|
BESLUIT van 20 mei
1974, houdende regelen omtrent het examen, bedoeld in artikel 60 van de
Wet op de Accountants-Administratieconsulenten
WIJ
JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en van de
Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, dr. A. Veerman, van 25
februari 1974, nr. 674/121 W.J.A.;
Gelet op artikel 61 van de Wet op de
Accountants-Administratieconsulenten (Stb. 1972, 748);
De Raad van State gehoord (advies van 20 maart
1974, nr. 11);
Gezien het nader rapport van de vorengenoemde
Staatssecretarissen van 15 mei 1974, nr. 674/328 W.J.A.;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk
I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
examen: examen, bedoeld in artikel 60 van de Wet op de
Accountants-Administratieconsulenten (Stb. 1972, 748);
kandidaat: hij of zij die aan het examen deelneemt of wenst
deel te nemen.
Hoofdstuk II. Eisen voor de toelating tot het examen
Artikel 2
1. Tot het afleggen van het examen wordt toegelaten degene, die
in het bezit is van een van de navolgende diploma's:
a. het Staatspraktijkdiploma voor Bedrijfsadministratie (SPD);
b. de akte handelswetenschappen MO;
c. de akte boekhouden MO;
d. het diploma van een school voor hoger economisch en
administratief onderwijs, uitgereikt op grond van de examenregeling
krachtens artikel 29, vierde lid, onder e, van de Wet op het
voortgezet onderwijs (Stb. 1967, 387), mits de betrokkene
daarbij geëxamineerd is in de vakken bedrijfseconomie (kernvak) en
bedrijfsadministratie en voor elk dezer vakken ten minste het cijfer 6
is behaald;
e. het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd doctoraal
examen in de economische wetenschappen, tezamen met aanvullende
bewijsstukken van met goed gevolg afgelegde tentamens of examens,
waarmede toegang wordt verkregen tot de universitaire
accountants-studie;
f. het diploma van het Nederlands Genootschap van accountants,
afgegeven vóór 1 januari 1968.
2. Onze Minister van Economische Zaken kan, in overeenstemming
met Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, andere diploma's
aanwijzen waarvan het bezit toegang geeft tot het afleggen van het
examen. Zodanige aanwijzing kan voorwaardelijk geschieden.
Hoofdstuk III. Examen en vrijstellingen
Artikel 3
1. Het examen bestaat uit:
a. een mondeling gedeelte;
b. een schriftelijk gedeelte.
2. Het mondeling gedeelte omvat de volgende onderdelen:
a. kennis van beroep en functie;
b. kennis van het midden- en kleinbedrijf in de onderscheiden
sectoren van het maatschappelijk bestel.
3. Het schriftelijk gedeelte omvat de volgende onderdelen:
a. kennis van de hoofdzaken der administratieve organisatie en van
de administratieve techniek (waaronder de controlemogelijkheden), in
het bijzonder ten aanzien van de in het tweede lid, onder b,
bedoelde sectoren;
b. kennis van de toepassing der fiscale wetgeving;
c. kennis van het sociaal recht;
d. kennis van het privaatrecht.
4. De kandidaat, die in het bezit is van het in artikel 2, eerste
lid, onder a , genoemde diploma, is vrijgesteld van het afleggen
van het examen voor wat betreft het in het derde lid, onder d,
bedoelde onderdeel, mits bij het behalen van dat diploma voor het
onderdeel "Recht I" (voorheen: Recht en wetgeving) bij het
eerste gedeelte van het examen ten minste het cijfer 6 is behaald,
alsmede van het afleggen van het examen voor wat betreft het in het
derde lid, onder c, bedoelde onderdeel, mits eerdergenoemd
diploma in 1980 of later is uitgereikt en voor het onderwerp
"Sociaal Recht", deel uitmakend van het onderdeel "Recht
II" (voorheen: Recht en wetgeving) bij het tweede gedeelte van het
examen ten minste het cijfer 6 is behaald.
5. De kandidaat, die in het bezit is van het in artikel 2, eerste
lid, onder b of c , bedoelde diploma is vrijgesteld van
het afleggen van het examen voor wat betreft het in het derde lid, onder
d, bedoelde onderdeel, mits bij het behalen van dat diploma voor
bedoeld onderdeel ten minste het cijfer 6 is behaald.
6. De kandidaat, die in het bezit is van het in artikel 2, eerste
lid, onder d , vermelde diploma, is vrijgesteld van het afleggen
van het examen voor wat betreft de in het derde lid, onder c en d,
bedoelde onderdelen, indien hij in de desbetreffende onderdelen is
geëxamineerd of onder toezicht van een in overeenstemming met Onze
Minister van Economische Zaken aangewezen vertrouwensman een
slottentamen heeft afgelegd en daarbij ten minste het cijfer 6 heeft
behaald.
7. De kandidaat, die in het bezit is van het in artikel 2, eerste
lid, onder e , vermelde getuigschrift met aanvullende
bewijsstukken, is vrijgesteld van het afleggen van het examen voor wat
betreft het in het derde lid, onder d, bedoelde onderdeel,
alsmede van het examen voor wat betreft het in het derde lid, onder b,
bedoelde onderdeel, mits hij in dat onderdeel met goed gevolg tentamen
of examen heeft afgelegd.
8. De kandidaat, die in het bezit is van het in artikel 2, eerste
lid, onder f , vermelde diploma, is vrijgesteld van het afleggen
van het examen voor wat betreft het in het eerste lid, onder b,
bedoelde gedeelte.
9. De kandidaat, die in het bezit is van het diploma van de
Nederlandse Federatie van Belastingconsulenten of van het diploma van de
Broederschap van Belastingconsulenten behaald in 1967 of later, is
vrijgesteld van het afleggen van het examen voor wat betreft het in het
derde lid, onder b, bedoelde onderdeel.
10. Onze Minister van Economische Zaken kan, in overeenstemming
met Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, andere diploma's
aanwijzen waarvan het bezit recht geeft op vrijstelling van het afleggen
van het examen voor wat betreft een of meer van de onderdelen, vermeld
in het tweede en derde lid. Zodanige vrijstelling kan voorwaardelijk
geschieden.
Artikel 4
1. Onze Minister van Economische Zaken stelt, in
overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, een
examenprogramma vast, dat een nadere uitwerking van artikel 3, tweede
en derde lid, bevat.
2. Een wijziging van het programma kan eerst worden aangebracht
nadat de in de artikelen 5 en 6 bedoelde commissies alsmede de Raad voor
Accountants-Administratieconsulenten zijn gehoord.
Hoofdstuk IV. Inrichting van het examen
Artikel 5
1. Er is een examencommissie. Jaarlijks benoemt Onze Minister
van Economische Zaken, in overeenstemming met Onze Minister van
Onderwijs en Wetenschappen, de Raad voor
Accountants-administratieconsulenten gehoord, de leden der commissie
en wijst daarbij tevens de voorzitter en de secretaris aan.
2. De examencommissie kan zich voor het beoordelen van het
schriftelijk werk door correctoren, en voor het toezicht tijdens het
schriftelijk en het mondeling gedeelte van het examen door surveillanten
doen bijstaan.
Artikel 6
1. De examencommissie wordt bijgestaan door een door Onze
Minister van Economische Zaken te benoemen commissie van advies,
bestaande uit drie leden, van wie ieder jaar één lid aftreedt, dat
slechts eenmaal herbenoembaar is.
2. De leden der commissie van advies zijn bevoegd alle
vergaderingen van de examencommissie bij te wonen. Zij hebben in deze
vergaderingen een adviserende stem.
3. De commissie van advies brengt van haar bevindingen verslag
uit aan Onze Minister van Economische Zaken.
Artikel 7
1. De leden van de examencommissie en die van de commissie van
advies, de correctoren en de surveillanten genieten uit 's Rijks kas
vergoeding van reis- en verblijfkosten alsmede vacatiegelden.
2. De leden van de examencommissie en de correctoren genieten
voor het door hen verrichte correctiewerk uit 's Rijks kas een
vergoeding behoudens voor zover deze werkzaamheden reeds uit hoofde van
het eerste lid gehonoreerd zijn.
Artikel 8
De kandidaat is verplicht zich op verzoek van een van de in artikel 5
bedoelde leden van de examencommissie of surveillanten te legitimeren
door het overleggen van een identiteitsbewijs, voorzien van een
gewaarmerkt fotografisch portret.
Artikel 9
1. Indien een kandidaat zich ten aanzien van het examen aan
enig bedrog heeft schuldig gemaakt en dit voor of tijdens het examen
wordt ontdekt, ontzegt de voorzitter van de examencommissie hem de
deelneming of de verdere deelneming aan het examen.
2. Indien een kandidaat in enig opzicht in strijd heeft gehandeld
met de door of namens de voorzitter van de examencommissie gegeven
aanwijzingen betreffende de gang van zaken bij het examen en deze
onregelmatigheid voor of tijdens het examen wordt ontdekt kan de
voorzitter hem de deelneming of de verdere deelneming aan het examen
ontzeggen.
3. Indien de ontdekking van het bedrog eerst na afloop van het
examen plaatsvindt, worden aan de kandidaat die zich hieraan schuldig
heeft gemaakt, geen diploma en geen cijferlijst uitgereikt. Indien de
ontdekking van de onregelmatigheid eerst na afloop van het examen
plaatsvindt kan de voorzitter van de examencommissie beslissen, dat aan
de kandidaat die zich hieraan heeft schuldig gemaakt, geen diploma en
geen cijferlijst worden uitgereikt.
4. Een beschikking van de voorzitter van de examencommissie als
bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, wordt neergelegd in een door
hem gedagtekende en ondertekende verklaring.
5. De voorzitter van de examencommissie maakt van een ingevolge
dit artikel gegeven beschikking en van de feiten waarop deze steunt
onverwijld een rapport op. Hij zendt van dit rapport terstond twee
afschriften aan Onze Minister van Economische Zaken.
6. De kandidaat kan tegen de beschikking van de voorzitter van de
examencommissie beroep instellen bij Onze Minister van Economische
Zaken.
7. Onze Minister van Economische Zaken stelt een onderzoek in en
stelt zo nodig vast op welke wijze de kandidaat alsnog in de gelegenheid
zal worden gesteld het examen af te leggen in de vakken waarvan hij de
zittingen niet heeft meegemaakt.
Artikel 10
Onze Minister van Economische Zaken stelt, in overeenstemming met
Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, nadere regelen vast
omtrent de inrichting van het examen alsmede regelen omtrent de
beoordeling der kandidaten.
Hoofdstuk V. Slotbepaling
Artikel 11
1. Dit besluit kan worden aangehaald als: Examenbesluit Accountants-Administratieconsulenten.
2. Het treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
Soestdijk, 20 mei 1974
JULIANA
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
TH.M. Hazekamp
De Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,
A. Veerman
Uitgegeven de zesde juni 1974
De Minister van Justitie,
Van Agt
|