St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet op de bedrijfsorganisatie (Wet BO)

 

INSTELLINGSBESLUIT  HOOFDBEDRIJFSCHAP  AGRARISCHE  GROOTHANDEL

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 4 maart 2002, houdende de instelling van een hoofdbedrijfschap voor ondernemingen op het gebied van de groothandel en het bedrijf van tussenpersoon in aardappelen, bloemkwekerijproducten, groeten en fruit, alsmede de opheffing Bedrijfschap voor de Groothandel en de Tussenpersonen in Aardappelen, Bedrijfschap Groothandel in Bloemkwekerijprodukten en Bedrijfschap Groothandel en Tussenpersonen in Groenten en Fruit (Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Agrarische Groothandel)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op voordracht van de Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 november 2001, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/A&M/2001/73175, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Onze Minister van Economische Zaken;
     Gelet op artikel 67, 70, 70a, 73, 88a, eerste lid, 102, tweede lid, en 126, derde lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie;
     De Raad van State gehoord (advies van 4 januari 2002, nr. W12.01.0576/IV);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 februari 2002, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/CAM/2002/1761, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Onze Minister van Economische Zaken;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk I: Instelling hoofdbedrijfschap

 

§ 1. Begripsbepalingen

 

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. de wet: de Wet op de bedrijfsorganisatie;

b. het hoofdbedrijfschap: het Hoofdbedrijfschap voor de Agrarische Groothandel;

c. commissie: orgaan als bedoeld in artikel 88a van de wet;

d. de raad: de Sociaal-Economische Raad.

 

Artikel 2

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. groothandel: het bedrijf van het kopen van aardappelen, bloemkwekerij-producten, groenten of fruit, met uitzondering van pootaardappelen en het verkopen daarvan:

1°. aan wederverkopers;

2°. aan instellingen, tenzij dit geschiedt in verband met het verkopen aan particulieren;

3°. aan natuurlijke of rechtspersonen die het gekochte in een door hen gedreven bedrijf of inrichting aanwenden;

b. de groothandel in pootaardappelen: het bedrijf van het kopen van pootaardappelen en het verkopen daarvan aan wederverkopers, of aan natuurlijke of rechtspersonen die het gekochte – al dan niet tezamen met het verkopen van pootaardappelen aan particulieren – aanwenden in een door hen gedreven onderneming;

c. het bedrijf van commissionair: het bedrijf van het op eigen naam of op naam van anderen sluiten van overeenkomsten van koop en verkoop van aardappelen, bloemkwekerijproducten, groenten of fruit, of van het – anders dan door het houden van veilingen – bemiddelen bij de totstandkoming van zodanige overeenkomsten;

d. het bedrijf van tussenpersoon: het bedrijf van het op order van en voor rekening van anderen – al dan niet op eigen naam – sluiten van overeenkomsten van koop en verkoop van aardappelen, bloemkwekerijproducten, groenten of fruit, of van het – anders dan door het houden van veilingen – bemiddelen bij de totstandkoming van zodanige overeenkomsten;

e. het bedrijf van handelskweker: het bedrijf van het kweken, vermeerderen of telen van bloemkwekerijproducten, groenten of fruit en het verkopen daarvan aan in dit lid sub b genoemde afnemers;

f. onderneming: een onderneming waarin het bedrijf wordt uitgeoefend waarvoor het bedrijfschap is ingesteld:

g. ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het bedrijfschap is ingesteld.

2. Onder bloemkwekerijproducten wordt niet verstaan het uitgangsmateriaal voor die producten.

 

§ 2. Het hoofdbedrijfschap

 

Artikel 3

1.Er is een Hoofdbedrijfschap voor de Agrarische Groothandel.

2.Het hoofdbedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen waarin wordt uitgeoefend:

a. de groothandel, behoudens de doorvoer- en driehoekshandel, of het bedrijf van tussenpersonen in aardappelen, al dan niet tezamen met het bedrijf van het sorteren, het wassen of het stomen van aardappelen;

b. de binnenlandse groothandel of het bedrijf van commissionair, of van tussenpersoon in bloemkwekerijproducten, of het bedrijf van handelskweker, of het bedrijf van het exporteren van bloemkwekerijproducten wordt uitgeoefend;

c. de groothandel, behoudens de doorvoer- en driehoekshandel, of het bedrijf van tussenpersoon in verse groenten en vers fruit, al dan niet tezamen met:

1. de groothandel of het bedrijf van tussenpersoon in binnenlands verduurzaamde groenten, binnenlands verduurzaamd fruit, vijgen of dadels; of

2. het bedrijf van het sorteren, bewerken en verpakken van verse groenten en vers fruit;

3. Het hoofdbedrijfschap is gevestigd te Aalsmeer.

 

Artikel 4

Het bestuur van het hoofdbedrijfschap bestaat uit 7 leden, waarvan 3 leden door organisaties van ondernemers en 4 leden door organisaties van werknemers worden benoemd.

 

Artikel 5

1.Het hoofdbedrijfschap heeft commissies voor aangelegenheden verband houdend met:

a. consumptie-, fabrieks- en voeraardappelen;

b. pootaardappelen;

c. bloemkwekerijproducten;

d. groenten en fruit;

2.De leden van de commissies worden benoemd door door de raad aan te wijzen organisaties van ondernemers en van werknemers.Voor aanwijzing komen slechts in aanmerking naar het oordeel van de raad representatieve organisaties van ondernemers en werknemers.

3.De organisaties van ondernemers en van werknemers die leden benoemen van de in artikel 6 tot en met artikel 9 genoemde commissies, zijn bevoegd voor elk lid dat zij benoemen tevens een plaatsvervanger aan te wijzen.

4.De zittingsperiode van de leden van de commissies valt samen met die van de leden van het bestuur van het bedrijfschap.

5.De voorzitter van de commissie wordt door het bestuur op voordracht van de commissie al dan niet uit het midden van de commissie benoemd. De leden van elk van de commissies benoemen desgewenst uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter.

6.De commissies dienen elk voor haar werkgebied het bestuur van advies en voeren de door het bestuur aan hen gedelegeerde taken uit.

 

Artikel 6

De Commissie consumptie-, fabrieks- en voeraardappelen bestaat uit 7 leden. Daarvan worden 4 leden door organisaties van ondernemers en 3 leden door organisaties van werknemers benoemd.

 

Artikel 7

De Commissie pootaardappelen bestaat uit 7 leden. Daarvan worden 4 leden door organisaties van ondernemers en 3 leden door organisaties van werknemers benoemd.

 

Artikel 8

De Commissie bloemkwekerijproducten bestaat uit 6 leden. Daarvan worden 4 leden door organisaties van ondernemers en 2 leden door organisaties van werknemers benoemd.

 

Artikel 9

De Commissie groenten en fruit bestaat uit 6 leden. Daarvan worden 4 leden door organisaties van ondernemers en 2 leden door organisaties van werknemers benoemd.

 

§ 3. Bevoegdheden

 

Artikel 10

Het hoofdbedrijfschap is bevoegd tot regeling of nadere regeling van de in artikel 93, tweede lid van de wet, vermelde onderwerpen of onderdelen daarvan met uitzondering van: d. de lonen en andere arbeidsvoorwaarden.

 

Artikel 11

1.Een verordening als bedoeld in artikel 93, artikel 119, artikel 123 of artikel 126 van de wet die naar het oordeel van het bestuur ligt op het werkgebied van een commissie, stelt het bestuur vast na advies van die commissie.

2.Een besluit met betrekking tot andere aangelegenheden dat naar het oordeel van het bestuur ligt op het werkgebied van een commissie, stelt het bestuur vast na advies van die commissie. Indien het bestuur het advies niet volgt, wordt de commissie in de gelegenheid gesteld om nogmaals advies uit te brengen.

3.Besluiten over aanwending van de algemene reserves, voorzover het betreft het aandeel in de algemene reserve dat op grond van de inbreng bij de instelling van het hoofdbedrijfschap, of accumulatie als gevolg van interestontvangsten of batige exploitatiesaldi aan een commissie is toe te rekenen, stelt het bestuur vast na advies van de desbetreffende commissie.

 

Artikel 12

1.Voor zover een in artikel 10 bedoelde verordening betrekking heeft op de groothandel of het bedrijf van tussenpersoon in al dan niet verse aardappelen en bloemkwekerijproducten, groenten of fruit, kan daarin worden bepaald dat deze mede andere dan de in artikel 102, eerste lid, van de wet bedoelde natuurlijke en rechtspersonen bindt, voorzover deze personen handelingen verrichten die bedrijfsmatig in de ondernemingen waarvoor het hoofdbedrijfschap is ingesteld, plegen te worden verricht.

2.Een bepaling als bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor ondernemingen waarvoor een bedrijfslichaam is ingesteld, indien dat bedrijfslichaam ten aanzien van het onderwerp of de onderwerpen waarop de in het eerste lid bedoelde verordening betrekking heeft, eveneens bindende regelen heeft gesteld.

 

Artikel 13

1.Onverminderd het in het tweede lid bepaalde, worden de door het hoofdbedrijfschap krachtens artikel 126, eerste lid, van de wet op te leggen heffingen vastgesteld op grondslag van de in iedere onderneming bereikte, naar geldswaarde of hoeveelheid berekende omzet, met dien verstande dat het tarief voor verschillende in de heffingsverordening aangewezen groepen van ondernemingen verschillend kan zijn. Boven of in de plaats van zodanige heffing kan een bedrag worden geheven dat voor alle ondernemingen of groepen daarvan gelijk is.

2.Heffingen waarvan de opbrengst een bijzondere bestemming heeft, kunnen worden opgelegd naar een grondslag welke het bestuur van het hoofdbedrijfschap in verband met die bestemming passend acht.

3.De in het eerste lid van dit artikel bedoelde heffingen worden zodanig vastgesteld dat de uitgaven ten behoeve van een commissie als bedoeld in artikel 5, naar het oordeel van het bestuur van het hoofdbedrijfschap kunnen worden bekostigd uit de opbrengst van hetgeen wordt geheven van degenen die de ondernemingen drijven die naar het oordeel van het bestuur bij die commissie zijn betrokken.

 

Hoofdstuk II: Opheffing bedrijfschappen

 

Artikel 14

1.Het Bedrijfschap voor de Groothandel en de Tussenpersonen in Aardappelen, het Bedrijfschap voor de Groothandel in Bloemkwekerijprodukten en het Bedrijfschap voor de Groothandel en de Tussenpersonen in Groenten en Fruit zijn opgeheven.

2.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder bedrijfslichamen verstaan: de in het eerste lid genoemde bedrijfschappen.

3.Onverminderd het feit dat de bedrijfslichamen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit zijn opgeheven, blijven de in bijlage A vermelde, door de bedrijfslichamen vastgestelde verordeningen en andere besluiten van kracht tot de datum waarop de door het hoofdbedrijfschap vastgestelde verordeningen en andere besluiten ter zake in werking zullen treden.

4.De rechten, lasten en verplichtingen van de bedrijfslichamen ten opzichte van hun personeel, gaan over naar het hoofdbedrijfschap.

5.De rechten en de verplichtingen van de gewezen werknemers van de bedrijfslichamen blijven na de opheffing in stand.

6.Voorzover de rechten en verplichtingen betrekking hebben op pensioenverzekeringen en VUT-aanspraken, worden zij na de opheffing van de bedrijfslichamen overgenomen dan wel voortgezet door het hoofdbedrijfschap.

 

Artikel 15

1.Vanaf de inwerkingtreding van dit besluit berust het beheer van de vermogens van de bedrijfslichamen bij het hoofdbedrijfschap.

2.Rechtsvorderingen welke tot de vermogens van de bedrijfslichamen behorende rechten of verplichtingen tot onderwerp hebben, worden ingesteld door of tegen het hoofdbedrijfschap.

 

Artikel 16

1.Het hoofdbedrijfschap is belast met de vereffening van de vermogens van de bedrijfslichamen. Het kan daartoe de tot de vermogens van de bedrijfslichamen behorende roerende en onroerende zaken vervreemden.

2.Het hoofdbedrijfschap maakt met het oog op de vereffening een boedelbeschrijving op. Het stelt tevens de rekening van inkomsten en uitgaven van de bedrijfslichamen vast over het tijdvak, aanvangende op de eerste januari van het jaar volgende op het kalenderjaar waarover laatstelijk een rekening van inkomsten en uitgaven door het bestuur van de bedrijfslichamen is vastgesteld, en eindigend op de dag van inwerkingtreding van dit besluit.

3.De boedelbeschrijvingen en de rekeningen van inkomsten en uitgaven, zoals bedoeld in het tweede lid, behoeven de instemming van de raad.

4.De instemming van de raad met de rekeningen van inkomsten en uitgaven strekt tot decharge van de dagelijkse besturen van de bedrijfslichamen, behoudens in geval van later gebleken valsheid in bewijsstukken of andere onregelmatigheden.

 

Artikel 17

1.Het hoofdbedrijfschap maakt het tijdstip van de aanvang van de vereffening bekend in de Staatscourant en in het Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie, alsmede in de daartoe naar zijn oordeel in aanmerking komende nieuwsbladen, onder vermelding van de afkondiging van dit besluit.

2.In de bekendmaking worden degenen die een vordering op een of meer van de bedrijfslichamen hebben, opgeroepen die vorderingen binnen een daarbij aangegeven termijn bij het hoofdbedrijfschap in te dienen. Deze termijn wordt niet korter gesteld dan zes maanden, te rekenen vanaf de dag van de bekendmaking.

 

Artikel 18

1.De opheffing van de bedrijfslichamen tast de rechtskracht van de door deze lichamen wettig opgelegde heffingsaanslagen niet aan.

2.Bij de inning van nog niet betaalde heffingsaanslagen van de bedrijfslichamen oefent de voorzitter van het hoofdbedrijfschap zo nodig de in artikel 127 van de wet toegekende bevoegdheden uit.

3.Het hoofdbedrijfschap kan, voorzover dit voor de voldoening van de schulden van een van de bedrijfslichamen noodzakelijk is, bij verordening aan de ondernemers in het betrokken deel van het bedrijfsleven een heffing opleggen volgens de bij de laatstelijk opgelegde algemene heffing van het betrokken bedrijfslichaam gehanteerde maatstaven.

4.Ten aanzien van een heffingsverordening als bedoeld in het derde lid en de krachtens die verordening opgelegde aanslagen zijn de artikelen 126 en 127 van de wet van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 19

1.De door het Bedrijfschap voor de Groothandel en de Tussenpersonen in Groenten en Fruit en het Bedrijfschap voor de Groothandel in Bloemkwekerijprodukten gevormde fondsen voor het verlenen van toeslagen op ingegane pensioenen en premievrije pensioenaanspraken blijven in stand. Uit deze fondsen kunnen volgens door het dagelijks bestuur van het hoofdbedrijfschap, uitgaande van het door de betrokken dagelijkse besturen gevoerde beleid, te stellen regelen toeslagen worden verleend op pensioenen en premievrije pensioenaanspraken van gewezen werknemers van het bedrijfschap en het hoofdbedrijfschap of hun nabestaanden.

2.Het hoofdbedrijfschap voldoet uit de in het eerste lid bedoelde fondsen geen andere vorderingen dan die welke strekken tot nakoming van de verplichtingen waarvoor deze fondsen zijn ingesteld.

3.De over de middelen van een fonds verkregen rente wordt aan het desbetreffende fonds toegevoegd.

4.Het hoofdbedrijfschap verantwoordt het beheer van de fondsen door middel van een bijzondere functie in zijn begroting.

 

Artikel 20

1.Zo spoedig mogelijk nadat het hoofdbedrijfschap het vermogen van de bedrijfslichamen heeft vereffend, brengt het daarover aan de raad verslag uit. Het verslag gaat vergezeld van een door het hoofdbedrijfschap vastgestelde rekening van inkomsten en uitgaven.

2.De vaststelling van het verslag en van de rekening van inkomsten en uitgaven betreffende de vereffening kan slechts plaatsvinden nadat de ontwerpen van deze stukken gedurende twee maanden ten kantore van het hoofdbedrijfschap voor een ieder ter lezing zijn neergelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar zijn gesteld en indien binnen die termijn bij het hoofdbedrijfschap geen bezwaren zijn ingekomen. Van de neerlegging en de verkrijgbaarheid geschiedt openbare kennisgeving in de Staatscourant en in het Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie.

3.Elk ingekomen bezwaar wordt door het hoofdbedrijfschap onderzocht. Indien het bezwaar gegrond wordt bevonden, zet het hoofdbedrijfschap de vereffening voort en maakt, zo nodig, een nieuw verslag en een nieuwe rekening op, waarin aan het bezwaar is tegemoet gekomen. Ten aanzien van laatstbedoeld verslag en laatstbedoelde rekening is het tweede lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofdbedrijfschap nieuwe bezwaren, welke reeds tegen het eerste verslag en de eerste rekening hadden kunnen worden ingebracht, niet in overweging neemt. Wordt het bezwaar ongegrond bevonden, dan stelt het hoofdbedrijfschap het verslag en de rekening alsnog vast.

4.De rekening behoeft instemming van de raad. De instemming strekt tot decharge van het hoofdbedrijfschap. Het hoofdbedrijfschap doet van het verlenen van de instemming zo spoedig mogelijk openbare kennisgeving op de wijze als is aangegeven in het tweede lid.

 

Artikel 21

Indien de fondsen, zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, niet toereikend zijn, wordt hetgeen blijkens de rekening als bedoeld in artikel 20 aan vermogen van het Bedrijfschap voor de Groothandel en de Tussenpersonen in Groenten en Fruit en het Bedrijfschap voor de Groothandel in Bloemkwekerijprodukten over is, door het hoofdbedrijfschap, voorzover noodzakelijk, aangewend ter dekking van het verwachte tekort.

 

Artikel 22

Hetgeen blijkens de rekening als bedoeld in artikel 20 aan vermogens van de bedrijfslichamen over is, wordt, nadat zo nodig toepassing is gegeven aan het gestelde in artikel 21, door het hoofdbedrijfschap verantwoord in naar de bedrijfslichamen verbijzonderde functies in zijn begroting en rekening van inkomsten en uitgaven.

 

Artikel 23

Hetgeen na afwikkeling van de verplichtingen jegens het gewezen personeel van het Bedrijfschap voor de Groothandel en de Tussenpersonen in Groenten en Fruit en het Bedrijfschap voor de Groothandel in Bloemkwekerijprodukten van de in artikel 19, eerste lid, bedoelde fondsen over is, wordt door het hoofdbedrijfschap, de betrokken organisaties van ondernemers en van werknemers gehoord, een bestemming gegeven, zoveel mogelijk ten nutte van het betrokken deel van het bedrijfsleven. Dit besluit behoeft de goedkeuring van de raad.

 

Artikel 24

1.De opheffing van de bedrijfslichamen heeft geen gevolg voor de ontvankelijkheid van bezwaren als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht of beroepen ingevolge de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. In plaats van de bedrijfslichamen treedt het hoofdbedrijfschap als partij op.

2.Gerechtelijke uitspraken, gedaan tegen een van de bedrijfslichamen of, op grond van het eerste lid, tegen het hoofdbedrijfschap, worden door het hoofdbedrijfschap uitgevoerd, voorzover nodig ten laste van het vermogen van het betrokken opgeheven bedrijfslichaam.

 

Artikel 25

Het hoofdbedrijfschap draagt in de zin van de Archiefwet 1995 zorg voor de archiefbescheiden van de bedrijfslichamen.

 

Hoofdstuk III: Slotbepalingen

 

Artikel 26

De Instellingsverordeningen Bedrijfschap voor de Groothandel en de Tussenpersonen in Aardappelen, Bedrijfschap Groothandel in Bloemkwekerijprodukten en Bedrijfschap Groothandel en Tussenpersonen in Groenten en Fruit worden ingetrokken.

 

Artikel 27

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

 

Artikel 28

Dit besluit wordt aangehaald als Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Agrarische Groothandel.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

's-Gravenhage, 4 maart 2002

 

BEATRIX

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L.J. Brinkhorst

De Minister van Economische Zaken,
A. Jorritsma-Lebbink

 

Uitgegeven de achtentwintigste maart 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals

 

 

Bijlage A

 

Deze bijlage behoort bij het Besluit van 4 maart 2002, houdende de instelling van een hoofdbedrijfschap voor ondernemingen op het gebied van de groothandel en het bedrijf van tussenpersoon in aardappelen, bloemkwekerijproducten, groenten of fruit, almede de opheffing Bedrijfschap voor de Groothandel en de Tussenpersonen in Aardappelen, Bedrijfschap Groothandel in Bloemkwekerijprodukten en Bedrijfschap Groothandel en Tussenpersonen in Groenten en Fruit (Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Agrarische Groothandel), als bedoeld in artikel 14, derde lid.

Verordeningen en andere besluiten van:

a. het Bedrijfschap voor de Groothandel en de Tussenpersonen in Aardappelen:

1. Verordening registratie, verstrekking van gegevens en inzage van boeken en bescheiden 1957

2. Machtiging dwangbevelen uit te vaardigen

3. Verordening bestrijding Phytophthora infestans bij aardappelen 1994

4. Algemene Verordening salarissen personeel 1972

5. Verordening Pensioenreglement personeel 1990

b. het Bedrijfschap voor de Groothandel in Bloemkwekerijprodukten:

1. Registratieverordening Bedrijfschap voor de Groothandel in Bloemkwekerijprodukten 1994

2. Algemene Verordening salarissen personeel 1980

3. Verordening Arbeidsvoorwaarden personeel 1987

4. Verordening pensioenen personeel 1994

5. Verordening Vaststelling reglement flexibel spaarpensioen

6. Verordening tot wijziging en inwerkingtreding van de Verordening vrijwillig vervroegde uittreding personeel 1994

7. Verordening Uitkeringen bij ontslag 1993

8. Verordening Wachtgeld personeel 1977

9. Verordening Regeling deeltijdarbeid

c. het Bedrijfschap voor de Groothandel en de Tussenpersonen in Groenten en Fruit:

1. Registratie- en Enquêteverordening 1990

2. Verordening Salarissen Personeel 1975

3. Verordening Arbeidsvoorwaarden personeel 1988

4. Verordening pensioenen 1986

5. Verordening Vaststelling Reglement Flexibel Spaarpensioen 1998

6. Verordening vrijwillig vervroegde uittreding personeel 1994

7. Verordening Wachtgeld personeel 1968

8. Verordening Uitkeringen bij ontslag 1994

 

Bijlage B

Deze bijlage behoort bij het Besluit van 4 maart 2002, houdende de instelling van een hoofdbedrijfschap voor ondernemingen op het gebied van de groothandel en het bedrijf van tussenpersoon in aardappelen, bloemkwekerijproducten, groeten of fruit, almede de opheffing Bedrijfschap voor de Groothandel en de Tussenpersonen in Aardappelen, Bedrijfschap Groothandel in Bloemkwekerijprodukten en, Bedrijfschap Groothandel en Tussenpersonen in Groenten en Fruit (Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Agrarische Groothandel)

Organisaties van ondernemers

– Nederlandse Aardappel Organisatie

– Centrale Vereniging voor de Coöperatieve Handel

– Frugi Venta

– Vereniging van Groothandelaren in Bloemkwekerijprodukten

Organisaties van werknemers

– FNV Bondgenoten

– Dienstenbond CNV

– De Unie

 

Bijlage C

Deze bijlage behoort bij het Besluit van 4 maart 2002, houdende de instelling van een hoofdbedrijfschap voor ondernemingen op het gebied van de groothandel en het bedrijf van tussenpersoon in aardappelen, bloemkwekerijproducten, groenten of fruit, almede de opheffing Bedrijfschap voor de Groothandel en de Tussenpersonen in Aardappelen, Bedrijfschap Groothandel in Bloemkwekerijprodukten en Bedrijfschap Groothandel en Tussenpersonen in Groenten en Fruit (Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Agrarische Groothandel)

aardappelsector

– Nederlandse Aardappel Organisatie

– Centrale Vereniging voor de Coöperatieve Handel

totale omzet: ± 8 miljoen ton

leden omzet: ± 8,5 miljoen ton1

representativiteit ±100%

Groenten en fruitsector

– Frugi Venta

totale omzet: ± 16,9 miljard gulden

leden omzet: ± 12,9 miljard gulden

representativiteit ± 76%

Bloemkwekerijproduktensector

– Vereniging van Groothandelaren in Bloemkwekerijprodukten

totale omzet: ± 8,5 miljard gulden

leden omzet: ± 6 miljard gulden

representativiteit ± 71%

Organisaties van werknemers

– FNV Bondgenoten2

– Dienstenbond CNV3

– De Unie4

totaal aantal werknemers: ± 11 200 personen5

leden werknemersorganisaties: ± 2 600 personen6

representativiteit ± 23%

 

 

Voetnoten:

1.

Aangezien een aantal leden van deze sector bij beide genoemde organisaties is aangesloten, valt de ledenomzet hoger uit dan de werkelijke totale omzet.

2.

Vertegenwoordigd in Bedrijfschap voor de Groothandel en de Tussenpersonen in Aardappelen, Bedrijfschap voor de Groothandel en de Tussenpersonen in Groenten en Fruit, Bedrijfschap voor de Groothandel in Bloemkwekerijprodukten en Bedrijfschap voor de Handel in Tuinbouwzaden.

3.

Zie voetnoot 13.

4.

Vertegenwoordigd in Bedrijfschap voor de Groothandel en de Tussenpersonen in Groenten en Fruit en Bedrijfschap voor de Handel in Tuinbouwzaden.

5.

Vaste krachten exclusief werkende eigenaars en gezinsleden, tijdelijke krachten en losse arbeid.

6. 

Gecorrigeerd voor werknemers die geacht worden in geringe mate aan de sector gebonden te zijn zoals werknemers op afroep, werknemers met beperkte uurcontracten, avond- en zaterdaghulpen.

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wet BO | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x