BESLUIT van 29 juni 1983, houdende vaststelling van
een minimumjeugdloonregeling
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op voordracht
van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 juni 1983,
Directoraat-Generaal voor Algemene Beleidsaangelegenheden, Directie
Arbeidsvoorwaarden-, Inkomens- en Vermogensbeleid, Afdeling
Inkomensbeleid, nr. 97.561;
Gelet op artikel 7, derde lid, en artikel 8,
derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb.
1968, 657);
Gezien het advies van de Stichting van de
Arbeid van 9 juni 1983, nr. S.A. 48.261/K/Bu;
De Raad van State gehoord (advies van 23 juni
1983, nr. W12.83.0331/16.3.25;
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 juni 1983, Directoraat-Generaal
voor Algemene Beleidsaangelegenheden, Directie Arbeidsvoorwaarden-,
Inkomens- en Vermogensbeleid, Afdeling Inkomensbeleid, nr. 97.809;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Werknemers die de leeftijd van 15 jaar doch niet die van 23 jaar
hebben bereikt, hebben de aanspraak, bedoeld in artikel 7, eerste lid,
van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Artikel 2
1. Het minimumloon waarop artikel 1 aanspraak geeft, bedraagt
voor de hierna te onderscheiden leeftijdscategorieën het daarbij aan
te geven percentage van het minimumloon, dat geldt ingevolge de
artikelen 8, eerste lid en 14 van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag:
de 22-jarigen: 85
de 21-jarigen: 72½
de 20-jarigen: 61½
de 19-jarigen: 52½
de 18-jarigen: 45½
de 17-jarigen: 39½
de 16-jarigen: 34½
de 15-jarigen: 30.
2. De uit de toepassing van het voorgaande lid voortvloeiende
maand- en weekbedragen worden afgerond op een veelvoud van € 0,05;
indien het restbedrag € 0,025 of meer bedraagt, geschiedt de afronding
naar boven.
Artikel 3
Het Koninklijk besluit van 24 december 1980, houdende vaststelling
van een minimumjeugdloonregeling (Stb. 1980, 699) wordt
ingetrokken.
Artikel 4
1. In afwijking van het in artikel 2 bepaalde behouden
werknemers, die op 30 juni 1983 uit hoofde van de arbeidsovereenkomst
waarop hun dienstbetrekking berust aanspraak hebben op een minimumloon
berekend volgens het in artikel 3 genoemde Koninklijk besluit,
aanspraak op een loon tenminste tot het voor hen op die datum geldende
bedrag. Deze aanspraak geldt zolang de overeenkomst waarop de
dienstbetrekking berust na 30 juni 1983 voortduurt dan wel gedurende
een na die datum aangegane andere overeenkomst waarop een
dienstbetrekking in de zin van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag berust, doch uiterlijk tot 1 juli 1984.
2. Indien het minimumloon dat geldt ingevolge de artikelen 8,
eerste lid, en 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag met
ingang van een na 30 juni 1983 gelegen datum wordt verlaagd, worden de
bedragen van het loon waarop ingevolge het eerste lid tenminste
aanspraak bestaat, met ingang van dezelfde datum naar evenredigheid
verlaagd. Artikel 2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1983.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden naar de
Raad van State.
's-Gravenhage, 29 juni 1983
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. de Koning
Uitgegeven de negenentwintigste juni 1983
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes