| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet milieubeheer (Wm)
BESLUIT
KWALITEITSEISEN EN MONITORING WATER 2009
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 30 november 2009, houdende regels ter
uitvoering van de milieudoelstellingen van de kaderrichtlijn water (Besluit
kwaliteitseisen en monitoring water 2009)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 maart
2009, nr. BJZ2009022292, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken,
gedaan mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Gelet op:
– Richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor
communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L
327);
– Richtlijn nr. 2006/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 15 februari 2006 betreffende de verontreiniging
veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch
milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PbEU L 64);
– Richtlijn nr. 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het
grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PbEU
L 372), en
– Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16
december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het
waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen
82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de
Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG; en
– de artikelen 5.1, eerste en derde lid, 5.2, eerste lid, 5.2b,
derde en vierde lid, en 5.3, eerste en derde lid, van de Wet
milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 3
september 2009, nr. W08.09.0109/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 26 november
2009, nr. BJZ2009063271, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken,
uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en
Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemeen
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
beheerplan voor de rijkswateren: plan als bedoeld in artikel
4.6, eerste lid, van de Waterwet dat op rijkswateren betrekking
heeft;
beheerplan voor de regionale wateren: plan als bedoeld in
artikel 4.6, eerste lid, van de Waterwet dat op regionale wateren
betrekking heeft;
grondwaterlichaam: grondwaterlichaam als bedoeld in artikel 2
van de kaderrichtlijn water, dat krachtens artikel 4.10 van het
Waterbesluit is aangewezen in het regionale waterplan;
grondwaterrichtlijn:richtlijn nr. 2006/118/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006
betreffende de bescherming van het grondwater tegen
verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PbEU L 372);
kunstmatig oppervlaktewaterlichaam: oppervlaktewaterlichaam dat
als zodanig krachtens artikel 4.5 of 4.10 van het Waterbesluit is
aangewezen in het nationale waterplan of het regionale waterplan;
milieukwaliteitseis: milieudoelstelling, vastgesteld als eis
als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet;
monitoringsprogramma: monitoringsprogramma als bedoeld in
artikel 5.3, derde lid, van de wet;
nationaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.1, eerste
lid, van de Waterwet;
oppervlaktewaterlichaam: oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in
artikel 2 van de kaderrichtlijn water, dat krachtens artikel 4.5
of 4.10 van het Waterbesluit is aangewezen in het nationale
waterplan of het regionale waterplan;
Onze Ministers: Onze Minister tezamen met Onze Ministers van
Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
ieder voor zover het aangelegenheden betreft, die mede tot zijn
verantwoordelijkheid behoren;
regionale wateren: regionale wateren als bedoeld in artikel 1.1
van de Waterwet;
regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4, eerste
lid, van de Waterwet;
richtlijn prioritaire stoffen:Richtlijn 2008/105/EGvan het
Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake
milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot
wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG,
83/513/EEG,84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en
tot wijziging vanRichtlijn 2000/60/EG;
richtwaarde: als richtwaarde aangemerkte milieukwaliteitseis
als bedoeld in artikel 5.1, derde lid, van de wet;
rijkswateren: rijkswateren als bedoeld in artikel 1.1 van de
Waterwet;
sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam:
oppervlaktewaterlichaam dat als zodanig krachtens artikel 4.5 of
4.10 van het Waterbesluit is aangewezen in het nationale waterplan
of het regionale waterplan;
stroomgebieddistrict: stroomgebieddistrict als bedoeld in
artikel 1.1 van de Waterwet, gevormd door een of meer
stroomgebieden en daarvan deel uitmakende deelstroomgebieden;
typen natuurlijk oppervlaktewaterlichaam: rivieren, meren,
overgangswateren of kustwateren als omschreven in bijlage II, punt
1.2 bij de kaderrichtlijn water, waarvoor de typespecifieke
referentieomstandigheden voor Nederland zijn uitgewerkt in de
ministeriële regeling op grond van artikel 15 en in het
monitoringsprogramma overeenkomstig bijlage II, punt 1.3, bij de
kaderrichtlijn water;
verontreinigende stof: verontreinigende stof als bedoeld in
artikel 1, onder 31, van de kaderrichtlijn water, met name de
stoffen, bedoeld in bijlage VIII bij die richtlijn;
waterlichaam: oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam;
waterwinlocatie: onttrekkingspunt van oppervlaktewater of
grondwater dat wordt gebruikt voor de bereiding van voor
menselijke consumptie bestemd water, of een samenstel van
dergelijke onttrekkingspunten;
wet: Wet milieubeheer.
2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder de
volgende begrippen verstaan wat daaronder in artikel 2 van de
kaderrichtlijn water wordt verstaan: beschikbare grondwatervoorraad,
binnenwateren, deelstroomgebied, ecologische toestand, gevaarlijke
stoffen, goede ecologische toestand, goed ecologisch potentieel, goede
chemische toestand van oppervlaktewater, goede chemische toestand van
grondwater, goede grondwatertoestand, goede kwantitatieve
grondwatertoestand, goede oppervlaktewatertoestand, grondwater,
grondwatertoestand, kustwateren, kwantitatieve grondwatertoestand,
meer, milieudoelstelling, milieukwaliteitsnorm, oppervlaktewater,
oppervlaktewatertoestand, overgangswater, prioritaire stoffen, rivier,
stroomgebied, verontreiniging, voor menselijke consumptie bestemd
water.
3. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder de
volgende begrippen verstaan wat daaronder in artikel 2 van de
grondwaterrichtlijn wordt verstaan: drempelwaarde, significante en
aanhoudend stijgende trend.
Artikel 2
1. Van een ingevolge dit besluit geldende richtwaarde kan
uitsluitend worden afgeweken in de gevallen waarin en volgens de
voorwaarden waaronder dit is toegestaan volgens de bepalingen van de
kaderrichtlijn water, waarnaar in dit besluit wordt verwezen.
2. Indien voor een waterlichaam ingevolge dit besluit of andere
regelgeving meer dan een milieudoelstelling geldt, is de strengste van
toepassing.
3. Van een ingevolge dit besluit geldende richtwaarde kan met
betrekking tot de daarbij behorende termijn worden afgeweken indien:
a. de toestand van het waterlichaam niet achteruitgaat
overeenkomstig artikel 16,
b. is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 4, vierde en
achtste lid, van de kaderrichtlijn water, en
c. de reden van de afwijking voor dat waterlichaam is vermeld
in het beheerplan voor de rijkswateren, indien het rijkswateren
betreft, dan wel het regionale waterplan, indien het regionale
wateren of grondwater betreft.
4. Van een ingevolge dit besluit geldende richtwaarde kan worden
afgeweken indien:
a. de toestand van het waterlichaam niet achteruitgaat
overeenkomstig artikel 16,
b. het desbetreffende waterlichaam in een zodanige mate door
menselijke activiteiten is aangetast of zijn natuurlijke
gesteldheid van dien aard is dat het bereiken van de richtwaarde
niet haalbaar of onevenredig kostbaar is,
c. is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 4, vijfde en
achtste lid, van de kaderrichtlijn water, en
d. de reden van de afwijking voor dat waterlichaam is vermeld
in het beheerplan voor de rijkswateren, indien het rijkswateren
betreft, dan wel het regionale waterplan, indien het regionale
wateren of grondwater betreft.
5. Van een ingevolge dit besluit geldende richtwaarde kan met
betrekking tot een goede ecologische toestand of een goede
grondwatertoestand voorts worden afgeweken indien:
a. het niet bereiken daarvan het gevolg is van nieuwe
veranderingen van de fysische kenmerken van een
oppervlakterwaterlichaam of wijzigingen in de stand van een
grondwaterlichaam,
b. is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 4, zevende en
achtste lid, van de kaderrichtlijn water, en
c. de reden van de afwijking voor dat waterlichaam is vermeld
in het beheerplan voor de rijkswateren, indien het rijkswateren
betreft, dan wel het regionale waterplan, indien het regionale
wateren betreft.
6. Voor een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam
zijn het tweede, derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing
met betrekking tot het goede ecologische potentieel dat voor een
oppervlaktewaterlichaam is vastgesteld overeenkomstig artikel 6,
tweede lid.
7. Van een ingevolge dit besluit geldende richtwaarde kan worden
afgeweken indien:
a. de afwijking te wijten is aan een buiten Nederland gelegen
verontreinigingsbron,
b. naleving van de richtwaarde ten gevolge van de
grensoverschrijdende verontreiniging niet mogelijk is, en
c. is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 6, eerste lid,
onder c, en tweede lid, van de richtlijn prioritaire stoffen.
Artikel 3
1. Voor de toepassing van artikel 5.2b, vierde lid, van de wet
geldt dat een tijdelijke achteruitgang van de toestand van een
waterlichaam is toegelaten indien:
a. deze het resultaat is van omstandigheden die zich door een
natuurlijke oorzaak of overmacht voordoen en die uitzonderlijk
zijn of niet redelijkerwijze waren te voorzien, met name extreme
overstromingen en lange droogteperioden, of het gevolg zijn van
omstandigheden die zijn veroorzaakt door redelijkerwijs niet te
voorziene ongevallen,
b. aan alle voorwaarden van artikel 4, zesde en achtste lid,
van de kaderrichtlijn water is voldaan, en
c. de reden van de afwijking voor dat waterlichaam wordt
vermeld in het eerstvolgende beheerplan voor de rijkswateren,
indien het rijkswateren betreft, dan wel het eerstvolgende
regionale waterplan, indien het regionale wateren of grondwater
betreft.
2. Voor de toepassing van artikel 5.2b, vierde lid, van de wet
geldt dat een achteruitgang van de toestand van een waterlichaam is
toegelaten indien:
a. het niet voorkomen van die achteruitgang het gevolg is van
nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een
oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van
grondwaterlichamen, dan wel het niet voorkomen van achteruitgang
van een zeer goede toestand van een oppervlaktewaterlichaam naar
een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten
van menselijke ontwikkeling,
b. aan alle voorwaarden van artikel 4, zevende en achtste lid,
van de kaderrichtlijn water is voldaan, en
c. de reden van de afwijking voor dat waterlichaam is vermeld
in het beheerplan voor de rijkswateren, indien het rijkswateren
betreft, dan wel het regionale waterplan, indien het regionale
wateren of grondwater betreft.
§ 2. Oppervlaktewater
Artikel 4
1. Bij de vaststelling van het nationale waterplan, het beheerplan
voor de rijkswateren, een regionaal waterplan of een beheerplan voor
de regionale wateren houdt het bevoegd gezag voor elk daarin opgenomen
oppervlaktewaterlichaam rekening met de volgende richtwaarde: met
ingang van 22 december 2015 is een goede oppervlaktewatertoestand
bereikt.
2. Een goede oppervlaktewatertoestand als bedoeld in het eerste lid
houdt in dat zowel de chemische toestand, bedoeld in artikel 5, als de
ecologische toestand, bedoeld in artikel 6, vastgesteld overeenkomstig
die artikelen goed zijn.
Artikel 5
Een oppervlaktewaterlichaam verkeert in een goede chemische toestand
indien overeenkomstig het monitoringsprogramma is vastgesteld dat is
voldaan aan alle ingevolge bijlage I bij dit besluit daarvoor geldende
richtwaarden.
Artikel 6
1. Een oppervlaktewaterlichaam verkeert in een goede ecologische
toestand indien overeenkomstig het monitoringsprogramma is vastgesteld
dat voor de kwaliteitselementen die voor het type natuurlijk
oppervlaktewaterlichaam waartoe het oppervlaktewaterlichaam behoort,
zijn genoemd in bijlage V, paragraaf 1.1, bij de kaderrichtlijn water,
is voldaan aan de volgende richtwaarden:
de algemene definities van de goede ecologische toestand die voor
het desbetreffende type zijn opgenomen in bijlage V, paragraaf 1.2, de
tabellen 1.2.1 tot en met 1.2.4, bij de kaderrichtlijn water.
2. Van de in het eerste lid bedoelde richtwaarden kan worden
afgeweken indien:
a. het een kunstmatig waterlichaam of sterk veranderd
waterlichaam betreft, en
b. voor dat waterlichaam, onder vermelding van de reden van de
afwijking, een goed ecologisch potentieel is vastgesteld in het
beheerplan voor de rijkswateren, indien het rijkswateren betreft,
dan wel het regionale waterplan, indien het regionale wateren
betreft.
3. Een goed ecologisch potentieel als bedoeld in het tweede lid
komt, gegeven de fysische omstandigheden die voortvloeien uit de
kunstmatige of sterk veranderde kenmerken van het
oppervlaktewaterlichaam, zoveel mogelijk overeen met de richtwaarden
voor de biologische, hydromorfologische en fysisch-chemische
kwaliteitselementen van de goede ecologische toestand van de meest
vergelijkbare typen natuurlijk oppervlaktewaterlichaam. Het wordt
vastgesteld met inachtneming van de algemene definities van een goed
ecologisch potentieel die zijn opgenomen in bijlage V, paragraaf 1.2,
tabel 1.2.5, bij de kaderrichtlijn water.
§ 3. Grondwater
Artikel 7
1. Bij de vaststelling van een regionaal waterplan houden
provinciale staten voor elk daarin opgenomen grondwaterlichaam
rekening met de volgende richtwaarde: met ingang van 22 december 2015
is een goede grondwatertoestand bereikt.
2. Een goede toestand als bedoeld in het eerste lid houdt in dat
zowel de kwantitatieve toestand, bedoeld in artikel 8, als de
chemische toestand, bedoeld in artikel 9, vastgesteld overeenkomstig
die artikelen goed zijn.
Artikel 8
Een grondwaterlichaam verkeert in een goede kwantitatieve toestand
indien is voldaan aan alle voorwaarden van bijlage V, punt 2.1.2, bij de
kaderrichtlijn water.
Artikel 9
Een grondwaterlichaam verkeert in een goede chemische toestand indien
overeenkomstig het monitoringsprogramma is vastgesteld dat:
a. is voldaan aan alle voorwaarden van bijlage V, punt 2.3.2, bij
de kaderrichtlijn water en de richtwaarden, genoemd in bijlage II,
tabellen 1 en 2, bij dit besluit;
b. in een of meer monitoringspunten niet is voldaan aan een
richtwaarde als bedoeld in onderdeel a, maar gedeputeerde staten
door een passend onderzoek overeenkomstig bijlage III bij de
grondwaterrichtlijn hebben bevestigd dat is voldaan aan alle
voorwaarden van artikel 4, tweede lid, onderdeel c, en vijfde lid,
van die richtlijn.
Artikel 10
1. Bij de vaststelling van een regionaal waterplan houden
provinciale staten rekening met de volgende richtwaarde: in een
grondwaterlichaam vinden met ingang van 22 december 2009 geen
significante en aanhoudend stijgende trends plaats in de concentraties
van verontreinigende stoffen, groepen verontreinigende stoffen of
indicatoren van verontreiniging, die een significant schaderisico
opleveren voor de kwaliteit van een aquatisch of terrestrisch
ecosysteem, de menselijke gezondheid of voor het rechtmatig gebruik,
feitelijk of potentieel, van het watermilieu.
2. Een significante en aanhoudend stijgende trend levert een
significant schaderisico als bedoeld in het eerste lid, op, indien het
beginpunt voor een trendomkering wordt of dreigt te worden
overschreden, en niet de overeenkomstig artikel 5, tweede lid, van de
grondwaterrichtlijn vereiste maatregelen worden genomen.
3. Het beginpunt voor een trendomkering, bedoeld in het tweede lid,
bedraagt 75 procent van de richtwaarden die in bijlage III, tabellen 1
en 2, bij dit besluit zijn opgenomen.
4. Van de ingevolge het eerste lid geldende richtwaarde kan met
betrekking tot het in het derde lid vermelde percentage worden
afgeweken indien:
a. sprake is van een situatie als bedoeld in bijlage IV, deel
B, punt 1, onder c, van de grondwaterrichtlijn,
b. in het regionale waterplan voor een grondwaterlichaam een
hoger percentage is vermeld,
c. is voldaan aan alle voorwaarden van de in onderdeel a
genoemde bepaling, en
d. de reden van de afwijking is vermeld in het in onderdeel b
bedoelde plan.
§ 4. Waterwinlocaties
Artikel 11
Voor de toepassing van artikel 12 wordt onder een waterwinlocatie
verstaan een locatie die als zodanig is opgenomen in het beheerplan voor
de rijkswateren, indien het rijkswateren betreft, dan wel het regionale
waterplan, indien het regionale wateren of grondwater betreft.
Artikel 12
1. Bij de vaststelling van het nationale waterplan, het beheerplan
voor de rijkswateren, een regionaal waterplan of een beheerplan voor
de regionale wateren houdt het bevoegd gezag voor elke waterwinlocatie
waar oppervlaktewater wordt onttrokken, rekening met de richtwaarden
die voor het onttrokken water zijn opgenomen in bijlage III, tabel 1,
bij dit besluit.
2. Aan de richtwaarde wordt met ingang van 22 december 2009
voldaan.
3. Bij de vaststelling van een plan als bedoeld in het eerste lid
worden de volgende streefwaarden betrokken:
a. de kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen waarin een
waterwinlocatie is gelegen, verbetert zodanig dat het niveau van
zuivering van het onttrokken water kan worden verlaagd totdat het
onttrokken water voldoet aan alle ingevolge bijlage III, tabel 2,
bij dit besluit geldende streefwaarden;
b. de kwaliteit van grondwaterlichamen waarin een
waterinlocatie is gelegen, verbetert zodanig dat het niveau van
zuivering van het onttrokken water kan worden verlaagd;
c. de kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen waaruit na
oeverinfiltratie op een waterwinlocatie water wordt onttrokken,
verbetert zodanig dat het niveau van zuivering van het onttrokken
water kan worden verlaagd.
§ 5. Monitoring
Artikel 13
1. Onze Ministers stellen met inachtneming van het daaromtrent
bepaalde in de kaderrichtlijn water, de grondwaterrichtlijn en de
richtlijn prioritaire stoffen voor elk stroomgebieddistrict een
monitoringsprogramma vast. Het programma omvat een aanduiding van de
monitoringspunten, en een beschrijving van de wijze van:
a. monitoring van de toestand van een waterlichaam, voor zover
het stoffen en kwaliteitselementen betreft, die relevant zijn voor
de toestand van het waterlichaam,
b. monitoring van tendensen met betrekking tot de concentraties
van stoffen,
c. monitoring van de kwantitatieve toestand van een
grondwaterlichaam, met inbegrip van een beoordeling van de
beschikbare grondwatervoorraad,
d. interpretatie en presentatie van de monitoringsresultaten,
e. indeling van een waterlichaam in een toestandsklasse,
f. verslaglegging over de monitoringsresultaten, en
g. vaststelling van de toestandsklasse waarin een waterlichaam
zich bevindt, per stof en kwaliteitselement, ten behoeve van de
toepassing van artikel 16,
teneinde representatieve monitoringsgegevens te verkrijgen, die een
samenhangend totaalbeeld van de toestand van de waterlichamen binnen
het stroomgebieddistrict geven.
2. In het monitoringsprogramma kan overeenkomstig punt 1.3.4 van
bijlage V bij de kaderrichtlijn water worden bepaald dat statistische
methoden worden toegepast, waaronder een percentielberekening, zodat
een aanvaardbaar niveau van betrouwbaarheid en nauwkeurigheid wordt
gewaarborgd wanneer wordt bepaald of is voldaan aan een richtwaarde
die in dit besluit is vastgesteld. De statistische methoden voldoen
aan overeenkomstig de procedure van artikel 21, tweede lid, van de
kaderrichtlijn water vastgestelde regels.
3. Het programma wordt getoetst en bijgesteld in gevallen waarin
dat vereist wordt door de kaderrichtlijn water.
4. In afwijking van het eerste lid wordt een onderdeel van het
monitoringsprogramma dat betrekking heeft op monitoring voor nader
onderzoek, in gevallen als bedoeld in bijlage V, onder 1.3.3, bij de
kaderrichtlijn water, of op monitoring voor aanvullende
trendbeoordeling, in gevallen als bedoeld in artikel 5, vijfde lid,
van de grondwaterrichtlijn, met inachtneming van het daaromtrent
bepaalde in die richtlijnen, vastgesteld door het bestuursorgaan dat
krachtensartikel 14 verantwoordelijk is voor de monitoring van het
desbetreffende waterlichaam.
5. Van een monitoringsprogramma of een onderdeel daarvan als
bedoeld in het vierde lid en een bijstelling van dat programma of
onderdeel geeft Onze Minister van Verkeer en Waterstaat openbaar
kennis.
Artikel 14
Voor de uitvoering van het monitoringsprogramma zijn, ieder voor
zover hun bevoegdheid strekt, verantwoordelijk:
a. voor oppervlaktewaterlichamen: de bestuursorganen die bevoegd
zijn een vergunning krachtens artikel 6.2, eerste lid, van de
Waterwet te verlenen;
b. voor grondwaterlichamen: gedeputeerde staten.
Artikel 15
Bij ministeriële regeling kunnen met inachtneming van het
daaromtrent bepaalde in de kaderrichtlijn water, in het bijzonder
bijlage V, paragraaf 1.2.6, bij die richtlijn, de grondwaterrichtlijn en
de richtlijn prioritaire stoffen regels worden gesteld met betrekking
tot de onderdelen van het monitoringsprogramma die zijn vermeld in
artikel 13, eerste lid.
Artikel 16
1. In het monitoringsprogramma wordt, met inachtneming van het
tweede lid, aangegeven op welke wijze aan het eind van de planperiode
voor elk waterlichaam wordt vastgesteld of gedurende de planperiode is
voldaan aan artikel 5.2b, vierde lid, van de wet.
2. Er is niet aan artikel 5.2b, vierde lid, van de wet voldaan
indien voor een stof of kwaliteitselement waarvoor ingevolge dit
besluit een richtwaarde geldt:
a. de toestand van een waterlichaam in een lagere
toestandklasse terecht is gekomen,
b. de kwaliteit van het waterlichaam in de laagste
toestandklasse, bepaald overeenkomstig het monitoringsprogramma,
is verslechterd, of
c. de kwaliteit van een waterlichaam waarin een waterwinlocatie
is gelegen, zodanig is verslechterd dat een verhoging van het
niveau van zuivering voor de bereiding van drinkwater is vereist,
met dien verstande dat artikel 12, vierde lid, van overeenkomstige
toepassing is indien de waterwinlocatie in een
oppervlaktewaterlichaam voor de bereiding van drinkwater is
gelegen.
3. De indeling van een oppervlaktewaterlichaam in een
toestandklasse komt overeen met de laagste toestandklasse waarin de
chemische toestand, de ecologische toestand, onderscheidenlijk het
ecologische potentieel, verkeert.
4. De indeling van een grondwaterlichaam in een toestandklasse komt
overeen met de laagste toestand waarin de kwantitatieve toestand,
onderscheidenlijk de chemische toestand, verkeert.
5. Voor de toepassing van het tweede lid worden de volgende
toestandklassen onderscheiden:
a. voor oppervlaktewaterlichamen:
1°. wat betreft de chemische toestand: de toestandklasse
goed als bedoeld inartikel 5, of niet goed;
2°. wat betreft de ecologische toestand: de toestandklasse
zeer goed, goed als bedoeld in artikel 6, eerste lid, matig,
ontoereikend of slecht, bepaald voor het type natuurlijk
oppervlaktewater waartoe het oppervlaktewaterlichaam behoort,
zoals omschreven in bijlage V, paragraaf 1.2, de tabellen
1.2.1 tot en met 1.2.4, bij de kaderrichtlijn water;
3°. wat betreft het ecologisch potentieel, indien van
toepassing: de toestandklasse goed als bedoeld in artikel 6,
derde lid, matig, ontoereikend of slecht, zoals omschreven in
paragraaf 1.2, tabel 1.2.5, bij de kaderrichtlijn water,
overeenkomstig hetgeen daaromtrent is aangegeven in het plan,
bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder b;
b. voor grondwaterlichamen:
1°. wat betreft de kwantitatieve toestand: goed als
bedoeld in artikel 8, en ontoereikend;
2°. wat betreft de chemische toestand: goed als bedoeld in
artikel 9, en ontoereikend.
6. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent
de toepassing van dit artikel.
§ 6. Overige bepalingen
Artikel 17
1. De termijn, bedoeld in artikel 5.1, vijfde lid, van de wet,
bedraagt zes jaar, tenzij een bij dit besluit gestelde
milieukwaliteitseis eerder herziening behoeft ter implementatie van
artikel 11, vijfde lid, vierde streepje van de kaderrichtlijn water.
2. De eerste volzin van artikel 5.2, derde lid, van de wet is niet
van toepassing ten aanzien van de bij dit besluit gestelde
milieukwaliteitseisen.
Artikel 18
Een wijziging van de kaderrichtlijn water krachtens artikel 20 van de
richtlijn, een wijziging van de grondwaterrichtlijn krachtens artikel 8
van de richtlijn of een wijziging van de richtlijn prioritaire stoffen
krachtens artikel 3 van de richtlijn gaat voor de toepassing van dit
besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 19
1. De paragrafen van het Besluit kwaliteitseisen en monitoring
water vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende paragrafen verschillend kan worden vastgesteld.
2. Het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water wordt
ingetrokken.
Artikel 20
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 21
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kwaliteitseisen en
monitoring water 2009.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 30 november 2009
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J.M. Cramer
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.C. Huizinga-Heringa
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
G. Verburg
Uitgegeven de negentiende januari 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|