| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet militaire
strafrechtspraak (WMSR)
INSTELLINGSBESLUIT
COMMISSIE EVALUATIE MILITAIR STRAF- EN
TUCHTRECHT
Tekst zoals deze geldt op
22 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
De Minister van
Justitie en de Staatssecretaris van Defensie;
Gelet op de Rijkswet van 14 juni 1990, Stb.
1990, 368, tot wijziging van het Wetboek van Militair Strafrecht in
verband met de herziening van het militair tuchtrecht en ter afschaffing
van de doodstraf, de Rijkswet van 14 juni 1990, Stb. 1990, 367,
tot herziening van het militair tuchtrecht (Wet militair tuchtrecht) en
de Rijkswet van 14 juni 1990, Stb. 1990, 370, houdende nieuwe
regels inzake de militaire strafrechtspraak (Wet militaire
strafrechtspraak), alle in werking getreden op 1 januari 1991, waarin
het militair straf-, strafproces- en tuchtrecht op ingrijpende wijze is
herzien;
Overwegende dat tijdens de behandeling in de
Eerste Kamer der Staten-Generaal van de aan bovengenoemde wetten ten
grondslag liggende wetsontwerpen 16 813 (R1165) en 17 804 (R1228)
betreffende de herziening van het militair straf-, strafproces- en
tuchtrecht het voornemen door de bewindslieden is uitgesproken de nieuwe
wetgeving te laten evalueren en dat het met het oog daarop wenselijk is
een commissie in het leven te roepen;
Besluiten:
Artikel 1
Er is een Commissie Evaluatie Militair Straf- en Tuchtrecht, hierna
te noemen de commissie.
Artikel 2
De commissie is als volgt samengesteld:
Voorzitter:
– Prof. Mr. J. de Ruiter, oud-Minister van Justitie en van
Defensie:
Leden:
– Mevrouw Mr. W. Sorgdrager, procureur-generaal bij het
gerechtshof te Arnhem;
– Mr. L. R. van der Weij, president van de
arrondissementsrechtbank te Arnhem;
– G. L. J. Huyser, Generaal b.d. voormalig Chef Defensiestaf;
– J. F. G. A. M. Maas, Luitenant-generaal. Inspecteur Generaal
der Krijgsmacht;
– Mr. S. W. P. C. Braunius, Kapitein ter Zee van administratie
b.d. voormalig Hoofd Militair Juridische zaken bij de Marinestaf;
– Prof. mr. Th. de Roos, Hoogleraar Straf- en Strafprocesrecht
aan de Rijksuniversiteit Limburg. Advocaat en Procureur te
Amsterdam;
Adviserende leden:
– Dr. S. B. Ybema, Directeur Juridische Zaken. Ministerie van
Defensie;
– Dr. D. W. Steenhuis, Hoofd Centrale Directie
Wetenschapsbeleid en Ontwikkeling, Ministerie van Justitie.
Artikel 3
De commissie heeft tot taak aan de Minister van Justitie en de
Staatssecretaris van Defensie rapport uit te brengen met betrekking tot
de praktijk, zoals die zich voordoet bij de toepassing van het herziene
militaire straf-, strafproces- en tuchtrecht, in welk rapport de
commissie conclusies uit het in onze opdracht te verrichten en door de
commissie te begeleiden evaluatieonderzoek kan neerleggen en, indien de
commissie daartoe aanleiding aanwezig acht, aanbevelingen op grond van
deze conclusies kan doen.
Artikel 4
a. Aan de commissie is een secretariaat
toegevoegd. Dit secretariaat staat onder leiding van de secretaris.
b. Het secretariaat is voor de uitoefening van zijn taak
verantwoording schuldig aan de voorzitter van de commissie.
Artikel 5
Het in artikel 3 bedoelde evaluatieonderzoek zal worden verricht door
een door ons aan te wijzen onderzoeksinstituut. Over de te geven
onderzoeksopdracht zal de commissie worden gehoord.
Artikel 6
Zowel de commissie als het aan te wijzen onderzoeksinstituut zijn
bevoegd zich rechtstreeks te wenden tot alle autoriteiten, instanties en
personen.
Artikel 7
De niet-ambtelijke leden van de commissie ontvangen een vergoeding.
Artikel 8
De commissie neemt bij haar werkzaamheden zodanige voorzorgen in
acht, dat de persoonlijke levenssfeer van de bij het onderzoek te
betrekken personen wordt gewaarborgd.
Artikel 9
Een ieder die betrokken is bij de werkzaamheden van de commissie en
daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het
vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor
wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift
terzake van die gegevens geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot
geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift
hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn werkzaamheden ten behoeve van
de commissie de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
Artikel 10
a. De commissie brengt zo mogelijk binnen
twaalf maanden na instelling rapport uit.
b. De commissie dient haar bevindingen schriftelijk vast te
leggen in een eindrapport.
Artikel 11
Dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemene
Rekenkamer, zal met toelichting worden geplaatst in de Staatscourant
en treedt in werking op 1 juni 1992.
's-Gravenhage, 27 maart 1992.
De Minister voornoemd,
E.M.H. Hirsch Ballin.
's-Gravenhage, 10 februari 1992.
De Staatssecretaris voornoemd,
B.J.M. baron van Voorst tot Voorst.
|
|
|