| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de belasting
van personenauto's en motorrijwielen 1992 (BPM)
UITVOERINGSBESLUIT
BELASTING VAN PERSONENAUTO'S EN
MOTORRIJWIELEN 1992
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 24 december 1992 tot vaststelling van het
Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 13
november 1992, nr. WV 92/543, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken,
Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;
Gelet op de artikelen 14, 15, 16 en 20 van de Wet op de belasting van
personenauto's en motorrijwielen 1992 (Stb. 1992, 709), de artikelen
13, eerste lid, 15a en 15b van de Wegenverkeerswet (Stb.
1935, 554), artikel 66b, tweede lid, van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 (Stb. 1990, 103) en artikel 8, zesde lid,
van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Stb. 1968, 329);
De Raad van State gehoord (advies van 18 december 1992, nr.
W06.92.0554);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van
23 december 1992, nr. WV92/685, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken,
Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 13a, 14, 14a, 14b,
15, 15a, 16 en 20 van de Wet op de belasting van personenauto’s en
motorrijwielen 1992.
2. Dit besluit verstaat hierna onder:
a. wet: Wet op de belasting van personenauto's en
motorrijwielen 1992;
b. belasting: belasting van personenauto's en motorrijwielen;
c. rechten bij invoer: rechten bij invoer als bedoeld in
artikel 7:3 van de Algemene douanewet.
Artikel 1a
Bij wijziging van de tenaamstelling van de bestelauto blijft artikel
13a, derde lid, van de wet buiten toepassing indien:
a. het kenteken van een bestelauto waarvoor ingevolge artikel 13a
van de wet vrijstelling van belasting is verleend, binnen vijf jaren
na het tijdstip waarop de bestelauto is ingeschreven in het
register, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet, op naam
wordt gesteld van een ondernemer die voldoet aan de voorwaarden
genoemd in artikel 13a, eerste en tweede lid, van de wet, en
b. in de administratie van de ondernemer op wiens naam het
kenteken daarvoor was gesteld een verklaring is opgenomen waarin
deze ondernemer en de in onderdeel a bedoelde ondernemer ten aanzien
van de bestelauto verklaren, dat de in onderdeel a bedoelde
ondernemer voor de toepassing van artikel 13a in de plaats treedt
van de ondernemer op wiens naam het kenteken daarvoor was gesteld.
Artikel 2
1.Vrijstelling van belasting wordt verleend voor personenauto’s,
motorrijwielen en bestelauto’s die zijn geregistreerd in het
buitenland en door een in dat land gevestigde werkgever ter
beschikking zijn gesteld aan een als werknemer bij hem in dienst
zijnde in Nederland wonende persoon, indien:
a. met het motorrijtuig in Nederland uitsluitend gebruik wordt
gemaakt van de weg door de werknemer of zijn inwonende
gezinsleden;
b. de werkgever blijkens een schriftelijke verklaring te kennen
heeft gegeven dat het motorrijtuig aan belanghebbende ter
beschikking is gesteld en hoofdzakelijk is bestemd voor de
uitvoering van de werkzaamheden buiten Nederland; en
c. de werknemer als gevolg van de arbeidsverhouding tussen hem
en zijn werkgever in beginsel geen invloed kan uitoefenen op de
beslissing in welk land de personenauto, het motorrijwiel of de
bestelauto wordt geregistreerd.
2.De vrijstelling wordt door de inspecteur op verzoek bij voor
bezwaar vatbare beschikking verleend.
3.Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend voor de aanvang van
het gebruik van de weg in Nederland met de personenauto, het
motorrijwiel of de bestelauto.
4.Indien de in het eerste lid bedoelde omstandigheden zich niet
langer voordoen, trekt de inspecteur de vrijstelling in bij voor
bezwaar vatbare beschikking.
5.Degene aan wie de vrijstelling is verleend stelt de inspecteur
ervan in kennis indien de in het eerste lid bedoelde omstandigheden
zich niet langer voordoen.
6.Indien degene aan wie de vrijstelling is verleend niet voldoet
aan de verplichting bedoeld in het vijfde lid, wordt de vrijstelling
geacht te zijn vervallen op het tijdstip waarop de in het eerste lid
bedoelde omstandigheden zich niet langer voordoen.
Artikel 3
1.Vrijstelling van belasting wordt verleend voor personenauto’s,
motorrijwielen en bestelauto’s die zijn geregistreerd in het
buitenland en die worden gebruikt door Nederlands ingezetenen die
elders dan in Nederland:
- hoofd zijn van een éénmansbedrijf, of
- lid zijn van een maatschap, of
- bestuurder, vennoot of aandeelhouder zijn van een
onderneming, opgericht in de vorm van een vennootschap,
een en ander mits de eigenaar of houder niet een werknemer is als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c.
2.De vrijstelling wordt slechts verleend indien:
a. met het motorrijtuig in Nederland uitsluitend gebruik wordt
gemaakt van de weg door de in het eerste lid bedoelde Nederlands
ingezetene of zijn inwonende gezinsleden; en
b. het motorrijtuig blijkens een kilometerregistratie voor ten
minste 50% zakelijk buiten Nederland wordt gebruikt; het zakelijk
gebruik buiten Nederland wordt per kalenderjaar bepaald, waarbij
de afstand die wordt overbrugd van de woonplaats naar de in het
buitenland gelegen werkplaats en omgekeerd buiten beschouwing
blijft.
3.Artikel 2, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 3a
1.Vrijstelling van belasting wordt verleend voor personenauto’s,
motorrijwielen en bestelauto’s die zijn geregistreerd in het
buitenland en die vanuit dat land voor een periode van ten hoogste
twee weken in Nederland ter beschikking staan van een in Nederland
wonende natuurlijke persoon en zijn inwonende gezinsleden, of van een
in Nederland gevestigd lichaam.
2.De vrijstelling wordt slechts verleend indien:
a. de in het eerste lid bedoelde persoon en zijn inwonende
gezinsleden, onderscheidenlijk het in het eerste lid bedoelde
lichaam, in Nederland met het motorrijtuig geen gebruik hebben,
onderscheidenlijk heeft, gemaakt van de weg in de twaalf maanden
voorafgaand aan de periode van terbeschikkingstelling in
Nederland;
b. een beroep op de vrijstelling wordt gedaan vóór aanvang
van het gebruik van de weg met het motorrijtuig in Nederland, door
middel van een elektronische melding;
c. de in het eerste lid bedoelde persoon en zijn inwonende
gezinsleden, onderscheidenlijk het in het eerste lid bedoelde
lichaam, in de twaalf maanden volgend op de aanvang van de periode
van ten hoogste twee weken, bedoeld in het eerste lid, in
Nederland met het motorrijtuig uitsluitend gebruik maken,
onderscheidenlijk maakt, van de weg gedurende deze periode van ten
hoogste twee weken.
3.De vrijstelling kan mede worden verleend indien door aantoonbare
overmacht niet is voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel b, mits zo snel mogelijk na aanvang van het gebruik van
de weg alsnog de elektronische melding, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b, wordt gedaan, onder opgave van de dag waarop het gebruik
van de weg is aangevangen en de redenen waarom niet eerder een beroep
op de vrijstelling kon worden gedaan.
4.De vrijstelling wordt verleend aan de in het eerste lid bedoelde
natuurlijke persoon onderscheidenlijk het in het eerste lid bedoelde
lichaam.
5.Indien voor een motorrijtuig waarvoor een beroep op de
vrijstelling is gedaan niet of niet langer wordt voldaan aan een in
het eerste of tweede lid genoemde voorwaarde, stelt degene aan wie de
vrijstelling is verleend de inspecteur daarvan onverwijld in kennis.
6.Indien de in Nederland wonende natuurlijke persoon of een
inwonend gezinslid van deze persoon, onderscheidenlijk het in
Nederland gevestigde lichaam, met het motorrijtuig in Nederland
gebruik blijft maken van de weg na het verstrijken van de in het
eerste lid bedoelde periode van twee weken, vervalt de vrijstelling en
wordt de verschuldigde belasting op aangifte voldaan uiterlijk op de
laatste dag van deze periode van twee weken.
7.Indien in andere situaties dan als bedoeld in het zesde lid, de
in Nederland wonende natuurlijke persoon of een inwonend gezinslid van
deze persoon, onderscheidenlijk het in Nederland gevestigde lichaam,
opnieuw gebruik maakt met het motorrijtuig van de weg in Nederland in
de vijftig weken volgend op de in het eerste lid bedoelde periode van
twee weken, vervalt de vrijstelling en wordt de verschuldigde
belasting door degene aan wie de vrijstelling is verleend op aangifte
voldaan vóór de hernieuwde aanvang van het gebruik van de weg.
8.Indien het beroep op de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b, elektronisch wordt ingetrokken vóór de dag waarop
volgens het elektronische beroep op de vrijstelling het gebruik in
Nederland van de weg aanvangt, geldt het beroep als niet gedaan.
Artikel 4
1.Vrijstelling van belasting wordt in andere gevallen dan bedoeld
in de artikelen 2, 3 en 3a verleend voor uit een ander land afkomstige
personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s indien ter zake van
het in het vrije verkeer brengen daarvan aanspraak op vrijstelling van
rechten bij invoer bestaat, of zou bestaan indien de vervoermiddelen
uit een ander land dan een lid-staat van de Europese Unie in het vrije
verkeer zouden zijn gebracht, onder de daarbij gestelde voorwaarden en
beperkingen.
2.Indien aanspraak op vrijstelling van rechten bij invoer bestaat
of zou bestaan ter zake van de wederinvoer van een personenauto, een
motorrijwiel of een bestelauto, wordt de vrijstelling slechts verleend
indien wordt aangetoond dat de belasting vóór de overbrenging naar
het buitenland daadwerkelijk is betaald en niet ter zake van de
overbrenging naar het buitenland is teruggegeven.
3.Indien voor de in het eerste lid bedoelde personenauto’s,
motorrijwielen en bestelauto’s vrijstelling van rechten bij invoer
wordt gevraagd overeenkomstig de daarvoor geldende bepalingen, dient
de desbetreffende aanvraag tevens het verzoek om vrijstelling van
belasting te bevatten. In andere gevallen is artikel 2, tweede en
derde lid, van overeenkomstige toepassing.
4.In de gevallen waarin vrijstelling van belasting is verleend op
de voet van het eerste lid, wordt, indien ingevolge de bepalingen op
grond waarvan de vrijstelling van rechten bij invoer is verleend of
zou worden verleend de rechten bij invoer verschuldigd is of zou
worden, tevens de belasting verschuldigd.
Artikel 4a
1. De in artikel 14a, eerste lid, van de wet bedoelde teruggaaf
wordt slechts verleend indien:
a. het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht en op het
moment van de beëindiging van de tenaamstelling van het kenteken
in het register, bedoeld in artikel 1, tweede lid, blijkens dit
register niet wordt aangemerkt als motorrijtuig bestemd voor sloop
of motorrijtuig dat wacht op keuring;
b. het motorrijtuig op het moment, bedoeld in onderdeel a, niet
voldoet aan de definitie van schadevoertuig in de zin van de
Regeling voertuigen en degene op wiens naam het kenteken was
gesteld direct voorafgaand aan de beëindiging van de
tenaamstelling in het register dit bij het verzoek, bedoeld in
onderdeel c, verklaart;
c. het verzoek om teruggaaf wordt gedaan binnen dertien weken
na beëindiging van de tenaamstelling van het kenteken in het
register, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet; en
d. bij het verzoek bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt
dat het motorrijtuig is geregistreerd in een andere lidstaat van
de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte.
2. De teruggaaf wordt door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare
beschikking verleend.
Artikel 4b
1. De in artikel 14a, tweede lid, van de wet bedoelde teruggaaf
wordt slechts verleend indien gedurende de periode van het gebruik van
de weg met het motorrijtuig in Nederland de opneming in het register,
bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet niet was voorgeschreven,
en:
a. het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht en blijkens
de registratie in het buitenlandse kentekenregister niet wordt
aangemerkt als motorrijtuig bestemd voor sloop of motorrijtuig dat
wacht op keuring;
b. het motorrijtuig op het moment, bedoeld in onderdeel a, niet
voldoet aan de definitie van schadevoertuig in de zin van de
Regeling voertuigen en degene van wie de belasting ingevolge
artikel 5, tweede lid, van de wet is geheven dit bij het verzoek,
bedoeld in onderdeel c, verklaart;
c. het verzoek om teruggaaf wordt gedaan binnen dertien weken
na het tijdstip waarop het motorrijtuig niet langer in Nederland
feitelijk ter beschikking staat van de in Nederland wonende
natuurlijke persoon of gevestigd lichaam; en
d. bij het verzoek bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt
dat het motorrijtuig is geregistreerd in een andere lidstaat van
de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte, alsmede bescheiden
waaruit blijkt vanaf welk tijdstip het motorrijtuig niet langer in
Nederland feitelijk ter beschikking staat van de in Nederland
wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam.
2. Artikel 4a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4c
1. De in artikel 14b van de wet bedoelde verrekening kan slechts
worden toegepast indien het verzoek daartoe gelijktijdig met de
aangifte wordt gedaan, en:
a. bij het verzoek de voor het motorrijtuig afgesloten
huurovereenkomst en eventuele aanvullende overeenkomsten met de
ondernemer, bedoeld in artikel 14b, eerste lid, van de wet, worden
overgelegd, alsmede, ingeval deze overeenkomsten niet zijn
opgemaakt in de Nederlandse of de Engelse taal, een vertaling in
één van deze talen;
b. aan de hand van de overgelegde gegevens de voor het
motorrijtuig in totaal overeengekomen huurperiode eenvoudig kan
worden vastgesteld.
2. In het verzoek vermeldt de huurder van het motorrijtuig de in
totaal met de verhuurder overeengekomen huurperiode, en verklaart de
huurder dat overigens geen andere afspraken zijn gemaakt met de
verhuurder van het motorrijtuig over de periode waarin het
motorrijtuig tot zijn beschikking zal staan.
Artikel 5
De in artikel 15 van de wet bedoelde teruggaven worden slechts
verleend indien de belastingplichtige binnen dertien weken na de
registratie van de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto
daartoe verzoekt.
Artikel 6
1. De in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet
bedoelde teruggaaf wordt verleend, indien:
a. de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto is
geregistreerd op naam van een politie-instantie dan wel, indien de
personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto op lease-basis aan
de politie ter beschikking staat, afschriften van het
kentekenbewijs en het lease-contract worden overgelegd;
b. de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto is
voorzien van:
- een tweetonige hoorn;
- een duidelijk zichtbaar blauw zwaai- of knipperlicht; en
- ten minste aan weerszijden één of meer duidelijk
zichtbare afbeeldingen van het politielogo, bedoeld in de
Regeling politielogo; en
c. de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto
uitsluitend wordt gebruikt door politie-ambtenaren voor de
uitoefening van hun politietaak.
2. De in artikel 15, vierde lid, van de wet bedoelde aangifte wordt
gedaan indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden en
beperkingen in het eerste lid, of indien het motorrijtuig binnen drie
jaren na het tijdstip waarop het recht op teruggaaf is ontstaan, wordt
afgestoten.
Artikel 7
1. De in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet
bedoelde teruggaaf wordt slechts verleend, indien:
a. de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto is
geregistreerd op naam van een brandweer-instantie dan wel, indien
de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto op lease-basis
aan de brandweer ter beschikking staat, afschriften van het
kentekenbewijs en het lease-contract worden overgelegd;
b. de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto is
voorzien van:
- een tweetonige hoorn;
- een duidelijk zichtbaar blauw zwaai- of knipperlicht; en
- ten minste aan weerszijden één of meer duidelijk
zichtbare afbeeldingen van een brandweerembleem dan wel in
voorkomend geval een gemeentewapen, welke afbeeldingen alle
een oppervlakte hebben van ten minste 314 cm2; en
c. de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto
uitsluitend wordt gebruikt door brandweerlieden voor de
uitoefening van hun brandweertaak.
2. De in artikel 15, vierde lid, van de wet bedoelde aangifte wordt
gedaan indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden en
beperkingen in het eerste lid, of indien het motorrijtuig binnen drie
jaren na het tijdstip waarop het recht op teruggaaf is ontstaan, wordt
afgestoten.
3. Onder brandweer-instantie wordt mede begrepen een aangewezen
inrichting als bedoeld in artikel 31 van de Wet veiligheidsregio’s.
Artikel 8
1. De in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de wet
bedoelde teruggaaf wordt slechts verleend, indien:
a. de personenauto is ingericht voor het vervoeren van zieken
en gewonden, is uiterlijk herkenbaar als ambulance en is voorzien
van:
– een meertonige hoorn;
– een duidelijk zichtbaar blauw zwaai- of knipperlicht;
b. voor de personenauto een vergunning is verleend op de voet
van artikel 2 van de Wet ambulancevervoer, dan wel de personenauto
behoort tot de in artikel 17a van die wet bedoelde categorieën
van ambulancevervoer; en
c. de personenauto uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer
van zieken en gewonden en het verlenen van spoedeisende medische
hulp.
2. De in artikel 15, vierde lid, van de wet bedoelde aangifte wordt
gedaan indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden en
beperkingen in het eerste lid, of indien het motorrijtuig binnen vijf
jaren na het tijdstip waarop het recht op teruggaaf is ontstaan, wordt
afgestoten.
Artikel 9
1.De in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de wet
bedoelde teruggaaf wordt slechts verleend indien:
a. direct achter de bestuurderszitplaats een vaste wand is
aangebracht over de gehele breedte van de personenauto of de
bestelauto;
b. de achterruimte niet is voorzien van zitplaatsen en
veiligheidsgordels;
c. de achterruimte geheel is voorzien van een verhoogde
laadvloer; en
d. de personenauto of de bestelauto uitsluitend wordt gebruikt
voor het vervoer van stoffelijke overschotten.
2.De in artikel 15, vierde lid, van de wet bedoelde aangifte wordt
gedaan indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden en
beperkingen in het eerste lid, of indien het motorrijtuig binnen acht
jaren na het tijdstip waarop het recht op teruggaaf is ontstaan, wordt
afgestoten.
Artikel 10
1.De in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de wet
bedoelde teruggaaf wordt slechts verleend indien:
a. direct achter de bestuurdersplaats een vaste wand, een
traliewerk of een soortgelijke afscheiding is aangebracht over de
gehele breedte van de personenauto;
b. de achterruimte uitsluitend van buitenaf te openen is;
c. de ramen en luiken in de achterruimte niet kunnen worden
geopend, dan wel zijn voorzien van tralies of een metalen rooster;
d. de personenauto is voorzien van een mobilofooninstallatie;
en
e. de personenauto uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer
door daartoe aangewezen opsporingsambtenaren van personen die
rechtens van hun vrijheid zijn beroofd.
2.De in artikel 15, vierde lid, van de wet bedoelde aangifte wordt
gedaan indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden en
beperkingen in het eerste lid, of indien het motorrijtuig binnen acht
jaren na het tijdstip waarop het recht op teruggaaf is ontstaan, wordt
afgestoten.
Artikel 11
1.De in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de wet
bedoelde teruggaaf wordt slechts verleend indien:
a. de personenauto beschikt over voorzieningen waardoor deze
gemakkelijk toegankelijk is voor rolstoelen;
b. in de personenauto bevestigingspunten zijn aangebracht voor
de rolstoelen, waarmee zij kunnen worden vastgezet, opdat de
veiligheid van de rolstoelgebruiker is gewaarborgd; en
c. het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt voor het
bedrijfsmatig vervoer van rolstoelgebruikers en hun begeleiders
van en naar instellingen die zich de zorg voor gehandicapte
personen ten doel stellen.
2.De in artikel 15, vierde lid, van de wet bedoelde aangifte wordt
gedaan indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden en
beperkingen in het eerste lid, of indien het motorrijtuig binnen zes
jaren na het tijdstip waarop het recht op teruggaaf is ontstaan, wordt
afgestoten.
Artikel 12
1.De in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de wet
bedoelde teruggaaf wordt slechts verleend indien:
a. de personenauto of de bestelauto is voorzien van:
- een duidelijk zichtbaar geel zwaai- of knipperlicht;
- ten minste aan weerszijden één of meer duidelijk
zichtbare aanduidingen waaruit blijkt dat het een
dierenambulance is, welke aanduidingen alle een oppervlakte
hebben van ten minste 1960 cm2 op een wit veld van ten minste
4500 cm2;
- een mobilofooninstallatie of daarmee vergelijkbare
installatie; en
- voorzieningen voor vervoer en verzorging van zieke of
gewonde dieren; en
b. de personenauto of de bestelauto uitsluitend wordt gebruikt
voor het bedrijfsmatig vervoer van zieke of gewonde dieren.
2.De in artikel 15, vierde lid, van de wet bedoelde aangifte wordt
gedaan indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden en
beperkingen in het eerste lid, of indien het motorrijtuig binnen acht
jaren na het tijdstip waarop het recht op teruggaaf is ontstaan, wordt
afgestoten.
Artikel 13
1.De in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de wet
bedoelde teruggaaf wordt slechts verleend indien:
a. direct achter de bestuurderszitplaats een vaste wand van
kogelvrij materiaal is aangebracht over de gehele breedte van de
personenauto of de bestelauto;
b. de achterruimte niet is voorzien van zitplaatsen en
veiligheidsgordels, met uitzondering van een zitplaats voor een
bewaker;
c. de vloer van de achterruimte uit één stuk bestaat;
d. de kluizen in de achterruimte onverbrekelijk met de bodem
zijn verbonden;
e. de personenauto of de bestelauto voor de beveiliging van de
inzittenden voldoende is gepantserd; en
f. de personenauto of de bestelauto uitsluitend wordt gebruikt
voor het bedrijfsmatig vervoer van geld of waarden.
2.De in artikel 15, vierde lid, van de wet bedoelde aangifte wordt
gedaan indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden en
beperkingen in het eerste lid, of indien het motorrijtuig binnen acht
jaren na het tijdstip waarop het recht op teruggaaf is ontstaan, wordt
afgestoten.
Artikel 13a
1.Ten behoeve van eenzelfde gehandicapte bestaat aanspraak op de in
artikel 15a van de wet bedoelde teruggaaf voor één bestelauto.
2.De teruggaaf wordt slechts verleend indien het verzoek daartoe
wordt ingediend binnen dertien weken nadat het recht op teruggaaf is
ontstaan, en
a. bij het verzoek worden overgelegd:
– bescheiden waaruit blijkt dat de gehandicapte beschikt
over een rolstoel als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van
de wet die is verstrekt in het kader van een beschikking
ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten, dan wel waarvoor
hij beschikt over een verklaring van een arts die is afgegeven
ten hoogste zes weken voorafgaand aan de datum van indiening
van het verzoek, dat hij voor zijn vervoer is aangewezen op
het gebruik van een dergelijke rolstoel;
– een afschrift van de delen I en II, de delen I en I B
of deel I A en B van het bewijs dat ingevolge artikel 36,
tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is afgegeven voor de
bestelauto; en
– een verklaring van een ambtenaar van de
rijksbelastingdienst, bevoegd inzake de douane, dat de
bestelauto is ingericht voor het in artikel 15a van de wet
bedoelde vervoer; en
b. de bestelauto uitsluitend wordt gebruikt voor het in artikel
15a, eerste lid, van de wet bedoelde vervoer, alsmede voor het
persoonlijk gebruik, gebruik door inwonende gezinsleden daaronder
begrepen, van de gehandicapte en, ingeval dit een ander is, van
degene op wiens naam het kenteken is gesteld.
3.Indien eerder voor een andere bestelauto ten behoeve van de
gehandicapte teruggaaf werd verleend op de voet van artikel 15a van de
wet, wordt in het verzoek vermeld vanaf welke datum die andere
bestelauto niet langer wordt gebruikt voor het in artikel 15a, eerste
lid, van de wet bedoelde vervoer.
Artikel 14
De in artikel 16, eerste lid, van de wet bedoelde teruggaaf wordt
slechts verleend indien degene op wiens naam het kenteken is gesteld
daartoe verzoekt binnen dertien weken nadat het recht op teruggaaf is
ontstaan en bij het verzoek worden overgelegd:
a. een afschrift van de vergunning ingevolge de Wet
personenvervoer 2000 voor het verrichten van openbaar vervoer of
taxivervoer als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet;
b. een afschrift van de delen I en II, de delen I en I B of deel
I A en B van het bewijs dat ingevolge artikel 36, tweede lid, van de
Wegenverkeerswet 1994 is afgegeven voor de personenauto; en
c. een afschrift van het keuringsbewijs dat ingevolge de Regeling
permanente eisen taxi’s is afgegeven voor de personenauto;
alsmede, indien degene op wiens naam het kenteken is gesteld en de
houder van de in onderdeel a bedoelde vergunning niet dezelfde
persoon zijn,
d. een gezamenlijke verklaring waaruit blijkt dat het voertuig
wordt gebruikt in het kader van de onderneming van degene op wiens
naam de vergunning, bedoeld in onderdeel a, is afgegeven.
Artikel 15 [Vervallen per 08-12-1995]
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 21
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1993.
Artikel 22
Dit besluit kan worden aangehaald als Uitvoeringsbesluit belasting
van personenauto's en motorrijwielen 1992.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
Het Oude Loo, 24 december 1992
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
M.J.J. van Amelsvoort
Uitgegeven de dertigste december 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|