a. artikel 4, vijfde lid, onder d, van het op 25 augustus
1924 te Brussel tot stand gekomen Internationale Verdrag ter
vaststelling van enige eenvormige regelen betreffende het
cognossement zoals gewijzigd door het op 23 februari 1968 te Brussel
tot stand gekomen Protocol bij dit verdrag (Trb. 1953, 109 en
Trb. 1979, 26);
b. artikel 469a, vierde lid, van het Wetboek van
Koophandel, zoals gewijzigd door de Wet van 11 maart 1981 (Stb.
206);
c. artikel 3, zesde lid, van het op 10 oktober 1957 te Brussel
tot stand gekomen Internationaal Verdrag nopens de beperking van de
aansprakelijkheid van eigenaren van zeeschepen (Trb. 1958,
46), alsmede artikel 740d, vierde lid, van het Wetboek van
Koophandel;
d. artikel 3, tweede lid, van de wet van 24 oktober 1973 (Stb.
536), houdende regelen inzake wettelijke aansprakelijkheid van
exploitanten van nucleaire schepen;
e. artikel V, negende lid, van het op 29 november 1969 te Brussel
tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke
aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie (Trb.
1970, 196 en Trb. 1971, 77), alsmede artikel 4, derde lid,
van de Wet aansprakelijkheid olietankschepen (Stb. 1975,
321);
f. artikel 1, onder 4, van het op 18 december 1971 te Brussel tot
stand gekomen Internationaal Verdrag ter oprichting van een
internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging
door olie (Trb. 1973, 101);
g. artikel 22, vierde lid, van het op 12 oktober 1929 te Warschau
tot stand gekomen Verdrag tot het brengen van eenheid in enige
bepalingen inzake het internationale luchtvervoer (Stb. 1933,
365), alsmede artikel 22, vijfde lid, van dit verdrag, zoals
gewijzigd door het op 28 september 1955 te 's-Gravenhage tot stand
gekomen Protocol bij dit verdrag (Stb. 1933, 365 en Trb.
1956, 26);
h. artikel 30, zesde lid, van de wet van 10 september 1936 (Stb.
523), houdende voorzieningen inzake het luchtvervoer;
i. artikel 23, derde lid, van het op 19 mei 1956 te Genθve tot
stand gekomen Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal
vervoer van goederen over de weg (CMR; Trb. 1957, 84);
j. artikel 57, eerste lid, van het op 7 februari 1970 te Bern tot
stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende het goederenvervoer
per spoorweg (CIM; Trb. 1970, 172);
k. artikel 53, eerste lid, van het op 7 februari 1970 te Bern tot
stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende het vervoer van
reizigers en bagage per spoorweg (CIV; Trb. 1970, 173);
l. artikel 21 van het Aanvullend Verdrag bij het Internationaal
Verdrag betreffende het vervoer van reizigers en bagage per spoorweg
(CIV) van 7 februari 1970, inzake de aansprakelijkheid van de
spoorweg voor de dood en de verwonding van reizigers (Aanvullend
Verdrag van 26 februari 1966 zoals gewijzigd door Protocol II,
gesloten te Bern op 9 november 1973; Trb. 1966, 174 en Trb.
1974, 92);
m. artikel 7, onder b, van het op 29 juli 1960 te Parijs
tot stand gekomen Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid op het
gebied van de kernenergie, zoals gewijzigd door het op 28 januari
1964 te Parijs tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij dit verdrag
(Trb. 1964, 175);
n. artikel 3, onder g, van het op 31 januari 1963 te
Brussel tot stand gekomen Verdrag tot aanvulling van het Verdrag van
Parijs van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het
gebied van de kernenergie, zoals gewijzigd door het op 28 januari
1964 te Parijs tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij dit verdrag
(Trb. 1964, 176).