St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML)

 

AANWIJZINGSBESLUIT  ARBEIDSVERHOUDINGEN  DIE  ALS  DIENSTBETREKKING  WORDEN  BESCHOUWD

Tekst zoals deze geldt op 20 januari 2012

 

  
 

 

 
BESLUIT van 2 september 1996, houdende aanwijzing van een aantal arbeidsverhoudingen die als dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag worden beschouwd

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 maart 1996, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/RV/96/554;
     Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag;
     Gezien de adviezen van de Sociaal-Economische Raad (advies van 20 september 1991, nr. 91/19), de Emancipatieraad (advies van 6 september 1991, nr. III/19/91) en de Stichting van de Arbeid (advies van 21 december 1993, nr 10/93);
     De Raad van State gehoord (advies van 6 mei 1996, nr. W12.96.0141);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 augustus 1996, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/RV/96/1264;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Artikel 1

1. Voor de toepassing van het bij of krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bepaalde wordt onder dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van die wet mede verstaan de arbeidsverhouding van degene die krachtens een overeenkomst tegen beloning arbeid verricht voor ten hoogste twee anderen, tenzij deze overeenkomst is aangegaan in beroep en bedrijf.

2. De in het eerste lid bedoelde persoon verricht de aldaar bedoelde arbeid persoonlijk dan wel uitsluitend met behulp van zijn echtgenoot of bij hem inwonende bloedverwanten of aanverwanten of pleegkinderen.

3. In dit besluit wordt als echtgenoot mede aangemerkt degene met wie de in het eerste lid bedoelde persoon een gezamenlijke huishouding voert.

4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

5. De duur van de in het eerste lid bedoelde arbeidsverhouding bedraagt ten minste drie maanden, waarbij de periode gedurende welke geen arbeid wordt verricht, minder dan 31 dagen bedraagt.

6. De duur van de in het eerste lid bedoelde arbeid bedraagt gemiddeld ten minste vijf uren per week.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 2 september 1996

 

BEATRIX

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert

 

Uitgegeven de derde oktober 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

 

 

 

 

    
 

x

   

home | WML | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x