St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet op de bedrijfsorganisatie (Wet BO)

 

INSTELLINGSBESLUIT  BEDRIJFSCHAP  GROOTHANDEL  EN  TUSSENPERSONEN  IN  AARDAPPELEN

Tekst zoals deze geldt op 23 januari 2014
Volgende actualisering: juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 15 november 1955, houdende instelling van een bedrijfschap voor de groothandel en de bedrijven van commissionnair en van tussenpersoon in aardappelen

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Op de voordracht van Onze Ministers voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, van Economische Zaken, van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 19 September 1955, no. B 3209, Dir. W.J.A.;
     Overwegende, dat het wenselijk is overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad op 22 April 1955 uit eigen beweging daartoe uitgebrachte advies over te gaan tot instelling van een bedrijfschap als bedoeld in de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950, K 22) voor ondernemingen op het gebied van de groothandel en de bedrijven van commissionnair en van tussenpersoon in aardappelen;
     Gelet op genoemde wet;
     De Raad van State gehoord (advies van 18 October 1955, nr. 38);
     Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 9 November 1955, nr. B 3427, Dir. W.J.A.;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Artikel 1

1. Er is een Bedrijfschap voor de Groothandel en de Tussenpersonen in Aardappelen.

2. Het bedrijfschap heeft zijn zetel te 's-Gravenhage.

Artikel 2

1. Het bedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin de groothandel of het bedrijf van commissionnair of van tussenpersoon in aardappelen wordt uitgeoefend al dan niet tezamen met het bedrijf van het sorteren, het wassen of het stomen van aardappelen.

2. Dit besluit verstaat onder:

groothandel in aardappelen:

a. het bedrijf van het kopen van aardappelen met uitzondering van pootaardappelen, en het - al dan niet na stomen - verkopen daarvan aan wederverkopers of - tenzij dit geschiedt in verband met het verkopen van aardappelen aan particulieren - aan instellingen of aan personen, die het gekochte in een door hen gedreven onderneming aanwenden;

b. het bedrijf van het kopen van pootaardappelen en het verkopen daarvan aan wederverkopers of aan personen, die het gekochte in een door hen gedreven onderneming aanwenden, al dan niet tezamen met het verkopen van pootaardappelen aan particulieren;

het bedrijf van tussenpersoon in aardappelen: het bedrijf van het op naam van anderen sluiten van koop- en verkoopovereenkomsten met betrekking tot aardappelen of van het, anders dan door het houden van veilingen, bemiddelen bij het tot stand komen van zodanige koop- en verkoopovereenkomsten;

aardappelen: alle aardappelen, al dan niet gestoomd, ongeacht het doel, waarvoor zij zijn bestemd;

wet: de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950, K 22).

3. Dit besluit verstaat onder groothandel niet de aanvoer-, transito- en driehoekshandel en onder het bedrijf van commissionnair of van tussenpersoon niet het bedrijf van commissionnair of van tussenpersoon op het terrein van laatstbedoelde vormen van handel.

Artikel 3

In afwijking van artikel 73, vierde lid, van de wet bedraagt het aantal door organisaties van werknemers te benoemen leden van het bestuur van het bedrijfschap ten minste zeven tienden en ten hoogste acht tienden van het door organisaties van ondernemers te benoemen aantal.

Artikel 4

1. Het bedrijfschap heeft organen als bedoeld in artikel 88a van de wet.

2. Deze organen zijn:

a. een orgaan voor aangelegenheden betreffende aardappelen met uitzondering van pootaardappelen, Afdeling Consumptie-, Fabrieks- en Voeraardappelen genaamd;

b. een orgaan voor aangelegenheden betreffende pootaardappelen, Afdeling Pootaardappelen genaamd.

Artikel 5

1. De leden van de in artikel 4 genoemde organen worden benoemd door de organisaties van ondernemers en van werknemers, daartoe aangewezen door de Sociaal-Economische Raad. Voor aanwijzing komen slechts in aanmerking naar het oordeel van de Raad representatieve organisaties van de betrokken ondernemers en van de betrokken werknemers, welke verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid zijn.

2. De organisaties zijn bevoegd voor elk lid, dat zij benoemen, tevens een plaatsvervanger te benoemen.

3. De Sociaal-Economische Raad bepaalt het aantal leden van de organen, alsmede het aantal leden, dat elke organisatie kan benoemen. Alvorens te besluiten hoort de Raad het bestuur van het bedrijfschap. De voorzitter van een orgaan wordt, onder goedkeuring van de Raad, door de leden, al dan niet uit hun midden, benoemd.

4. De zittingsperiode van de voorzitters en de leden van de organen valt samen met die van het bestuur van het bedrijfschap.

Artikel 6

Verordeningen op grond van artikel 93, eerste lid, van de wet worden, indien zij naar het oordeel van het bestuur van het bedrijfschap in het bijzonder het werkterrein van een orgaan betreffen, niet vastgesteld dan nadat dat orgaan gelegenheid heeft gehad het bestuur van advies te dienen. Bij de inzending van een verordening ter goedkeuring legt het bestuur het advies over.

Artikel 7

1. Aan het bedrijfschap is overgelaten de regeling of nadere regeling van de navolgende onderwerpen:

a. de bevordering van de gezondheidstoestand, de zuiverheid, de kwaliteit en de goede sortering van aardappelen;

b. de verzorging en de verpakking van aardappelen;

c. de technische inrichting van ondernemingen voor zover deze verband houdt met de onder a genoemde onderwerpen;

d. de aanduiding van ten verkoop aangeboden aardappelen;

e. de behandeling en de terugzending van verpakkingsmateriaal door degenen, die de ondernemingen drijven, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld;

f. standaardvoorwaarden voor de verkoop, levering en betaling of voor de verlening van diensten, een en ander voor zover betreft het economisch verkeer tussen degenen, die ondernemingen drijven, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld;

g. de verkoops-, leverings- en betalingsvoorwaarden bij de uitvoer van aardappelen;

h. de administratie van ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, voor zover het voeren daarvan voor de vervulling van de taak van dat lichaam nodig is;

i. de registratie van de ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld;

j. het verstrekken van de voor de vervulling van de taak van het bedrijfschap nodige gegevens;

k. de voor de vervulling van de taak van het bedrijfschap nodige inzage van boeken en bescheiden en bezichtiging en opneming van bedrijfsmiddelen en voorraden van ondernemingen.

2. Verordeningen betreffende de in het eerste lid, onder h, i, j en k, genoemde onderwerpen behoeven niet de in artikel 94 van de wet voorziene goedkeuring.

Artikel 8

Bij een op grond van artikel 93, eerste lid, van de wet vastgestelde verordening betreffende een der in artikel 7, eerste lid, onder a, b, d en g, genoemde onderwerpen kan worden bpaald, dat de daarbij gestelde regelen mede andere dan de in artikel 102, eerste lid, van de wet bedoelde natuurlijke en rechtspersonen binden, voor zover deze handelingen verrichten, die bedrijfsmatig in de ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, plegen te worden verricht. Een dergelijke bepaling geldt niet met betrekking tot ondernemingen, waarvoor een hoofdbedrijfschap of een ander bedrijfschap is ingesteld, indien dit ten aanzien van het onderwerp der verordening eveneens bindende regelen heeft gesteld.

Artikel 9

Overtredingen van een op grond van artikel 93, eerste lid, van de wet vastgestelde verordening kunnen bij die verordening worden aangewezen als strafbare feiten.

Artikel 10

Op overtreding van een op grond van artikel 93, eerste lid, van de wet vastgestelde verordening door de personen, bedoeld in artikel 102, eerste lid, van de wet, kunnen, ook indien de overtreding als strafbaar feit is aangewezen, bij die verordening tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld.

Artikel 11

1. De door het bedrijfschap krachtens artikel 126, eerste lid, van de wet op te leggen heffingen kunnen voor verschillende in de heffingsverordening aangewezen groepen van ondernemingen verschillend zijn.

2. Onverminderd het in het vierde lid bepaalde worden de heffingen vastgesteld op grondslag van de in de betrokken ondernemingen bij de uitoefening van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde bedrijven bereikte, naar geldswaarde of hoeveelheid berekende omzet; boven of in de plaats van zodanige heffing kan een bedrag worden geheven, dat voor alle betrokken ondernemingen gelijk is.

3. De in het tweede lid bedoelde heffingen worden zodanig vastgesteld, dat de uitgaven ten behoeve van een orgaan, genoemd in artikel 4, naar het oordeel van het bestuur van het bedrijfschap kunnen worden bekostigd uit de opbrengst van hetgeen wordt geheven van degenen, die de ondernemingen drijven, welke naar het oordeel van het bestuur bij dat orgaan zijn betrokken.

4. Heffingen, waarvan de opbrengst een bijzondere bestemming heeft, kunnen worden opgelegd naar een grondslag, welke het bestuur in verband met die bestemming passend acht.

Artikel 12

Dit besluit kan worden aangehaald als: Instellingsbesluit Bedrijfschap Groothandel en Tussenpersonen in Aardappelen.

Artikel 13

Dit besluit treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

 

 

     Onze Ministers voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, van Economische Zaken, van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

 

Soestdijk, 15 november 1955

 

JULIANA

 

De Minister voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie,
A.C. de Bruijn

De Minister van Economische Zaken,
J. Zijlstra

De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening a.i.,
C. Staf

De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
J.G. Suurhoff

 

Uitgegeven de twintigste december 1955
De Minister van Justitie,
L.A. Donker

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wet BO | alle wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x