Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: Minister van Economische Zaken;
b. wet: Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit;
c. college: college, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de wet.
Artikel 2. Wijze van informatie-uitwisseling
De in deze regeling genoemde informatie die tussen de minister en het
college wordt uitgewisseld, wordt in ieder geval op een toegankelijke
wijze aangeleverd, waar mogelijk gebruikmakend van
informatietechnologie.
Artikel 3. Reactie minister op verzoeken van het college tot
initiëring of wijziging van regelgeving
De minister beslist zo mogelijk binnen een termijn van zes weken op
een verzoek van het college tot initiëring of wijziging van de
regelgeving op het gebied van elektronische communicatie en post.
De minister informeert het college
tijdig over voornemens tot formulering of aanpassing van beleid danwel
regelgeving op het gebied van, danwel relevant voor, de taakuitoefening
van het college. Het college kan, indien het dat gewenst acht een advies
uitbrengen aan de minister.
2. In ieder geval verstrekt de minister het college de aan het
criterium van het eerste lid beantwoordende:
a. beleidsnota’s;
b. ontwerpen van wet, inclusief de memorie van toelichting;
c. ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur;
d. reacties op adviezen van de Raad van State en op de
schriftelijke inbreng van de Tweede en Eerste Kamer der
Staten-Generaal;
e. ontwerp-ministeriële regelingen;
f. concept-vergunningen en vergunningvoorschriften;
Artikel 5. Uitvoeringstoets
1. De minister verzoekt het college om voorgenomen wet- en
regelgeving en overige beleidsvoornemens, welke na invoering van
invloed zijn of kunnen zijn op het functioneren van het college te
toetsen op:
a. uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid;
b. gevolgen voor het college in termen van personeel, organisatie
en financiën;
c. mogelijkheden om doeltreffendheid en doelmatigheid van het
beleidsvoornemen te vergroten.
2. De minister doet het verzoek om een uitvoeringstoets in
overleg met het college op een zodanig tijdstip dat de rapportage nog
van invloed kan zijn op de besluitvorming.
3. Indien de minister nalaat het college tijdig te verzoeken om
een uitvoeringstoets, kan het college uit eigen beweging een
uitvoeringstoets uitvoeren. In dat geval informeert het college de
minister over het voornemen daartoe.
4. Het college reageert binnen vier weken op de voornemens,
tenzij de minister om spoedeisende redenen verzoekt om een reactie
binnen een door hem aan te geven kortere termijn.
5. De minister reageert op de door het college toegezonden
rapportage en motiveert daarbij hoe de rapportage in de besluitvorming
is of zal worden betrokken.
6. Indien de aan het college voorgelegde beleidsvoornemens of
voorgenomen wet- en regelgeving tussentijds wijzigen, legt de minister
de wijzigingen ten behoeve van een finale uitvoeringstoets voor aan het
college. Het tweede tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 6. Uitvoeringsevaluatie
1. Het college evalueert op verzoek van de minister of uit
eigen beweging de uitvoering van nieuw of bijgesteld beleid dan wel
nieuwe of bijgestelde wet- en regelgeving.
2. De minister bepaalt in overleg met het college de termijn
waarbinnen de rapportage gereed dient te zijn.
3. De minister reageert op de door het college toegezonden
rapportage en motiveert daarbij hoe de rapportage en de besluitvorming
betrokken is of zal worden betrokken.
4. Het college verstrekt een overzicht van de uitgevoerde
evaluaties en de daaruit voortvloeiende rapportages op het moment van
indiening van het jaarverslag in een separaat document.
Artikel 7. Feitelijke gegevens
1. Het college levert op een door de minister gedaan verzoek of
uit eigen beweging bepaalde feitelijke gegevens, die noodzakelijk
worden geacht ten behoeve van de ontwikkeling en uitvoering van beleid
en wet- en regelgeving, politieke besluitvorming en de beantwoording
van door de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal gestelde
vragen.
2. Onder de feitelijke gegevens die uit eigen beweging worden
geleverd, worden in ieder geval begrepen:
a. de ten behoeve van de taken van de minister in het belang van de
veiligheid van de Staat, de handhaving van de strafrechtelijke
rechtsorde, en ten behoeve van buitengewone omstandigheden te
registreren gegevens;
b. teksten van consultatiedocumenten;
c. afschriften van informatie die door het college rechtstreeks aan
het parlement wordt gezonden, voor zover deze niet aangemerkt zijn als
vertrouwelijke stukken;
d. verslagen van relevante internationale bezoeken;
e. maandoverzicht van gehouden en te houden hoorzittingen.
3. Indien het leveren van gegevens, voor zover dit geschiedt op
een door de minister gedaan verzoek, buitengewone inspanning of kosten
vergt of zou leiden tot tariefsverhoging, informeert het college de
minister hierover per omgaande. Hierbij verstrekt het college een
overzicht van de te maken kosten of de benodigde inspanningen, met
redenen omkleed. De minister beslist vervolgens of hij de informatie wil
ontvangen, en zal indien dit het geval is aangeven dat de kosten hieraan
verbonden door hem zullen worden voldaan, danwel de tariefsverhoging in
de toekomst zal worden toegestaan.
Artikel 8. Informatie ter kennisneming door de minister te
verstrekken
1. Ter kennisneming biedt de minister het college zo spoedig
mogelijk na het beschikbaar komen daarvan, voor zover op het gebied
van dan wel relevant voor de taakuitoefening door het college, de
volgende informatie aan:
a. besluiten over of vastgestelde versies van de in artikel 4,
tweede lid, genoemde voornemens;
b. (andere) brieven of nota’s aan de kamers der Staten- Generaal,
voor zover deze niet aangemerkt zijn als vertrouwelijke stukken;
c. adviesaanvragen en consultatiedocumenten;
d. internationale afspraken over internationale regelgeving en
verslagen van internationaal overleg;
e. verslagen van relevante overleggremia, waaronder in ieder geval
het Overlegplatform Post en Telecommunicatie (OPT), het Nationaal
Nummeroverleg (NNO) en relevant interdepartementaal overleg.
2. De minister draagt er zorg voor dat het college wordt
geïnformeerd over relevante ontwikkelingen en aanschrijvingen op niveau
van de rijksoverheid aangaande de bedrijfsvoering.
Het college hanteert de in het tweede
lid genoemde kengetallen bij de onderbouwing van de begroting en de
meerjarenraming, het jaarverslag en de halfjaarrapportages.
2. Het college verstrekt de minister de navolgende kengetallen:
a. Personeelsuitgaven, exclusief de bezoldiging van de vaste leden
van het college, uitgesplitst in de navolgende kostenposten:
1º. personele omvang in formatieenheden en bezetting per 1
januari en per 31 december van elk kalenderjaar;
2º. formatie-opbouw;
3º. totale salarissom, inclusief afdrachten, exclusief toelagen;
4º. gemiddelde loonsom in de vorm van een indexcijfer, waarbij
de gemiddelde loonsom per werknemer per 1 augustus 1997 op 100 is
gesteld;
5º. aantal, aard en som van uitbetaalde toelagen;
6º. aantallen en kosten ontslaguitkeringen;
7º. kosten overige personele uitgaven;
b. De totale bezoldiging, inclusief pensioenafdracht van, en andere
uitkeringen aan de vaste leden van het college, alsmede vergoedingen
aan de geassocieerde leden van het college;
c. Kosten (personeel en materieel) en opbrengsten per
(markt)categorie, waarbij de volgende (markt)categorieën worden
onderscheiden:
1°. openbare elektronische communicatienetwerken;
2°. openbare elektronische communicatiediensten;
3°. systemen voor voorwaardelijke toegang;
4°. toegang tot het programma-aanbod;
5°. vergunningen als bedoeld in artikel 20.7, eerste lid, van de
Telecommunicatiewet;
6°. vergunningen als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, en
20.2, eerste lid, van de Telecommunicatiewet;
7°. nummers;
8°. diensten van certificatiedienstverleners;
9°. concessie post en geregistreerde postkoeriers.
De kosten van bezwaar en beroep alsmede de kosten van advisering
aan de minister op grond van deze regeling worden hierbij afzonderlijk
in beeld gebracht.
d. Doorlooptijden van aanvragen van machtigingen, vergunningen,
nummers en registraties;
e. resultaten van uitgevoerde klanttevredenheidsonderzoeken;
f. Aantal en aard van de klachten over functioneren van OPTA;
g. Aantal ingediende bezwaar- en beroepschriften, aantal
geschillen, aantal klachten op grond van de Wet Nationale Ombudsman
alsmede het aantal beroep- en bezwaarschriften op grond van de Wet
openbaarheid van bestuur en de resultaten daarvan.
Artikel 10. De begroting en meerjarenraming
1. Jaarlijks wordt voor 1 november ter goedkeuring aan de
minister voorgelegd een document waarin de begroting, de
meerjarenraming en een hierop gebaseerd tarievenstelsel zijn
geïntegreerd.
2. De begroting en de meerjarenraming bedoeld in artikel 11,
tweede lid van de wet, verschaffen inzicht in de keuzes die het college
maakt ten aanzien van zijn uitvoeringsbeleid, de onderbouwing en de
consequenties van de gemaakte keuzes, alsmede de financiële vertaling
daarvan in de begroting en de meerjarencijfers.
3. Het college levert de begroting en de meerjarenraming in jaar
t, die betrekking heeft op: de gerealiseerde gegevens van t-1, de
geprognotiseerde realisatie-gegevens van t, de begrote gegevens van t+1
en de meerjarengegevens van t+2 tot en met t+5.
4. Ten behoeve van de begroting en de meerjarenraming wordt
inzicht gegeven in de volgende aspecten:
a. de interne en externe ontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor
de door het college gelegde en te leggen beleidsaccenten in termen van
strategie, doelstellingen en resultaten;
b. veranderingen in de werkwijze van het college voor zover deze
politiek relevant worden geacht of financieel van substantiële omvang
zijn;
c. het financieel beleid in hoofdlijnen, waaronder onder andere
efficiencywinst;
d. zwaarwegende technische en juridische aspecten die van invloed
kunnen zijn op wet- en regelgeving;
e. zwaarwegende veranderingen in het beleid ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden van het personeel.
f. de ontwikkeling van tarieven en kostendekkendheid;
g. de kwaliteitsverbetering;
h. de ouderdomsanalyse debiteuren en het incassotraject.
5. Tevens worden de navolgende cijfermatige gegevens verstrekt:
a. de exploitatiebegroting;
b. de begrote balans per ultimo van het begrotingsjaar;
c. een kasstroomoverzicht;
d. de kapitaaluitgaven en - ontvangsten;
e. de kengetallen genoemd in artikel 9;
f. een toelichting op de onderdelen a tot en met e.
6. De inrichting van de exploitatiebegroting en de balans is in
beginsel in overeenstemming met de inrichting van de jaarrekening.
Artikel 11. Tarievenvoorstel
1. Het college doet jaarlijks bij het indienen van de begroting
en de meerjarenraming of zonodig bij de halfjaarrapportage een
voorstel voor tarieven en tariefwijzigingen aan de minister, vergezeld
van een toelichting.
2. In deze toelichting wordt ingegaan op:
a. de voorgestelde tarieven voor het nieuwe jaar tegen de
achtergrond van een meerjarig beeld van tariefontwikkeling;
b. de redenen van de voorgestelde tariefswijzigingen;
c. de invloed van en consequenties voor de vermogenspositie van het
college;
d. de mate van kostendekkendheid en de kostenontwikkeling;
e. de invloed van efficiëntie-ontwikkelingen;
f. de invloed van loon- en prijsontwikkelingen;
g. de invloed van de personeelsuitgaven en de uitgaven ten behoeve
van de vaste en geassocieerde leden van het college op de tarieven;
3. Bij de toelichting op de tarieven voor het nieuwe jaar (t+1)
wordt expliciet ingegaan op de componenten van deze tarieven zoals
aangegeven in de vastgestelde tarievennota van OPTA.
4. Het college geeft in de toelichting aan welke mate van
kostendekkendheid per (markt)categorie wordt bereikt in relatie tot
andere financieringsbronnen.
5. Het college informeert de minister bij voorgestelde
tariefwijzigingen inzake de mogelijk aan het voorstel gekoppelde
gevoeligheden.
Artikel 12. De Jaarstukken
Het Jaarverslag
1. Het jaarverslag bedoeld in artikel 17 van de wet, geeft een
getrouw beeld omtrent de toestand op 31 december van het jaar waarover
gerapporteerd wordt en de gang van zaken gedurende dat jaar.
2. In het jaarverslag wordt ingegaan op de werkzaamheden, het
gevoerde beleid in het algemeen, en de doelmatigheid en doeltreffendheid
van de werkwijze in het bijzonder in het afgelopen boekjaar, mede in
relatie tot de in de meerjarenraming en de begroting vooraf gestelde
doelen en verwachte ontwikkelingen, alsmede de factoren die daarbij van
invloed zijn geweest.
3. In het jaarverslag wordt het oordeel over de situatie van de
informatiebeveiliging vermeld, alsmede op welke wijze en door wie dit
oordeel tot stand is gekomen.
4. In het jaarverslag worden de kengetallen genoemd in artikel 9
opgenomen.
5. In het jaarverslag wordt informatie verstrekt over het
gehanteerde functiewaarderingssysteem.
6. In het jaarverslag worden mededelingen gedaan omtrent de gang
van zaken; daarbij wordt, voor zover gewichtige belangen zich hiertegen
niet verzetten, in het bijzonder aandacht besteed aan de investeringen,
de financiering en personele aspecten en aan de omstandigheden waarvan
de ontwikkeling van de omzet en van de kwaliteit van de taakuitoefening
afhankelijk is.
7. Het jaarverslag mag niet in strijd zijn met de jaarrekening.
8. Uiterlijk met ingang van het tweede verslagjaar bevat het
jaarverslag tevens een globale beschrijving van de ontwikkelingen op de
postmarkt en de elektronische communicatiemarkt.
De Jaarrekening
9. Bij het opstellen van de jaarrekening, bedoeld in artikel 20
van de wet, zijn de artikelen 361, 362, eerste tot en met vijfde lid,
362, zevende lid, 363 tot en met 390 en 392 van Boek 2 BW van
overeenkomstige toepassing; voor ’de algemene vergadering van leden of
aandeelhouders’ of ’de algemene vergadering’ of ’de leden’ of
’de aandeelhouders’ moet worden gelezen: ’Onze Minister’; voor
’het bestuur’ of ’bestuurders’ moet worden gelezen: ’het
college’ respectievelijk ’de vaste leden van het college’.
10. Het college dient in plaats van de winst- en verliesrekening
een exploitatierekening in; op deze rekening zijn de bepalingen omtrent
de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige
toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn zoveel mogelijk van
overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.
11. In artikel 367, eerste lid, onderdeel f, en in artikel 370,
eerste lid, onderdeel e, van Boek 2 BW, dient voor ’leden of houders
van aandelen op naam’ gelezen te worden : ’de Staat.’
Artikel 13. Halfjaarreportage
1. Het college dient binnen drie weken na 1 juli van het
uitvoeringsjaar bij de minister een rapportage in waarin worden
opgenomen de kengetallen genoemd in artikel 9 die gevolgen hebben voor
de begroting, voorzover er sprake is van significante afwijkingen van
de begroting, alsmede een eventueel aangepaste prognose.
2. Van een significante afwijking als bedoeld in het eerste lid
is sprake bij een afwijking vanaf 10% per kengetal, als bedoeld in
artikel 9, tweede lid, onder 1°, 2° en 3°, en bij een afwijking vanaf
25 %, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder 5°. Indien
afwijkingen genoemd in dit lid geldelijke bedragen betreffen, geldt
tevens als minimum een afwijking van € 50.000 in ontvangsten of
uitgaven per marktcategorie.
Artikel 14. Vierjaarlijkse Evaluatie
1. Voorafgaand aan de evaluatie ten behoeve van het aan de Sta
ten-Generaal te zenden verslag over de doelmatigheid en
doeltreffendheid van het functioneren van het college en de
wenselijkheid van voortzetting van de Onafhankelijke Post en
Telecommunicatie Autoriteit, vindt er tussen de minister en het
college overleg plaats en worden er afspraken gemaakt over de inhoud,
de te verstrekken gegevens en de aanpak van de evaluatie.
2. De minister stelt het college in kennis van het verslag
alvorens de minister het verslag aan de Staten-Generaal zendt, met het
verzoek hierop te reageren binnen de bij het verzoek door de minister
gestelde termijn.
3. De minister reageert op de visie van het college ten aanzien
van het verslag en geeft daarbij in ieder geval aan in hoeverre de visie
van het college is betrokken bij de finale beoordeling.
Artikel 15. Onderzoek door derden ten behoeve van toezicht
Indien de minister een derde aanwijst om in het kader van het
toezicht op het functioneren van het college onderzoek te doen naar een
door de minister te bepalen taak van het college of van de
taakuitoefening als geheel, verstrekt het college aan deze derde, op de
door de derde te bepalen redelijke wijze, de ter zake van het onderzoek
relevante informatie.