| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de
architectentitel
EXAMENBESLUIT
WET OP DE ARCHITECTENTITEL
Tekst zoals deze geldt op
25 juli 2011
Vervallen
m.i.v. 1 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 20 november 1990, houdende regelen omtrent
de examens, bedoeld in de artikelen 25 en 26 van de Wet op de
architectentitel
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur en van Onderwijs en Wetenschappen, van 14 mei
1990, nr. MJZ14590026, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling
Wetgeving;
Gelet op de artikelen 25 en 26 van de Wet op de
architectentitel (Stb. 1987, 347) en de Richtlijn van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 10 juni 1985 inzake de onderlinge
erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied
van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking
van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij
verrichten van diensten (PbEG L 223);
De Raad van State gehoord (advies van 28
augustus 1990, nr. W08.90.0224);
Gezien het nader rapport van Onze Ministers van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij, van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en van
Onderwijs en Wetenschappen, van 12 november 1990, nr. MJZ 12n90043,
Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
de wet: de Wet op de architectentitel (Stb. 1987, 347);
het bureau architectenregister: de Stichting bureau
architectenregister, bedoeld in artikel 3 van de wet;
het examen: het examen voor architecten, stedebouwkundigen, tuin- en
landschapsarchitecten of interieurarchitecten, bedoeld in de artikelen
25 en 26 van de wet;
de examencommissie: de commissie, belast met het afnemen van het
examen voor architecten, stedebouwkundigen, tuin- en
landschapsarchitecten of interieurarchitecten, en met het vaststellen
van de uitslag daarvan;
de kandidaat: degene die aan het examen deelneemt of wenst deel te
nemen;
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer.
Hoofdstuk II. Het examen voor architecten
§ 1. Toelatingseisen
Artikel 2
Tot het afleggen van het examen wordt toegelaten degene die ten
genoegen van de examencommissie aantoont gedurende ten minste zeven
jaren werkzaam te zijn geweest op het gebied van de architectuur.
§ 2. Omvang en inrichting van het examen
Artikel 3
1.In het eerste onderdeel van het examen legt de kandidaat aan de
examencommissie drie door hem vervaardigde en onder zijn leiding
uitgevoerde architectonische ontwerpen voor en licht deze mondeling
toe.
2.Naar aanleiding van de voorgelegde en toegelichte ontwerpen
onderzoekt de examencommissie of de kandidaat beschikt over:
a. het vermogen tot architectonische vormgeving die zowel aan
esthetische als aan technische en functionele eisen voldoet, en
b. inzicht in de relatie tussen mensen en architectonische
constructies en tussen architectonische constructies en hun
omgeving, alsmede in de noodzaak om die constructies en de ruimten
daartussen af te stemmen op menselijke behoeften en maatstaven.
Artikel 4
1.Het tweede onderdeel van het examen bestaat uit het schrijven van
een scriptie over een door de examencommissie te bepalen onderwerp en
uit het vervaardigen van een architectonisch ontwerp, dat moet voldoen
aan een door de examencommissie opgesteld programma van eisen.
2.Aan de hand van de scriptie onderzoekt de examencommissie in een
gesprek met de kandidaat of deze beschikt over:
a. passende kennis van de geschiedenis en theorie van de
architectuur, aanverwante kunstvormen en menswetenschappen,
evenals van de maatschappelijke en culturele stromingen, voor
zover die van belang zijn voor het vakgebied van de
architectonische vormgeving;
b. passende kennis van de beeldende kunsten, voor zover die van
belang zijn voor de kwaliteit van de architectonische vormgeving,
en
c. inzicht in het architectenberoep en in de rol van de
architect in de maatschappij, in het bijzonder bij het
vervaardigen van architectonische ontwerpen waarin rekening wordt
gehouden met sociale factoren en milieufactoren.
3.Aan de hand van het vervaardigde architectonisch ontwerp
onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat of het
resultaat van het in artikel 3, tweede lid, bedoelde onderzoek wordt
bevestigd, en voorts of de kandidaat beschikt over:
a. inzicht in en vaardigheid met de methoden van onderzoek en
voorbereiding van een architectonisch ontwerp;
b. passende kennis van de natuurkundige en technologische
vraagstukken en de milieuvraagstukken, alsmede van de functie van
een gebouw met het oog op het verschaffen van comfort en
bescherming tegen weersomstandigheden;
c. passende kennis van stedebouw, planologie en de daarbij
gebruikte technieken;
d. inzicht in de problemen op het gebied van het constructief
ontwerp, de constructie en de civiele bouwkunde in verband met het
ontwerpen van gebouwen;
e. technische bekwaamheid als ontwerper, ten einde binnen de
door begrotingsfactoren en bouwvoorschriften gestelde grenzen en
met inachtneming van de zorg voor het bereiken en behouden van een
toereikende kwaliteit van het milieu te kunnen voldoen aan de
eisen van gebruikers van het betrokken gebouw;
f. passende kennis van de bedrijfstakken, organisaties en
procedures die een rol spelen bij het omzetten van ontwerpen in
bouwwerken en bij het inpassen van plannen in de planologie;
g. vaardigheid in beeld, geschrift en woord om een
architectonisch ontwerp inzichtelijk te maken voor anderen, en
h. passende kennis van en inzicht in procedures en processen
van besluitvorming met betrekking tot de voorbereiding en
uitvoering van een architectonisch ontwerp.
Artikel 5
De kandidaat wordt slechts toegelaten tot het tweede onderdeel van
het examen, indien hem door de examencommissie schriftelijk is
medegedeeld dat het eerste onderdeel met goed gevolg is afgelegd.
§ 3. Vrijstellingen
Artikel 6
1.De examencommissie kan aan de kandidaat op diens verzoek
vrijstelling verlenen van het eerste onderdeel van het examen of van
het tweede onderdeel wat betreft het schrijven van de scriptie, indien
de kandidaat ten genoegen van de examencommissie aantoont reeds op
andere wijze te hebben voldaan aan de eisen, gesteld in deartikelen 3
en 4, tweede lid.
2.De examencommissie verleent aan de kandidaat die voldoet aan
artikel 9, eerste lid, onderdeel c , van de wet, en is ingeschreven in
het architectenregister, bedoeld in artikel 2 van de wet, en die
voorts ten genoegen van de examencommissie aantoont gedurende ten
minste zeven jaren onder toezicht van een architect of een
architectenbureau werkzaam te zijn geweest op het gebied van de
architectuur, op schriftelijk verzoek vrijstelling van het tweede
onderdeel van het examen.
§ 4. De examencommissie
Artikel 7
1.Er is een examencommissie, die is belast met het afnemen van het
examen en met het vaststellen van de uitslag daarvan.
2.De examencommissie draagt zorg voor de organisatie van het examen
en voor de goede gang van zaken tijdens het examen.
3.Het bureau architectenregister voorziet in de bijstand die de
examencommissie bij de uitvoering van haar taken behoeft.
Artikel 8
1.De examencommissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste
zeven leden.
2.Onze Minister benoemt en ontslaat de voorzitter en de andere
leden van de examencommissie.
3.De examencommissie bestaat in meerderheid uit personen die
werkzaam zijn of zijn geweest op het gebied van de architectuur.
4.De directeur van het bureau architectenregister staat de
examencommissie als secretaris bij.
Artikel 9
1.Een lid van de examencommissie wordt benoemd voor een tijdvak van
vier jaren.
2.Een aftredend lid kan terstond worden herbenoemd.
3.Een lid dat is benoemd ter vervulling van een tussentijds
opengevallen plaats, wordt benoemd voor een tijdvak, eindigend op het
tijdstip waarop de benoeming van degene, in wiens plaats hij is
benoemd, had zullen eindigen.
Artikel 10
Het lidmaatschap van de examencommissie eindigt:
a. door het verstrijken van de termijn waarvoor de benoeming is
geschied, en
b. door ontslag, al of niet op eigen verzoek.
Artikel 11
1. De examencommissie stelt een examenreglement vast, waarin nadere
regels worden gesteld omtrent de omvang en inrichting van het examen,
waaronder in elk geval zijn begrepen regels omtrent:
a. de wijze van aanmelding voor het examen;
b. de gedeeltelijke terugbetaling van het examengeld indien de
kandidaat niet tot het tweede gedeelte van het examen wordt
toegelaten;
c. de tijdvakken waarbinnen de in deartikelen 3 en 4 bedoelde
onderdelen van het examen moeten zijn afgelegd;
d. de gang van zaken tijdens het examen, waaronder begrepen de
wijze waarop een gehandicapte kandidaat in de gelegenheid wordt
gesteld het examen af te leggen;
e. de gevolgen van tijdens het examen door de kandidaat
gepleegd bedrog;
f. de wijze van vaststelling van de uitslag van het examen;
g. de wijze waarop de kandidaat na vaststelling van de uitslag
van het examen of van een onderdeel daarvan, kan kennisnemen van
de door de examencommissie bij de beoordeling van de
onderscheidene examenonderdelen gehanteerde normen, en
h. de wijze van uitreiking van het getuigschrift, bedoeld in
artikel 13.
2. Het examenreglement, alsmede elke wijziging daarvan, wordt, na
goedkeuring ingevolge artikel 25, derde lid, van de wet, door Onze
Minister, in de Staatscourant geplaatst.
Artikel 12
De examencommissie kan zich ten behoeve van het onderzoek, bedoeld in
artikel 4, derde lid, door een of meer deskundigen doen bijstaan.
Artikel 13
De examencommissie reikt aan de kandidaat die het examen met goed
gevolg heeft afgelegd, een getuigschrift uit, dat is ondertekend door de
voorzitter en de secretaris van de examencommissie.
Artikel 14
1.De kandidaat kan bij de examencommissie bezwaar maken tegen de
door de commissie vastgestelde beoordeling van een afgelegd
examenonderdeel.
2.Indien de examencommissie de bestreden beoordeling herroept,
maakt zij aan de kandidaat tevens bekend welke gevolgen aan die
herroeping zijn verbonden.
Artikel 15
De examencommissie zendt uiterlijk zes maanden na afloop van het
examen een rapportage over het verloop en de resultaten daarvan aan Onze
Minister.
Artikel 16
Aan de leden van de examencommissie en aan de deskundigen, bedoeld in
artikel 12, wordt volgens door Onze Minister te stellen regelen ten
laste van het bureau architectenregister een algemene vergoeding,
alsmede een vergoeding voor reis- en verblijfskosten toegekend.
Hoofdstuk III. Het examen voor stedebouwkundigen
§ 1. Toelatingseisen
Artikel 17
Tot het afleggen van het examen wordt toegelaten degene die ten
genoegen van de examencommissie aantoont gedurende ten minste zeven
jaren werkzaam te zijn geweest op het gebied van de stedebouwkunde.
§ 2. Omvang en inrichting van het examen
Artikel 18
1.In het eerste onderdeel van het examen legt de kandidaat aan de
examencommissie een in overleg met de commissie te bepalen aantal,
doch niet meer dan drie, door hem of mede door hem vervaardigde
stedebouwkundige ontwerpen met de daarbij behorende schriftelijke
toelichtingen voor, en licht deze mondeling toe.
2.Naar aanleiding van de voorgelegde en toegelichte ontwerpen
onderzoekt de examencommissie of de kandidaat beschikt over:
a. het vermogen om informatie vanuit andere bij de ruimtelijke
ordening betrokken disciplines om te zetten in ruimtelijke
concepten, en
b. het vermogen om in de ontwikkeling van een ruimtelijk
concept menselijke behoeften en maatstaven te betrekken bij het
vormgeven van de relatie tussen de mens en zijn omgeving.
Artikel 19
1.Het tweede onderdeel van het examen bestaat uit het schrijven van
een scriptie over een door de examencommissie te bepalen onderwerp en
uit het vervaardigen van een stedebouwkundig ontwerp met een daarbij
behorende toelichting, dat moet voldoen aan een door de
examencommissie opgesteld programma van eisen.
2.Aan de hand van de scriptie onderzoekt de examencommissie in een
gesprek met de kandidaat of deze beschikt over:
a. passende kennis van de geschiedenis en theorie van de
stedebouw en van de relatie met andere disciplines;
b. inzicht in processen die hebben geleid tot menselijke
nederzettingen en occupatiepatronen in cultuur- en
natuurhistorisch opzicht, en
c. inzicht in het beroep van stedebouwkundige en in de rol van
de stedebouwkundige in de maatschappij, in het bijzonder bij het
vervaardigen van stedebouwkundige ontwerpen waarin rekening wordt
gehouden met sociale factoren en milieufactoren.
3.Aan de hand van het vervaardigde stedebouwkundig ontwerp met de
daarbij behorende toelichting onderzoekt de examencommissie in een
gesprek met de kandidaat of het resultaat van het in artikel 18,
tweede lid, bedoelde onderzoek wordt bevestigd en voorts of de
kandidaat beschikt over:
a. inzicht in en vaardigheid met de methoden van
stedebouwkundig onderzoek en de voorbereiding van stedebouwkundige
ontwerpen;
b. passende kennis van de inhoud van andere bij de ruimtelijke
vormgeving betrokken disciplines, zoals architectuur,
volkshuisvesting en tuin- en landschapsarchitectuur;
c. vaardigheden op het gebied van ruimtelijke planning en
stedebouwkundig ontwerp, inzicht in plannings- en
ontwerpmethodieken en vaardigheid met de fysieke, structurele en
historische analyse van stedebouwkundige verschijnselen en
oplossingen;
d. passende kennis van sociaal-maatschappelijke processen,
ontwikkelingen en randvoorwaarden, in het bijzonder ten aanzien
van culturele en ruimtelijk morfologische ontwikkelingen, de
leefomgeving, de natuur en het milieu;
e. passende kennis van maatschappijwetenschappen, sociale en
historische geografie, landschapskunde, ecologie, civiele techniek
en economie, alsmede van het ruimtelijk en stedebouwkundig recht;
f. passende kennis van de organisatie, de middelen en de
instrumenten van de ruimtelijke ordening en planningniveau's in
Nederland;
g. vaardigheden en methoden in beeld, geschrift en woord om een
stedebouwkundig ontwerp voor anderen inzichtelijk te maken, en
h. passende kennis van en inzicht in procedures en processen
van besluitvorming met betrekking tot de voorbereiding en
uitvoering van een stedebouwkundig ontwerp.
Artikel 20
De kandidaat wordt slechts toegelaten tot het tweede deel van het
examen, indien hem door de examencommissie schriftelijk is medegedeeld
dat het eerste onderdeel met goed gevolg is afgelegd.
§ 3. Vrijstellingen
Artikel 21
De examencommissie kan aan de kandidaat op diens verzoek vrijstelling
verlenen van het eerste onderdeel van het examen of van het tweede
onderdeel wat betreft het schrijven van de scriptie, indien de kandidaat
ten genoegen van de examencommissie aantoont reeds op andere wijze te
hebben voldaan aan de eisen, gesteld in de artikelen 18 en 19, tweede
lid.
§ 4. De examencommissie
Artikel 22
De artikelen 7 tot en met 16 zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk IV. Het examen voor tuin- en landschapsarchitecten
§ 1. Toelatingseisen
Artikel 23
Tot het afleggen van het examen wordt toegelaten degene die ten
genoegen van de examencommissie aantoont gedurende ten minste zeven
jaren werkzaam te zijn geweest op het gebied van de tuin- en
landschapsarchitectuur.
§ 2. Omvang en inrichting van het examen
Artikel 24
1.In het eerste onderdeel van het examen legt de kandidaat aan de
examencommissie drie door hem of mede door hem vervaardigde ontwerpen
voor en licht deze mondeling toe.
2.Naar aanleiding van de voorgelegde en toegelichte ontwerpen
onderzoekt de examencommissie of de kandidaat beschikt over:
a. de vaardigheid om uiteenlopende ruimtelijke problemen op
verschillende schaalniveau's ontwerpend op te lossen, en
b. de vaardigheid om ontwerp-oplossingen te maken in de vorm
van een omvattend ruimtelijk concept, waarbij de invloed van en
samenhang met de wijdere omgeving en de kleinere
omgevingselementen duidelijk is.
Artikel 25
1.Het tweede onderdeel van het examen bestaat uit het schrijven van
een scriptie over een door de examencommissie te bepalen onderwerp en
uit het vervaardigen van een ontwerp met een daarbij behorende
toelichting, dat moet voldoen aan een door de examencommissie
opgesteld programma van eisen.
2.Aan de hand van de scriptie onderzoekt de examencommissie in een
gesprek met de kandidaat of deze beschikt over:
a. passende kennis van en inzicht in het temporele aspect van
het ruimtelijk milieu, en
b. passende kennis van en inzicht in de geschiedenis en theorie
van de landschapsarchitectuur in samenhang met aanverwante
kunstvormen.
3.Aan de hand van het vervaardigde ontwerp met de daarbij behorende
toelichting onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de
kandidaat of het resultaat van het in artikel 24, tweede lid, bedoelde
onderzoek wordt bevestigd, en voorts of de kandidaat beschikt over:
a. vaardigheid in het hanteren van de natuurlijke component van
het ruimtelijk milieu;
b. passende kennis van en inzicht in het geheel van
fysisch-biotische verschijnselen en antropogene processen, dat ten
grondslag ligt aan en samenhangt met het fenomeen landschap;
c. passende kennis van en inzicht in de effecten die optreden
bij transformaties van het natuurlijk en ruimtelijk milieu;
d. passende kennis van en inzicht in menselijke en
intermenselijke activiteiten in samenhang met het ruimtelijk
milieu;
e. passende kennis van en inzicht in het planningsproces in
zijn belangrijkste componenten: inventarisatie en analyse,
doelformulering en programmering, ruimtelijke planvorming, en
evaluatie;
f. passende kennis van, inzicht in en vaardigheid met
betrekking tot "taal" in de uitgebreide zin des woords,
dat wil zeggen het kennen en kunnen gebruiken van woorden, tekens,
beelden, vormen en symbolen ten dienste van het overdragen van
ideeën en van de vormgeving van het ruimtelijk milieu, en
g. passende kennis van en inzicht in de technieken om ontwerpen
te doen concretiseren.
Artikel 26
De kandidaat wordt slechts toegelaten tot het tweede deel van het
examen, indien hem door de examencommissie schriftelijk is medegedeeld
dat het eerste onderdeel met goed gevolg is afgelegd.
§ 3. Vrijstellingen
Artikel 27
De examencommissie kan aan de kandidaat op diens verzoek vrijstelling
verlenen van het eerste onderdeel van het examen of van het tweede
onderdeel wat betreft het schrijven van de scriptie, indien de kandidaat
ten genoegen van de examencommissie aantoont reeds op andere wijze te
hebben voldaan aan de eisen, gesteld in de artikelen 24 en 25, tweede
lid.
§ 4. De examencommissie
Artikel 28
De artikelen 7 tot en met 16 zijn van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat, behoudens in artikel 16, voor "Onze
Minister" telkens wordt gelezen: Onze Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij.
Hoofdstuk V. Het examen voor interieurarchitecten
§ 1. Toelatingseisen
Artikel 29
Tot het afleggen van het examen wordt toegelaten degene die ten
genoegen van de examencommissie aantoont gedurende ten minste zeven
jaren werkzaam te zijn geweest op het gebied van de
interieurarchitectuur.
§ 2. Omvang en inrichting van het examen
Artikel 30
1.In het eerste onderdeel van het examen legt de kandidaat aan de
examencommissie drie door hem vervaardigde en onder zijn leiding
uitgevoerde interieurontwerpen voor en licht deze mondeling toe.
2.Naar aanleiding van de voorgelegde en toegelichte ontwerpen
onderzoekt de examencommissie of de kandidaat beschikt over:
a. het vermogen tot interieurvormgeving die aan esthetische,
functionele en technische eisen voldoet vanuit inzicht in de
werking en begrenzing van ruimten en de doorbreking daarvan,
alsmede in de werking van ruimten onderling, in het bijzonder wat
betreft vorm en verhouding, en
b. het vermogen om in het ontwerp-proces ten dienste van
interieurvormgeving de relatie tussen mensen en ruimten te
betrekken, onder andere door de afstemming van de vormgeving op
menselijke behoeften en maatstaven.
Artikel 31
1.Het tweede onderdeel van het examen bestaat uit het schrijven van
een scriptie over een door de examencommissie te bepalen onderwerp en
uit het vervaardigen van een interieurontwerp met een daarbij
behorende toelichting, dat moet voldoen aan een door de
examencommissie opgesteld programma van eisen.
2.Aan de hand van de scriptie onderzoekt de examencommissie in een
gesprek met de kandidaat of deze beschikt over:
a. passende kennis van de theorie en geschiedenis van de
interieurarchitectuur, de geschiedenis van de architectuur en de
historische ontwikkeling van maatschappelijke en culturele
stromingen en inzicht in de invloed daarvan op de
interieurvormgeving;
b. kennis van de beeldende kunsten, voor zover die van belang
zijn voor de interieurvormgeving, en
c. inzicht in het beroep van interieurarchitect en de rol van
de interieurarchitect in de maatschappij, in het bijzonder bij het
vervaardigen van interieurontwerpen waarin rekening wordt gehouden
met sociale factoren en milieufactoren.
3.Aan de hand van het vervaardigde interieurontwerp met de daarbij
behorende toelichting onderzoekt de examencommissie in een gesprek met
de kandidaat of het resultaat van het in artikel 30, tweede lid,
bedoelde onderzoek wordt bevestigd, en voorts of de kandidaat beschikt
over:
a. passende kennis van het vormgevend ontwerpen voor
architectuur en interieurarchitectuur en van de daarvoor gebruikte
methoden;
b. inzicht in en vaardigheid met de methoden van onderzoek ten
dienste van interieurvormgeving en de voorbereiding van een
interieurontwerp;
c. passende kennis van en inzicht in bouwkundige constructies,
de bouwfysische aspecten die daarmee samenhangen, in het bijzonder
in relatie tot het renoveren, verbouwen van en beperkt aanbouwen
aan bestaande gebouwen, en de installatie-technische aspecten;
d. passende kennis van en inzicht in de eigenschappen van
bouwmaterialen, in het bijzonder die met betrekking tot de
afwerking van gebouwen;
e. passende kennis van materialen, produkten en technieken ten
behoeve van de afwerking, inrichting, meubilering en stoffering
van het interieur, alsmede kennis van technische installaties die
in gebouwen worden gebruikt, in het bijzonder met betrekking tot
de inpassing van die installaties in het interieur;
f. technische bekwaamheid als ontwerper ten einde, binnen de
door begrotingsfactoren, bouw- en andere voorschriften gestelde
grenzen en met inachtneming van de zorg voor het bereiken en
behouden van een toereikende kwaliteit van het milieu te kunnen
voldoen aan de eisen van gebruikers van het interieur;
g. passende kennis van de organisatorische, financiële en
juridische aspecten die betrekking hebben op het ontwerpen en de
ruimtelijke realisatie daarvan;
h. vaardigheid in beeld, geschrift en woord om een
interieurontwerp inzichtelijk te maken voor anderen, daarbij
inbegrepen vaardigheid in het maken van tekeningen en bijbehorende
omschrijvingen, en
i. passende kennis en inzicht in procedures en processen van
besluitvorming met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering
van een interieurontwerp.
Artikel 32
De kandidaat wordt slechts toegelaten tot het tweede deel van het
examen, indien hem door de examencommissie schriftelijk is medegedeeld
dat het eerste onderdeel met goed gevolg is afgelegd.
§ 3. Vrijstellingen
Artikel 33
De examencommissie kan aan de kandidaat op diens verzoek vrijstelling
verlenen van het eerste onderdeel van het examen of van het tweede
onderdeel wat betreft het schrijven van de scriptie, indien de kandidaat
ten genoegen van de examencommissie aantoont reeds op andere wijze te
hebben voldaan aan de eisen, gesteld in deartikelen 30 en 31, tweede
lid.
§ 4. De examencommissie
Artikel 34
De artikelen 7 tot en met 16 zijn van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat, behoudens in artikel 16, voor "Onze
Minister" telkens wordt gelezen: Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen.
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Artikel 35
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 36
Dit besluit kan worden aangehaald als: Examenbesluit Wet op de
architectentitel.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 20 november 1990
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
J.G.M. Alders
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
P. Bukman
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H. d'Ancona
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
J.M.M. Ritzen
Uitgegeven de elfde december 1990
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|