderhoud verkeert,
periodiek wordt gecontroleerd en zo vaak als voor de goede werking
nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.
Artikel 3.50
1. Onverminderdartikel 3.49 wordt aan
de artikelen 3.38 en 3.32, aanhef en onder a en b, van het besluit bij
continu mechanisch transport van goederen behorend tot stofklasse S1
en S3 van bijlage 4.6 van de NeR in ieder geval voldaan indien deze in
een gesloten systeem worden getransporteerd, waarbij:
a. de inlaat- en afwerpzijde van de
transporteur zijn omkast, deze omkasting continu wordt afgezogen
en het afgezogen stof zoveel mogelijk wordt teruggevoerd in de
productstroom, of
b. de inlaat- en afwerpzijde van de
transporteur zijn voorzien van een afscherming in de vorm van
windreductieschermen of sproeiers.
2. Onverminderdartikel 3.49 wordt aan
de artikelen 3.38, tweede lid, van het besluit en 3.32, aanhef en
onder a en b, van het besluit bij continu mechanisch transport van
goederen behorend tot stuifklasse S2 en S4 van bijlage 4.6 van de NeR
in ieder geval voldaan indien:
a. goederen die in een open systeem
worden getransporteerd zodanig worden bevochtigd, dat verstuiving
wordt voorkomen, of
b. open transportsystemen in de
buitenlucht worden afgeschermd tegen windinvloeden door middel van
langsschermen, dwarsschermen of halfronde overkappingen.
3. Onverminderdartikel 3.49 wordt aan
de artikelen 3.38 en 3.32, aanhef en onder a en b, van het besluit bij
continu mechanisch transport van goederen behorend tot stuifklasse S3
van bijlage 4.6 van de NeR in ieder geval voldaan indien goederen in
open transportsystemen in de buitenlucht worden afgeschermd tegen
windinvloeden door middel van langsschermen, dwarsschermen of
halfronde overkappingen.
Artikel 3.51
Onverminderdartikel 3.49 wordt aan de
artikelen 3.38 en 3.32, aanhef en onder a en b, van het besluit bij het
overslaan van goederen behorend tot:
a. stuifklasse S1 van bijlage 4.6 van
de NeR door middel van storttrechters in ieder geval voldaan indien
de trechters zijn voorzien van een afzuiginrichting;
b. stuifklasse S2 van bijlage 4.6 van
de NeR door middel van storttrechters in ieder geval voldaan indien
de trechters zijn voorzien van een afzuiginrichting, of indien de
goederen worden bevochtigd met behulp van een doelmatig werkende
watersproei-installatie;
c. stuifklasse S3 van bijlage 4.6 van
de NeR door middel van storttrechters in ieder geval voldaan indien
de trechters zijn voorzien van doelmatige windreductieschermen;
d. stuifklasse S4 van bijlage 4.6 van
de NeR door middel van storttrechters in ieder geval voldaan indien
de goederen worden bevochtigd met behulp van een doelmatig werkende
watersproei-installatie of indien de trechters zijn voorzien van
doelmatige windreductieschermen.
Artikel 3.52
Onverminderdartikel 3.49 wordt aan de
artikelen 3.38 en 3.32, aanhef en onder a en b, van het besluit bij het
laden en lossen van goederen behorend tot stuifklasse S1, S2 en S3 van
bijlage 4.6 van de NeR met behulp van grijpers in ieder geval voldaan
indien het laden en lossen plaatsvindt met deugdelijke en van de
bovenkant afgesloten grijpers.
Artikel 3.53
Onverminderdartikel 3.49 wordt aan de
artikelen 3.38 en 3.32, aanhef en onder a en b, van het besluit bij het
beladen en lossen van lichters met goederen behorend tot de stuifklasse
S1, S2, S3 en S4 van bijlage 4.6 van de NeR in ieder geval voldaan
indien de lichterbelader is uitgerust met een stortkoker die nagenoeg
tot op de bodem van het ruim of tot op het reeds gestorte materiaal
reikt.
Artikel 3.54
Onverminderdartikel 3.49 wordt aan de
artikelen 3.38 en 3.32, aanhef en onder a en b, van het besluit bij het
laden en lossen van stuifgevoelige goederen met behulp van pneumatische
elevatoren in ieder geval voldaan indien stofverspreiding wordt
tegengegaan door:
a. de weegbunkers en overstortpunten
gesloten uit te voeren,
b. het neergeslagen stof in de
overstortpunten regelmatig te verwijderen, of
c. de stortschoen af te zuigen.
Artikel 3.55
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel beperken van diffuse emissie en het bevorderen van de doelmatige
verspreiding van emissies naar de buitenlucht worden ten minste bij
het inpandig opslaan en overslaan van stuifgevoelige goederen de
emissies, bedoeld in artikel 3.38 van het besluit, die naar de
buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd,
indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw is
gelegen, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd
industrieterrein dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één
gevoelig gebouw per hectare.
2. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit en met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de ligging en
uitvoering van het afvoerpunt van de emissies naar de lucht, bedoeld
in artikel 3.38 van het besluit.
§ 3.3.6. Het demonteren van autowrakken
Artikel 3.56
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vindt het aftappen van vloeistoffen en het
demonteren van vloeistof bevattende onderdelen bij een inrichting waar
autowrakken worden gedemonteerd plaats boven een vloeistofdichte vloer
of verharding.
Artikel 3.57
1. Ten behoeve van:
a. een doelmatig beheer van
afvalstoffen,
b. het voorkomen of beperken van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor
zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de
risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen
zich voordoen en de gevolgen hiervan, en
c. het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico, wordt bij het bewerken van
autowrakken bij een inrichting waar autowrakken worden
gedemonteerd, voldaan aan het tweede tot en met zesde lid.
2. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk
binnen tien werkdagen na ontvangst van het autowrak, worden de
volgende stoffen, preparaten of producten, indien aanwezig, afgetapt
of gedemonteerd en opgeslagen:
a. motorolie;
b. transmissieolie;
c. versnellingsbakolie;
d. olie uit het differentieel;
e. hydraulische olie;
f. remvloeistoffen;
g. koelvloeistoffen;
h. ruitensproeiervloeistoffen;
i. airconditioningsvloeistoffen;
j. benzine;
k. diesel;
l. LPG-tank, inclusief LPG;
m. accu, inclusief accuzuren;
n. oliefilter;
o. PCB/PCT-houdende condensatoren;
p. Batterijen;
q. ontplofbare onderdelen, zoals
airbags en gordelspanners, voor zover deze niet zijn
geneutraliseerd.
3. Restanten van vloeistoffen worden zo
goed mogelijk uit leidingen afgetapt. De aftappunten worden na het
aftappen afgesloten.
4. Indien dat noodzakelijk is voor de
recycling als product van gedemonteerde onderdelen kan in afwijking
van het tweede lid worden afgezien van het aftappen van de oliën uit
de in dat lid genoemde onderdelen en kan het oliefilter worden
teruggeplaatst.
5. Autowrakken worden binnen de
inrichting ontdaan van de volgende stoffen, preparaten of producten:
a. banden, glas en grote
kunststofonderdelen, zoals bumpers, instrumentenborden en
vloeistoftanks, indien deze materialen in een shredderinstallatie
niet zodanig gescheiden worden dat ze als materiaal kunnen worden
gerecycled;
b. metalen onderdelen die koper,
aluminium of magnesium bevatten indien deze metalen niet in de
shredderinstallatie worden gescheiden;
c. katalysatoren;
d. onderdelen die lood, kwik,
cadmium of zeswaardig chroom bevatten en als zodanig zijn voorzien
van een aanduiding.
6. Een autowrak wordt niet op een
zodanig wijze geplet, geknipt of anderszins mechanisch verkleind dat
de identiteit en de inhoud daarvan niet meer herkenbaar zijn.
Artikel 3.58
1. Ten behoeve van een doelmatig beheer
van afvalstoffen voldoet de opslag van afgetapte of gedemonteerde
stoffen, preparaten of andere producten bij een inrichting waar
autowrakken worden gedemonteerd, aan het tweede tot en met vijfde lid.
2. Afgetapte of gedemonteerde stoffen,
preparaten of andere producten als bedoeld inartikel 3.57, tweede lid,
worden voor zover dat nodig is voor recycling als materiaal of product
of nuttige toepassing afzonderlijk bewaard.
3. Afgetapte of gedemonteerde stoffen,
preparaten of producten als bedoeld inartikel 3.57, vijfde lid, worden
op een zodanige wijze opgeslagen dat de mogelijkheden voor recycling
als materiaal of product en nuttige toepassing niet worden geschaad.
4. Niet voor recycling als product
geschikte stoffen, preparaten of producten, waarvoor wel een
mogelijkheid van recycling als materiaal of nuttige toepassing
bestaat, worden gescheiden gehouden en gescheiden afgevoerd naar een
inrichting met een milieuhygiënisch verantwoorde en doelmatige
verwerkingsmogelijkheid.
5. Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de wijze van opslag van
afgetapte of gedemonteerde stoffen, preparaten of producten als
bedoeld in het tweede tot en met vierde lid.
Artikel 3.59
1. Ten behoeve van een doelmatig beheer
van afvalstoffen voldoet de opslag van autowrakken bij een inrichting
waar autowrakken worden gedemonteerd, aan het tweede tot en met
zevende lid.
2. Autowrakken die nog niet zijn
ontdaan van de stoffen, preparaten of producten, bedoeld in artikel
3.57, tweede lid, worden direct bij binnenkomst in de inrichting en in
afwachting van verdere bewerking op een specifiek daarvoor aangewezen
gedeelte van de inrichting opgeslagen en worden niet gestapeld.
3. Autowrakken die nog niet zijn
ontdaan van alle stoffen, preparaten of producten, als bedoeld in
artikel 3.57, vijfde lid, worden maximaal twee hoog, met een maximale
hoogte van 4,5 meter, gestapeld op een daartoe aangewezen gedeelte van
de inrichting, dan wel worden op een zodanige wijze in stellingen
gestapeld dat deze gemakkelijk kunnen worden geïnspecteerd en
gedemonteerd.
4. Autowrakken waarvan de stoffen,
preparaten of producten, bedoeld inartikel 3.57, tweede en vijfde lid,
zijn afgetapt of gedemonteerd, worden uitsluitend rechtstreeks uit de
inrichting afgevoerd naar een inrichting waarin zich een
shredderinstallatie bevindt waarin autowrakken worden gescheiden in
direct als materiaal te recyclen metaalschroot en
shredderafvalstoffen.
5. In afwijking van het vierde lid is
het toegestaan autowrakken die zijn ontdaan van de stoffen, preparaten
en producten, bedoeld inartikel 3.57, tweede lid, voordat ze
overeenkomstig het vierde lid worden afgevoerd, ter beschikking te
stellen aan een instelling voor oefen- en opleidingsdoeleinden.
6. Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de stapelhoogte voor
autowrakken als bedoeld in het derde lid.
7. Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van het ter beschikking
stellen van autowrakken aan een instelling voor oefen- en
opleidingsdoeleinden als bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 3.60
1. Ten behoeve van een doelmatig beheer
van afvalstoffen wordt bij de ontvangst van een autowrak bij een
inrichting waar autowrakken worden gedemonteerd, voldaan aan het
tweede tot en met vierde lid.
2. Bij de ontvangst van een autowrak
met een kenteken dat verstrekt is door een in een andere lidstaat van
de Europese Unie daartoe aangewezen instantie, wordt desgevraagd aan
degene die zich van dat autowrak ontdoet een certificaat van
vernietiging als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de
autowrakkenrichtlijn afgegeven, waarin in ieder geval de volgende
gegevens zijn opgenomen:
a. de naam, het adres en de
handtekening van degene die het certificaat van vernietiging
afgeeft;
b. de datum van afgifte van het
certificaat van vernietiging;
c. het kenteken van het autowrak,
inclusief de kenletters van het land daarop;
d. de categorie van voertuigen
waartoe het autowrak behoort alsmede het merk en het model van het
autowrak;
e. het chassisnummer van het
autowrak;
f. de naam, het adres, de
nationaliteit en de handtekening van de eigenaar of houder van het
afgegeven autowrak.
3. Bij het certificaat van vernietiging
wordt het bij het autowrak behorende kentekenbewijs gevoegd.
4. Indien het bij het autowrak
behorende kentekenbewijs niet aanwezig is, wordt dat op het
certificaat van vernietiging aangegeven.
Artikel 3.61
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan wordt bij het demonteren van LPG-tanks en de
opslag van de gedemonteerde LPG-tanks ten minste voldaan aan het
tweede tot en met zesde lid.
2. Het aftappen van LPG uit een
LPG-tank bij een inrichting type B is niet toegestaan.
3. Het demonteren van een LPG-tank
geschiedt in de open lucht of in een goed geventileerde ruimte.
4. De gedemonteerde LPG-tanks waarvan
LPG nog niet is afgetapt, worden bij een inrichting type B ten minste
eenmaal per twee maanden uit de inrichting afgevoerd.
5. Bij een inrichting type B zijn
maximaal 24 gedemonteerde LPG-tanks aanwezig, waarvan LPG nog niet is
afgetapt.
6. Gedemonteerde LPG-tanks waarvan LPG
nog niet is afgetapt, worden als zodanig aangeduid en gescheiden
opgeslagen van de LPG-tanks waarvan LPG is afgetapt.
Artikel 3.62
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan wordt bij het neutraliseren van airbags en
gordelspanners uit autowrakken en de opslag van gedemonteerde airbags
en gordelspanners binnen de inrichting tot een maximale hoeveelheid
van 1000 gedemonteerde airbags en gordelspanners, voldaan aan het
tweede tot en met het twaalfde lid.
2. Het neutraliseren van airbags en
gordelspanners gebeurt overeenkomstig paragraaf 6 van NEN 7557.
3. Het ontsteken van mechanische
airbags wordt niet uitgevoerd bij een inrichting type A en type B.
4. Na demontage worden de gedemonteerde
airbags en gordelspanners, met uitzondering van de werkvoorraad,
opgeslagen in een daarvoor bestemde, voor transport van gedemonteerde
airbags en gordelspanners geschikte container of een voor opslag
bestemde ruimte, die zodanig is uitgevoerd dat voldoende
drukontlasting mogelijk is en waar de gedemonteerde airbags en
gordelspanners gescheiden worden van de overige stoffen en materialen
door middel van een afscheiding van gaas van voldoende sterkte
bestaande uit staaldraad met een vrije opening van maximaal vijf
centimeter dan wel door opslag in een separaat brandcompartiment.
5. Gedemonteerde mechanische airbags en
gordelspanners worden zodanig gescheiden van elkaar opgeslagen in een
voorziening als bedoeld in het vierde lid dat de kans op onbedoeld
activeren van deze airbags en gordelspanners zoveel mogelijk wordt
beperkt.
6. De ruimte, bedoeld in het vierde
lid, bevindt zich op één centrale locatie binnen de inrichting,
buiten bereik van onbevoegden.
7. In en rondom de ruimte, bedoeld in
het vierde lid, wordt geen open vuur gemaakt en wordt niet gerookt.
8. Bij de entree van de ruimte, bedoeld
in het vierde lid, is een markering aangebracht waarmee wordt
aangegeven dat hier gedemonteerde airbags en gordelspanners zijn
opgeslagen.
9. De airbags worden met de afdekkap
naar boven geplaatst.
10. Elektrische airbags en
gordelspanners worden niet aan statische lading blootgesteld indiende
bekabeling, die direct gemonteerd is aan een airbag of gordelspanner,
beschadigd is.
11. Bij een inrichting type A of type B
worden geen elektrische airbags en gordelspanners die zodanig
beschadigd zijn dat de airbags en gordelspanners niet op een veilige
wijze in het autowrak kunnen worden geneutraliseerd, ontstoken.
12. De airbags en gordelspanners,
bedoeld in het tiende lid, worden gedemonteerd en worden na demontage
afgevoerd naar een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid,
van de wet.
Artikel 3.63
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, worden stof en
gassen die vrijkomen bij het ontsteken van airbags en gordelspanners
voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron
afgezogen.
2. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden stof en gassen,
vanwege het ontsteken van airbags en gordelspanners, die naar de
buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd,
indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet
zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel
op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per
hectare, is gelegen.
3. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede
lid.
Artikel 3.64
Aan artikel 3.43 van het besluit wordt in
ieder geval voldaan indien:
a. op jaarbasis minder dan 5000
autowrakken worden gedemonteerd, of
b. de afgezogen emissies die
vrijkomen bij het ontsteken van airbags en gordelspanners worden
gevoerd door een filtrerende afscheider die in goede staat van
onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als
voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.
Hoofdstuk 4. Bepalingen met betrekking
tot overige activiteiten in inrichtingen; niet geldend voor inrichtingen
type C met uitzondering van de in artikel 1.4, derde lid, onderdeel b
tot en met e van het besluit genoemde activiteiten
Afdeling 4.1. Op- en overslaan van
gevaarlijke stoffen en andere stoffen en gassen en het vullen van
gasflessen
§ 4.1.1. Opslaan van gevaarlijke stoffen
en bodembedreigende stoffen in verpakking, niet zijnde vuurwerk, vaste
kunstmeststoffen, asbest, gedemonteerde airbags en gordelspanners en
andere ontplofbare stoffen
Artikel 4.1
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan wordt bij het opslaan van gevaarlijke stoffen in
verpakking en CMR-stoffen in verpakking niet zijnde vuurwerk, andere
ontplofbare stoffen en kunstmeststoffen ten minste voldaan aan de
artikelen 4.1 tot en met 4.9b en 4.10, vierde lid.
2. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico wordt bij het opslaan van gevaarlijke
stoffen in verpakking, vloeibare bodembedreigende stoffen in
verpakking, afvalstoffen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen
kunnen lekken en CMR-stoffen in verpakking niet zijnde vuurwerk,
andere ontplofbare stoffen en kunstmeststoffen voldaan aan de
artikelen 4.1, 4.9, 4.9a, 4.9b en 4.10.
4. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
verontreiniging van het oppervlaktewater wordt bij het boven
oppervlaktewater opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking,
vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking en CMR-stoffen in
verpakking, niet zijnde vuurwerk, vaste kunstmeststoffen, asbest,
gedemonteerde airbags en gordelspanners en andere ontplofbare stoffen
voldaan aan de artikelen 4.2 en4.10a.
4. Van een voldoende brandwerende
voorziening als bedoeld in artikel 4.1, derde en vijfde lid, van het
besluit, is in ieder geval sprake indien de wand een brandwerendheid
van ten minste 60 minuten heeft, een hoogte heeft van 2 m en aan
weerszijden van de opslagvoorziening een lengte heeft van ten minste 2
meter, horizontaal gemeten vanaf de opslagvoorziening.
Artikel 4.2
De verpakking van gevaarlijke stoffen,
gevaarlijke afvalstoffen, vloeibare bodembedreigende stoffen en
CMR-stoffen tegen normale behandeling bestand en is zodanig dat niets
van de inhoud uit de verpakking onvoorzien kan ontsnappen.
Artikel 4.3
1. Gevaarlijke stoffen en gevaarlijke
stoffen in verpakking en CMR stoffen in verpakking worden opgeslagen
in een opslagvoorziening die is uitgevoerd overeenkomstig de
voorschriften uit de paragrafen 3.1, 3.2 met uitzondering van
voorschrift 3.2.1.6 en uit de paragrafen 3.4, 3.8 tot en met 3.20,
voorschrift 3.21.1 en paragraaf 3.23 van PGS 15.
2. Onverminderd het eerste lid worden
stoffen van de klasse 5.2 van het ADR, voor zover het LQ tot 1.000 kg
betreft, opgeslagen in een opslagvoorziening die is uitgevoerd
overeenkomstig het eerste lid en de voorschriften van paragraaf 9.2
van PGS 15.
Artikel 4.4
1. In afwijking van artikel 4.3, eerste
lid, worden:
a. spuitbussen , gaspatronen of
aanstekers behorende tot de klasse 2 van het ADR opgeslagen in een
opslagvoorziening die is uitgevoerd overeenkomstig:
1°. de voorschriften van de
paragrafen 3.1, met uitzondering van de voorschriften 3.1.4 en
3.1.5;
2°. de voorschriften van
paragraaf 3.2, met uitzondering van voorschrift 3.2.1.6;
3°. de voorschriften van de
paragrafen 3.4, 3.7, 3.11 tot en met 3.13, 3.15 tot en met
3.20, voorschrift 3.21.1, 3.23 en de voorschriften van de
paragrafen 7.1, 7.3 tot en met 7.6 van PGS 15;
b. stoffen van de klasse 4 van het
ADR opgeslagen in een opslagvoorziening die is uitgevoerd
overeenkomstig de voorschriften van de paragrafen 8.5.1 en 8.5.2
van PGS 15, dan wel in een brandveiligheidsopslagkast die is
uitgevoerd overeenkomstig paragraaf 3.10 van PGS 15 en wordt
voldaan aan de voorschriften uit hoofdstuk 3 van PGS 15;
c. gasflessen behorende tot de
klasse 2 van het ADR opgeslagen in een opslagvoorziening die is
uitgevoerd overeenkomstig:
1°. de voorschriften van
paragraaf 3.1, met uitzondering van de voorschriften 3.1.4 en
3.1.5;
2°. de voorschriften van
paragraaf 3.2 met uitzondering van voorschrift 3.2.1.6;
3°. de voorschriften van de
paragrafen 3.4, 3.7, 3.11, 3.15 tot en met 3.20, voorschrift
3.21.1 en de voorschriften 3.23, 6.2.1 tot en met 6.2.16 van
PGS 15.
d. accu’s opgeslagen boven een
vloeistofdichte vloer of verharding of een lekbak.
2. Het eerste lid, onderdeel c is niet
van toepassing op de opslag van flessen met kooldioxide met een
doelmatige drukontlastvoorziening, noch op flessen met blusgas. Op de
opslag van deze flessen zijn de voorschriften 6.2.3, 6.2.9 en 6.2.13
van PGS 15 van toepassing. Een opslagplaats voor flessen met
kooldioxide of blusgas is vanaf de buitenzijde als zodanig herkenbaar,
op een duidelijke wijze gemarkeerd en niet voor onbevoegden
toegankelijk.
3. De vloeistofdichte vloer of
verharding en de lekbak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, is
voldoende sterk om weerstand te kunnen bieden aan de als gevolg van
een lekkage optredende vloeistofdruk. Het oppervlak van de
vloeistofdichte vloer of verharding of de lekbak is niet groter dan 20
vierkante meter en de opvangcapaciteit is ten minste gelijk aan de
totale inhoud van de opgeslagen accu’s.
4. Het eerste lid, onderdeel d, en
artikel 4.3, eerste lid, zijn niet van toepassing op nieuwe accu’s.
5. Een accu staat rechtop.
Artikel 4.5
Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het opslaan van
gevaarlijke stoffen als bedoeld in deze paragraaf, voorzover in deze
paragraaf wordt verwezen naar de voorschriften 3.1.1, 3.1.2, 3.1.3,
3.1.4, 3.1.6, 3.2.1.5a, 3.18 uit PGS 15, voorzover deze voorschriften
uit PGS 15 voorzien in de mogelijkheid tot afwijkende voorschriften.
Artikel 4.6
1. De artikelen 4.3 en 4.4 zijn niet
van toepassing op:
a. gevaarlijke stoffen en
CMR-stoffen in verpakking van de klasse 1, klasse 7 en de klasse 9
van het ADR met uitzondering van de stoffen met classificatiecode
M6 en M7 die het aquatisch milieu verontreinigen;
b. de volgende stoffen van klasse 3
van het ADR:
1°. alcoholhoudende dranken in
consumentenverpakking;
2°. dieselolie, gasolie of
lichte stookolie met een vlampunt tussen 61 graden celsius en
100 graden celsius;
3°. verwarmde brandbare
vloeistoffen met UN-nummer 3256;
4°. niet giftige en niet
bijtende viskeuze oplossingen en homogene mengsels met een
vlampunt van 23 graden celsius en hoger.
c. de werkvoorraad gevaarlijke
stoffen en CMR-stoffen in verpakking, de in een verkoopruimte
aanwezige gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking, de
gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking in
vervoerseenheden, tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen en
CMR-stoffen in verpakking, gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in
verpakking die via leidingen is aangesloten op een installatie en
op gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking in
hoeveelheden kleiner dan de in tabel 4.6 weergegeven ondergrenzen
berekend naar rato.
2. Onverminderd onderdeel c geldt een
aanvullende vrijstelling tot in totaal de dubbele hoeveelheid van de
in tabel 4.6 genoemde hoeveelheid voor verpakking die onder het regime
van gelimiteerde hoeveelheden valt. Deze aanvullende vrijstelling
geldt alleen indien de stoffen in een gesloten verpakking, die voldoet
aan de daartoe gestelde eisen van de ADR zijn opgeslagen.
Voor stoffen met een bijkomend gevaar
geldt dat de laagste ondergrens bepalend is.
Tabel 4.6. Gevaar overeenkomstig de
ADR-klasse
Zonder bijkomend
gevaar
|
Verpakkinggroep |
Ondergrens in
kilogram of liter |
|
Alle klassen en de CMR stoffen |
I |
1 |
|
2 |
n.v.t. |
50 |
|
(UN 1950 Spuitbussen & UN 2037
Houders, klein, gas) |
|
|
|
3 |
II |
25 |
|
3 |
III |
50 |
|
4.1, 4.2, 4.3 |
II en III |
50 |
|
5.1 |
II en III |
50 |
|
5.2 |
II en III |
– |
|
6.1 |
II en III |
50 |
|
6.2 categorie I3, I4 |
II en III |
50 |
|
Totaal voorgaande klassen |
– |
50 |
|
8 |
II en III |
250 |
|
9 |
II en III |
250 |
|
2 (Gasflessen) |
n.v.t |
125 liter waterinhoud |
|
Bestrijdingsmiddelen |
|
400 |
Artikel 4.6a
Gasflessen waarop de artikelen 4.3 en 4.4
niet van toepassing zijn, voldoen aan de voorschriften 6.2.3, 6.2.9 en
6.2.13 van PGS 15.
Artikel 4.7
1. De tijdelijke opslag van gevaarlijke
stoffen in verpakking en CMR-stoffen in verpakking voldoet aan de
volgende eisen:
a. er zijn één of meerdere laad-
en losgedeelten in de inrichting aanwezig waarin opslag van
gevaarlijke stoffen in verpakking en CMR-stoffen in verpakking
plaatsvindt die binnen 48 uur de inrichting verlaten en aan derden
zijn geadresseerd. Deze tijdelijke opslag voldoet aan voorschrift
3.1.6 van PGS 15. Op enig moment bedraagt in deze laad- en
losgedeelten, de gezamenlijke hoeveelheid gevaarlijke stoffen niet
meer dan 10.000 kilogram;
b. onverminderd onderdeel a en
voorschrift 3.1.6 van PGS 15 kunnen gevaarlijke stoffen in
verpakking en CMR-stoffen in verpakking aan derden geadresseerd,
die langer dan 48 uur binnen de inrichting verblijven, worden
opgeslagen in één of meerdere speciaal hiervoor bestemde
opslagvoorzieningen binnen de inrichting;
c. de constructie van de
opslagvoorziening als bedoeld in onderdeel b is zodanig dat ten
minste drie zijden van de opslagvoorziening worden omgeven door
zodanige wanden met een minimale hoogte van 3 meter en een WBDBO
van ten minste 60 minuten ten opzichte van een naastgelegen ruimte
wordt bereikt;
d. in de opslagvoorziening als
bedoeld in onderdeel b worden gevaarlijke stoffen in verpakking en
CMR-stoffen in verpakking:
1°. opgeslagen op ten minste
50 centimeter van de open zijde; en
2°. gestapeld tot een hoogte
van ten hoogste 50 centimeter onder de bovenrand van de
scheidingswand; en
3°. die heftig met elkaar
kunnen reageren gescheiden van elkaar opgeslagen.
De bovengenoemde afstanden worden
op een duidelijke wijze gemarkeerd op de wanden en de vloer. Nabij
de opslagvoorziening, bedoeld in onderdeel b, is voldoende
absorptiemiddel aanwezig.
e. op enig moment bedraagt in de
opslagvoorzieningen, bedoeld in onderdeel b, de gezamenlijke
hoeveelheid gevaarlijke stoffen in verpakking en CMR-stoffen in
verpakking niet meer dan 10.000 kilogram. Gevaarlijke stoffen van
verpakkingsgroep I en gevaarlijke stoffen van de klasse 1, 6.2
behoudens categorie I3 en I4, en 7 van het ADR, alsmede een
hoeveelheid van meer dan 2.000 kilogram brandbare vloeistoffen van
klasse 3 van het ADR zijn niet in een opslagvoorziening als
bedoeld in onderdeel b aanwezig.
2. De tijdelijke opslag van gevaarlijke
stoffen in verpakking en CMR-stoffen in verpakking, bedoeld in het
eerste lid, onderdelen a en b, voldoet aan voorschrift 3.18.1 van PGS
15.
Artikel 4.8
1. De opslag van gevaarlijke stoffen in
verpakking en CMR-stoffen in verpakking in een voor het publiek
toegankelijke verkoopruimte is brandveilig.
2. Aan het eerste lid wordt voldaan
indien:
a. gevaarlijke stoffen in
verpakking of CMR-stoffen in verpakking zijn opgeslagen in een
voorziening die voldoet aan PGS 15, dan wel aan de artikelen 4.3
tot en met 4.5 van deze regeling; of
b. gevaarlijke stoffen in
verpakking en CMR-stoffen in verpakking niet in grotere
hoeveelheden in een verkoopruimte zijn opgeslagen dan is
aangegeven in tabel 4.8, opgenomen aan het slot van dit artikel.
3. Dit artikel is niet van toepassing
op verpakkingen met producten bestemd voor de persoonlijke verzorging,
waaronder spuitbussen.
4. Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot een andere wijze van
opslag dan genoemd in het tweede lid op basis van een door de
inrichtinghouder ingediend Programma van Eisen met betrekking tot de
bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen,
waarin is aangetoond dat de opslag van gevaarlijke stoffen in
verpakking en CMR-stoffen in verpakking in een voor het publiek
toegankelijke verkoopruimte brandveilig is. Voordat de betreffende
verkoopruimte in gebruik wordt genomen, is door een
inspectie-instelling, die geaccrediteerd is door een
accreditatie-instelling volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020, door middel van
een goedkeurend inspectierapport aangetoond dat de met het oog op de
brandveiligheid getroffen voorzieningen en maatregelen zijn uitgevoerd
overeenkomstig het Programma van Eisen. Dit inspectierapport is binnen
de inrichting aanwezig.
5. Een lekbak als bedoeld in tabel 4.8
is onbrandbaar en productbestendig en kan ten minste 100% van de
daarboven opgeslagen vloeistoffen bevatten.
Tabel 4.8:
|
Maximale hoeveelheid gevaarlijke stoffen en
CMR-stoffen in verpakking in de verkoopruimte in liters
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Nr. |
Soort verpakte
gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen |
Woon-, bijeenkomst-,
onderwijs-, cel-, gezondheidszorg- en/of logiesfunctie(s) (van
derden) boven verkoopruimte |
|
|
|
Geen woon-,
bijeenkomst-, onderwijs-, cel-, gezondheidszorg- en/of
logiesfunctie(s) (van derden) boven verkoopruimte1 |
|
|
Opslag ADR klasse 3
zonder lekbak aanwezig |
|
Overige opslag
situaties, waaronder ADR klasse 3 in of boven lekbak |
|
Opslag ADR klasse 3
zonder lekbak aanwezig |
Overige opslag
situaties, waaronder ADR klasse 3 in of boven lekbak |
|
I |
Gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen
in verpakking, exclusief III, maar inclusief II |
500 |
|
750 |
|
1.000 |
1.500 |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
II |
ADR klasse 2 en 3 m.u.v.
gebruiksklare ruitensproeiervloeistof met vlampunt > 40ºC |
Verkoopruimte is brandcompartiment
met wbdbo2 tussen woon-, bijeenkomst-, onderwijs-, cel-,
gezondheidszorg- en/of logiesfunctie(s) (van derden) ≥ 60
minuten? |
|
|
|
300 |
800 |
|
Nee |
Ja |
Nee |
Ja |
|
753 |
150 |
1503 |
300 |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
III |
Verfproducten, die als gevaarlijke
stoffen volgens het ADR, klasse 3 zijn aangewezen, in metalen
verpakking |
|
|
8.000 |
|
|
|
1 Indien de verkoopruimte niet onder
woon-, bijeenkomst-, onderwijs-, cel-, gezondheidszorg- en/of
logiesfunctie(s) (van derden) is gesitueerd gelden de maximale
hoeveelheden per brandcompartiment.
2 Weerstand tegen branddoorslag en
brandoverslag.
3 Opslag in een verkoopruimte zonder
een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van minimaal 60
minuten is uitsluitend toegestaan als er sprake is van individuele
consumentenverpakkingseenheden met een inhoud van ten hoogste 5
liter.
Artikel 4.9
1. Leidingen aangesloten op een
verpakking met vloeibare gevaarlijke stoffen of vloeibare
bodembedreigende stoffen:
a. zijn bovengronds vast aangelegd
of in een daartoe speciaal aangelegde goot vast aangelegd;
b. zijn bestand tegen de daardoor
getransporteerde stoffen en zijn vloeistofdicht uitgevoerd;
c. worden periodiek gecontroleerd
op vloeistofdichtheid.
2. In elke aansluiting op verpakking
met een inhoud van meer dan 200 liter gevaarlijke stoffen beneden het
hoogste vloeistofniveau, is zo dicht mogelijk bij de wand een
afsluiter geplaatst. De afsluiter is zodanig uitgevoerd dat duidelijk
is te zien of de afsluiter is geopend dan wel is gesloten.
3. Leidingen die beneden het hoogste
vloeistofniveau zijn aangesloten en waarin door hevelwerking product
uit de tank kan stromen, zijn voorzien van een anti-hevel voorziening.
Artikel 4.9a
1. In afwijking van artikel 4.9 worden
bovengrondse stationaire verpakkingen voor de opslag van afgetapte
vloeibare brandstoffen bij een autodemontagebedrijf, met de daarbij
behorende leidingen en appendages, met een inhoud van maximaal 270
liter per verpakking uitgevoerd, geïnstalleerd, gerepareerd en
vervangen overeenkomstig BRL K903 door een bedrijf dat op grond van
die BRL daartoe is gecertificeerd.
2. Alle verpakkingen, bedoeld in het
eerste lid, inclusief de bijbehorende leidingen en appendages worden
onderhouden en beoordeeld overeenkomstig KC 111.
3. De opslag van de verpakkingen
inclusief de bijbehorende leidingen en appendages, bedoeld in het
eerste lid, voldoet aan de voorschriften 4.1.3, 4.2.4 tot en met
4.2.7, 4.2.9, 4.2.10, 4.2.14, 4.3.1 tot en met 4.3.4, 4.3.6, 4.3.8,
4.3.9, 4.3.11, 4.4.1, 4.4.3, 4.4.4, 4.4.7, 4.4.8, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3,
4.5.9, 4.5.12 en de voorschriften 4.6.2 tot en met 4.6.7 van PGS 30.
4. Het lekdetectiesysteem bij de
verpakkingen, bedoeld in het eerste lid, wordt éénmaal per jaar
overeenkomstig KC 111 gecontroleerd op de werking ervan.
5. Bij het constateren van gebreken die
kunnen leiden tot het optreden van niet gedetecteerde lekken, wordt
het lekdetectiesysteem, bedoeld in het vierde lid, binnen een periode
van een maand hersteld.
6. Het bevoegd gezag kan ten behoeve
van het voorkomen van risico’s voor de omgeving
maatwerkvoorschriften stellen aan de opstelplaats en de
veiligheidsvoorzieningen van de verpakkingen, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 4.9b
1. De ruimte waarin de verpakkingen,
bedoeld in het eerste lid vanartikel 4.9a, zijn opgesteld voldoet aan
het bepaalde bij of krachtens het tweede tot en met het tiende lid.
2. De WBDBO van een ruimte waarin de
verpakkingen zijn opgesteld naar een andere ruimte en van een andere
ruimte naar een ruimte waarin de verpakkingen zijn opgesteld bedraagt
ten minste 60 minuten.
3. De wanden, het dak en de
draagconstructie van de ruimte waarin de verpakkingen, bedoeld in het
eerste lid van artikel 4.9a, zijn opgesteld, bezitten een
brandwerendheid van ten minste 60 minuten.
4. De ruimte vormt een vloeistofdichte
lekbak met een inhoud van ten minste 300 liter.
5. De ruimte mag slechts door deskundig
personeel geopend en betreden worden.
6. De ruimte heeft doorvoeringen van de
stortleiding, de leegzuigleiding en de ontluchtingsleiding, die aan de
bovenzijde van de ruimte worden geprojecteerd.
7. De peilleiding heeft geen
doorvoering door de wand.
8. De beveiligingscomponenten zoals
brandsmeltkleppen en detonatiebeveiligingen zijn direct aan de
buitenzijde van de ruimte bevestigd.
9. De ruimte is met een potentiaal
vereffening aangesloten aan de buitenzijde van de ruimte en is
doorgelust aan het frame van de verpakkingen met de natuurlijk
aanwezige metallische verbinding.
10. Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de situering van de
verpakkingen, bedoeld inartikel 4.9a.
Artikel 4.10
1. Het opslaan van vloeibare
gevaarlijke stoffen in verpakking, vloeibare bodembedreigende stoffen
in verpakking en CMR-stoffen in verpakking vindt plaats boven een
vloeistofdichte vloer of verharding of een lekbak.
2. Indien de opslag, bedoeld in het
eerste lid, plaatsvindt in gesloten verpakking, die voldoet aan de
daartoe gestelde eisen van de ADR of anderszins deugdelijk is, kan
deze activiteit ook plaatsvinden boven een andere bodembeschermende
voorziening .
3. Het opslaan van vaste gevaarlijke
stoffen in verpakking, vaste bodembedreigende stoffen in verpakking en
vaste CMR-stoffen in verpakking vindt plaats boven een
bodembeschermende voorziening.
4. Het opslaan van een werkvoorraad aan
gevaarlijke stoffen als bedoeld in voorschrift 3.1.3 van PGS 15, vindt
plaats in deugdelijke en gesloten verpakking die bestand is tegen de
desbetreffende gevaarlijke stof. Het opslaan van een werkvoorraad aan
brandbare vloeistoffen van meer dan 50 liter vindt plaats boven een
lekbak. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het
opslaan van een werkvoorraad aan bodembedreigende stoffen.
5. Het opslaan van afvalstoffen waaruit
vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, niet zijnde
stukgoederen, vindt plaats in deugdelijke en gesloten verpakking of
boven een lekbak.
Artikel 4.10a
1. Het boven een
oppervlaktewaterlichaam opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking,
CMR-stoffen in verpakking en bodembedreigende stoffen in verpakking
vindt plaats boven een voorziening die zich rondom of onder de
opgeslagen stoffen bevindt en de bij normale bedrijfsvoering gemorste
of wegspattende vloeistoffen kan opvangen.
2. Op de voorziening, bedoeld in het
eerste lid, is artikel 2.4 van overeenkomstige toepassing.
3. Lege, ongereinigde verpakkingen van
gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen en vloeibare bodembedreigende stoffen
die boven een oppervlaktewaterlichaam bovendeks aanwezig zijn, zijn
aan de buitenkant schoon en goed gesloten of staan opgesteld boven een
voorziening die zich rondom of onder de opgeslagen stoffen bevindt en
in staat is de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende
vloeistoffen op te vangen en zodanig is uitgevoerd dat er geen
hemelwater op of in terecht kan komen.
4. Gevaarlijke stoffen in verpakking,
CMR-stoffen in verpakking en bodembedreigende stoffen in verpakking
die boven een oppervlaktewaterlichaam bovendeks aanwezig zijn, staan
opgesteld boven een doelmatig fysieke voorziening die vrijgekomen
stoffen keert zolang als nodig is om met daarop afgestemde maatregelen
te voorkomen dat deze stoffen in een oppervlaktewaterlichaam kunnen
geraken. Artikel 2.3, tweede tot en met het achtste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
§ 4.1.2. Opslaan van vuurwerk en andere
ontplofbare stoffen
Artikel 4.11
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan wordt theatervuurwerk opgeslagen in ten minste een
brandveiligheidsopslagkast als bedoeld in voorschrift 3.10 van PGS 15.
De brandwerendheid van de kast bedraagt ten minste 60 minuten. De kast
wordt niet afgezogen.
2. Inbeslaggenomen vuurwerk met aan
consumentenvuurwerk vergelijkbare eigenschappen dat wordt opgeslagen
in politiebureaus wordt opgeslagen in ten minste een
brandveiligheidsopslagkast als bedoeld in voorschrift 3.10 van PGS 15.
De brandwerendheid van de kast bedraagt ten minste 60 minuten. De kast
wordt niet afgezogen.
Artikel 4.12
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan wordt rookzwak kruit ten minste opgeslagen in een
brandcompartiment. Binnen het brandcompartiment wordt het rookzwak
kruit opgeslagen in vakken. De vakken zijn vervaardigd van 105
millimeter metselwerk voor de wanden, en 70 millimeter beton voor de
horizontale verdeling. Per vak is maximaal 1 kilogram rookzwak kruit
aanwezig in de standaardverpakking . Voor de vakken is minimaal 1
meter vrije ruimte aanwezig. De toegang tot het brandcompartiment
bestaat uit een deur die 60 minuten brandwerend is, zelfsluitend is
uitgevoerd, naar buiten opent en als drukontlasting kan fungeren.
2. Het kruit, bedoeld in het eerste
lid, wordt zodanig opgeslagen dat er minimaal 10 centimeter ruimte
tussen de voorzijde van het vak en de voorzijde van de fles met
rookzwak kruit aanwezig is.
3. Het eerste lid en tweede lid, zijn
van overeenkomstige toepassing op de opslag van zwart kruit met dien
verstande dat van zwart kruit niet meer dan 250 gram per vak aanwezig
is.
4. Noodsignalen worden opgeslagen in
een brandcompartiment dan wel in een brandveiligheidsopslagkast als
bedoeld in voorschrift 3.10 van PGS 15. De brandwerendheid van de kast
bedraagt ten minste 60 minuten. De kast wordt niet afgezogen.
§ 4.1.3. Opslaan van stoffen in
opslagtanks
§ 4.1.3.1. Opslaan van vloeibare
brandstof (niet zijnde benzine), afgewerkte olie, stoffen klasse 5.1 van
het ADR en stoffen klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep II en III
zonder bijkomend gevaar, PER en andere vloeibare bodembedreigende
stoffen in bovengrondse stationaire en mobiele opslagtanks en
opslagtanks boven een oppervlaktewaterlichaam
Artikel 4.13
1. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico en het voorkomen van risico’s voor
de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet
mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de
omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de
gevolgen hiervan voldoet de opslag van vloeibare brandstof, afgewerkte
olie, stoffen van klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep II en III
zonder bijkomend gevaar, PER en stoffen van klasse 5.1 van het ADR in
bovengrondse opslagtanks aan de artikelen 4.14 tot en met 4.19.
2. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico voldoet de opslag van andere vloeibare
bodembedreigende stoffen in een bovengrondse opslagtank aan artikel
4.18.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing op opslagtanks die ingebouwd zijn in een installatie.
4. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan voldoet de opslag van vloeibare brandstof in een
opslagtank boven een oppervlaktewaterlichaam aanartikel 4.18a.
5. Het vierde lid is niet van
toepassing op een ladingtank van een binnenschip.
Artikel 4.14
1. Het opslaan van vloeibare brandstof,
afgewerkte olie, stoffen van klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep II
en III zonder bijkomend gevaar, PER en stoffen van klasse 5.1 van het
ADR in bovengrondse opslagtanks vindt plaats in bovengrondse
opslagtanks, die met de daarbij behorende leidingen en appendages naar
hun aard en functie geschikt zijn voor de opslag van de desbetreffende
stoffen.
2. De bovengrondse opslagtanks en de
daarbij behorende leidingen en appendages verkeren in goede staat.
3. Het opslaan van vloeibare brandstof,
afgewerkte olie, stoffen van klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep II
en III zonder bijkomend gevaar, PER en stoffen van klasse 5.1 van het
ADR in bovengrondse opslagtanks vindt op de bodem plaats.
4. Het derde lid is niet van toepassing
op een bovengrondse opslagtank met vloeibare brandstof, afgewerkte
olie, stoffen van klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep II en III
zonder bijkomend gevaar, PER en stoffen van klasse 5.1 van het ADR
indien plaatsing op de bodem als gevolg van de constructie van de
bijbehorende procesinstallatie niet mogelijk is.
Artikel 4.15
1. Bovengrondse stationaire opslagtanks
met de daarbij behorende leidingen en appendages voor de opslag van
vloeibare brandstof, afgewerkte olie, stoffen van klasse 8 van het ADR
verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar zijn uitgevoerd en
geïnstalleerd en worden gerepareerd of vervangen overeenkomstig BRL
K903 door een bedrijf dat op grond van die BRL daartoe is
gecertificeerd.
2. De opslag van de in het eerste lid
genoemde stoffen in bovengrondse stationaire opslagtanks inclusief de
bijbehorende leidingen en appendages voldoet aan de voorschriften
4.1.3, 4.2.4 tot en met 4.2.7, 4.2.9, 4.2.10, 4.2.14, 4.3.1 tot en met
4.3.4, 4.3.6, 4.3.8, 4.3.9, 4.3.11, 4.4.1, 4.4.3, 4.4.4, 4.4.7, 4.4.8,
4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.9, 4.5.12 en de voorschriften in paragraaf
4.6 van PGS 30.
3. Onverminderd voorschrift 4.2.9 van
PGS 30 wordt de kathodische bescherming voor ondergrondse stalen
leidingen jaarlijks op zijn goede werking gecontroleerd overeenkomstig
artikel 3.36, eerste en tweede lid.
4. Het lekdetectiesysteem bij
bovengrondse dubbelwandige stationaire opslagtanks voor opslag van de
in het eerste lid genoemde stoffen wordt eenmaal per jaar
overeenkomstig KC 111 gecontroleerd op goede werking. Bij het
constateren van gebreken die kunnen leiden tot het optreden van niet
gedetecteerde lekken, wordt het lekdetectiesysteem binnen een periode
van een maand hersteld. Van de controle wordt een aantekening in het
logboek gemaakt.
5. In afwijking van voorschrift 4.4.4
van PGS 30 hoeft een bovengrondse stationaire opslagtank met
afgewerkte olie niet te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van
water. Bovengrondse stationaire opslagtanks met afgewerkte olie worden
jaarlijks geledigd door een hiervoor erkende verwerker.
6. Alle bovengrondse stationaire
opslagtanks voor opslag van de in het eerste lid genoemde stoffen
worden onderhouden en beoordeeld overeenkomstig KC 111.
Artikel 4.16
De opslag van PER en de opslag van
stoffen klasse 5.1 van het ADR in bovengrondse stationaire opslagtanks
inclusief de bijbehorende leidingen en appendages voldoet aan de
voorschriften 4.1.3, 4.2.4 tot en met 4.2.7, 4.2.9, 4.2.10, 4.2.14,
4.3.2 tot en met 4.3.4, 4.3.6, 4.3.8, 4.3.9, 4.3.11, 4.4.1, 4.4.3,
4.4.4, 4.4.7, 4.4.8, 4.5.1, 4.5.9 en 4.6 van PGS 30.
Artikel 4.17
De opslag van vloeibare brandstoffen in
bovengrondse mobiele opslagtanks inclusief bijbehorende leidingen en
appendages voldoet aan paragraaf 4.9 van PGS 30.
Artikel 4.18
1. Het opslaan van vloeibare
gevaarlijke stoffen of vloeibare bodembedreigende stoffen in
bovengrondse opslagtanks vindt plaats boven een lekbak.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op een opslagtank, die dubbelwandig is uitgevoerd met een
systeem voor lekdetectie in deze wand. Het systeem voor lekdetectie
voldoet aan BRL K910 en wordt ten minste eens per jaar beoordeeld en
goedgekeurd overeenkomstig BRL K903.
3. De vulpunten en aftappunten van een
bovengrondse opslagtank met vloeibare gevaarlijke stoffen of
bodembedreigende stoffen zijn geplaatst boven een vloeistofdichte
vloer of verharding of boven of in een lekbak.
4. De opslagtank en de vulleiding zijn
voorzien van een overvulbeveiliging.
5. Opslagtanks waarin vloeibare
gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen die met elkaar kunnen reageren,
zijn boven gescheiden lekbakken opgesteld.
Artikel 4.18a
1. Het opslaan van vloeibare
bodembedreigende stoffen in opslagtanks boven een
oppervlaktewaterlichaam vindt plaats boven een voorziening die zich
rondom of onder de opgeslagen stoffen bevindt en in staat is de bij
normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen op te
vangen.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op een opslagtank die dubbelwandig is uitgevoerd met een
systeem voor lekdetectie dat voldoet aan BRL K910 en dat ten minste
eenmaal per jaar wordt beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig BRL
K903.
3. De vulpunten en aftappunten van een
opslagtank met vloeibare bodembedreigende stoffen zijn geplaatst boven
of in een voorziening die zich rondom of onder de opgeslagen stoffen
bevindt en die de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende
vloeistoffen kan op vangen.
4. De voorzieningen, bedoeld in het
eerste en derde lid, zijn zodanig uitgevoerd dat:
a. gemorste of gelekte vloeibare
bodembedreigende stoffen effectief worden opgevangen en kunnen
worden opgeruimd;
b. er geen hemelwater op of in
terecht kan komen, tenzij het hemelwater regelmatig van of uit de
voorziening wordt verwijderd.
5. De voorzieningen, bedoeld in het
eerste en derde lid, zijn bestand tegen de inwerking van de
desbetreffende vloeibare bodembedreigende stoffen en de condities
waaronder deze stoffen worden gebruikt of opgeslagen.
6. De voorziening, bedoeld in het
eerste lid, heeft een opvangcapaciteit van ten minste 10% van de
inhoud van alle opgeslagen stoffen.
7. De opslagtank en de vulleiding zijn
voorzien van een overvulbeveiliging.
Artikel 4.19
1. De artikelen 4.16, 4.17 en 4.18 zijn
niet van toepassing op een bovengrondse opslagtank met vloeibare
brandstof, afgewerkte olie, stoffen van klasse 8 van het ADR
verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar, PER en stoffen van
klasse 5.1 van het ADR die niet op de bodem staat.
2. Aan de in het eerste lid bedoelde
bovengrondse opslagtanks die niet op de bodem staan, kan het bevoegd
gezag maatwerkvoorschriften stellen ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan, aan de plaats, de constructie, de keuring, de
bodem- en veiligheidsvoorzieningen van de opslagtank.
§ 4.1.3.2. Opslaan van zuurstof,
koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof in een bovengrondse
stationaire opslagtank
Artikel 4.20
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan wordt bij het opslaan van zuurstof, koolzuur,
lucht, argon, helium of stikstof in een bovengrondse stationaire
opslagtank
een buiten gebruik gestelde stationaire
opslagtank druk- en gasvrij gemaakt door een deskundig persoon. Een
bewijs van een druk- en gasvrij gemaakte opslagtank wordt aan het
bevoegd gezag overlegd.
2. Een opslagtank wordt ten hoogste
voor 90% gevuld.
3. Met betrekking tot de opstelplaats
van een bovengrondse stationaire opslagtank met koolzuur, lucht,
argon, helium of stikstof worden ten opzichte van de erfscheiding de
volgende afstanden in acht genomen:
a. bij een opslagtank tot en met 10
kubieke meter: 1 meter;
b. bij een opslagtank van meer dan
10 kubieke meter: 3 meter.
4. Een bovengrondse stationaire
opslagtank met koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof wordt
geplaatst op een ondergrond die uit onbrandbaar materiaal bestaat. Op
plaatsen waar kans op verzakking bestaat, is een doelmatige fundering
aangebracht. Een eventueel aangebrachte fundering of draagconstructie
is vervaardigd uit materiaal dat een brand niet onderhoudt.
5. Een bovengrondse stationaire
opslagtank met koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof, de
leidingen en het vulpunt zijn doelmatig tegen aanrijding beschermd.
6. Een bovengrondse stationaire
opslagtank met koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof, de
leidingen en het vulpunt zijn ontoegankelijk opgesteld voor
onbevoegden.
7. De opstelling van de bovengrondse
stationaire opslagtank met zuurstof voldoet aan hoofdstuk 4 van de PGS
9, met uitzondering van voorschrift 4.3.4.2.
8. Het eerste tot en met zevende lid
zijn niet van toepassing op stationaire opslagtanks met een inhoud van
maximaal 300 liter.
9. In afwijking van het derde lid,
onder b, kan het bevoegd gezag voor een bovengrondse stationaire
opslagtank met koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof van meer dan
10 kubieke meter bij maatwerkvoorschrift een kleinere afstand ten
opzichte van de erfscheiding voorschrijven.
§ 4.1.3.3. Opslaan van propeen
Artikel 4.20a
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan voldoet de opslag van propeen aan het tweede tot
en met het vierde lid.
2. Een opslagtank met propeen is,
voorzover van toepassing, in overeenstemming met het Warenwetbesluit
drukapparatuur en voldoet aan hoofdstuk 2 en de hoofdstukken 4 tot en
met 6 van PGS 19.
3. Een opslagtank met propeen met
toebehoren, leidingen en andere installatieonderdelen wordt gekeurd,
herkeurd en onderhouden overeenkomstig NEN-EN 12817 en NPR 2578.
4. Van de bevindingen van de keuringen
en herkeuringen, bedoeld in het derde lid, zijn binnen de inrichting
gedagtekende verklaringen aanwezig of op een door het bevoegd gezag te
stellen termijn beschikbaar gesteld, die zijn afgegeven door of namens
degene die de keuringen of herkeuringen heeft uitgevoerd. Deze
verklaringen zijn, evenals alle relevante informatie voor een juist
gebruik van de installatie en rapportages van uitgevoerd onderhoud en
uitgevoerde werkzaamheden, opgenomen of samengevat in een
installatieboek.
§ 4.1.4. Parkeren van vervoerseenheden
met gevaarlijke stoffen
Artikel 4.21
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan zijn bij het parkeren van vervoerseenheden met
gevaarlijke stoffen ten minste de binnen de inrichting geparkeerde
vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen niet toegankelijk voor
onbevoegden.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op het opstellen van vervoerseenheden met gevaarlijke
stoffen in verband met aanmelden of andere formaliteiten, of op het
opstellen van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen voor het
verrichten van laad- of loshandelingen.
§ 4.1.5 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.22 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.23 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.24 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.25 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.26 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.27 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.28 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.29 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.30 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.31 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.32 [Vervallen per 01-01-2011]
§ 4.1.6. Het vullen van gasflessen met
propaan en/of butaan
Artikel 4.33
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan is in de vulplaats bij het vullen van gasflessen
ten hoogste 300 liter aan gassen in flessen aanwezig.
2. Het vulstation voldoet aan paragraaf
8.2.1, 8.2.2 en 8.2.6, 11.1, 12.1 en bijlage III van PGS 23.
§ 4.1.7. Opslaan van vaste
kunstmeststoffen
Artikel 4.34
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan, voldoet de opslag van vaste kunstmeststoffen ten
minste aan het tweede tot en met vijfde lid.
2. Indien in een inrichting meer dan
250 ton vaste kunstmeststoffen behorende tot de meststoffengroep 1.1,
1.2 of 1.3 als bedoeld in PGS 7 wordt opgeslagen, is de
opslagvoorziening bestemd voor de opslag van deze kunstmeststoffen
uitgevoerd overeenkomstig:
1°. de voorschriften genoemd in
paragraaf 4.2 met uitzondering van de voorschriften 4.2.13 en
4.2.17;
2°. de voorschriften genoemd in de
paragrafen 5.2 en 6.1;
3°. de voorschriften in paragraaf
7.2.2 met uitzondering van voorschrift 7.2.9;
4°. de voorschriften van de
paragrafen 8.1 en 9.1 tot en met 9.3 van de PGS 7. De
opslagvoorziening bestemd voor de opslag van vaste
kunstmeststoffen behorende tot de meststoffengroep 1.2 of 1.3
voldoet tevens aan de voorschriften genoemd in de paragrafen 4.3
en 8.2 van PGS 7.
3. De opslag van nitraathoudende
kunstmeststoffen in de buitenlucht is niet ongecontroleerd
toegankelijk voor onbevoegden.
4. Aan het derde lid is voldaan indien
nitraathoudende kunstmeststoffen in een afsluitbare ruimte zijn
opgeslagen. Deze ruimte is bij afwezigheid van toezicht met slot of
sleutel of op een andere vergelijkbare wijze afgesloten.
5. Bij diefstal van nitraathoudende
kunstmeststoffen doet de drijver van de inrichting zo spoedig mogelijk
aangifte bij de politie.
Artikel 4.35 [Vervallen per 01-01-2010]
Afdeling 4.2. Installaties
§ 4.2.1. In werking hebben van een
stookinstallatie
Artikel 4.36
1. Ten behoeve van het doelmatige
beheer van afvalwater zijn ten minste bij het spuien van een
stoomketel van een stookinstallatie de spuitank dan wel de andere
geschikte voorziening en de leidingen waardoor het spuiwater wordt
geleid bestand tegen de inwerking van het spuiwater.
2. De spuitank, bedoeld in het eerste
lid, is voorzien van een ontluchtingsleiding, die zodanig is bemeten,
dat het bezwijken van de spuiketel door overdruk in de spuitank
tijdens het spuien wordt voorkomen.
§ 4.2.2. In werking hebben van een
koelinstallatie
Artikel 4.37
Ten behoeve van het voorkomen van risico’s
voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet
mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de
omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen
hiervan voldoet een ammoniakkoelinstallatie ten minste aan:
a. de minimale
veiligheidsvoorzieningen in relatie tot de hoeveelheid ammoniak van
PGS 13, paragraaf 2.2 tot en met 2.5 en de hieraan gerelateerde
functionele uitvoeringseisen uit PGS 13, hoofdstuk 4, en
b. de voorschriften 3.2.5 tot en met
3.2.9, de voorschriften uit hoofdstuk 5, de voorschriften van
paragrafen 8.2 tot en met 8.5, de voorschriften van paragrafen 8.7
tot en met 8.9 en de voorschriften uit hoofdstuk 9 van PGS 13.
Afdeling 4.3. Activiteiten met betrekking
tot hout en kurk
§ 4.3.1. Mechanische bewerking van hout,
kurk dan wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen
Artikel 4.38
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, wordt totaal
stof dat vrijkomt bij mechanische bewerking van hout, kurk, dan wel
van houten, kurken of houtachtige voorwerpen, voor zover dat
redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden de afgezogen
emissies die vrijkomen bij mechanische bewerking van hout, kurk, dan
wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen en die naar de
buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd,
indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw is
gelegen, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd
industrieterrein, dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één
gevoelig gebouw per hectare.
3. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit en met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede
lid.
Artikel 4.39
Aan artikel 4.21, eerste lid, van het
besluit wordt in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen stofemissies die
vrijkomen bij mechanische bewerking van hout, kurk, dan wel van
houten, kurken of houtachtige voorwerpen worden gevoerd door een
filtrerende afscheider, die geschikt is om aan artikel 4.21, eerste
lid van het besluit te voldoen; en
b. de filtrerende afscheider in goede
staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo
vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en
vervangen.
Artikel 4.39a
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vindt het verkleinen van hout, kurk, dan wel
van houten, kurken of houtachtige voorwerpen waarbij gebruik wordt
gemaakt van een installatie met een oliecircuit plaats boven een
bodembeschermende voorziening.
§ 4.3.2. Reinigen, coaten en lijmen van
hout, kurk dan wel houten kurken of houtachtige voorwerpen
Artikel 4.40
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies worden dampen en
gassen die vrijkomen bij:
a. het reinigen, coaten en lijmen
van hout, kurk dan wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen
door middel van vernevelen van vluchtige organische stoffen met
een nevelspuit;
b. het coaten van hout, kurk dan
wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen door middel van het
opbrengen van poeder;
c. het reinigen, coaten en lijmen
van hout, kurk dan wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen
met vluchtige organische stoffen door middel van dompeling in open
of halfgesloten baden, uitgezonderd de toepassing van hoogkokende
stoffen;
d. het aansluitend aan voornoemde
activiteiten, drogen dan wel uitharden van met vluchtige
organische stoffen behandelde materialen dan wel het moffelen van
materialen die zijn voorzien van een poedercoating, voor zover dat
redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van stofhinder, worden
emissies van totaal stof, waaronder coating-, lijm- of poederdeeltjes,
die vrijkomen bij het uitpandig coaten en lijmen van hout, kurk dan
wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen door middel van
vernevelen met een nevelspuit, voorkomen, dan wel beperkt door het
treffen van doelmatige afschermingen.
3. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden de overeenkomstig
het eerste lid, onderdeel b, afgezogen dampen en gassen, die naar de
buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd,
indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet
zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel
op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per
hectare, is gelegen.
4. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder worden de
overeenkomstig het eerste lid, onderdelen a, c en d, afgezogen dampen
en gassen, indien deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:
a. ten minste 2 meter boven de
hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen
gebouwen afgevoerd; of,
b. geleid door een doelmatige
ontgeuringsinstallatie.
5. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit en met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht bedoeld in het derde
lid.
6. Het vierde lid is niet van
toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de
uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een
gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan
één gevoelig gebouw per hectare.
7. Het bevoegd gezag kan indien blijkt
dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege het
slecht functioneren van de ontgeuringsinstallatie, onvoldoende
verspreiding van afgezogen dampen, geuremissies die niet via de
afzuiging worden afgevoerd of vanwege incidentele geurpieken in
aanvulling op het vierde lid en met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:
a. de uitvoering en het onderhoud
van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in het vierde lid;
b. de situering van de afvoerpijp;
c. het voorkomen of beperken van
diffuse geuremissies; of
d. het beperken van incidentele
geurpieken tot specifieke tijdstippen.
8. In afwijking van het vierde lid kan
het bevoegd gezag indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar
niveau overschrijdt en de bevoegdheden in het zevende lid onvoldoende
zijn om de overschrijding ongedaan te maken, met inachtneming van de
NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de aanwezigheid
van een ontgeuringsinstallatie of een grotere afvoerhoogte van de
afgezogen dampen en gassen.
Artikel 4.41
Aan artikel 4.23, eerste lid, van het
besluit wordt in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen stofemissies die
vrijkomen bij het coaten en lijmen van hout, kurk dan wel houten,
kurken of houtachtige voorwerpen door middel van vernevelen met een
nevelspuit en emissies die vrijkomen bij het coaten door middel van
het opbrengen van poeder, worden gevoerd door een filtrerende
afscheider die geschikt is om aan artikel 4.23, eerste lid, van het
besluit te voldoen; en
b. die filtrerende afscheider in
goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en
zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en
vervangen.
Artikel 4.42
1. Ter uitvoering van artikel 4.24,
eerste lid van het besluit, past degene die de inrichting drijft:
a. bij het coaten en lijmen van
hout, kurk dan wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen:
1°. maatregelen ten aanzien
van de bedrijfsvoering ter voorkoming van onnodige emissie van
vluchtige organische stoffen;
2°. oplosmiddelarme producten
en efficiënte applicatiemethoden toe.
b. bij het reinigen van hout, kurk
dan wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen:
1°. maatregelen ten aanzien
van de bedrijfsvoering ter voorkoming van onnodige emissie van
vluchtige organische stoffen;
2°. de volgende maatregelen in
volgorde van opsomming toe:
i. zoveel mogelijk droog
reinigen;
ii. indien reiniging niet op
een droge manier kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van
waterige middelen;
iii. indien reiniging met
waterige middelen technisch niet uitvoerbaar is, of niet
kosteneffectief is, vindt het reinigen met organische
oplosmiddelen plaats in procesbaden, die zijn uitgevoerd als
een gesloten systeem. Indien gesloten systemen worden
toegepast, wordt de in- en uitneemzone ten minste één minuut
gesloten gehouden na beëindiging van het gebruik van de pomp-
of persluchtinstallatie, ter beperking van de emissie naar de
lucht;
iv. indien reiniging niet
mogelijk is in een gesloten systeem vanwege van technische
onuitvoerbaarheid of omdat het niet kosteneffectief is, wordt
gebruik gemaakt van hoogkokende niet-gehalogeneerde
oplosmiddelen.
2. Indien de emissiereducerende
maatregelen als bedoeld in het eerste lid niet of in onvoldoende mate
zijn getroffen, kan het bevoegd gezag verzoeken om een motivering
waarom de maatregelen niet zijn getroffen. Bij de motivering wordt
betrokken de kosteneffectiviteit en de technische uitvoerbaarheid van
de maatregelen.
Artikel 4.43
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vindt bij het reinigen, coaten en lijmen van
hout, kurk dan wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen het
verwerken van lakken, verdunners en lijmen alsmede het reinigen, het
chemisch ontlakken en het logen van hout, kurk of houtachtige voorwerpen
plaats boven een bodembeschermende voorziening.
Afdeling 4.4. Activiteiten met betrekking
tot kunststof
§ 4.4.1. Mechanische bewerkingen van
kunststof of kunststofproducten
Artikel 4.44
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies wordt totaal stof
dat vrijkomt bij mechanische bewerking van kunststof of kunststof
producten, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de
bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden de afgezogen
emissies die vrijkomen bij extrusie en spuitgieten van kunststof en
mechanische bewerking van kunststof of kunststof producten en die naar
de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht
afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig
gebouw, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd
industrieterrein dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één
gevoelig gebouw per hectare, is gelegen.
3. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit en met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, als bedoeld in het
tweede lid.
Artikel 4.45
Aan artikel 4.27, eerste lid, van het
besluit wordt in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen stofemissies die
vrijkomen bij mechanische bewerking van kunststof en kunststof
producten worden gevoerd door een filtrerende afscheider die
geschikt is om aan artikel 4.27, eerste lid, van het besluit te
voldoen; en
b. die filtrerende afscheider in
goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en
zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en
vervangen.
Artikel 4.45a
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vindt extrusie, spuitgieten en shredderen
van kunststof en kunststofproducten waarbij gebruik wordt gemaakt van
een installatie met een olie- of koelvloeistofcircuit plaats boven een
bodembeschermende voorziening.
§ 4.4.2. Reinigen, coaten en lijmen van
kunststof of kunststofproducten
Artikel 4.46
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies worden dampen en
gassen die vrijkomen bij:
a. het reinigen, coaten en lijmen
van kunststof en kunststof producten door middel van vernevelen
van vluchtige organische stoffen met een nevelspuit;
b. het coaten van kunststof en
kunststof producten door middel van het opbrengen van poeder;
c. het reinigen, coaten en lijmen
van kunststof en kunststof producten met vluchtige organische
stoffen door middel van dompeling in open of halfgesloten baden,
uitgezonderd de toepassing van hoogkokende stoffen;
d. het aansluitend aan voornoemde
activiteiten, drogen dan wel uitharden van met vluchtige
organische stoffen behandelde materialen dan wel het moffelen van
materialen die zijn van voorzien van een poedercoating, voor zover
dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het voorkomen, dan
wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van stofhinder, worden
emissies van totaal stof, waaronder coating-, lijm- of poederdeeltjes,
die vrijkomen bij het uitpandig coaten en lijmen van kunststof en
kunststof producten door middel van vernevelen met een nevelspuit,
voorkomen, dan wel beperkt door het treffen van doelmatige
afschermingen.
3. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden de overeenkomstig
het eerste lid, onderdeel b, afgezogen dampen en gassen, die naar de
buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd,
indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet
zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel
op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per
hectare, is gelegen.
4. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder worden de
overeenkomstig het eerste lid onderdelen a, c en d, afgezogen dampen
en gassen, die op de buitenlucht worden geëmitteerd:
a. ten minste 2 meter boven de
hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen
gebouwen afgevoerd; of
b. geleid door een doelmatige
ontgeuringsinstallatie.
5. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en
uitvoering van het afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht,
bedoeld in het derde lid.
6. Het vierde lid is niet van
toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de
uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een
gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan
één gevoelig gebouw per hectare.
7. Het bevoegd gezag kan indien blijkt
dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege het
slecht functioneren van de ontgeuringsinstallatie, onvoldoende
verspreiding van afgezogen dampen, geuremissies die niet via de
afzuiging worden afgevoerd of incidentele geurpieken met inachtneming
van de NeR in aanvulling op het vierde lid maatwerkvoorschriften
stellen met betrekking tot:
a. de uitvoering en het onderhoud
van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in het vierde lid;
b. de situering van de afvoerpijp;
c. het voorkomen of beperken van
diffuse geuremissies; of
d. het beperken van incidentele
geurpieken tot specifieke tijdstippen.
8. In afwijking van het vierde lid kan
het bevoegd gezag indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar
niveau overschrijdt en de bevoegdheden genoemd in het zevende lid
onvoldoende zijn om de overschrijding ongedaan te maken met
inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking
tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie of een grotere
afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen.
Artikel 4.47
Aan artikel 4.29, eerste lid, van het
besluit wordt in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen stofemissies die
vrijkomen bij het coaten en lijmen van kunststof en kunststof
producten door middel van vernevelen met een nevelspuit en de
emissies die vrijkomen bij het coaten door middel van het opbrengen
van poeder, worden afgezogen en worden gevoerd door een filtrerende
afscheider die geschikt is om aan artikel 4.29, eerste lid, van het
besluit te voldoen; en
b. die filtrerende afscheider in
goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en
zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en
vervangen.
Artikel 4.48
1. Ter uitvoering van artikel 4.30,
eerste lid, van het besluit, past degene die de inrichting drijft:
a. bij het coaten en lijmen van
kunststof en kunststof producten:
1°. maatregelen ten aanzien
van de bedrijfsvoering ter voorkoming van onnodige emissie van
vluchtige organische stoffen;
2°. oplosmiddelarme producten
en efficiënte applicatiemethoden toe;
b. bij het reinigen van kunststof
en kunststof producten:
1°. maatregelen ten aanzien
van de bedrijfsvoering ter voorkoming van onnodige emissie van
vluchtige organische stoffen;
2°. de volgende maatregelen in
volgorde van opsomming toe:
i. zoveel mogelijk droog
reinigen;
ii. indien reiniging niet op
een droge manier kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van
waterige middelen;
iii. indien reiniging met
waterige middelen technisch niet uitvoerbaar is, of niet
kosteneffectief is, vindt het reinigen met organische
oplosmiddelen plaats in procesbaden die zijn uitgevoerd als
een zogenaamd gesloten systeem. Indien gesloten systemen
worden toegepast, wordt de in- en uitneemzone ten minste één
minuut gesloten gehouden na beëindiging van het gebruik van
de pomp- of persluchtinstallatie, ter beperking van de emissie
naar de lucht;
iv. indien reiniging niet
mogelijk is in een gesloten systeem, om redenen van technische
uitvoerbaarheid of kosteneffectiviteit, wordt gebruik gemaakt
van hoogkokende niet-gehalogeneerde oplosmiddelen.
2. Indien de emissiereducerende
maatregelen als bedoeld in het eerste lid niet of in onvoldoende mate
zijn getroffen, kan het bevoegd gezag verzoeken om een motivering
waarom de maatregelen niet zijn getroffen. Bij de motivering wordt
betrokken de kosteneffectiviteit en de technische uitvoerbaarheid van
de maatregelen.
Artikel 4.49
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vindt bij het reinigen, coaten en lijmen van
kunststof of kunststofproducten het verwerken van lakken, verdunners en
lijmen alsmede het reinigen, het chemisch ontlakken en het logen van
kunststof of kunststofproducten plaats boven een bodembeschermende
voorziening.
Afdeling 4.5. Activiteiten met betrekking
tot metaal
§ 4.5.1. Spaanloze, verspanende en
thermische bewerking en mechanische eindafwerking van metalen
Artikel 4.50
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, worden stof en rook
die vrijkomen bij smeden, droogverspanende bewerkingen, thermische
bewerkingen en mechanische eindafwerking van metalen, voor zover dat
redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden voor zover het
afgezogen emissies betreft, die vrijkomen bij smeden, droogverspanende
bewerkingen, thermische bewerkingen en mechanische eindafwerking van
metalen en die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en
omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt
een gevoelig gebouw, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd
industrieterrein dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één
gevoelig gebouw per hectare, is gelegen.
3. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede
lid.
4. Indien vanwege het volume of het
gewicht van het te bewerken object, bedoeld in artikel 4.32, tweede
lid, van het besluit, het uitvoeren van fijnverspanende bewerkingen
aan metalen in de buitenlucht plaatsvindt, worden emissies die hierbij
in de buitenlucht vrijkomen voorkomen, dan wel beperkt door het
toepassen van doelmatige stofarme technieken, tenzij dit
redelijkerwijs niet mogelijk is.
5. Indien het toepassen van doelmatige
stofarme technieken als genoemd in het vierde lid redelijkerwijs niet
mogelijk is, worden de emissies van stof die vrijkomen bij het
uitvoeren van fijnverspanende bewerkingen aan metalen in de
buitenlucht, gereduceerd door het plaatsen van een doelmatige
omkapping van geschikt materiaal.
6. Ten aanzien van het zoveel mogelijk
voorkomen, dan wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van stofhinder
bij het uitvoeren van fijnverspanende bewerkingen aan metalen in de
buitenlucht, kan het bevoegd gezag met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen ter uitwerking van het vierde en vijfde
lid.
Artikel 4.51
Aan artikel 4.33, eerste lid, van het
besluit wordt in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen emissies die
vrijkomen bij het smeden, droogverspanende bewerkingen, thermische
bewerkingen en mechanische eindafwerking van metalen, worden gevoerd
door een filtrerende afscheider die geschikt is om aan artikel 4.33,
eerste lid, van het besluit te voldoen; en
b. die filtrerende afscheider in
goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en
zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en
vervangen.
Artikel 4.52
Aan artikel 4.34, eerste lid, van het
besluit wordt in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen emissies die
vrijkomen bij droogverspanende bewerkingen, thermische bewerkingen
en mechanische eindafwerking van roestvast staal, worden gevoerd
door een filtrerende afscheider die geschikt is om aan artikel 4.34,
eerste lid, van het besluit te voldoen; en
b. die filtrerende afscheider in
goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en
zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en
vervangen.
Artikel 4.53
Aan artikel 4.35, eerste lid, van het
besluit wordt in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen emissies die
vrijkomen bij het snijden van koper worden gevoerd door een
filtrerende afscheider die geschikt is om aan artikel 4.35, eerste
lid, van het besluit te voldoen; en
b. die filtrerende afscheider in
goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en
zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en
vervangen.
Artikel 4.54
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vinden verspanende, spaanloze en thermische
bewerkingen en mechanische eindafwerkingen van metalen, waarbij
vloeibare bodembedreigende stoffen worden gebruikt, en het mechanisch
verkleinen van metalen waarbij gebruik wordt gemaakt van een installatie
met een oliecircuit plaats boven een bodembeschermende voorziening.
§ 4.5.2. Lassen van metalen
Artikel 4.55
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, worden stof en rook
die vrijkomen bij het lassen van metalen behorend tot klasse III bij
een verbruik van meer dan 6.500 kilogram lastoevoegmateriaal en
-elektroden per jaar, en klasse V, VI en VII, voor zover het
activiteiten betreft zoals bedoeld in artikel 4.56 vijfde lid, bij een
verbruik van meer dan 200 kilogram lastoevoegmateriaal en overige
activiteiten klasse IV tot en met VII, voor zover dat redelijkerwijs
mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, wordt voor zover het
afgezogen lasrook vanwege het lassen van metalen betreft, die naar de
buitenlucht wordt afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd,
indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet
zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein, dan wel
op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per
hectare is gelegen.
3. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede
lid.
Artikel 4.56
1. Aan de artikelen 4.40, eerste lid,
4.41, eerste lid, en 4.42, eerste lid, van het besluit wordt in ieder
geval voldaan indien de afgezogen lucht afkomstig van alle klassen
laswerkzaamheden wordt gerecirculeerd.
2. Bij laswerkzaamheden klasse III
wordt aan artikel 4.40, eerste lid, van het besluit in ieder geval
voldaan indien per jaar niet meer dan 6.500 kilogram
lastoevoegmateriaal en -elektroden wordt verbruikt. Op verzoek van het
bevoegd gezag wordt aangetoond wat het jaarverbruik is aan
lastoevoegmateriaal en -elektroden.
3. Bij laswerkzaamheden klasse III
wordt aan artikel 4.40, eerste lid, van het besluit in ieder geval
voldaan indien:
a. de afgezogen lasrook die
vrijkomt voordat deze wordt afgevoerd, wordt gevoerd door een
filtrerende afscheider of elektrostatisch filter, die geschikt is
om aan artikel 4.40, eerste lid, van het besluit te voldoen; en
b. die filtrerende afscheider of
het elektrostatisch filter in goede staat van onderhoud verkeert,
deze periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede
werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.
4. Indien bij laswerkzaamheden klasse
IV niet wordt gerecirculeerd als bedoeld in het eerste lid, wordt in
ieder geval aan artikel 4.40, eerste lid, van het besluit voldaan,
indien:
a. de afgezogen lasrook die
vrijkomt, voordat deze wordt afgevoerd, wordt gevoerd door een
filtrerende afscheider of elektrostatisch filter die geschikt is
om aan artikel 4.40, eerste lid, van het besluit te voldoen; en
b. die filtrerende afscheider of
elektrostatisch filter in goede staat van onderhoud verkeert, deze
periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking
nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.
5. Bij laswerkzaamheden klasse V, VI en
VII waarbij roestvast gelast wordt met beklede elektroden of met MAG
gevulde draad, of indien andere materialen gelast worden met
gelegeerde elektrode of met gelegeerde gevulde draad, wordt aan de
artikelen 4.40, eerste lid, en 4.41, eerste lid, van het besluit in
ieder geval voldaan indien per jaar niet meer dan 200 kilogram
lastoevoegmateriaal en -elektroden wordt gebruikt. Op verzoek van het
bevoegd gezag wordt aangetoond wat het jaarverbruik is aan
lastoevoegmateriaal en -elektroden.
6. Bij laswerkzaamheden klasse V, VI en
VII waarbij roestvast staal gelast wordt met beklede elektroden of met
MAG gevulde draad, of indien andere materialen gelast worden met
gelegeerde elektrode of met gelegeerde gevulde draad, wordt aan de
artikelen 4.40, eerste lid en 4.41, eerste lid, van het besluit in
ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen lasrook die
vrijkomt voordat deze wordt afgevoerd, wordt gevoerd door een
filtrerende afscheider of elektrostatisch filter die geschikt is
om aan de artikelen 4.40, eerste lid, en 4.41, eerste lid, van het
besluit te voldoen; en
b. die filtrerende afscheider of
het elektrostatisch filter in goede staat van onderhoud verkeert,
deze periodiek wordt gecontroleerd en zo vaak als voor de goede
werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.
7. Bij laswerkzaamheden klasse V, VI en
VII, waarbij met loodmenie geverfd staal wordt gelast en niet wordt
gerecirculeerd als bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval aan
de artikelen 4.40, eerste lid, en 4.41, eerste lid, van het besluit
voldaan indien:
a. de afgezogen emissies van lood-
en loodverbindingen die vrijkomen bij het lassen van met loodmenie
geverfd staal worden gevoerd door een filtrerende afscheider of
elektrostatisch filter die geschikt is om aan artikel 4.42, eerste
lid, van het besluit te voldoen; en
b. die filtrerende afscheider of
het elektrostatisch filter in goede staat van onderhoud verkeert,
deze periodiek wordt gecontroleerd en zo vaak als voor de goede
werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.
§ 4.5.3. Solderen van metalen
Artikel 4.57
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, worden stof en rook
die vrijkomen bij het solderen van metalen, voor zover dat
redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht worden voor zover het
afgezogen emissies betreft, die vrijkomen bij het solderen van
metalen, die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog
gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een
gevoelig gebouw, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd
industrieterrein dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één
gevoelig gebouw per hectare, is gelegen.
3. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, als bedoeld in het
tweede lid.
Artikel 4.58
Aan de artikelen 4.44, eerste lid, en
4.45 van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen stofemissies die
vrijkomen bij het solderen van metalen worden gevoerd door een
filtrerende afscheider die geschikt is om aan artikelen 4.44, eerste
lid, en 4.45 van het besluit te voldoen; en
b. die filtrerende afscheider in
goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en
zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en
vervangen.
Artikel 4.59
Aan artikel 4.46 van het besluit wordt in
ieder geval voldaan indien:
a. het jaarlijks verbruik aan
vloeimiddelen minder is dan 100 kilogram;
b. de afgezogen gasvormige emissies
die vrijkomen bij het solderen met vloeimiddelen die vluchtige
organische stoffen bevatten worden gevoerd door een adsorptiefilter
die geschikt is om aan artikel 4.46 van het besluit te voldoen, en
het adsorptiefliter in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek
gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is,
wordt schoongemaakt; of
c. de afgezogen gasvormige emissies
die vrijkomen bij het solderen met zure vloeimiddelen, worden
gevoerd door een gaswasser of een aërosol- of mistfilter die
geschikt is om aan artikel 4.46 van het besluit te voldoen, en die
gaswasser aërosol- of mistfilter in goede staat van onderhoud
verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede
werking nodig is, wordt schoongemaakt.
§ 4.5.4. Stralen van metalen
Artikel 4.60
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies vindt het stralen
van metalen plaats:
a. in een daarvoor bestemde en
ingerichte gesloten kast, cabine of ruimte; of
b. indien het redelijkerwijs niet
mogelijk is te stralen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
in een gesloten ruimte met gesloten deuren en ramen, waarbij wordt
voorkomen dat bij het openen van deuren en ramen stof naar de
buitenlucht vrijkomt.
2. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden bij het stralen
van metalen de stofemissies, die naar de buitenlucht worden afgevoerd,
bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een
emissiepunt een gevoelig gebouw, niet zijnde een gevoelig gebouw op
een gezoneerd industrieterrein dan wel op een bedrijventerrein met
minder dan één gevoelig gebouw per hectare, is gelegen.
3. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, als bedoeld in het
tweede lid.
4. Indien vanwege de omvang van het te
stralen object, bedoeld in artikel 4.49, tweede lid, van het besluit,
het stralen in de buitenlucht plaatsvindt, worden emissies van stof
die vrijkomen bij het stralen van metalen in de buitenlucht,
voorkomen, dan wel beperkt door het toepassen van doelmatige stofvrije
of stofarme straalmethodes, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk
is.
5. Indien het toepassen van een
doelmatige stofvrije of stofarme straaltechniek als genoemd in het
vierde lid redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt de emissie van stof
tijdens straalwerkzaamheden in de buitenlucht gereduceerd door het
plaatsen van een doelmatige omkapping van geschikt materiaal.
6. Ten aanzien van het zoveel mogelijk
voorkomen, dan wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van stofhinder
bij het stralen van metalen in de buitenlucht kan het bevoegd gezag
met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen, ter
uitwerking van het vierde en vijfde lid.
Artikel 4.61
Aan artikel 4.50, eerste lid, van het
besluit wordt in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen stofemissies als
bedoeld in artikel 4.50, eerste lid, van het besluit die vrijkomen
bij het stralen van metalen worden gevoerd door een filtrerende
afscheider of elektrostatische filterinstallatie die geschikt is om
aan artikel 4.50, eerste lid, van het besluit te voldoen; en
b. die filtrerende afscheider of
elektrostatische filterinstallatie in goede staat van onderhoud
verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede
werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.
Artikel 4.62
1. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico vindt het stralen van metalen waarbij
vloeibare bodembedreigende stoffen worden gebruikt of kunnen
vrijkomen, plaats boven een vloeistofdichte vloer of verharding.
2. Indien bij de activiteit, bedoeld in
het eerste lid, alleen vaste bodembedreigende stoffen vrijkomen dan
vindt deze activiteit plaats boven een bodembeschermende voorziening.
3. De activiteit, bedoeld in het eerste
lid kan ook boven een andere bodembeschermende voorziening worden
uitgevoerd indien deze activiteit wordt uitgevoerd als een gesloten
proces.
§ 4.5.5. Reinigen, lijmen en coaten van
metalen
Artikel 4.63
In deze paragraaf wordt onder het
reinigen van metalen niet verstaan het wassen van motorvoertuigen of
carrosserie-onderdelen daarvan als bedoeld in paragraaf 3.3.2 en het
afspuiten van pleziervaartuigen als bedoeld in paragraaf 4.6.5.
Artikel 4.64
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, worden dampen en
gassen die vrijkomen bij:
a. het reinigen, coaten en lijmen
van metalen voorwerpen door middel van vernevelen van vluchtige
organische stoffen met een nevelspuit;
b. het coaten van metalen
voorwerpen door middel van het opbrengen van poeder;
c. het reinigen, coaten en lijmen
van metalen voorwerpen met vluchtige organische stoffen door
middel van dompeling in open of halfgesloten baden, uitgezonderd
de toepassing van hoogkokende stoffen;
d. het aansluitend aan voornoemde
activiteiten, drogen dan wel uitharden van met vluchtige
organische stoffen behandelde materialen dan wel het moffelen van
materialen die zijn van voorzien van een poedercoating, voor zover
dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van stofhinder, worden
emissies van stof, waaronder ook coating-, lijm- of poederdeeltjes,
die vrijkomen bij het in de buitenlucht coaten en lijmen van metalen
door middel van vernevelen met een nevelspuit, voorkomen dan wel
beperkt door het plaatsen van doelmatige afschermingen.
3. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden de overeenkomstig
het eerste lid, onderdeel b, afgezogen dampen en gassen, die naar de
buitenlucht worden afgevoerd bovendaks en omhoog gericht afgevoerd,
indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet
zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel
op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per
hectare, is gelegen.
4. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, worden de
overeenkomstig het eerste lid, onderdelen a, c en d afgezogen dampen
en gassen, indien deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:
a. ten minste 2 meter boven de
hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen
gebouwen afgevoerd; of
b. geleid door een doelmatige
ontgeuringsinstallatie.
5. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, als bedoeld in het
derde lid.
6. Het vierde lid is niet van
toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de
uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een
gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan
één gevoelig gebouw per hectare.
7. Het bevoegd gezag kan indien blijkt
dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege het
slecht functioneren van de ontgeuringsinstallatie, onvoldoende
verspreiding van afgezogen dampen, geuremissies die niet via de
afzuiging worden afgevoerd of incidentele geurpieken in aanvulling op
het vierde lid met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften
stellen met betrekking tot:
a. de uitvoering en het onderhoud
van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in het vierde lid;
b. de situering van de afvoerpijp;
c. het voorkomen of beperken van
diffuse geuremissies; of
d. het beperken van incidentele
geurpieken tot specifieke tijdstippen.
8. In afwijking van het vierde lid kan
het bevoegd gezag indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar
niveau overschrijdt en de bevoegdheden genoemd in het zevende lid
onvoldoende zijn om de overschrijding ongedaan te maken met
inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking
tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie of een grotere
afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen.
Artikel 4.65
Aan artikel 4.54, eerste lid, van het
besluit wordt in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen emissies die
vrijkomen bij het coaten en lijmen van metalen voorwerpen door
middel van vernevelen met een nevelspuit en de emissies die
vrijkomen bij het coaten door middel van het opbrengen van poeder,
worden afgezogen en worden gevoerd door een filtrerende afscheider
die geschikt is om aan artikel 4.54, eerste lid, van het besluit te
voldoen; en
b. die filtrerende afscheider in
goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en
zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en
vervangen.
Artikel 4.66
1. Ter uitvoering van artikel 4.55,
eerste lid, van het besluit, past degene die de inrichting drijft:
a. bij het coaten en lijmen van
metalen voorwerpen:
1°. maatregelen ten aanzien
van de bedrijfsvoering ter voorkoming van onnodige emissie van
vluchtige organische stoffen;
2°. oplosmiddelarme producten
en efficiënte applicatiemethoden toe;
b. bij het reinigen van metalen
voorwerpen:
1°. maatregelen ten aanzien
van de bedrijfsvoering ter voorkoming van onnodige emissie van
vluchtige organische stoffen; en
2°. de volgende
voorkeursvolgorde toe:
i. zoveel mogelijk droog
reinigen;
ii. indien reiniging niet op
een droge manier kan plaatsvinden wordt gebruik gemaakt van
waterige middelen;
iii. indien reiniging met
waterige middelen technisch niet uitvoerbaar is, of niet
kosteneffectief is, vindt het reinigen met organische
oplosmiddelen plaats in procesbaden die zijn uitgevoerd als
een zogenaamd gesloten systeem. Indien gesloten systemen
worden toegepast, wordt de in- en uitneemzone ten minste één
minuut gesloten gehouden na beëindiging van het gebruik van
de pomp- of persluchtinstallatie, ter beperking van de emissie
naar de lucht;
iv. indien reiniging niet
mogelijk is in een gesloten systeem, om redenen van technische
uitvoerbaarheid of kosteneffectiviteit, wordt gebruik gemaakt
van hoogkokende niet-gehalogeneerde oplosmiddelen.
2. Indien de emissiereducerende
maatregelen, bedoeld in het eerste lid, niet of in onvoldoende mate
zijn getroffen, kan het bevoegd gezag verzoeken om een motivering
waarom de maatregelen niet zijn getroffen. Bij de motivering wordt
betrokken de kosteneffectiviteit en de technische uitvoerbaarheid van
de maatregelen.
Artikel 4.67
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vinden bij het reinigen, lijmen en coaten
van metalen het verwerken van lakken, verdunners en lijmen alsmede het
coaten van metalen, het chemisch ontlakken en het reinigen van metalen
plaats boven een bodembeschermende voorziening.
§ 4.5.6. Aanbrengen anorganische
deklagen op metalen
Artikel 4.68
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, worden stof en
dampen die vrijkomen bij het aanbrengen van een emailleer- en een
keramieklaag op metalen, doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, worden stof en
dampen die vrijkomen bij het aanbrengen van een metaallaag op metalen
door middel van vlamspuiten en thermisch spuiten, doelmatig aan de
bron afgezogen.
3. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, vindt het
schooperen plaats in een daarvoor bestemde en ingerichte gesloten
kast, cabine of ruimte waar onderdruk heerst en optimale afzuiging
plaatsvindt.
4. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden emissies als
bedoeld in het tweede en derde lid die naar de buitenlucht worden
afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50
meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet zijnde een
gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel op een
bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare, is
gelegen.
5. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het vierde
lid.
6. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, worden de
overeenkomstig het eerste lid afgezogen gassen en dampen, die op de
buitenlucht worden geëmitteerd:
a. ten minste 2 meter boven de
hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen
gebouwen afgevoerd; of
b. geleid door een doelmatige
ontgeuringsinstallatie.
7. Het zesde lid is niet van toepassing
indien het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende
lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd
industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig
gebouw per hectare.
8. Het bevoegd gezag kan indien blijkt
dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege slecht
functioneren van de ontgeuringsinstallatie, vanwege onvoldoende
verspreiding van afgezogen dampen, vanwege geuremissies die niet via
de afzuiging worden afgevoerd of vanwege incidentele geurpieken in
aanvulling op het vijfde lid met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:
a. de uitvoering en het onderhoud
van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in het zesde lid;
b. de situering van de afvoerpijp;
c. het voorkomen of beperken van
diffuse geuremissies; of
d. het beperken van incidentele
geurpieken tot specifieke tijdstippen.
9. In afwijking van het zesde lid kan
het bevoegd gezag indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar
niveau overschrijdt en de bevoegdheden genoemd in het achtste lid
onvoldoende zijn om de overschrijding ongedaan te maken met
inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking
tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie of een grotere
afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen.
10. Indien vanwege de omvang van het te
bewerken object, als bedoeld in artikel 4.57, tweede lid, van het
besluit, het schooperen in de buitenlucht plaatsvindt worden emissies
van stof die vrijkomen bij het schooperen van metalen in de
buitenlucht, voorkomen, dan wel beperkt door het aanbrengen van
doelmatige geheel gesloten omkappingen om het te behandelen werkstuk.
Een omkapping bestaat uit doek, zeil of een ander stofdicht materiaal.
11. Ten behoeve van het zoveel mogelijk
voorkomen, dan wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van stofhinder
vanwege het in de buitenlucht schooperen van metalen kan het bevoegd
gezag met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen, ter
uitwerking van het tiende lid.
Artikel 4.69
Aan artikel 4.58 van het besluit wordt in
ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen stofemissies die
vrijkomen bij het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen
worden gevoerd door een filtrerende afscheider of elektrostatische
filterinstallatie, die geschikt is om aan artikel 4.58 van het
besluit te voldoen; en
b. die filtrerende afscheider of
elektrostatische filterinstallatie in goede staat van onderhoud
verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede
werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.
Artikel 4.70
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vindt het aanbrengen van anorganische
deklagen op metalen plaats boven een bodembeschermende voorziening.
§ 4.5.7. Beitsen en etsen van metalen
Artikel 4.71
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, worden dampen die
vrijkomen bij het elektrolytisch of stroomloos beitsen en etsen van
metalen, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de
bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden gassen en dampen,
vanwege het beitsen en etsen van metalen, die naar de buitenlucht
worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen
50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet zijnde een
gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel op een
bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare, is
gelegen.
3. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede
lid.
Artikel 4.72
Aan artikel 4.60, eerste lid, van het
besluit wordt in ieder geval voldaan indien:
a. de totale oppervlakte van de
aanwezige beits- en etsbaden met eenzelfde werkzame badvloeistof
minder bedraagt dan 3 vierkante meter,de temperatuur van de baden
niet hoger is dan 50 graden Celsiusen er geen agitatie van de
vloeistof in de baden plaatsvindt; of
b. de afgezogen emissies die
vrijkomen bij het elektrolytisch of stroomloos beitsen en etsen van
metalen worden gevoerd door een gaswasser of aërosol- of mistfilter
die geschikt is om aan artikel 4.60, eerste lid, van het besluit te
voldoen; en die gaswasser of aërosol- of mistfilter in goede staat
van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als
voor de goede werking nodig is wordt schoongemaakt.
Artikel 4.73
1. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico vindt het beitsen en etsen van metalen
plaats boven een lekbak of een vloeistofdichte vloer of verharding.
2. De activiteit bedoeld in het eerste
lid kan ook boven een andere bodembeschermende voorziening worden
uitgevoerd indien deze activiteit wordt uitgevoerd als een gesloten
proces.
3. Indien het beitsen of etsen van
metalen plaatsvindt met behulp van een dompelbad dan is dat dompelbad
opgesteld boven een lekbak of een vloeistofdichte vloer of verharding,
die zich ten minste uitstrekt tot de oppervlakte van het dompelbad en
het daarbij behorende uitlekgebied. Onder dit uitlekgebied wordt niet
begrepen het gebied waar het metaalproduct wordt geplaatst nadat dit
is afgespoeld met water of is gespoeld in een bad met water.
4. Een dompelbad dat zich automatisch
vult is voorzien van een doelmatige overvulbeveiliging of
overloopbeveiliging.
§ 4.5.8. Elektrolytisch en stroomloos
aanbrengen van metaallagen op metalen
Artikel 4.74
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, worden dampen die
vrijkomen bij het elektrolytisch of stroomloos aanbrengen van chroom-
en cadmiumlagen op metalen, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is,
doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden gassen en dampen,
vanwege het elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van metaallagen,
die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht
afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig
gebouw, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd
industrieterrein dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één
gevoelig gebouw per hectare, is gelegen.
3. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede
lid.
Artikel 4.75
Aan artikel 4.62, eerste lid, van het
besluit wordt in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen emissies die
vrijkomen bij het elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van
chroom- of cadmiumlagen op metalen worden gevoerd door een gaswasser
of aërosol- of mistfilter die geschikt is om aan artikel 4.62,
eerste lid, van het besluit te voldoen; en
b. die gaswasser of aërosol- of
mistfilter in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek
gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is,
wordt schoongemaakt.
Artikel 4.76
1. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico is een dompelbad waarin metaallagen
elektrolytisch en stroomloos worden aangebracht op metalen opgesteld
boven een lekbak of een vloeistofdichte vloer of verharding, die zich
ten minste uitstrekt tot de oppervlakte van het dompelbad en het
daarbij behorende uitlekgebied. Onder dit uitlekgebied wordt niet
begrepen het gebied waar het metaalproduct wordt geplaatst nadat dit
is afgespoeld met water of is gespoeld in een bad met water.
2. Een dompelbad dat zich automatisch
vult, is voorzien van een doelmatige overvulbeveiliging of
overloopbeveiliging.
§ 4.5.9. Aanbrengen van conversielagen
op metalen
Artikel 4.77
1. Ten behoeve van het voorkomen van
diffuse emissies worden dampen die vrijkomen bij het
chroomzuuranodiseren en het zwavelzuuranodiseren, voor zover dat
redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies, worden gassen en dampen, vanwege het
aanbrengen van conversielagen op metalen, die naar de buitenlucht
worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen
50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet zijnde een
gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel op een
bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare, is
gelegen.
3. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede
lid.
Artikel 4.78
Aan artikel 4.65, eerste lid, onderdeel
a, van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen emissies die
vrijkomen bij het chroomzuuranodiseren worden gevoerd door een
gaswasser of aërosol- of mistfilter, die geschikt is om artikel
4.65, eerste lid, onderdeel a, van het besluit te voldoen; en
b. die gaswasser of aërosol- of
mistfilter in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek wordt
gecontroleerd en zo vaak als voor de goede werking nodig is wordt
schoongemaakt.
Artikel 4.79
Aan artikel 4.65, eerste lid, onderdeel
b, van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien:
a. de temperatuur van de
zwavelzuurbaden ten behoeve van het zwavelzuuranodiseren lager is
dan 60 graden Celsius; of
b. de afgezogen emissies die
vrijkomen bij het zwavelzuuranodiseren worden gevoerd door een
gaswasser of aërosol- of mistfilter, die geschikt is om aan artikel
4.65, eerste lid, onderdeel b, van het besluit te voldoen, en die
gaswasser of aërosol- of mistfilter in goede staat van onderhoud
verkeert, periodiek wordt gecontroleerd en zo vaak als voor de goede
werking nodig is wordt schoongemaakt.
Artikel 4.80
1. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico is een dompelbad waarin conversielagen
worden aangebracht op metalen opgesteld boven een lekbak of een
vloeistofdichte vloer of verharding, die zich ten minste uitstrekt tot
de oppervlakte van het dompelbad en het daarbij behorende
uitlekgebied. Onder dit uitlekgebied wordt niet begrepen het gebied
waar het metaalproduct wordt geplaatst nadat dit is afgespoeld met
water of is gespoeld in een bad met water.
2. Een dompelbad dat zich automatisch
vult is voorzien van een doelmatige overvulbeveiliging of
overloopbeveiliging.
§ 4.5.10. Thermisch aanbrengen van
metaallagen op metalen
Artikel 4.81
1. Ten behoeve van het voorkomen van
diffuse emissies, worden dampen die vrijkomen bij het thermisch
aanbrengen van metaallagen op metalen, voor zover dat redelijkerwijs
mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies, worden gassen en dampen, vanwege het
thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen, die naar de
buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd,
indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet
zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel
op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per
hectare, is gelegen.
3. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede
lid.
Artikel 4.82
Aan artikel 4.68, eerste lid, van het
besluit wordt in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen stofvormige emissies
die vrijkomen bij het thermisch aanbrengen van metaallagen op
metalen worden gevoerd door een filtrerende afscheider die geschikt
is om aan artikel 4.68, eerste lid, onderdelen a en b, van het
besluit te voldoen; en
b. die filtrerende afscheider in
goede staat van onderhoud verkeert, periodiek wordt gecontroleerd en
zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en
vervangen.
c. de afgezogen dampvormige emissies
die vrijkomen bij het thermisch aanbrengen van metaallagen op
metalen worden gevoerd door een gaswasser die geschikt is om aan
artikel 4.68, eerste lid, onderdeel c, van het besluit te voldoen;
en
d. die gaswasser in goede staat van
onderhoud verkeert, periodiek wordt gecontroleerd en zo vaak als
voor de goede werking nodig is wordt schoongemaakt.
Artikel 4.83
1. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico is een dompelbad of een fluxbad waarin
metaallagen thermisch worden aangebracht op metalen opgesteld boven
een lekbak of een vloeistofdichte vloer of verharding, die zich ten
minste uitstrekt tot de oppervlakte van het dompelbad en het daarbij
behorende uitlekgebied. Onder dit uitlekgebied wordt niet begrepen het
gebied waar het metaalproduct wordt geplaatst nadat dit is afgespoeld
met water of is gespoeld in een bad met water.
2. Een dompelbad dat zich automatisch
vult is voorzien van een doelmatige overvulbeveiliging of
overloopbeveiliging.
§ 4.5.11. Lozen van afvalwater afkomstig
van activiteiten in § 4.5.1 tot en met § 4.5.11 van het besluit
Artikel 4.84
1. Bij het lozen van afvalwater
afkomstig van activiteiten in § 4.5.1 tot en met § 4.5.11 van het
besluit wordt ter beperking van het lozen van metalen en hulpstoffen
ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
2. Degene die de inrichting drijft
stelt gedragsvoorschriften op die zijn gericht op het voorkomen van
nadelige gevolgen voor het milieu en een doelmatige afvoer van het
bedrijfsafvalwater én draagt ervoor zorg dat de gedragsregels worden
nageleefd.
3. In de gedragsvoorschriften wordt ten
minste aangegeven:
a. wanneer en op welke wijze
controle van installaties en onderdelen van de inrichting
plaatsvindt, waarvan de werking van invloed kan zijn op het lozen
van metalen en hulpstoffen;
b. op welke wijze invulling wordt
gegeven aan maatregelen die voortkomen uit de preventieve aanpak;
c. op welke wijze de oversleep
wordt beperkt;
d. op welke wijze mogelijk te nemen
procesgeïntegreerde maatregelen op haalbaarheid worden onderzocht
en genomen;
e. hoe wordt omgegaan met
procesafvalwater en hoe dit doelmatig wordt verwerkt;
f. indien
ethyleendiaminetetra-acetaat wordt gebruikt, waarom dit
noodzakelijk is voor het proces en welke maatregelen genomen
worden om de emissies ervan te beperken;
g. indien een chroomlaag
elektrolytisch wordt aangebracht met behulp van een oplossing van
chroom VI, welke maatregelen genomen worden om dit metaal terug te
voeren uit het spoelwater naar het procesbad;
h. indien er wordt gewerkt met
cyanide, welke maatregelen genomen worden om cyanide terug te
voeren uit het spoelwater naar het procesbad;
i. indien perfluoroctaansulfonaten
als hulpstof worden toegepast, welke maatregelen genomen worden om
perfluoroctaansulfonaten terug te voeren uit het spoelwater naar
het procesbad; en
j. indien cadmium wordt verwerkt,
welke maatregelen worden genomen om cadmium terug te voeren uit
het spoelwater naar het procesbad en op welke wijze het afvalwater
dat cadmium kan bevatten, separaat van het overige afvalwater,
wordt verwerkt.
4. Het bevoegd gezag kan indien het
belang van de bescherming van het milieu daartoe noodzaakt
maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de invulling van de
gedragsvoorschriften als bedoeld in het tweede lid.
Afdeling 4.5a. Activiteiten met
betrekking tot natuursteen of kunststeen
§ 4.5a.1. Mechanische bewerkingen van
natuursteen of kunststeen
Artikel 4.84a
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies:
a. vindt het stralen van
natuursteen of kunststeen plaats:
1°. in een daarvoor bestemde
en ingerichte gesloten kast, cabine of ruimte; of
2°. met gereedschap dat is
uitgerust met een geïntegreerde stofafzuiginstallatie;
b. vindt het trommelen van
natuursteen of kunststeen plaats in een gesloten installatie;
c. wordt totaal stof dat vrijkomt
bij de mechanische bewerking van natuursteen of kunststeen, voor
zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron
afgezogen, tenzij gebruik wordt gemaakt van natte werkmethoden die
voldoen aan artikel 4.84b, onderdeel a of c;
d. vinden reiniging en ontstoffing
van apparatuur en werkruimten plaats door gebruik te maken van
natte werkmethoden of stofzuigers.
2. Indien het redelijkerwijs niet
mogelijk is te stralen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vindt
het stralen van natuursteen of kunststeen plaats in een gesloten
ruimte met gesloten deuren en ramen, waarbij wordt voorkomen dat bij
het openen van deuren en ramen stof naar de buitenlucht vrijkomt.
3. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden de afgezogen
emissies die vrijkomen bij mechanische bewerking van natuursteen of
kunststeen en die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en
omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt
een gevoelig gebouw is gelegen, niet zijnde een gevoelig gebouw op een
gezoneerd industrieterrein, dan wel op een bedrijventerrein met minder
dan één gevoelig gebouw per hectare.
4. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit en met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het derde lid.
Artikel 4.84b
Aan artikel 4.74b van het besluit wordt
in ieder geval voldaan indien:
a. mechanische bewerking van
natuursteen of kunststeen plaatsvindt met waterkoeling en de
waterstraal of het watergordijn zodanig is gedimensioneerd dat geen
zichtbare stofvorming optreedt; of
b. de afgezogen stofemissies die
vrijkomen bij mechanische bewerking van natuursteen of kunststeen
worden gevoerd door een filtrerende afscheider, die geschikt is om
aan artikel 4.74b van het besluit te voldoen en in goede staat van
onderhoud verkeert, periodiek wordt gecontroleerd en zo vaak als
voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen; of
c. bij mechanische ruimteafzuiging
gebruik wordt gemaakt van een waterwand die geschikt is om aan
artikel 4.74b van het besluit te voldoen en in goede staat van
onderhoud verkeert, periodiek wordt gecontroleerd en zo vaak als
voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt.
§ 4.5a.2. Aanbrengen van lijmen, harsen
en coatings op natuursteen of kunststeen
Artikel 4.84c
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, worden gassen
en dampen die vrijkomen bij:
a. het aanbrengen van lijmen,
harsen en coatings op natuursteen of kunststeen door middel van
vernevelen met een nevelspuit,
b. het aansluitend aan de onder a
genoemde activiteiten drogen dan wel uitharden van met vluchtige
organische stoffen behandelde materialen,
voor zover dat redelijkerwijs mogelijk
is, doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, worden de
overeenkomstig het eerste lid, onderdelen a en b, afgezogen gassen en
dampen, indien deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:
a. ten minste twee meter boven de
hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen
gebouwen afgevoerd; of
b. geleid door een doelmatige
ontgeuringsinstallatie.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de
uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een
gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan
één gevoelig gebouw per hectare.
4. Het bevoegd gezag kan indien blijkt
dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege het
slecht functioneren van de ontgeuringsinstallatie, onvoldoende
verspreiding van afgezogen gassen en dampen, geuremissies die niet via
de afzuiging worden afgevoerd of incidentele geurpieken, in aanvulling
op het tweede lid, met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften
stellen met betrekking tot:
a. de uitvoering en het onderhoud
van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in het tweede lid;
b. de situering van de afvoerpijp;
c. het voorkomen of beperken van
diffuse geuremissies; of
d. het beperken van incidentele
geurpieken tot specifieke tijdstippen.
5. In afwijking van het tweede lid kan
het bevoegd gezag indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar
niveau overschrijdt en de bevoegdheden genoemd in het vierde lid
onvoldoende zijn om de overschrijding ongedaan te maken met
inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking
tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie of een grotere
afvoerhoogte van de afgezogen gassen en dampen.
Artikel 4.84d
Aan artikel 4.74f van het besluit wordt
in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen emissies die
vrijkomen bij het aanbrengen van lijmen, harsen of coatings op
natuursteen of kunststeen worden gevoerd door een filtrerende
afscheider, die geschikt is om aan artikel 4.74f van het besluit te
voldoen; en
b. de filtrerende afscheider in goede
staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo
vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en
vervangen.
Artikel 4.84e
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vindt bij het aanbrengen van lijmen, harsen
of coatings op natuursteen of kunststeen het verwerken van lijmen,
harsen, coatings en verdunningsmiddelen alsmede het aanbrengen van
coatings op natuursteen of kunststeen plaats boven een bodembeschermende
voorziening.
§ 4.5a.3. Chemisch behandelen van
natuursteen of kunststeen
Artikel 4.84f
1. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico is een dompelbad waarin natuursteen of
kunststeen chemisch wordt behandeld, opgesteld boven een lekbak of een
vloeistofdichte vloer of verharding, die zich ten minste uitstrekt tot
de oppervlakte van het dompelbad en het daarbij behorende
uitlekgebied. Onder dit uitlekgebied wordt niet begrepen het gebied
waar het natuursteen of kunststeen wordt geplaatst nadat dit is
afgespoeld met water of is gespoeld in een bad met water.
2. Een dompelbad dat zich automatisch
vult, is voorzien van een doelmatige overvulbeveiliging of
overloopbeveiliging.
Afdeling 4.6. Activiteiten met betrekking
tot motoren, motorvoer- en vaartuigen en andere gemotoriseerde apparaten
§ 4.6.1. Bieden van parkeergelegenheid
in een parkeergarage
Artikel 4.85
Ten behoeve van het doelmatig verspreiden
van emissies, het voorkomen, dan wel zoveel mogelijk beperken van
geurhinder en het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van
luchtverontreiniging door benzeen bij mechanische ventilatie in een
parkeergarage die deel uitmaakt van een inrichting met ten minste 20
parkeerplaatsen:
a. worden de aanzuigopeningen ten
behoeve van de ventilatie in een verkeersluwe omgeving, of, indien
dat niet mogelijk is, op ten minste 5 meter boven het straatniveau
en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht;
b. wordt de uit de parkeergarage
afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 meter boven
het straatniveau of, indien binnen 25 meter van de uitblaasopening
een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan 5 meter
boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de
hoogste daklijn van dat gebouw;
c. bedraagt de snelheid van de
uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten
minste 10 meter per seconde.
§ 4.6.2. Afleveren van vloeibare
brandstoffen aan vaartuigen
Artikel 4.86
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan en het voorkomen dan wel voor zover dat niet
mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een
oppervlaktewaterlichaam wordt bij het afleveren van vloeibare
brandstoffen aan vaartuigen ten minste voldaan aan het tweede tot en
met tiende lid.
2. Het afleveren van vloeibare
brandstoffen aan vaartuigen en het vullen van opslagtanks vindt
uitsluitend plaats door of onder direct toezicht van deskundig
personeel dat op de hoogte is van:
a. de gevaarlijke eigenschappen van
de brandstoffen,
b. de absorptie- en hulpmiddelen,
bedoeld in artikel 4.78 van het besluit,
c. het noodplan, bedoeld in het
zevende lid, en
d. de instructies, bedoeld in
artikel 36 van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregeling,
en dat direct kan ingrijpen bij
morsingen, incidenten en calamiteiten.
3. Bij een op de wal geplaatste vaste
afleverinstallatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan
vaartuigen en bij het vulpunt van een bunkerstation indien dit vulpunt
op de kant is gelegen, worden voorzieningen getroffen of maatregelen
genomen om schade aan de afleverinstallatie en het vulpunt door
aanrijdingen te voorkomen.
4. Een op de wal geplaatste vaste
afleverinstallatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan
vaartuigen en een bunkerstation zijn zodanig gelegen, dat de
bereikbaarheid voor passerende vaartuigen is gewaarborgd en een zo
laag mogelijk aanvaringsrisico wordt bereikt.
5. Een op de wal geplaatste vaste
afleverinstallatie voldoet bij het afleveren van vloeibare
brandstoffen aan vaartuigen aan de voorschriften 5.8, 6.5, 7.1, 7.7,
9.5, 9.6, 9.6.1.1, 9.6.1.3, 9.6.1.4 en 9.6.1.5 van PGS 28, waarbij
voor ‘voertuig’ wordt gelezen ‘vaartuig’.
6. Op een op de wal geplaatste vaste
afleverinstallatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan
vaartuigen zijn de artikelen 21, 35b, e, f, j en k, 36, 45, 46 en 47
van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregeling van overeenkomstige
toepassing.
7. Op verzoek van het bevoegd gezag
stelt de houder van een inrichting waar vloeibare brandstof wordt
afgeleverd aan vaartuigen aan de hand van de opslagcapaciteit, de aard
van de opgeslagen producten en de aard van de inrichting een doelmatig
noodplan op om:
a. lekkage zo spoedig mogelijk te
stoppen en gelekte brandstof op te ruimen,
b. brand zo spoedig mogelijk onder
controle te krijgen waarbij wordt aangegeven in welke gevallen
zelf opgetreden wordt en in welke gevallen de brandweer wordt
ingeschakeld,
c. betrokken personen intern te
alarmeren en indien nodig op te roepen,
d. indien nodig de installatie stil
te leggen of te ontruimen,
e. hulpdiensten, omwonenden en
bevoegd gezag te informeren, en
f. zo nodig hulp te kunnen bieden
aan degenen die zich op het bedrijfsterrein bevinden en aan
omwonenden.
8. Aan een schip dat gevaarlijke
stoffen vervoert, bedoeld in artikel 3.14, tweede en derde lid van het
Rijnvaartpolitiereglement 1995, wordt geen vloeibare brandstof
afgeleverd.
9. Aan een schip dat gevaarlijke
stoffen vervoert, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid van het
Rijnvaartpolitiereglement 1995, wordt geen vloeibare brandstof
afgeleverd indien de gevaarlijke stoffen gassen zijn.
10. Bij een bunkerstation waar lichte
olie wordt afgeleverd aan vaartuigen, wordt geen vloeibare brandstof
afgeleverd aan een schip dat gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in
artikel 3.14, eerste lid, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995
Artikel 4.86a
1. Onverminderdartikel 4.86 voldoet een
bunkerstation bij het afleveren van vloeibare brandstof aan vaartuigen
ten minste aan de voorschriften 5.8, 6.5, 7.1, 7.7, 9.5, 9.6, 9.6.1.1,
9.6.1.3, 9.6.1.4 en 9.6.1.5 van PGS 28, waarbij voor ‘voertuig’
wordt gelezen ‘vaartuig’ en aan de artikelen 21, 35b, e, f, j en
k, 36, 45, 46 en 47 van bijlage 3.8 bij de Binnenvaartregeling.
2. Het bevoegd gezag kan indien de
technische staat van het bunkerstation onvoldoende is bij
maatwerkvoorschrift eisen stellen die leiden tot een
beschermingsniveau dat gelijkwaardig is aan bijlage 3.8 bij de
Binnenvaartregeling.
3. Dit artikel is niet van toepassing
op een bunkerstation dat beschikt over een certificaat als bedoeld in
artikel 6 van het Binnenvaartbesluit.
Artikel 4.87
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico wordt een op de wal geplaatste vaste
installatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen
opgesteld boven een lekbak of een vloeistofdichte vloer of verharding.
Artikel 4.87a
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt bij het
afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen voldaan aan het
tweede tot en met het vijfde lid.
2. Het afleveren van vloeibare
brandstoffen aan vaartuigen vindt zodanig plaats dat morsen van
brandstof zoveel mogelijk wordt voorkomen. De gemorste brandstof wordt
direct opgenomen met daarvoor geschikte absorptiemiddelen.
3. Het vulpistool of het uiteinde van
de vulleiding van een installatie voor het afleveren van vloeibare
brandstoffen aan vaartuigen op een bunkerstation wordt weggehangen
boven een lekbak.
4. Een installatie voor het afleveren
van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen wordt niet gebruikt voor het
vullen van jerrycans en andere vaten met vloeibare brandstoffen.
5. Het afleveren van vloeibare
brandstoffen aan vaartuigen vanuit een op de wal geplaatste vaste
afleverinstallatie vindt plaats met een vulleiding met
overvulbeveiliging en automatisch uitschakelinrichting die het
bunkeren bij een tankvulstand van 97% onderbreken of een vulpistool
dat is voorzien van een automatisch afslagmechanisme.
Artikel 4.87b
Indien blijkt dat bij het afleveren van
vloeibare brandstoffen aan vaartuigen en het vullen van de
beladingstanks van een bunkerstation de geurhinder een aanvaardbaar
niveau overschrijdt, kan het bevoegd gezag met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de situering van de
emissiepunten waar dampen van brandstof vrijkomen, of de toepassing van
dampretourvoorzieningen of andere systemen om de dampen gericht af te
zuigen.
§ 4.6.3. Afleveren van vloeibare
brandstof en gecomprimeerd aardgas anders dan aan motorvoertuigen voor
het wegverkeer en vaartuigen
Artikel 4.88
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan wordt bij het afleveren van vloeibare brandstof en
gecomprimeerd aardgas, anders dan aan motorvoertuigen voor het
wegverkeer en vaartuigen, ten minste voldaan aan de artikelen 4.90 tot
en met 4.93.
2. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico wordt bij het afleveren van vloeibare
brandstof, anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer en
vaartuigen, voldaan aan de artikelen 4.91 en 4.94.
3. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
luchtverontreiniging wordt bij het afleveren van lichte olie voldaan
aan artikel 4.89.
Artikel 4.89
1. De tankinstallatie is zodanig
uitgevoerd dat bij het vullen van een opslagtank met lichte olie de
uit de opslagtank verdreven dampen door een gasdichte retourleiding
kunnen worden teruggevoerd naar het reservoir van de tankwagen die de
lichte olie levert (dampretour stage I). Het systeem is zo ontworpen
dat drukopbouw zoveel mogelijk wordt voorkomen. Indien een
vacuümdrukklep wordt toegepast bedraagt de drukopbouw in het gehele
systeem niet meer dan de openingsdruk van de desbetreffende klep. Deze
openingsdruk bedraagt niet meer dan 3,92 kilopascal.
2. Indien lichte olie wordt aangeleverd
is het terugvoeren van de uit de ondergrondse opslagtank verdreven
dampen met de in het eerste lid bedoelde voorziening verplicht.
3. De aansluitpunten van de
vulleidingen en de dampretourleidingen zijn zodanig uitgevoerd dat
verwisseling van de vulslang en de dampretourslang van en naar de
tankwagen is uitgesloten.
4. Het vullen van een ondergrondse
opslagtank vindt niet plaats indien de dampretourleiding lek is.
5. Het eerste tot en met het vierde lid
is niet van toepassing op een inrichting met een debiet van lichte
olie van minder dan 100 kubieke meter per jaar.
Artikel 4.90 [Vervallen per 31-12-2011]
Artikel 4.91
Een vaste afleverinstallatie voldoet bij
het afleveren van vloeibare brandstof anders dan aan motorvoertuigen
voor het wegverkeer en vaartuigen aan de voorschriften 5.8, 6.5, 6.7,
7.1, 7.7, 9.3, 9.5, 9.6 en 9.6.1.1 tot en met 9.6.1.5 van PGS 28.
Artikel 4.92
1. In afwijking van artikel 4.91
voldoet een vaste afleverinstallatie bij het afleveren van vloeibare
brandstof, anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer en
vaartuigen, waarbij minder dan 25 kubieke meter per jaar wordt
afgeleverd, aan het tweede tot en met zesde lid.
2. Het vulpistool wordt goed
weggehangen. Na gebruik lekt er geen brandstof uit het vulpistool. De
afleverslang is voorzien van een automatisch afslaand vulpistool om
overvullen van het tankende voertuig te voorkomen.
3. Als een deel van de
afleverinstallatie, leidingen of de afleverslang zich onder het
hoogste vloeistofniveau van de tank kunnen bevinden is een antihevel
beveiliging aangebracht tussen de tank en de flexibele afleverslang.
4. Bij het toepassen van een handpomp
is de afleverslang na gebruik leeg. Eventueel aanwezige
brandstofresten worden teruggevoerd naar de tank. Een vulpistool van
een elektrische pomp is voorzien van een automatisch afslagmechanisme.
5. Een afleverinstallatie is voorzien
van een vulkraan, die indien deze buiten gebruik is, niet in werking
kan worden gesteld door onbevoegden.
6. Een afleverinstallatie met een
elektrische pomp is voorzien van een aan- en uitschakelaar.
Artikel 4.92a
1. Een mobiele afleverinstallatie
voldoet bij het afleveren van lichte olie, anders dan aan
motorvoertuigen voor het wegverkeer en vaartuigen, aan het tweede en
derde lid.
2. Een mobiele afleverinstallatie
voldoet bij het afleveren van lichte olie aan de voorschriften 5.8 en
9.6.2.1 tot en met 9.6.2.5 van PGS 28.
3. Een mobiele afleverinstallatie is
opgesteld op een vloeistofdichte vloer of verharding die reikt tot ten
minste 1 meter buiten de projectie van de afleverinstallatie.
Artikel 4.92b
1. Onverminderd de artikelen 4.91, 4.92
en 4.92a voldoet een vaste afleverinstallatie voor het inpandig
afleveren van lichte olie, anders dan aan motorvoertuigen voor het
wegverkeer en vaartuigen, die is toegestaan op grond van artikel 6.34,
van het besluit, aan het tweede en derde lid.
2. Nabij de afleverinstallatie is ten
minste één draagbaar blustoestel aanwezig met een vulling van ten
minste 6 kg of liter blusstof.
3. De afleverinstallatie wordt voorzien
van een thermische brandmelder die is aangesloten op een akoestisch
signaal.
Artikel 4.93
Een aardgas-afleverinstallatie voldoet
bij het afleveren van gecomprimeerd aardgas, anders dan aan
motorvoertuigen voor het wegverkeer en vaartuigen, aan de hoofdstukken 7
tot en met 14 van PGS 25, met uitzondering van de paragrafen 7.1.8,
7.3.8 tot en met 7.3.13, 7.7.1, 7.9, 8.6, 8.7, 8.8, 9.2, 10.8 en 13.4.
Artikel 4.94
1. Het afleveren van vloeibare
brandstof anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer en
vaartuigen vindt plaats boven een vloeistofdichte vloer of verharding.
2. De vloeistofdichte vloer of
verharding, bedoeld in het eerste lid, is aangelegd overeenkomstig het
daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument
door een bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van
dat besluit, en strekt zich, voor zover erfafscheidingen, gebouwen en
andere fysieke begrenzingen dit toelaten, vanaf de afleverzuil uit
over een afstand van ten minste de lengte van de afleverslang plus 1
meter, met een minimum van 5 meter. Indien de vloeistofdichte vloer of
verharding zich daardoor zou uitstrekken tot over de openbare weg dan
strekt deze vloer of verharding zich uit tot de openbare weg met dien
verstande dat deze afstand niet minder bedraagt dan 3 meter. In de
laatste situatie is de afleverslang niet langer dan 4 meter. Aan de
zijde waar geen tankende voertuigen kunnen worden opgesteld, strekt de
vloeistofdichte vloer of verharding zich uit tot een afstand van ten
minste 1 meter vanaf het hart van de afleverzuil.
3. In afwijking van het eerste lid
vindt het afleveren van vloeibare brandstof anders dan aan
motorvoertuigen voor het wegverkeer en vaartuigen, waarbij minder dan
25 kubieke meter per jaar wordt afgeleverd, plaats boven een
bodembeschermende voorziening.
4. In afwijking van het tweede lid is
een mobiele afleverinstallatie opgesteld op een vloeistofdichte vloer
of verharding die reikt tot ten minste 1 meter buiten de projectie van
de afleverinstallatie.
Artikel 4.94a
1. In afwijking van artikel 4.94,
eerste tot en met vierde lid, kan het afleveren van vloeibare
brandstof, anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer en
vaartuigen, plaatsvinden boven een geomembraanbaksysteem, indien:
a. de inrichting is gelegen binnen
de bebouwde kom waarbij de afleverzuilen in een rij parallel aan
de naastgelegen weg staan opgesteld en het afleveren uitsluitend
aan de wegzijde op of aan de openbare weg plaatsvindt, of
b. op basis van een onderzoek naar
de grondmechanica dat voor het aanbrengen van het
geomembraanbaksysteem is uitgevoerd, is gebleken dat het
aanbrengen van een vloeistofdichte vloer of verharding onevenredig
hoge kosten met zich meebrengt.
2. Een geomembraanbaksysteem als
bedoeld in het eerste lid is aangelegd overeenkomstig het daartoe
krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een
bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat
besluit.
§ 4.6.4. Onderhouden en repareren van
motoren, motorvoertuigen en andere gemotoriseerde apparaten en
proefdraaien van verbrandingsmotoren
Artikel 4.95
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan wordt bij het onderhouden en repareren van
motoren, motorvoertuigen en andere gemotoriseerde apparaten en het
proefdraaien van verbrandingsmotoren bij het werken met gevaarlijke
stoffen ten minste aan het tweede en derde lid voldaan.
2. Werkzaamheden waarbij vuur wordt
gebruikt, worden niet verricht aan of in de onmiddellijke nabijheid
van een brandstofreservoir of andere delen van een motor die brandstof
bevatten. De brandstofreservoirs zijn, behoudens tijdens de aan de
reservoirs te verrichten werkzaamheden, goed gesloten.
3. Aan een tankwagen worden geen
werkzaamheden verricht alvorens de zekerheid is verkregen dat geen
gevaarlijke stoffen of brandbare vloeistoffen in de opslagtank
aanwezig zijn.
4. Het derde lid is niet van toepassing
op de uitvoering van noodreparaties, mits:
a. reparaties niet worden
uitgevoerd aan de opslagtank zelf; en
b. vooraf het bevoegd gezag en de
brandweer zijn geïnformeerd over de soort gevaarlijke stof die in
de opslagtank is opgeslagen en de eigenschappen ervan.
Artikel 4.96
1. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden ten minste
afgezogen dampen en gassen van een ruimte waarin vanwege onderhoud of
reparatie van motoren, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde
apparaten, verbrandingsmotoren worden proefgedraaid, bovendaks
afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig
gebouw, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd
industrieterrein dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één
gevoelig gebouw per hectare, is gelegen.
2. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en
uitvoering van het afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, als
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4.97
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vindt het repareren of het behandelen van de
oppervlakte en het deconserveren en het voorzien van een
antiroestbehandeling van motoren, motorvoertuigen, andere gemotoriseerde
apparaten of onderdelen daarvan, waarbij vloeistoffen vrij kunnen komen,
ten minste plaats boven een bodembeschermende voorziening.
§ 4.6.5. Onderhouden en repareren en
afspuiten van pleziervaartuigen
Artikel 4.98
1. Ten behoeve van het voorkomen van
milieuverontreiniging draagt degene die de inrichting drijft er bij
het onderhouden, repareren en afspuiten van pleziervaartuigen ten
minste zorg voor dat:
a. binnen de inrichting
gedragsvoorschriften aanwezig zijn, die zijn gericht op het
voorkomen van milieuverontreiniging door de houders van
pleziervaartuigen en ziet toe op de naleving daarvan. De
gedragsvoorschriften bevatten in elk geval instructies ten aanzien
van het uitvoeren van onderhoud en reparatie van
pleziervaartuigen;
b. machinaal schuren geschiedt met
mechanische stofafzuiging waarbij het vrijkomende schuurstof in
een stofzak wordt opgevangen.
2. De gedragsvoorschriften als bedoeld
in eerste lid onderdeel a, zijn binnen de inrichting zodanig aanwezig
dat een ieder daarvan op eenvoudige wijze kennis kan nemen.
Artikel 4.99
1. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico vindt bij het onderhouden, repareren
en afspuiten van pleziervaartuigen, het repareren, onderhouden en
behandelen van de oppervlakte van pleziervaartuigen of onderdelen
daarvan, waarbij vloeistoffen vrij kunnen komen, plaats boven een
bodembeschermende voorziening.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien deze werkzaamheden worden verricht binnen het
vaartuig.
3. Het op de wal met water onder hoge
druk reinigen van de romp onder de waterlijn van een pleziervaartuig,
geschiedt boven een vloeistofdichte vloer of verharding.
4. Het reinigen, als bedoeld in het
derde lid, vindt op zodanige wijze plaats dat geen afvalwater buiten
de vloeistofdichte vloer of verharding terecht komt. Windwerende
voorzieningen worden toegepast indien dat nodig is om verwaaien van
afvalwater of afvalstoffen te voorkomen.
Afdeling 4.7. Activiteiten met betrekking
tot papier en textiel
§ 4.7.1. Zeefdrukken
Artikel 4.100
1. Ten behoeve van het voorkomen, dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau
beperken van geurhinder, worden afgezogen dampen en gassen van het
zeefdrukken die op de buitenlucht worden geëmitteerd, ten minste 2
meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de
uitmonding gelegen bebouwing, afgevoerd.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de
uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een
gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan
één gevoelig gebouw per hectare.
3. Het bevoegd gezag kan indien blijkt
dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege
onvoldoende verspreiding van afgezogen dampen, vanwege geuremissies
die niet via de afzuiging worden afgevoerd of vanwege incidentele
geurpieken in aanvulling op het eerste lid met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:
a. de situering van de afvoerpijp;
b. het voorkomen of beperken van
diffuse geuremissies; of
c. het beperken van incidentele
geurpieken tot specifieke tijdstippen.
Artikel 4.101
Aan de procesmatige scheiding als bedoeld
in artikel 4.91, tweede lid, van het besluit wordt in ieder geval
voldaan indien de inkt aan de zeefdrukmachine wordt verwijderd en één
van de volgende technieken wordt toegepast:
a. een automatische
drukvormwasinstallatie;
b. een drukvormspoelmeubel.
Artikel 4.102
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vindt het zeefdrukken en het verwijderen van
inkt van zeefdrukramen door middel van reinigen of andere methoden
plaats boven een bodembeschermende voorziening.
§ 4.7.1a. Vellenoffset druktechniek
Artikel 4.102a
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, wordt totaal
stof dat vrijkomt bij het gebruik van anti-smetpoeder bij
vellenoffsetdrukpersen, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is,
doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden de afgezogen
stofemissies die vrijkomen bij vellenoffsetdrukpersen en die naar de
buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd,
indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw is
gelegen, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd
industrieterrein, dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één
gevoelig gebouw per hectare.
3. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit en met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede
lid.
Artikel 4.102b
Aan artikel 4.94 van het besluit wordt in
ieder geval voldaan indien:
a. het gebruik van anti-smetpoeder
minder bedraagt dan 500 kg per jaar; of
b. de afgezogen stofemissies die
vrijkomen bij vellenoffsetdrukpersen worden gevoerd door een
filtrerende afscheider, die geschikt is om aan artikel 4.94 van het
besluit te voldoen, in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek
gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is,
wordt schoongemaakt en vervangen.
Artikel 4.102c
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, worden gassen
en dampen die vrijkomen bij het offsetdrukproces, voor zover dat
redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau
beperken van geurhinder, worden de overeenkomstig het eerste lid
afgezogen dampen en gassen, indien deze op de buitenlucht worden
geëmitteerd, ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de
binnen 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de
uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een
gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan
één gevoelig gebouw per hectare.
4. Het bevoegd gezag kan indien blijkt
dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege
onvoldoende verspreiding van afgezogen dampen, geuremissies die niet
via de afzuiging worden afgevoerd of incidentele geurpieken in
aanvulling op het tweede lid met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:
a. de situering van de afvoerpijp;
b. het voorkomen of beperken van
diffuse geuremissies; of
c. het beperken van incidentele
geurpieken tot specifieke tijdstippen.
Artikel 4.102d
1. Ter uitvoering van artikel 4.94a,
eerste lid, van het besluit, past degene die de inrichting drijft:
a. bij het toepassen van vluchtige
organische stoffen in het vochtwater een zo laag als
redelijkerwijs mogelijk gehalte aan vluchtige organische stoffen
toe;
b. maatregelen ten aanzien van de
bedrijfsvoering toe, ter voorkoming van onnodige emissie van
vluchtige organische stoffen bij het offsetdrukken en het reinigen
van de hierbij gebruikte apparatuur.
2. Ter uitvoering van artikel 4.94a,
eerste lid, van het besluit stelt degene die de inrichting drijft een
plan op ter reductie van het gebruik van isopropylalcohol of andere
vluchtige organische stoffen die aan het vochtwater worden toegevoegd.
Dit plan:
a. bevat een beschrijving van de
getroffen of te treffen maatregelen ter reductie van het gehalte
aan isopropylalcohol of andere vluchtige organische stoffen in het
vochtwater;
b. gaat in op de mogelijkheid tot
aanschaf van nieuwe persen, die het gehalte aan vluchtige
organische stoffen in het vochtwater zo laag mogelijk maken;
c. wordt tweejaarlijks
geactualiseerd;
d. is voor inzage door het bevoegd
gezag beschikbaar.
3. Indien de emissiereducerende
maatregelen, bedoeld in het eerste of tweede lid, niet of in
onvoldoende mate zijn getroffen, kan het bevoegd gezag verzoeken om
een motivering waarom de maatregelen niet zijn getroffen. Bij de
motivering wordt betrokken de kosteneffectiviteit en de technische
uitvoerbaarheid van de maatregelen.
Artikel 4.102e
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vindt bij het offsetdrukken het verwerken
van inkten, verdunningsmiddelen, reinigingsmiddelen en toevoegmiddelen
plaats boven een bodembeschermende voorziening.
§ 4.7.1b. Bewerken, lijmen, coaten en
lamineren van papier of karton
Artikel 4.102f
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, worden gassen
en dampen die vrijkomen bij:
a. het lijmen, coaten en lamineren
van papier of karton met producten welke vluchtige organische
stoffen bevatten;
b. het aansluitend aan de onder a
genoemde activiteiten drogen dan wel uitharden van met vluchtige
organische stoffen behandelde materialen,
voor zover dat redelijkerwijs mogelijk
is, doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, worden de
overeenkomstig het eerste lid, onderdelen a en b, afgezogen dampen en
gassen, indien deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:
a. ten minste twee meter boven de
hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen
gebouwen afgevoerd; of
b. geleid door een doelmatige
ontgeuringsinstallatie.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de
uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een
gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan
één gevoelig gebouw per hectare.
4. Het bevoegd gezag kan indien blijkt
dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege het
slecht functioneren van de ontgeuringsinstallatie, onvoldoende
verspreiding van afgezogen dampen, geuremissies die niet via de
afzuiging worden afgevoerd of incidentele geurpieken in aanvulling op
het tweede lid met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften
stellen met betrekking tot:
a. de uitvoering en het onderhoud
van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in het tweede lid;
b. de situering van de afvoerpijp;
c. het voorkomen of beperken van
diffuse geuremissies; of
d. het beperken van incidentele
geurpieken tot specifieke tijdstippen.
5. In afwijking van het tweede lid kan
het bevoegd gezag, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar
niveau overschrijdt en de bevoegdheden genoemd in het vierde lid
onvoldoende zijn om de overschrijding ongedaan te maken, met
inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking
tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie of een grotere
afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen.
Artikel 4.102g
1. Ter uitvoering van artikel 4.94e,
eerste lid, van het besluit past degene die de inrichting drijft bij
het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton:
a. maatregelen ten aanzien van de
bedrijfsvoering toe ter voorkoming van onnodige emissie van
vluchtige organische stoffen;
b. oplosmiddelarme producten toe.
2. Indien de emissiereducerende
maatregelen, bedoeld in het eerste lid, niet of in onvoldoende mate
zijn getroffen, kan het bevoegd gezag verzoeken om een motivering
waarom de maatregelen niet zijn getroffen. Bij de motivering wordt
betrokken de kosteneffectiviteit en de technische uitvoerbaarheid van
de maatregelen.
Artikel 4.102h
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vindt bij het lijmen, coaten en lamineren
van papier of karton het verwerken van lijmen en coatings plaats boven
een bodembeschermende voorziening.
Artikel 4.102i
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, wordt totaal stof
dat vrijkomt bij het mechanisch verkleinen van papier en karton en van
papieren of kartonnen producten, voor zover dat redelijkerwijs
mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden afgezogen
emissies, die vrijkomen bij het mechanisch verkleinen van papier en
karton en van papieren of kartonnen producten en die naar de
buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd,
indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet
zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel
op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per
hectare, is gelegen.
3. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede
lid.
Artikel 4.102j
Aan artikel 4.94g, eerste lid, van het
besluit wordt in ieder geval voldaan indien de afgezogen emissies die
vrijkomen bij het versnipperen van papier en karton en van papieren of
kartonnen producten worden gevoerd door een filtrerende afscheider die
in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek wordt gecontroleerd en
zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en
vervangen.
Artikel 4.102k
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vindt het mechanisch verkleinen van papier
en karton en van papieren of kartonnen producten waarbij gebruik wordt
gemaakt van een installatie met een oliecircuit, plaats boven een
bodembeschermende voorziening.
§ 4.7.2. Reinigen en wassen van textiel
Artikel 4.103
De selectielijst meetplaatsen
PER-imissiemeting als bedoeld in de artikelen 4.99, negende lid, en
4.100, negende lid, van het besluit is opgenomen in tabel 4.103.
Tabel 4.103
|
Monsternameprotocol buitenmeting |
|
|
C-31 |
|
|
|
Selectielijst meetplaatsen
PER-imissiemeting |
|
|
|
|
|
|
Bedrijfscode :
Locatie :
Beoordelaar : |
|
|
|
|
|
|
imissiepunt |
Mate |
Afstand kritisch object tot
imissiepunt |
|
|
|
|
1 |
2 |
3 |
4 |
|
1 |
... |
... |
... |
... |
... |
|
2 |
... |
... |
... |
... |
... |
|
3 |
... |
... |
... |
... |
... |
|
4 |
... |
... |
... |
... |
... |
|
5 |
... |
... |
... |
... |
... |
|
Selectie |
|
JA/NEE |
JA/NEE |
JA/NEE |
JA/NEE |
|
Omschrijving gevoelige objecten:
1 =
2 =
3 =
4 = |
|
|
|
|
|
|
Opmerkingen:
– de mate van imissie wordt
ingeschat op basis van ervaring en deskundigheid van de
beoordelaar
– de afstanden tot gevoelige
objecten als bedoeld in artikel 4.96, vijfde lid van het besluit
worden geschat en ingedeeld in de volgende groepen O O O = > 25
m M O O = 15-25 m M M O = 5-15 m M M M = < 5 m
– op de geselecteerde plaatsen
worden metingen met behulp van PEM uitgevoerd |
|
|
|
|
|
Artikel 4.104
1. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico is bij het reinigen en wassen van
textiel een textielreinigingsinstallatie voor het reinigen met PER
opgesteld boven een vloeistofdichte vloer of verharding, die niet voor
PER indringbaar is, of een lekbak.
2. Een textielreinigingsinstallatie
voor het reinigen met oplosmiddelen, niet zijnde PER is opgesteld
boven een vloeistofdichte vloer of verharding.
§ 4.7.3. Mechanische bewerking en
verwerking van textiel
Artikel 4.104a
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, wordt totaal
stof dat vrijkomt bij het geautomatiseerd weven, spinnen en breien van
textiel en het verkleinen van textiel en producten van textiel, voor
zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden de afgezogen
emissies die vrijkomen bij het geautomatiseerd weven, spinnen en
breien van textiel en het verkleinen van textiel en producten van
textiel en die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en
omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt
een gevoelig gebouw is gelegen, niet zijnde een gevoelig gebouw op een
gezoneerd industrieterrein, dan wel op een bedrijventerrein met minder
dan één gevoelig gebouw per hectare.
3. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit en met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede
lid.
Artikel 4.104b
Aan artikel 4.103a van het besluit wordt
in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen stofemissies die
vrijkomen bij het geautomatiseerd weven, spinnen en breien van
textiel en het verkleinen van textiel en producten van textiel
worden gevoerd door een filtrerende afscheider, die geschikt is om
aan artikel 4.103a van het besluit te voldoen; en
b. de filtrerende afscheider in goede
staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo
vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en
vervangen.
Artikel 4.104ba
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vindt het verkleinen van textiel en
producten van textiel waarbij gebruik wordt gemaakt van een installatie
met een oliecircuit, plaats boven een bodembeschermende voorziening.
§ 4.7.4. Lassen van textiel
Artikel 4.104c
1. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht worden afgezogen dampen
en gassen van een ruimte waarin textiel wordt gelast, bovendaks
afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig
gebouw is gelegen, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd
industrieterrein of op een bedrijventerrein met minder dan één
gevoelig gebouw per hectare.
2. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het eerste
lid.
§ 4.7.5. Lijmen en coaten van textiel
Artikel 4.104d
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies worden dampen en
gassen die vrijkomen bij:
a. het coaten en lijmen van textiel
door middel van vernevelen van vluchtige organische stoffen met
een nevelspuit;
b. het aansluitend aan de onder a
genoemde activiteiten, drogen dan wel uitharden van met vluchtige
organische stoffen behandelde materialen,
voor zover dat redelijkerwijs mogelijk
is, doelmatig aan de bron afgezogen.
2. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder worden de
overeenkomstig het eerste lid, onderdelen a en b, afgezogen dampen en
gassen, die op de buitenlucht worden geëmitteerd:
a. ten minste twee meter boven de
hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen
gebouwen afgevoerd; of
b. geleid door een doelmatige
ontgeuringsinstallatie.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de
uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een
gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan
één gevoelig gebouw per hectare.
4. Het bevoegd gezag kan indien blijkt
dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege het
slecht functioneren van de ontgeuringsinstallatie, onvoldoende
verspreiding van afgezogen dampen, geuremissies die niet via de
afzuiging worden afgevoerd of incidentele geurpieken met inachtneming
van de NeR in aanvulling op het tweede lid maatwerkvoorschriften
stellen met betrekking tot:
a. de uitvoering en het onderhoud
van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in het tweede lid;
b. de situering van de afvoerpijp;
c. het voorkomen of beperken van
diffuse geuremissies; of
d. het beperken van incidentele
geurpieken tot specifieke tijdstippen.
5. In afwijking van het tweede lid kan
het bevoegd gezag indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar
niveau overschrijdt en de bevoegdheden genoemd in het vierde lid
onvoldoende zijn om de overschrijding ongedaan te maken met
inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking
tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie of een grotere
afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen.
Artikel 4.104e
Aan artikel 4.103d van het besluit wordt
in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen stofemissies die
vrijkomen bij het coaten en lijmen van textiel door middel van
vernevelen met een nevelspuit worden gevoerd door een filtrerende
afscheider die geschikt is om aan artikel 4.103d van het besluit te
voldoen; en
b. die filtrerende afscheider in
goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en
zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en
vervangen.
Artikel 4.104f
1. Ter uitvoering van artikel 4.103e,
eerste lid, van het besluit, past degene die de inrichting drijft bij
het lijmen en coaten van textiel:
a. maatregelen toe ten aanzien van
de bedrijfsvoering ter voorkoming van onnodige emissie van
vluchtige organische stoffen;
b. oplosmiddelarme producten en
efficiënte applicatiemethoden toe.
2. Indien de emissiereducerende
maatregelen, bedoeld in het eerste lid, niet of in onvoldoende mate
zijn getroffen, kan het bevoegd gezag verzoeken om een motivering
waarom de maatregelen niet zijn getroffen. Bij de motivering wordt
betrokken de kosteneffectiviteit en de technische uitvoerbaarheid van
de maatregelen.
Artikel 4.104g
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vinden bij het lijmen en coaten van textiel
het verwerken van lakken, verdunners en lijmen en het reinigen van
spuitapparatuur plaats boven een bodembeschermende voorziening.
Afdeling 4.8. Overige activiteiten
§ 4.8.1. Inwendig reinigen van tanks,
tankwagens, vrachtwagens en andere transportmiddelen
Artikel 4.104h
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico wordt bij het inwendig reinigen en
ontsmetten van vrachtwagens en andere transportmiddelen het afvalwater
van de vrachtwagen naar het afvoerpunt afgevoerd via een vloeistofdichte
vloer of verharding, waarbij ervoor wordt gezorgd dat geen afvalwater
buiten de vloer of voorziening terecht kan komen.
§ 4.8.2. Bieden van gelegenheid tot het
afmeren van pleziervaartuigen
Artikel 4.105 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.106
Aan artikel 4.107, derde lid, van het
besluit wordt in ieder geval voldaan indien een plan voor het in
ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen de volgende elementen
bevat:
a. een beoordeling van de behoefte
aan voorzieningen voor de ontvangst van afvalstoffen, gelet op de
behoefte van de zeegaande pleziervaartuigen die gewoonlijk de
jachthaven aandoen;
b. een beschrijving van de
voorzieningen voor de inzameling van afvalstoffen en de capaciteit
daarvan;
c. een beschrijving van de procedures
voor de afgifte van de betrokken afvalstoffen;
d. een beschrijving van de procedures
voor het melden van vermeende tekortkomingen in de voorzieningen;
e. een beschrijving van de procedures
voor structureel overleg met havengebruikers, afvalverwerkers en
andere betrokken partijen;
f. een beschrijving van de soort en
de te verwachten hoeveelheden afvalstoffen;
g. een beschrijving van de methoden
voor het registreren van het feitelijk gebruik van de voorzieningen
voor de inzameling van afvalstoffen;
h. een beschrijving van de wijze
waarop ingezamelde afvalstoffen worden verwijderd;
i. vermelding van één of meerdere
personen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het plan.
§ 4.8.3. Bereiden van voedingsmiddelen
Artikel 4.107
1. Ten behoeve van het voorkomen, dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau
beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen van het
bedrijfsmatig bereiden van voedingsmiddelen die naar de buitenlucht
worden geëmitteerd:
a. ten minste 2 meter boven de
hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen
bebouwing afgevoerd; of
b. geleid door een doelmatige
ontgeuringsinstallatie.
2. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau
beperken van geurhinder worden dampen die vrijkomen bij het bereiden
van voedingsmiddelen in een ruimte bij grillen, anders dan met
houtskool, dan wel frituren of bakken in olie of vet, afgezogen en
voordat zij in de buitenlucht worden afgevoerd, geleid door een
doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de
uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een
gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan
één gevoelig gebouw per hectare.
4. Het bevoegd gezag kan indien blijkt
dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege het
slecht functioneren van de ontgeuringsinstallatie, onvoldoende
verspreiding van afgezogen dampen, geuremissies die niet via de
afzuiging worden afgevoerd of incidentele geurpieken in aanvulling op
het eerste lid met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften
stellen met betrekking tot:
a. de uitvoering en het onderhoud
van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in het eerste lid;
b. de situering van het
emissiepunt;
c. het voorkomen of beperken van
diffuse geuremissies; of
d. het beperken van incidentele
geurpieken tot specifieke tijdstippen.
§ 4.8.4. Slachten van dieren, uitsnijden
van vlees en vis en bewerken van dierlijke bijproducten
Artikel 4.108
1. Ten behoeve van het voorkomen, dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau
beperken van geurhinder:
a. wordt bij het slachten van
dieren ten minste vaste dierlijke mest die vrijkomt bij het
slachten opgeslagen in afgesloten, lekvrije tonnen of bakken;
b. worden afgezogen dampen en
gassen van het broeien of koken van dierlijke bijproducten, indien
deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:
1°. ten minste twee meter
boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de
uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of
2°. geleid door een doelmatige
ontgeuringsinstallatie.
2. Het bevoegd gezag kan indien blijkt
dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege het
slecht functioneren van de ontgeuringsinstallatie, onvoldoende
verspreiding van afgezogen dampen, geuremissie die niet via de
afzuiging wordt afgevoerd of incidentele geurpieken in aanvulling op
het eerste lid, onder b, met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:
a. de uitvoering en het onderhoud
van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in het eerste lid,
onder b;
b. de situering van de afvoerpijp;
c. het voorkomen of beperken van
diffuse geuremissies; of
d. het beperken van incidentele
geurpieken tot specifieke tijdstippen.
3. In afwijking van het eerste lid,
onder b, kan het bevoegd gezag indien blijkt dat de geurhinder een
aanvaardbaar niveau overschrijdt en de bevoegdheden genoemd in het
tweede lid onvoldoende zijn om de overschrijding ongedaan te maken met
inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking
tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie of een grotere
afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen.
Artikel 4.108a
1. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico vindt het pekelen plaats boven een
bodembeschermende voorziening.
2. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en ter bescherming
van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van
afvalwater worden bij het pekelen ten minste de gemorste of gelekte
stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en
afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze
stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen. Deze werkwijze wordt
opgenomen in de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies, bedoeld
in artikel 2.3, tweede lid.
§ 4.8.5. In werking hebben acculader
Artikel 4.109
1. Ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico vindt het met een acculader laden van
een accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat, plaats boven
een bodembeschermende voorziening
2. Artikel 2.11 van het besluit is niet
van toepassing op het met een acculader laden van een accu die
vloeibare bodembedreigende stoffen bevat.
§ 4.8.6. In werking hebben van een
noodstroomaggregaat
Artikel 4.110
Ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico vindt bij het in werking hebben van een
noodstroomaggregaat het vullen en het legen van een noodstroomaggregaat
met vloeibare brandstof plaats boven een bodembeschermende voorziening.
§ 4.8.7. Traditioneel schieten
Artikel 4.111
1. Ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan, wordt bij het traditioneel schieten ten minste
voldaan aan het vierde tot en met het zevende lid.
2. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
de belasting van de bodem wordt bij het traditioneel schieten voldaan
aan het derde, het vierde en het zevende lid.
3. Indien bij het schieten hulzen van
verschoten munitie vrijkomen, vindt het schieten plaats boven een
bodembeschermende voorziening.
4. Het schieten vindt op zodanige wijze
plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een
voorziening. De voorziening is opgesteld boven een bodembeschermende
voorziening.
5. Gedurende de periode dat wordt
geschoten bevinden zich geen personen of veediersoorten in de
onveilige zone, uitgezonderd de schutter, de baancommandant en één
of meerdere door de baancommandant aangewezen personen. De onveilige
zone omvat de oppervlakte van een rechthoek van 2 meter aan weerszijde
van de voorziening waarin de afgeschoten kogels worden opgevangen,
bedoeld in het vierde lid, bij 8 meter. De zone bevindt zich aan de
zijde waar op het doel wordt geschoten.
6. In afwijking van het vijfde lid
omvat de onveilige zone bij het schieten op een houten blok of knoest
met kogels van kalibernummer 16 of kleiner de oppervlakte van een
halve cirkel met een straal van 25 meter met het doel waarop wordt
geschoten als middelpunt. De zone bevindt zich aan de zijde waar op
het doel wordt geschoten.
7. In afwijking van het vierde tot en
met het zesde lid kan het bevoegd gezag bij de viering van
festiviteiten maatwerkvoorschriften stellen ten behoeve van het
voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk
beperken van de belasting van de bodem en met betrekking tot de
onveilige zone.
8. De dagen of dagdelen waarop
festiviteiten als bedoeld in het zevende lid plaatsvinden worden door
het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift aangewezen, waarbij het
aantal aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer dan twaalf per
kalenderjaar bedraagt.
§ 4.8.8. In werking hebben van een
crematorium en in gebruik hebben van een strooiveld
Artikel 4.112
1. Ten behoeve van het zo volledig
mogelijk verbranden van rookgassen en het zo veel mogelijk beperken
van het ontstaan van stikstofdioxiden, wordt bij het inwerking hebben
van een crematieoven voldaan aan het tweede tot en met het negende
lid.
2. Een crematieoven is voorzien van een
naverbrandingsruimte voorzien van een naverbrander, waarin de
rookgassen uit de hoofdkamer worden naverbrand.
3. Bij het in werking hebben van een
crematieoven wordt de vorming van stikstofoxiden beperkt door het
toepassen van een low-NOXbrander in de hoofdkamer van de oven en de
naverbrander in de naverbrandingsruimte.
4. In de naverbrandingsruimte, bedoeld
in het tweede lid, vindt een zodanige menging van de rookgassen plaats
dat deze zo volledig mogelijk worden verbrand.
5. Op verzoek van het bevoegd gezag
wordt aangetoond dat het ontwerp van de crematieoven zodanig is, dat
onder normale bedrijfsomstandigheden de verblijftijd van de afgassen
in de naverbrandingsruimte ten minste 1,5 seconde bedraagt bij een
temperatuur van ten minste 800 graden Celsius.
6. De temperatuur van de rookgassen in
de naverbrandingsruimte wordt door middel van een brander boven de 800
graden Celsius gehouden. Hiertoe is de brander van een automatische
regeling voorzien.
7. Het zuurstofgehalte in de
naverbrandingsruimte bedraagt ten minste 6%. Kortdurende
onderschrijdingen van dit gehalte zijn toegestaan met dien verstande
dat deze onderschrijdingen nooit langer dan één minuut duren en dat
het zuurstofgehalte altijd boven de 3% blijft.
8. De temperatuur en het
zuurstofgehalte in de naverbrandingsruimte worden continu gemeten en
geregistreerd.
9. Uiterlijk zes maanden na in
gebruikname van de installatie en daarna jaarlijks wordt de goede
werking van de installatie gecontroleerd door een deskundige. Hierbij
wordt ten minste de werking van de automatische regelingen en de
continue meetapparatuur gecontroleerd.
Artikel 4.113
1. Aan artikel 4.119 van het besluit
wordt in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen emissies die
vrijkomen bij crematieprocessen worden gevoerd door een
adsorptiemedium en filtrerende afscheider, welke combinatie
geschikt is om aan artikel 4.119 van het besluit te voldoen; en
b. het adsorptiemedium en
filtrerende afscheider in goede staat van onderhoud verkeren,
periodiek worden gecontroleerd en zo vaak als voor de goede
werking nodig is, worden schoongemaakt en vervangen.
2. Bij het ontwerp, de uitvoering en
het onderhoud van het adsorptiemedium en de filtrerende afscheider,
bedoeld in het eerste lid, is rekening gehouden met het voorkomen van
dioxine- en furanenvorming in het filter, en het afvangen van de
eventueel in de afgassen aanwezige dioxinen en furanen.
3. Het afgevangen stof uit de
filtrerende afscheider mag niet als crematie-as worden behandeld, maar
wordt afgegeven aan een daartoe erkende inzamelaar.
4. Bij de berekening van een
emissieconcentratie wordt deze betrokken op een zuurstofgehalte van
11% onder normaalcondities en voor droog rookgas.
Artikel 4.114
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
de belasting van de bodem wordt bij het verstrooien van crematie-as op
een strooiveld voldaan aan het tweede tot en met het negende lid.
2. Verstrooiing van crematie-as
geschiedt gelijkmatig en zodanig dat de as niet door verwaaiing buiten
het terrein van de inrichting of het strooiveld terechtkomt of terecht
kan komen.
3. Indien er meer dan 90 maar minder
dan 370 verstrooiingen per hectare per jaar plaatsvinden, worden de
volgende maatregelen getroffen:
a. het onderzoek naar de
bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, van het
besluit, vindt tevens plaats voordat een strooiveld in gebruik
wordt genomen. Een rapport met de resultaten van het onderzoek
wordt uiterlijk binnen drie maanden nadat het strooiveld in
gebruik is genomen, toegestuurd aan het bevoegd gezag;
b. onverminderd artikel 2.11,
tweede en derde lid, van het besluit, wordt ten minste eenmaal per
25 jaar de bodemkwaliteit ter plaatse van het strooiveld bepaald.
Een rapport met de resultaten van het onderzoek wordt uiterlijk
binnen drie maanden na uitvoering van het onderzoek toegestuurd
aan het bevoegd gezag;
c. de immissie van fosfaat naar de
bodem wordt bepaald door middel van uitloogproeven. Deze proeven
worden uitgevoerd op een representatief bodemmonster van het
strooiveld. Deze bepaling wordt uiterlijk binnen drie maanden na
oprichting van het strooiveld en daarna telkens tenminste eenmaal
per 25 jaar verricht. De immissie is niet hoger dan 1.000
milligram per vierkante meter per jaar.
4. Indien er meer dan 370
verstrooiingen per hectare per jaar plaatsvinden, worden de volgende
maatregelen getroffen:
a. het onderzoek naar de
bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, van het
besluit, vindt tevens plaats voordat een strooiveld in gebruik
wordt genomen. Een rapport met de resultaten van het onderzoek
wordt uiterlijk binnen drie maanden nadat het strooiveld in
gebruik is genomen, toegestuurd aan het bevoegd gezag;
b. onverminderd artikel 2.11,
tweede en derde lid, van het besluit, wordt ten minste eenmaal per
vijf jaar de bodemkwaliteit ter plaatse van het strooiveld
bepaald. Een rapport met de resultaten van het onderzoek wordt
uiterlijk binnen drie maanden na uitvoering van het onderzoek
toegestuurd aan het bevoegd gezag;
c. de immissie van fosfaat naar de
bodem wordt bepaald door middel van uitloogproeven. Deze proeven
worden uitgevoerd op een representatief bodemmonster van het
strooiveld. Deze bepaling wordt uiterlijk binnen drie maanden na
oprichting van het strooiveld en daarna telkens tenminste eenmaal
per vijf jaar verricht. De immissie is niet hoger dan 1.000
milligram per vierkante meter per jaar.
5. Indien er meer dan 3200
verstrooiingen per hectare per jaar plaatsvinden, kan het bevoegd
gezag maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van het voorkomen dan
wel zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem.
6. De onderzoeken en rapporten, bedoeld
in het derde en het vierde lid, worden uitgevoerd onderscheidenlijk
opgesteld door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over
een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
7. De bepaling van de
onderzoeksstrategie bij de bepaling van de bodemkwaliteit, bedoeld in
het derde en het vierde lid, gebeurt conform NEN 5740.
8. Indien uit rapporten als bedoeld in
het derde en het vierde lid blijkt dat de belasting van de bodem is
toegenomen ten opzichte van de eerder vastgestelde kwaliteit van de
bodem wordt overeenkomstig artikel 2.11, vijfde lid, van het besluit,
de bodemkwaliteit hersteld.
9. Bij het gebruik van wisselvelden kan
het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift in afwijking van het derde
lid, onderdelen b en c, en het vierde lid, onderdelen b en c, een
afwijkende onderzoeksfrequentie voorschrijven voor het bepalen van de
bodemkwaliteit en het bepalen van de immissie van fosfaat.
Artikel 4.115
1. Binnen de inrichting is een logboek
of systeem aanwezig waarin de volgende zaken worden vastgelegd:
a. de onderhouds- en
controleresultaten, bedoeld in artikel 4.112, negende lid, en de
meetwaarden, bedoeld in artikel 4.112, achtste lid;
b. de opgetreden storingen of
andere onregelmatigheden die van invloed kunnen zijn op de
luchtemissie, onder vermelding van de datum, het tijdstip en de
aard van de storing alsmede de genomen acties om de storing
ongedaan te maken en voor de toekomst te voorkomen;
c. de gebruiksintensiteit van de
strooivelden, bedoeld in artikel 4.114, derde, vierde en vijfde
lid;
d. de rapporten, bedoeld in artikel
4.114, derde en vierde lid.
2. Het logboek is voor inzage door het
bevoegd gezag beschikbaar.
§ 4.8.9. In werking hebben van een
laboratorium of een praktijkruimte
Artikel 4.116
1. Ten behoeve van de bescherming van
het milieu wordt bij het lozen van afvalwater afkomstig van een
laboratorium of een praktijkruimte op het vuilwaterriool ten minste
voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
2. Degene die de inrichting drijft,
stelt gedragsvoorschriften op en treft voorzieningen die zijn gericht
op het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu van het lozen
van afvalwater en draagt er zorg voor dat de gedragsvoorschriften
worden nageleefd.
3. De gedragsvoorschriften en
voorzieningen, bedoeld in het tweede lid, geven ten minste uitwerking
aan:
a. de wijze waarop invulling wordt
gegeven aan een inzamelsysteem voor bepaalde categorieën van
stoffen en preparaten die niet mogen worden geloosd vanuit het
oogpunt van doelmatig kunnen inzamelen en verwerken elders;
b. de wijze waarop invulling wordt
gegeven aan voorlichting van het personeel over het
inzamelsysteem, bedoeld onder a;
c. de wijze waarop invulling wordt
gegeven aan maatregelen die voortkomen uit de preventieve aanpak;
d. de inhoud van een
registratiesysteem met betrekking tot de aanwezige stoffen.
4. Het bevoegde gezag kan indien het
belang van de bescherming van het milieu daartoe noodzaakt,
maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de invulling van de
gedragsvoorschriften en voorzieningen, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 4.117
1. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel beperken van diffuse emissies:
a. past degene die de inrichting
drijft maatregelen ten aanzien van de bedrijfsvoering toe ter
voorkoming van onnodige emissie van stoffen naar de lucht;
b. worden stof, rook en dampen die
vrijkomen bij activiteiten in een laboratorium of praktijkruimte
voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron
afgezogen.
2. Ten behoeve van het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden voor zover het
afgezogen emissies betreft die vrijkomen bij activiteiten in een
laboratorium of praktijkruimte, die naar de buitenlucht worden
afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50
meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet zijnde een
gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel op een
bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare, is
gelegen.
3. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR
maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het
afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede
lid.
Artikel 4.118
Aan artikel 4.125, eerste lid, van het
besluit wordt in ieder geval voldaan indien:
a. de afgezogen stofemissies die
vrijkomen bij laboratoriumproeven worden gevoerd door een
filtrerende afscheider of elektrostatische filterinstallatie die
geschikt is om aan artikel 4.125, eerste lid van het besluit te
voldoen; en
b. die filtrerende afscheider of
elektrostatisch filter in goede staat van onderhoud verkeert, deze
periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking
nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.
| |