| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op belastingen
van rechtsverkeer (WBRV)
UITVOERINGSBESLUIT
BELASTINGEN VAN RECHTSVERKEER
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 22 juni 1971 tot vaststelling van het
Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 29 april 1971, nr.
B71/8431, directie Wetgeving Douane en Verbruiksbelastingen;
Gelet op de artikelen 11, derde lid, 15, 37, en
53 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Stb. 1970, 611);
De Raad van State gehoord (advies van 2 juni
1971, nr. 6);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Financiën van 18 juni 1971, nr. B 71/11450,
directie Wetgeving Douane en Verbruiksbelastingen;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Begripsbepaling
Artikel 1
Dit besluit verstaat onder wet: Wet op belastingen van rechtsverkeer.
Hoofdstuk I. Overdrachtsbelasting
Artikel 2
De waarde van een canon, een retributie of een huur als is bedoeld in
artikel 11 van de wet, wordt bepaald met inachtneming van de bij dit
besluit behorende bijlage.
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 4
1.De in artikel 15, eerste lid, onderdeel e, onder 1°, van de wet
bedoelde vrijstelling bij inbreng in een vennootschap die geen in
aandelen verdeeld kapitaal heeft, van een onderneming, waaronder mede
wordt verstaan de onderneming bestaande in een deelgerechtigdheid in
een maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap,
is van toepassing indien alle tot het ondernemingsvermogen behorende
activa en passiva die een functie vervullen in de onderneming worden
ingebracht tegen bijschrijving op de kapitaalrekening van de
vennootschap van een bedrag dat ten minste 90 percent is van de waarde
in het economische verkeer van het vermogen van de ingebrachte
onderneming dan wel de boekwaarde van dat vermogen, zoals die geldt
voor de heffing van inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting, in
gevallen waarin de ondernemer inbrengt met voorbehoud van stille
reserves.
2.In afwijking van het eerste lid is de aldaar bedoelde
vrijstelling eveneens van toepassing indien de inbreng geen betrekking
heeft op een onderneming maar op afzonderlijke onroerende zaken, mits
de inbreng volgt op een verkrijging als bedoeld in artikel 15, eerste
lid, onderdeel f, onder 1° of 2°, van de wet, en de verkrijging en
de inbreng uitsluitend plaatshebben in verband met de toetreding,
uittreding of vervanging van vennoten, dan wel de toepassing van
artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De in dit
lid bedoelde onroerende zaken moeten voorafgaand aan bedoelde
verkrijging deel hebben uitgemaakt van het vermogen van de onderneming
van de vennootschap en niet zijn gebruikt of bestemd voor gebruik in
het kader van het verkrijgen, vervreemden, of exploiteren van
onroerende zaken.
3.De belasting die door toepassing van artikel 15, eerste lid,
onderdeel e, onder 1°, van de wet niet is geheven ter zake van een
inbreng is alsnog verschuldigd, indien de inbrenger binnen drie jaren
na de inbreng niet meer vennoot is van de vennootschap, dan wel binnen
die periode zijn bijschrijving wegens inbreng op de kapitaalrekening
is verminderd, anders dan door afboeking van zijn aandeel in het
verlies van de vennootschap. De bepaling is eveneens van toepassing
bij het verlenen van een koopoptie op het aandeel of een deel van het
aandeel van de inbrenger in het vermogen van de vennootschap.
4.De belasting die door toepassing van artikel 15, eerste lid,
onderdeel e, onder 1°, van de wet niet is geheven ter zake van een
inbreng is alsnog verschuldigd, indien de onderneming niet gedurende
een periode van ten minste drie jaren na de inbreng door de
vennootschap wordt voortgezet.
5.Het derde en vierde lid blijft buiten toepassing in geval van een
inbreng als bedoeld in het eerste lid, dan wel een omzetting als
bedoeld in artikel 5.
6.Onder kapitaalrekening wordt verstaan de rekening op de balans
van de vennootschap waarop de deelgerechtigdheid van de vennoot in het
vermogen van de vennootschap wordt opgenomen.
7.Voor de toepassing van dit artikel worden onder onroerende zaken
mede verstaan fictieve onroerende zaken als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, van de wet, rechten waaraan onroerende zaken of fictieve
onroerende zaken zijn onderworpen, alsmede de economische eigendom van
deze zaken of rechten.
Artikel 4a
1. De in artikel 15, eerste lid, onderdeel f, onder 2°, van de wet
bedoelde vrijstelling krachtens vereffening van het vermogen van een
rechtspersoon is van toepassing wanneer de vereffening plaatsheeft in
het kader van de voortzetting van een door een vennootschap gedreven
onderneming door de aandeelhouders, als bedoeld in artikel 14c van de
Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Onder vennootschap wordt in de
vorige volzin verstaan de naamloze vennootschap en de besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, mits deze vennootschappen
uitsluitend natuurlijke personen als aandeelhouder hebben.
2. De belasting die door toepassing van artikel 15, eerste lid,
onderdeel f, onder 2°, van de wet niet is geheven ter zake van een
vereffening is alsnog verschuldigd, indien de onderneming niet
gedurende een periode van ten minste drie jaren na de vereffening door
de verkrijger rechtstreeks wordt voortgezet of mede voortgezet.
3. Het tweede lid blijft buiten toepassing in geval van inbreng of
omzetting van een onderneming, als bedoeld in artikel 15, eerste lid,
onderdeel e, onder 1°, onderscheidenlijk onder 2°, van de wet.
Artikel 5
1. De in artikel 15, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, bedoelde
vrijstelling bij omzetting van een niet in de vorm van een naamloze
vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
gedreven onderneming, waaronder mede wordt verstaan de onderneming
bestaande in een deelgerechtigdheid in een maatschap, vennootschap
onder firma of commanditaire vennootschap, in een naamloze
vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
is van toepassing indien alle tot het ondernemingsvermogen behorende
activa en passiva die een functie vervullen in de onderneming worden
ingebracht tegen toekenning van aandelen, mits de oprichters van de
vennootschap in het aandelenkapitaal geheel of nagenoeg geheel in
dezelfde verhouding gerechtigd zijn als in het vermogen van de
omgezette onderneming.
2. Onder toekenning van aandelen wordt begrepen het geval waarin
naast de toekenning van aandelen tevens een bedrag in geld wordt
betaald van ten hoogste 10 percent van de waarde van hetgeen op de
aandelen is gestort, met dien verstande dat ingeval de omzetting
plaatsvindt met toepassing van artikel 3.65 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, dit bedrag kan worden gesteld op het bedrag
waarvoor de ondernemer op grond van de aan deze toepassing verbonden
voorwaarden wordt gecrediteerd.
3. De belasting die door toepassing van artikel 15, eerste lid,
onderdeel e, onder 2°, van de wet niet is geheven ter zake van een
omzetting is alsnog verschuldigd, indien de inbrenger binnen drie
jaren na de omzetting niet meer in het bezit is van alle bij of in
verband met die omzetting verkregen aandelen. De bepaling is eveneens
van toepassing bij vervreemding van claims en het verlenen van een
koopoptie op de aandelen, alsmede bij een gehele of gedeeltelijke
terugbetaling van hetgeen op de aandelen is gestort.
4. De belasting die door toepassing van artikel 15, eerste lid,
onderdeel e, onder 2°, van de wet niet is geheven ter zake van een
omzetting is alsnog verschuldigd, indien de onderneming niet gedurende
een periode van ten minste drie jaren na de omzetting door de
vennootschap wordt voortgezet.
5. Het derde lid blijft buiten toepassing in geval van vervreemding
van de aandelen in het kader van een splitsing als bedoeld in artikel
5c, dan wel indien ten minste 75 percent van de aandelen van de
opgerichte vennootschap wordt verkregen door een andere vennootschap
tegen toekenning van eigen aandelen, met dien verstande dat de
toegekende aandelen in de plaats komen van de in het derde lid
bedoelde aandelen. Onder toekenning van aandelen wordt mede begrepen
het geval waarin naast de toekenning van aandelen tevens een bedrag in
geld wordt betaald van ten hoogste 10 percent van de nominale waarde
van de toegekende aandelen.
6. Het vierde lid blijft buiten toepassing in geval van
vervreemding in het kader van een fusie als bedoeld in artikel 5a, een
interne reorganisatie als bedoeld in artikel 5b, dan wel een splitsing
als bedoeld in artikel 5c.
Artikel 5bis
1. De in artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de wet bedoelde
vrijstelling wegens fusie is van toepassing bij overgang van vermogen
onder algemene titel in het kader van een juridische fusie tussen
rechtspersonen, mits die fusie hoofdzakelijk plaatsvindt op grond van
zakelijke overwegingen. De eerste volzin blijft buiten toepassing in
geval van een fusie waarop artikel 5b, eerste lid, van toepassing is.
2. De in artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de wet bedoelde
vrijstelling wegens fusie is niet van toepassing dan wel de belasting
die door toepassing van artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de
wet niet is geheven is alsnog verschuldigd, indien:
a. een aandeelhouder van een verdwijnende rechtspersoon, welke
rechtspersoon op het tijdstip van de fusie kwalificeert als een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a,
van de wet, op dat tijdstip of op enig tijdstip in het daaraan
voorafgaande jaar, al dan niet tezamen met een tot hetzelfde
concern als gedefinieerd in artikel 5b, tweede lid, behorend
lichaam, een belang van ten minste een derde gedeelte in de
verdwijnende rechtspersoon bezit of heeft bezeten, daarvoor als
gevolg van de fusie geen in de plaats komend soortgelijk belang in
de verkrijgende rechtspersoon of een groepsmaatschappij daarvan
verkrijgt, dan wel dat soortgelijk belang binnen drie jaren na de
fusie geheel of ten dele vervreemdt;
b. een aandeelhouder van de verkrijgende rechtspersoon, welke
rechtspersoon op het tijdstip van de fusie kwalificeert als een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a,
van de wet, op dat tijdstip of op enig tijdstip in het daaraan
voorafgaande jaar, al dan niet tezamen met een tot hetzelfde
concern als gedefinieerd in artikel 5b, tweede lid, behorend
lichaam, een belang van ten minste een derde gedeelte in de
verkrijgende rechtspersoon bezit of heeft bezeten, dat belang
binnen drie jaren na de fusie geheel of ten dele vervreemdt;
c. een aandeelhouder van een verdwijnende rechtspersoon als
gevolg van de fusie een belang van ten minste een derde gedeelte
in de verkrijgende rechtspersoon of een groepsmaatschappij
daarvan, welke rechtspersoon of groepsmaatschappij als gevolg van
de fusie kwalificeert als een rechtspersoon als bedoeld in artikel
4, eerste lid, onderdeel a, van de wet, verkrijgt en dat belang
binnen drie jaren na de fusie geheel of ten dele vervreemdt;
d. een aandeelhouder van de verkrijgende rechtspersoon of van
een groepsmaatschappij daarvan als gevolg van de fusie een belang
van ten minste een derde gedeelte in de verkrijgende rechtspersoon
of de groepsmaatschappij daarvan, welke rechtspersoon of
groepsmaatschappij als gevolg van de fusie kwalificeert als een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a,
van de wet, bezit en dat belang binnen drie jaren na de fusie
geheel of ten dele vervreemdt.
3. De belasting die door toepassing van artikel 15, eerste lid,
onderdeel h, van de wet niet is geheven ter zake van een fusie is
alsnog verschuldigd, indien de activiteiten van de fuserende
rechtspersonen niet gedurende een periode van ten minste drie jaren na
de fusie door de verkrijgende rechtspersoon in haar geheel worden
voortgezet.
4. Het tweede lid blijft buiten toepassing in geval van een
vervreemding van het belang in het kader van een geruisloze terugkeer
als bedoeld inartikel 4a, een juridische fusie als bedoeld in dit
artikel, een bedrijfsfusie als bedoeld in artikel 5a, een interne
reorganisatie als bedoeld in artikel 5b, een splitsing als bedoeld in
artikel 5c, dan wel indien ten minste 75 percent van de aandelen van
de verkrijgende vennootschap wordt verkregen door een andere
vennootschap tegen toekenning van eigen aandelen, waaronder mede wordt
begrepen het geval waarin naast toekenning van aandelen tevens een
bedrag in geld wordt betaald van ten hoogste 10 percent van hetgeen op
de aandelen is gestort. De eerste volzin is slechts van toepassing
indien het toegekende belang in de plaats komt van het in het tweede
lid bedoelde belang dan wel het in het tweede lid bedoelde belang de
resterende periode in het bezit blijft bij de opvolgende verkrijger.
5. Het derde lid blijft buiten toepassing in geval van vervreemding
van de activiteiten in het kader van een inbreng als bedoeld in
artikel 4, een geruisloze terugkeer als bedoeld in artikel 4a, een
juridische fusie als bedoeld in dit artikel, een bedrijfsfusie als
bedoeld in artikel 5a, een interne reorganisatie als bedoeld in
artikel 5b, een splitsing als bedoeld in artikel 5c, mits de in het
derde lid bedoelde activiteiten gedurende de resterende periode door
de opvolgende verkrijger worden voortgezet. In geval van een inbreng
als bedoeld in artikel 4 is de eerste volzin slechts van toepassing
indien het ter zake van de inbreng verkregen belang in de vennootschap
de resterende periode blijft behouden.
6. Het vierde en het vijfde lid blijven buiten toepassing ingeval
de daargenoemde gebeurtenissen in samenhang met de juridische fusie in
overwegende mate gericht zijn op het ontgaan van belastingheffing.
7. De in artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de wet bedoelde
vrijstelling is eveneens van toepassing op uit de fusie voortvloeiende
verkrijgingen van een belang in een verkrijgende rechtspersoon of een
groepsmaatschappij daarvan, welke rechtspersoon of groepsmaatschappij
kwalificeert als een lichaam als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel a, van de wet.
8. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder rechtspersoon
verstaan de naamloze vennootschap, de besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid, de vereniging met volledige
rechtsbevoegdheid, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij,
alsmede de stichting. Onder rechtspersoon wordt mede verstaan het
lichaam dat naar het recht van een andere Staat is opgericht en naar
aard en inrichting vergelijkbaar is met een lichaam als bedoeld in dit
lid.
Artikel 5a
1.De in artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de wet bedoelde
vrijstelling wegens fusie is van toepassing indien een vennootschap
uitsluitend de gehele onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan
van een andere vennootschap verkrijgt tegen toekenning van aandelen.
2.Onder toekenning van aandelen wordt begrepen het geval waarin
naast de toekenning van aandelen tevens een bedrag in geld wordt
betaald van ten hoogste 10 percent van de waarde van hetgeen op de
aandelen is gestort.
3.De belasting die door toepassing van artikel 15, eerste lid,
onderdeel h, van de wet niet is geheven ter zake van een fusie is
alsnog verschuldigd, indien de inbrengende vennootschap binnen drie
jaren na de fusie niet meer in het bezit is van alle bij of in verband
met die fusie verkregen aandelen.
4.De belasting die door toepassing van artikel 15, eerste lid,
onderdeel h, van de wet niet is geheven ter zake van een fusie is
alsnog verschuldigd, indien de onderneming niet gedurende een periode
van ten minste drie jaren na de fusie door de verkrijgende
vennootschap wordt voortgezet.
5.Het derde lid blijft buiten toepassing in geval van vervreemding
van de aandelen in het kader van een interne reorganisatie als bedoeld
inartikel 5b, een splitsing als bedoeld in artikel 5c, dan wel indien
ten minste 75 percent van de aandelen van de vennootschap die de in
het eerste lid bedoelde aandelen heeft toegekend, wordt verkregen door
een andere vennootschap tegen toekenning van eigen aandelen, met dien
verstande dat de toegekende aandelen in de plaats komen van de in het
derde lid bedoelde aandelen. Onder toekenning van aandelen wordt mede
begrepen het geval waarin naast de toekenning van aandelen tevens een
bedrag in geld wordt betaald van ten hoogste 10 percent van de
nominale waarde van de toegekende aandelen.
6.Het vierde lid blijft buiten toepassing in geval van vervreemding
van de onderneming in het kader van een fusie als bedoeld in dit
artikel, een interne reorganisatie als bedoeld in artikel 5b, dan wel
een splitsing als bedoeld in artikel 5c.
7.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vennootschap
verstaan de naamloze vennootschap, de besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid, de open commanditaire vennootschap,
alsmede andere vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in
aandelen is verdeeld. Onder vennootschap wordt mede verstaan de
vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij met een in
aandelen verdeeld kapitaal. Tevens wordt daaronder verstaan het
lichaam dat naar het recht van een andere Staat is opgericht en naar
aard en inrichting vergelijkbaar is met een lichaam als bedoeld in dit
lid.
Artikel 5b
1.De in artikel 15, eerste lid, onderdeel h, bedoelde vrijstelling
wegens interne reorganisatie is van toepassing indien een tot het
concern behorende vennootschap onroerende zaken overdraagt aan een
andere vennootschap van dat concern.
2.Onder een concern wordt verstaan een vennootschap waarin niet een
andere vennootschap het gehele of nagenoeg gehele belang heeft, samen
met alle andere vennootschappen waarin zij het gehele of nagenoeg
gehele belang heeft. Dit gehele of nagenoeg gehele belang dient
vertegenwoordigd te worden door het onmiddellijk of middellijk bezit
van aandelen.
3.De belasting die door toepassing van artikel 15, eerste lid,
onderdeel h, van de wet niet is geheven wegens interne reorganisatie
is alsnog verschuldigd indien de vennootschap die de onroerende zaken
heeft verkregen, binnen drie jaren na de verkrijging niet langer deel
uitmaakt van het concern.
4.De belasting die door toepassing van artikel 15, eerste lid,
onderdeel h, van de wet niet is geheven wegens interne reorganisatie
is alsnog verschuldigd voorzover de overdragende vennootschap tot het
concern is gaan behoren als gevolg van een andere gebeurtenis dan
bedoeld inartikel 5a, eerste en vijfde lid, waarbij geen
overdrachtsbelasting verschuldigd was, indien de onroerende zaken zijn
verkregen door die overdragende vennootschap vóór de hiervoor
bedoelde gebeurtenis en de onderneming of de activiteiten van die
vennootschap niet gedurende drie jaren binnen het concern zijn
voortgezet.
5.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vennootschap
verstaan de naamloze vennootschap, de besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid, de open commanditaire vennootschap,
alsmede andere vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in
aandelen is verdeeld. Onder vennootschap wordt mede verstaan de
vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij met een in
aandelen verdeeld kapitaal, alsmede een stichting of vereniging zonder
een in aandelen verdeeld kapitaal indien deze stichting of vereniging
een overeenkomstige functie vervult als de eerstbedoelde vennootschap
in het tweede lid. Tevens wordt daaronder verstaan het lichaam dat
naar het recht van een andere Staat is opgericht en naar aard en
inrichting vergelijkbaar is met een lichaam als bedoeld in dit lid.
6.Voor de toepassing van dit artikel worden onder onroerende zaken
mede verstaan fictieve onroerende zaken als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, van de wet, rechten waaraan onroerende zaken of fictieve
onroerende zaken zijn onderworpen, alsmede de economische eigendom van
deze zaken of rechten.
Artikel 5c
1.De in artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de wet bedoelde
vrijstelling wegens splitsing is van toepassing wanneer sprake is van
overgang van vermogen onder algemene titel in het kader van een
splitsing van een vennootschap met in aandelen verdeeld kapitaal,
behoudens in het geval dat de splitsing in overwegende mate is gericht
op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De splitsing wordt,
tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende
mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing
indien de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke
overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van de actieve
werkzaamheden van de splitsende en de verkrijgende rechtspersonen.
Indien aandelen in de gesplitste rechtspersoon, dan wel in een
verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar na de splitsing geheel of
ten dele, direct of indirect worden vervreemd aan een lichaam dat niet
met de gesplitste rechtspersoon en met de verkrijgende rechtspersonen
is verbonden als bedoeld in artikel 10a van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969, worden zakelijke overwegingen niet
aanwezig geacht, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vennootschap
verstaan de naamloze vennootschap, de besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid, de open commanditaire vennootschap,
alsmede andere vennootschappen waarvan het kapitaal geheel of ten dele
in aandelen is verdeeld. Onder vennootschap wordt mede verstaan de
vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij met een in
aandelen verdeeld kapitaal. Tevens wordt daaronder verstaan het
lichaam dat naar het recht van een andere Staat is opgericht en dat
naar aard en inrichting vergelijkbaar is met een lichaam als bedoeld
in dit lid.
Artikel 5d
1. De in artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de wet bedoelde
vrijstelling is op een verkrijging door een instelling of vereniging
als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet
op de inkomstenbelasting 2001 van toepassing:
a. bij een juridische fusie tussen twee of meer van deze
instellingen of verenigingen, indien in het kader daarvan alle
activa en passiva van één of meer van de verdwijnende
instellingen of verenigingen onder algemene titel overgaan op de
verkrijgende instelling of vereniging of op een in het kader van
de fusie nieuw opgerichte dergelijke instelling of vereniging,
mits bij de overgang commerciële factoren geen rol spelen;
b. bij een taakoverdracht tussen twee of meer van deze
instellingen of verenigingen, indien in het kader daarvan alle
activa en passiva die betrekking hebben op de overgedragen taak
aan de verkrijgende instelling of vereniging worden overgedragen,
mits bij de overdracht commerciële factoren geen rol spelen.
2. De vrijstelling is niet van toepassing op de verkrijging indien
de overdracht uitsluitend de exploitatie van onroerende zaken inhoudt
of de afzonderlijke overdracht van onroerende zaken betreft of als de
onroerende zaken niet worden aangewend voor de overgedragen taak.
3. De belasting die door toepassing van artikel 15, eerste lid,
onderdeel h, van de wet niet is geheven, is alsnog verschuldigd indien
de verkrijgende instelling of vereniging binnen drie jaren na de fusie
of taakoverdracht niet meer bestaat of niet meer aangemerkt wordt als
een instelling of vereniging als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid,
onderdelen b en c, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001.
4. Het derde lid blijft buiten toepassing indien een verkrijgende
instelling of vereniging niet langer als instelling of vereniging als
bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet op
de inkomstenbelasting 2001 wordt aangemerkt als gevolg van een
juridische fusie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of als
gevolg van een taakoverdracht als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
b, voor zover de belasting betrekking heeft op onroerende zaken die in
het kader van deze juridische fusie zijn overgegaan of in het kader
van deze taakoverdracht zijn overgedragen.
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 6a
Onder natuurgrond als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel s,
van de wet, wordt verstaan grond bezet met houtopstanden en
natuurterreinen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen b en d,
en tweede lid, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928.
Artikel 7
1.Met betrekking tot de belasting ter zake van een verkrijging van
andere goederen dan bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen a en
b, van de wet, waarvan een onderhandse akte is opgemaakt op de voet
van artikel II van de wet van 28 juni 1956 (Stb. 376), wordt aangifte
gedaan door het aanbieden van die akte ter registratie. Het
verschuldigde bedrag aan overdrachtsbelasting wordt vermeld in een aan
de voet van de akte gestelde, door de verkrijger of namens deze door
de persoon die de akte heeft opgesteld, ondertekende verklaring. Voor
zover in de akte niet alle gegevens voorkomen waarvan kennisneming van
belang kan zijn voor de heffing van de belasting, dienen deze te
worden opgenomen in die verklaring.
2.Ten aanzien van de inhoud van de akte, voor zover deze van belang
is voor de heffing van de belasting, en de in het eerste lid bedoelde
verklaring, zijn de wettelijke bepalingen met betrekking tot de
aangifte van overeenkomstige toepassing als vormden die akte en
verklaring te zamen de door de verkrijger gedane aangifte.
3.De persoon die de in het eerste lid bedoelde akte heeft
opgesteld, is hoofdelijk aansprakelijk voor de belasting welke is
verschuldigd wegens de verkrijging waarvan de akte is opgemaakt, zulks
tot het bedrag dat ingevolge de inhoud van die akte is verschuldigd.
Hoofdstuk II. Assurantiebelasting
Artikel 8 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 9 [Vervallen per 08-12-1995]
Artikel 9a
1.Het verzoek om een vergunning voor een fiscaal vertegenwoordiger
bevat de volgende gegevens:
a. naam, adres en woon- of vestigingsplaats van de verzoeker;
b. het beoogde tijdstip van aanvang van het fiscaal
vertegenwoordigerschap; en
c. naam, adres en woon- of vestigingsplaats van de verzekeraar
die niet in Nederland woont of is gevestigd.
2.Een vergunning voor een fiscaal vertegenwoordiger wordt slechts
verleend indien de verzoeker:
a. in Nederland woont of is gevestigd;
b. in de afgelopen vijf jaren niet wegens overtreding van de
wettelijke bepalingen inzake rijksbelastingen onherroepelijk is
veroordeeld; en
c. naar het oordeel van de inspecteur voldoende solvabel is.
3.De verlening van een vergunning voor een fiscaal
vertegenwoordiger is tevens gebonden aan de voorwaarde dat de
verzoeker optreedt voor alle verzekeringen waarvoor
assurantiebelasting is verschuldigd van de verzekeraar die niet in
Nederland woont of is gevestigd.
4.De inspecteur kan de vergunning intrekken of wijzigen:
a. op verzoek van de fiscaal vertegenwoordiger met
schriftelijke instemming van de verzekeraar die niet in Nederland
woont of is gevestigd;
b. op verzoek van de verzekeraar die niet in Nederland woont of
is gevestigd; of
c. indien de fiscaal vertegenwoordiger niet meer voldoet aan de
voorwaarden waaronder de vergunning is verleend.
5.De verzekeraar die niet in Nederland woont of is gevestigd wordt
van de intrekking of wijziging van de vergunning in kennis gesteld,
alsmede van de gronden waarop deze berust.
Hoofdstuk III [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 11 [Vervallen per 01-03-1989]
Artikel 12 [Vervallen per 01-03-1989]
Artikel 13 [Vervallen per 01-03-1989]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 15 [Vervallen per 29-03-1976]
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2006]
Hoofdstuk IV. Beursbelasting
Artikel 17 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 18 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 19
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1972.
2. Dit besluit kan worden aangehaald als Uitvoeringsbesluit
belastingen van rechtsverkeer.
Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit
besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en
waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Soestdijk, 22 juni 1971
JULIANA
De Staatssecretaris van
Financiën,
F.H.M. Grapperhaus
Uitgegeven de vierentwintigste
juni 1971.
De Minister van Justitie
C.H.F. Polak
Bijlage
a. De waarde van een canon, een
retributie of een huur van het leven van één persoon afhankelijk,
wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, vermenigvuldigd met:
|
16, |
wanneer degene gedurende wiens
leven de schuldplichtigheid moet plaatshebben |
jonger dan 20 jaar is, |
|
15, |
|
20 jaar of ouder, doch jonger dan
30 jaar is, |
|
14, |
|
30 jaar of ouder, doch jonger dan
40 jaar is, |
|
13, |
|
40 jaar of ouder, doch jonger dan
50 jaar is, |
|
12, |
|
50 jaar of ouder, doch jonger dan
55 jaar is, |
|
11, |
|
55 jaar of ouder, doch jonger dan
60 jaar is, |
|
10, |
|
60 jaar of ouder, doch jonger dan
65 jaar is, |
|
8, |
|
65 jaar of ouder, doch jonger dan
70 jaar is, |
|
7, |
|
70 jaar of ouder, doch jonger dan
75 jaar is, |
|
5, |
|
75 jaar of ouder, doch jonger dan
80 jaar is |
|
4, |
|
80 jaar of ouder, doch jonger dan
85 jaar is, |
|
3, |
|
85 jaar of ouder, doch jonger dan
90 jaar is, |
|
2, |
|
90 jaar of ouder is. |
b. De waarde van een canon, een
retributie of een huur die na een bepaalde tijd vervalt, wordt
gesteld op het jaarlijkse bedrag, vermenigvuldigd met het aantal
jaren gedurende welke zij bestaat, iedere euro berekend tegen de
volgende bedragen:
| |
indien de
schuldplichtigheid afhankelijk is van het leven van een persoon |
|
|
indien de
schuldplichtigheid niet van het leven afhankelijk is |
| |
jonger dan 40 jaar |
40 jaar of ouder,
doch jonger dan 60 jaar |
60 jaar of ouder |
|
|
het eerste vijftal jaren |
0,84 |
0,83 |
0,75 |
0,85 |
|
het tweede vijftal jaren |
0,62 |
0,60 |
0,40 |
0,64 |
|
het derde vijftal jaren |
0,46 |
0,42 |
0,15 |
0,48 |
|
het vierde vijftal jaren |
0,34 |
0,28 |
0,04 |
0,36 |
|
het vijfde vijftal jaren |
0,25 |
0,18 |
0,02 |
0,28 |
|
de volgende jaren |
0,12 |
0,06 |
– |
0,15 |
c. De waarde van een canon, een
retributie of een huur voor onbepaalde tijd, die niet van het leven
afhankelijk is, wordt gesteld op het zeventienvoud van het
jaarlijkse bedrag.
d. De overeenkomstig onderdeel b
berekende waarde kan, indien de schuldplichtigheid:
1. van het leven afhankelijk is,
niet hoger zijn dan de waarde die verkregen zou zijn, wanneer de
schuldplichtigheid niet tevens na een bepaalde tijd zou
vervallen;
2. niet van het leven afhankelijk
is, niet hoger zijn dan het zeventienvoud van het jaarlijkse
bedrag.
e. Een canon, een retributie of een
huur die vervalt bij het overlijden:
1. van de langstlevende van twee
of meer personen, wordt gelijkgesteld met een canon, een
retributie of een huur, afhankelijk van het leven van iemand die
vijf jaren jonger is dan de jongste van de vorenbedoelde
personen;
2. van de eerststervende van twee
of meer personen, wordt gelijkgesteld met een canon, een
retributie of een huur, afhankelijk van het leven van iemand die
vijf jaren ouder is dan de oudste van de vorenbedoelde personen.
f. Een canon, een retributie of een
huur tot een onzeker jaarlijks bedrag wordt gelijkgesteld met een
canon, een retributie of een huur tot het geschatte gemiddelde
jaarlijkse bedrag.
g. De waarde van een
schuldplichtigheid, niet vallende onder een van de vorige leden,
wordt gesteld op het bedrag waarvoor zodanige schuldplichtigheid zou
kunnen worden verkocht.
h. Een canon, een retributie of een
huur tot andere zaken dan geld, wordt gelijkgesteld met een canon,
een retributie of een huur tot een jaarlijks bedrag gelijk aan de
waarde welke aan die zaken in het economische verkeer kan worden
toegekend.
|
|
|