St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet op de bedrijfsorganisatie (Wet BO)

 

INSTELLINGSBESLUIT  BEDRIJFSCHAP  GROOTHANDEL  EN  TUSSENPERSONEN  IN  GROENTEN  EN  FRUIT

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 31 januari 1955, houdende instelling van een bedrijfschap voor de groothandel en het bedrijf van commissionnair of van tussenpersoon in groenten en fruit

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Op de voordracht van Onze Ministers voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, van Economische Zaken, van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 12 November 1954, nr. B. 1946, Directie voor Wetgeving en andere Juridische Aangelegenheden;
     Overwegende, dat het wenselijk is overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad op 9 Juli 1954 uit eigen beweging daartoe uitgebrachte advies over te gaan tot instelling van een bedrijfschap als bedoeld in de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950, K 22, sedert gewijzigd) voor ondernemingen op het gebied van de groothandel en het bedrijf van commissionnair of van tussenpersoon in groenten en fruit;
     Gelet op genoemde wet;
     De Raad van State gehoord (advies van 30 November 1954, nr. 26);
     Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 24 Januari 1955, nr. B. 2254, Directie voor Wetgeving en andere Juridische Aangelegenheden;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Artikel 1

1. Er is een Bedrijfschap voor de Groothandel en de Tussenpersonen in Groenten en Fruit.

2. Het bedrijfschap heeft zijn zetel te 's-Gravenhage.

Artikel 2

1. Het bedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin wordt uitgeoefend de groothandel of het bedrijf van commissionnair of van tussenpersoon in verse groenten en vers fruit, al dan niet tezamen met

a. de groothandel of het bedrijf van commissionnair of van tussenpersoon in binnenslands verduurzaamde groenten, binnenslands verduurzaamd fruit, vijgen of dadels, of

b. het bedrijf van het sorteren van verse groenten en vers fruit.

2. Dit besluit verstaat onder:

groothandel: het bedrijf van het kopen van producten en het verkopen daarvan aan wederverkopers of - tenzij dit geschiedt in verband met het verkopen aan particulieren - aan instellingen of aan personen, die het gekochte in een door hen gedreven onderneming aanwenden;

het bedrijf van tussenpersoon: het bedrijf van het op naam van anderen sluiten van koop- en verkoopovereenkomsten, of van het, anders dan door het houden van veilingen, bemiddelen bij het tot stand komen van koop- en verkoopovereenkomsten;

wet: de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950, K 22, sedert gewijzigd).

3. Dit besluit verstaat onder verse groenten mede groen geoogste landbouwpeulvruchten, uien en eetbare zwammen.

4. Voor de toepassing van dit besluit worden zuurkool, gezouten bonen en gezouten andijvie niet onder binnenslands verduurzaamde groenten doch onder verse groenten begrepen.

5. Dit besluit verstaat onder groothandel niet de aanvoer-, transito- en driehoekshandel en onder het bedrijf van commissionnair of van tussenpersoon niet het bedrijf van commissionnair of van tussenpersoon op het terrein van laatstbedoelde vormen van handel.

Artikel 3

In afwijking van artikel 73, vierde lid, van de wet bedraagt het aantal door organisaties van werknemers te benoemen leden van het bestuur van het bedrijfschap ten minste elf twintigsten en ten hoogste dertien twintigsten van het door organisaties van ondernemers te benoemen aantal.

Artikel 4

1. Aan het bedrijfschap is overgelaten de regeling of nadere regeling van de volgende onderwerpen:

a. de bevordering van de kwaliteit en de goede sortering van producten;

b. de verzorging en de verpakking van producten;

c. de aanduiding van ten verkoop aangeboden producten;

d. de behandeling en de terugzending van verpakkingsmateriaal door degenen, die de ondernemingen drijven, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld;

e. standaardvoorwaarden voor de verkoop, levering en betaling of voor de verlening van diensten, een en ander voor zover betreft het economisch verkeer tussen degenen, die de ondernemingen drijven, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld;

f. de verkoops-, leverings- en betalingsvoorwaarden bij de uitvoer van producten;

g. de administratie van ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld;

h. de registratie van de ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld;

i. het verstrekken van de voor de vervulling van de taak van het bedrijfschap nodige gegevens;

j. de voor de vervulling van de taak van het bedrijfschap nodige inzage van boeken en bescheiden en bezichtiging en opneming van bedrijfsmiddelen en voorraden van ondernemingen;

k. de onderbreking van de bedrijfsuitoefening in een bepaald gebied ten behoeve van een jaarlijkse vakantie van de daarbij betrokken ondernemers of werknemers;

l. de voorziening van de afnemers tijdens de periode waarin ten behoeve van ondernemers of werknemers een regeling op grond van het gestelde onder k, dan wel een onderlinge vakantieregeling geldt;

m. het berekenen aan de afnemers van statiegeld voor ander verpakkingsmateriaal dan Nederlands veilingfust.

2. Verordeningen betreffende de in het eerste lid, onder g, h, i en j, genoemde onderwerpen behoeven niet de in artikel 94 van de wet voorziene goedkeuring.

Artikel 4a

1. Het in artikel 4, eerste lid, onder k, genoemde onderwerp strekt zich niet uit tot:

a. de bedrijfsuitoefening door importeurs en exporteurs;

b. de bedrijfsuitoefening door binnenlandse groothandelaars, voorzover deze betrekking heeft op produkten die in eigen onderneming worden verpakt in voor particulieren bestemde verpakkingseenheden.

2. Een verordening betreffende het in artikel 4, eerste lid, onder k, genoemde onderwerp houdt tevens een regeling in als bedoeld onder l.

3. Een verordening betreffende een der in artikel 4, eerste lid, onder k, l en m, genoemde onderwerpen wordt niet vastgesteld dan nadat het Bedrijfschap voor de Detailhandel in Aardappelen, Groenten en Fruit in de gelegenheid is gesteld over het ontwerp ervan van advies te dienen. Bij het inzenden van de verordening ter goedkeuring wordt het advies overgelegd.

Artikel 5

Bij een op grond van artikel 93, eerste lid, van de wet vastgestelde verordening betreffende een der in artikel 4, eerste lid, onder a, b, c en f, genoemde onderwerpen kan worden bepaald, dat de daarbij gestelde regelen - voor zover betrekking hebbende op de groothandel of het bedrijf van commissionnair of van tussenpersoon in verse groenten en vers fruit - mede andere dan de in artikel 102, eerste lid, van de wet bedoelde natuurlijke en rechtspersonen binden, voor zover deze handelingen verrichten, die bedrijfsmatig in de ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, plegen te worden verricht. Een dergelijke bepaling geldt niet met betrekking tot ondernemingen, waarvoor een hoofdbedrijfschap of een ander bedrijfschap is ingesteld, indien dit ten aanzien van het onderwerp der verordening eveneens bindende regelen heeft gesteld.

Artikel 6

Overtredingen van een op grond van artikel 93, eerste lid, van de wet vastgestelde verordening kunnen bij die verordening worden aangewezen als strafbare feiten.

Artikel 7

Op overtreding van een op grond van artikel 93, eerste lid, van de wet vastgestelde verordening door de personen, bedoeld in artikel 102, eerste lid, van de wet, kunnen, ook indien de overtreding als strafbaar feit is aangewezen, bij die verordening tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld.

Artikel 8

1. Onverminderd het in het tweede lid bepaalde worden de door het bedrijfschap krachtens artikel 126, eerste lid, van de wet op te leggen heffingen vastgesteld op grondslag van de in iedere onderneming, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, bereikte omzet, met dien verstande, dat het tarief voor verschillende in de heffingsverordening aangewezen groepen van ondernemingen verschillend kan zijn.

2. Heffingen, waarvan de opbrengst een bijzondere bestemming heeft, kunnen worden opgelegd naar een grondslag, welke het bestuur van het bedrijfschap in verband met die bestemming passend acht.

Artikel 9

Dit besluit kan worden aangehaald als: Instellingsbesluit Bedrijfschap Groothandel en Tussenpersonen in Groenten en Fruit.

Artikel 10

Dit besluit treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

 

 

     Onze Ministers voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, van Economische Zaken, van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

 

Soestdijk, 31 Januari 1955

 

JULIANA

 

De Minister voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie,
A.C. de Bruijn

De Minister van Economische Zaken,
J. Zijlstra

De Minister van Landbouw, Visserij Voedselvoorziening,
Mansholt

De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid a.i.,
W. Drees

 

Uitgegeven de eerste Maart 1955
De Minister van Justitie,
L.A. Donker

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wet BO | alle wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x