BESLUIT van 15 november 1955, houdende instelling van
een bedrijfschap voor de groothandel en de bedrijven van commissionnair
en van tussenpersoon in aardappelen
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Ministers voor Publiekrechtelijke
Bedrijfsorganisatie, van Economische Zaken, van Landbouw, Visserij en
Voedselvoorziening en van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 19
September 1955, no. B 3209, Dir. W.J.A.;
Overwegende, dat het wenselijk is
overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad op 22 April 1955 uit
eigen beweging daartoe uitgebrachte advies over te gaan tot instelling
van een bedrijfschap als bedoeld in de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb.
1950, K 22) voor ondernemingen op het gebied van de groothandel en de
bedrijven van commissionnair en van tussenpersoon in aardappelen;
Gelet op genoemde wet;
De Raad van State gehoord (advies van 18
October 1955, nr. 38);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde
Ministers van 9 November 1955, nr. B 3427, Dir. W.J.A.;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. Er is een Bedrijfschap voor de Groothandel en de
Tussenpersonen in Aardappelen.
2. Het bedrijfschap heeft zijn zetel te 's-Gravenhage.
Artikel 2
1. Het bedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin
de groothandel of het bedrijf van commissionnair of van tussenpersoon
in aardappelen wordt uitgeoefend al dan niet tezamen met het bedrijf
van het sorteren, het wassen of het stomen van aardappelen.
2. Dit besluit verstaat onder:
groothandel in aardappelen:
a. het bedrijf van het kopen van aardappelen met uitzondering van
pootaardappelen, en het - al dan niet na stomen - verkopen daarvan aan
wederverkopers of - tenzij dit geschiedt in verband met het verkopen
van aardappelen aan particulieren - aan instellingen of aan personen,
die het gekochte in een door hen gedreven onderneming aanwenden;
b. het bedrijf van het kopen van pootaardappelen en het verkopen
daarvan aan wederverkopers of aan personen, die het gekochte in een
door hen gedreven onderneming aanwenden, al dan niet tezamen met het
verkopen van pootaardappelen aan particulieren;
het bedrijf van tussenpersoon in aardappelen: het bedrijf van
het op naam van anderen sluiten van koop- en verkoopovereenkomsten met
betrekking tot aardappelen of van het, anders dan door het houden van
veilingen, bemiddelen bij het tot stand komen van zodanige koop- en
verkoopovereenkomsten;
aardappelen: alle aardappelen, al dan niet gestoomd, ongeacht
het doel, waarvoor zij zijn bestemd;
wet: de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950, K
22).
3. Dit besluit verstaat onder groothandel niet de aanvoer-,
transito- en driehoekshandel en onder het bedrijf van commissionnair
of van tussenpersoon niet het bedrijf van commissionnair of van
tussenpersoon op het terrein van laatstbedoelde vormen van handel.
Artikel 3
In afwijking van artikel 73, vierde lid, van de wet bedraagt het
aantal door organisaties van werknemers te benoemen leden van het
bestuur van het bedrijfschap ten minste zeven tienden en ten hoogste
acht tienden van het door organisaties van ondernemers te benoemen
aantal.
Artikel 4
1. Het bedrijfschap heeft organen als bedoeld in artikel 88a
van de wet.
2. Deze organen zijn:
a. een orgaan voor aangelegenheden betreffende aardappelen met
uitzondering van pootaardappelen, Afdeling Consumptie-, Fabrieks- en
Voeraardappelen genaamd;
b. een orgaan voor aangelegenheden betreffende pootaardappelen,
Afdeling Pootaardappelen genaamd.
Artikel 5
1. De leden van de in artikel 4 genoemde organen worden benoemd
door de organisaties van ondernemers en van werknemers, daartoe
aangewezen door de Sociaal-Economische Raad. Voor aanwijzing komen
slechts in aanmerking naar het oordeel van de Raad representatieve
organisaties van de betrokken ondernemers en van de betrokken
werknemers, welke verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid zijn.
2. De organisaties zijn bevoegd voor elk lid, dat zij benoemen,
tevens een plaatsvervanger te benoemen.
3. De Sociaal-Economische Raad bepaalt het aantal leden van de
organen, alsmede het aantal leden, dat elke organisatie kan benoemen.
Alvorens te besluiten hoort de Raad het bestuur van het bedrijfschap. De
voorzitter van een orgaan wordt, onder goedkeuring van de Raad, door de
leden, al dan niet uit hun midden, benoemd.
4. De zittingsperiode van de voorzitters en de leden van de
organen valt samen met die van het bestuur van het bedrijfschap.
Artikel 6
Verordeningen op grond van artikel 93, eerste lid, van de wet worden,
indien zij naar het oordeel van het bestuur van het bedrijfschap in het
bijzonder het werkterrein van een orgaan betreffen, niet vastgesteld dan
nadat dat orgaan gelegenheid heeft gehad het bestuur van advies te
dienen. Bij de inzending van een verordening ter goedkeuring legt het
bestuur het advies over.
Artikel 7
1. Aan het bedrijfschap is overgelaten de regeling of nadere
regeling van de navolgende onderwerpen:
a. de bevordering van de gezondheidstoestand, de zuiverheid, de
kwaliteit en de goede sortering van aardappelen;
b. de verzorging en de verpakking van aardappelen;
c. de technische inrichting van ondernemingen voor zover deze
verband houdt met de onder a genoemde onderwerpen;
d. de aanduiding van ten verkoop aangeboden aardappelen;
e. de behandeling en de terugzending van verpakkingsmateriaal door
degenen, die de ondernemingen drijven, waarvoor het bedrijfschap is
ingesteld;
f. standaardvoorwaarden voor de verkoop, levering en betaling of
voor de verlening van diensten, een en ander voor zover betreft het
economisch verkeer tussen degenen, die ondernemingen drijven, waarvoor
het bedrijfschap is ingesteld;
g. de verkoops-, leverings- en betalingsvoorwaarden bij de uitvoer
van aardappelen;
h. de administratie van ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is
ingesteld, voor zover het voeren daarvan voor de vervulling van de
taak van dat lichaam nodig is;
i. de registratie van de ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap
is ingesteld;
j. het verstrekken van de voor de vervulling van de taak van het
bedrijfschap nodige gegevens;
k. de voor de vervulling van de taak van het bedrijfschap nodige
inzage van boeken en bescheiden en bezichtiging en opneming van
bedrijfsmiddelen en voorraden van ondernemingen.
2. Verordeningen betreffende de in het eerste lid, onder h,
i, j en k, genoemde onderwerpen behoeven niet de in
artikel 94 van de wet voorziene goedkeuring.
Artikel 8
Bij een op grond van artikel 93, eerste lid, van de wet vastgestelde
verordening betreffende een der in artikel 7, eerste lid, onder a, b, d
en g, genoemde onderwerpen kan worden bpaald, dat de daarbij gestelde
regelen mede andere dan de in artikel 102, eerste lid, van de wet
bedoelde natuurlijke en rechtspersonen binden, voor zover deze
handelingen verrichten, die bedrijfsmatig in de ondernemingen, waarvoor
het bedrijfschap is ingesteld, plegen te worden verricht. Een dergelijke
bepaling geldt niet met betrekking tot ondernemingen, waarvoor een
hoofdbedrijfschap of een ander bedrijfschap is ingesteld, indien dit ten
aanzien van het onderwerp der verordening eveneens bindende regelen
heeft gesteld.
Artikel 9
Overtredingen van een op grond van artikel 93, eerste lid, van de wet
vastgestelde verordening kunnen bij die verordening worden aangewezen
als strafbare feiten.
Artikel 10
Op overtreding van een op grond van artikel 93, eerste lid, van de
wet vastgestelde verordening door de personen, bedoeld in artikel 102,
eerste lid, van de wet, kunnen, ook indien de overtreding als strafbaar
feit is aangewezen, bij die verordening tuchtrechtelijke maatregelen
worden gesteld.
Artikel 11
1. De door het bedrijfschap krachtens artikel 126, eerste lid,
van de wet op te leggen heffingen kunnen voor verschillende in de
heffingsverordening aangewezen groepen van ondernemingen verschillend
zijn.
2. Onverminderd het in het vierde lid bepaalde worden de
heffingen vastgesteld op grondslag van de in de betrokken ondernemingen
bij de uitoefening van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde bedrijven
bereikte, naar geldswaarde of hoeveelheid berekende omzet; boven of in
de plaats van zodanige heffing kan een bedrag worden geheven, dat voor
alle betrokken ondernemingen gelijk is.
3. De in het tweede lid bedoelde heffingen worden zodanig
vastgesteld, dat de uitgaven ten behoeve van een orgaan, genoemd in
artikel 4, naar het oordeel van het bestuur van het bedrijfschap kunnen
worden bekostigd uit de opbrengst van hetgeen wordt geheven van degenen,
die de ondernemingen drijven, welke naar het oordeel van het bestuur bij
dat orgaan zijn betrokken.
4. Heffingen, waarvan de opbrengst een bijzondere bestemming
heeft, kunnen worden opgelegd naar een grondslag, welke het bestuur in
verband met die bestemming passend acht.
Artikel 12
Dit besluit kan worden aangehaald als: Instellingsbesluit
Bedrijfschap Groothandel en Tussenpersonen in Aardappelen.
Artikel 13
Dit besluit treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Onze Ministers voor Publiekrechtelijke
Bedrijfsorganisatie, van Economische Zaken, van Landbouw, Visserij en
Voedselvoorziening en van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn belast
met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal
worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad
van State.
Soestdijk, 15 november 1955
JULIANA
De Minister voor Publiekrechtelijke
Bedrijfsorganisatie,
A.C. de Bruijn
De Minister van Economische Zaken,
J. Zijlstra
De Minister van Landbouw, Visserij en
Voedselvoorziening a.i.,
C. Staf
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
J.G. Suurhoff
Uitgegeven de twintigste december 1955
De Minister van Justitie,
L.A. Donker