| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet Nationale
ombudsman (WNo)
BESLUIT
BESTUURSORGANEN WNO EN WOB
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 11 september 1998, houdende uitzondering
respectievelijk aanwijzing van bestuursorganen als bedoeld in de Wet
Nationale ombudsman en de Wet openbaarheid van bestuur (Besluit
bestuursorganen WNo en Wob)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken van
15 april 1998, 98M003527, gedaan mede namens de Staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken, mr. J. Kohnstamm;
Gelet op artikel 1a, eerste lid,
onderdeel e, en tweede lid, van de Wet Nationale ombudsman
onderscheidenlijk artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, en
tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur;
De Raad van State gehoord (advies van 10 juli
1998, nr. W01.98.0149);
Gezien het nader rapport van Onze
Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 8 september 1998,
98M007702, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Als bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel e,
van de Wet Nationale ombudsman onderscheidenlijk artikel 1a, eerste lid,
onderdeel d, van de Wet openbaarheid van bestuur, zijn uitgezonderd:
a. de Nederlandse Omroep Stichting, genoemd in artikel 16 van de
Mediawet, voor zover belast met andere werkzaamheden dan welke
voortvloeien uit onderscheidenlijk verband houden met de
coördinatie van de programma's van de instellingen die zendtijd
hebben gekregen voor landelijke omroep, onderscheidenlijk met het
indelen van de zendtijd van de instellingen die zendtijd hebben
verkregen voor de landelijke omroep;
b. de Nederlandsche Bank N.V., voor zover belast met de
werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar
taken op grond van de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, en 3
van de Bankwet 1998, en haar taken en bevoegdheden ingevolge artikel
4, eerste lid, van de Bankwet 1998, de Pensioenwet, de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, de Wet op het notarisambt en de
Wet op het financieel toezicht, alsmede, voor zover nog van
toepassing op grond van de artikelen 2a, 5, 8, 17, 18, 19, 20a, 22,
25a, 46, en 49 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, de
Pensioen- en spaarfondsenwet en de Wet verplichte
beroepspensioenregeling zoals deze luidden op 31 december 2006;
c. de Stichting Autoriteit Financiële Markten, voor zover belast
met werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met
haar taken en bevoegdheden ingevolge de Wet toezicht financiële
verslaggeving, de Wet op het financieel toezicht, de Wet toezicht
accountantsorganisaties, de Pensioenwet, de Wet verplichte
beroepspensioenregeling en de Wet op het notarisambt.
Artikel 2
Als bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1a, tweede lid, van de Wet
Nationale ombudsman onderscheidenlijk artikel 1a, tweede lid, van de Wet
openbaarheid van bestuur, zijn aangewezen de bestuursorganen van:
a. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, genoemd
in artikel 1.5 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek;
b. de Open Universiteit, genoemd in artikel 1.3 van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. Openbare universiteiten als bedoeld in de bijlage bij de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
d. Openbare hoge scholen als bedoeld in de bijlage bij de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
e. de Koninklijke Bibliotheek, genoemd in artikel 1.5 van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
f. landelijke organen als bedoeld in artikel 1.5.1 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs;
g. de Nederlandse Organisatie voor
toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO, genoemd in artikel 3
van de TNO-wet;
h. de Centrale commissie vaststelling examenopgaven en
beoordelingsnormen, genoemd in het Besluit Instelling Centrale
commissie vaststelling examenopgaven en beoordelingsnormen;
i. het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, genoemd in het
koninklijk besluit van 28 juli 1979 (Stb. 1979, 426);
j. de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek,
genoemd in artikel 2 van de Wet op de Nederlandse organisatie voor
wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
de uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 30 juni 1998.
Artikel 4
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bestuursorganen WNo en Wob.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 11 september 1998
BEATRIX
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
W. Kok
De Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
A. Peper
Uitgegeven de dertiende oktober 1998
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|