| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de beroepen in
de individuele gezondheidszorg (Wet BIG)
BESLUIT
BUITENSLANDS GEDIPLOMEERDEN VOLKSGEZONDHEID
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 12 mei 1995, houdende uitvoering van de
artikelen 41, vijfde lid, 42, tweede lid, en 45, derde lid, van de Wet
op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van
24 november 1994, PAO/BOG 9414146;
Gelet op de artikelen 41, vijfde lid, 42,
tweede lid, en 45, derde lid, van de Wet op de beroepen in de
individuele gezondheidszorg;
De Raad van State gehoord (advies van 1 maart
1995, nr. W13.94.0726);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 mei 1995, DGVgz/PAO/BOG-953685;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;
b. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
c. commissie: de Commissie buitenslands gediplomeerden
volksgezondheid;
d. EER-overeenkomst: de overeenkomst van Oporto van 2 mei 1992
betreffende de Europese Economische Ruimte (Trb. 1992, 132);
e. EER-gebied: het grondgebied van de staten die partij zijn bij
de EER-overeenkomst.
Artikel 2
1.De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, alsmede uit
minimaal twee en maximaal vier leden-deskundigen per in artikel 3 van
de wet genoemd, onderscheidenlijk krachtens artikel 34 van de wet
aangewezen, beroep. De leden-deskundigen zijn deskundig ter zake van
de opleiding tot het desbetreffende beroep of ter zake van de
uitoefening van dat beroep.
2.Onze Minister benoemt en ontslaat de voorzitter en de andere
leden van de commissie.
3.De leden worden voor vier jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar.
De zittingsduur van een tussentijds benoemd lid eindigt op het
tijdstip waarop de zittingsduur van degene in wiens plaats hij is
benoemd, eindigt.
4.De leden, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, worden niet
benoemd dan nadat Onze Minister de organisatie die naar zijn oordeel
voldoende representatief is voor de instellingen die opleiden tot het
desbetreffende beroep onderscheidenlijk voor de beoefenaren van dat
beroep, heeft uitgenodigd binnen een door hem aan te geven termijn een
voordracht tot benoeming te doen en deze termijn is verstreken.
5.Onze Minister benoemt voor de voorzitter en voor elk van de
andere leden een plaatsvervanger. Zij worden door Onze Minister
ontslagen. Het derde en vierde lid zijn ten aanzien van de
plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.
6.Onze Minister kan een of meer ambtenaren aanwijzen als adviserend
lid van de commissie.
7.Onze Minister voorziet in het secretariaat van de commissie.
Artikel 3
1. De commissie heeft tot taak Onze Minister met betrekking tot een
in het buitenland genoten opleiding tot een in artikel 3 van de wet
genoemd beroep of een krachtens artikel 34 van de wet aangewezen
beroep van advies te dienen over de vraag:
a. welke buiten het EER-gebied behaalde getuigschriften in
aanmerking komen voor aanwijzing krachtens artikel 41, eerste lid,
onder a, dan wel 45, eerste lid, onder a, van de wet;
b. of aan een buitenslands gediplomeerde op aanvraag een
verklaring als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, van de
wet behoort te worden afgegeven;
c. of aan een buitenslands gediplomeerde op aanvraag een
verklaring als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onder b, van de
wet behoort te worden afgegeven;
d. of aan de onder b bedoelde verklaring beperkingen als
bedoeld in artikel 41, derde lid, van de wet moeten worden
verbonden;
e. of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel
41, vierde lid, van de wet.
2. De commissie heeft voorts tot taak Onze Minister van advies te
dienen over de vraag of werkervaring als bedoeld in artikel 8, tweede
lid, onderdeel c, van de wet, welke is opgedaan buiten het EER-gebied
en buiten Zwitserland, kan meetellen bij het vaststellen van het
aantal uren waarbinnen de werkzaamheden zijn verricht op het terrein
van het desbetreffende beroep binnen de individuele gezondheidszorg.
3. Op verzoek van Onze Minister adviseert de commissie Onze
Minister over de vraag of de werkervaring die een fysiotherapeut, een
gezondheidszorgpsycholoog of een psychotherapeut heeft opgedaan buiten
Nederland, doch binnen het EER-gebied of in Zwitserland, kan meetellen
bij het vaststellen van het aantal uren waarbinnen de werkzaamheden
zijn verricht op het terrein van de fysiotherapie, de
gezondheidszorgpsychologie onderscheidenlijk de psychotherapie.
Artikel 3a
1.De commissie kan bepalen dat de buitenslands gediplomeerde die
beschikt over een getuigschrift dat is afgegeven door de autoriteiten
van een staat die is gelegen buiten het EER-gebied, een kennis- en
vaardighedentoets dient af te leggen ten behoeve van het advies,
bedoeld in artikel 3.
2.Onze Minister stelt per beroepsgroep een tarief vast voor de
kennis- en vaardighedentoets.
3.De in het eerste lid bedoelde buitenslands gediplomeerde voldoet
voor het afleggen van de kennis- en vaardighedentoets het in het
tweede lid genoemde tarief.
Artikel 4
De commissie heeft voorts tot taak Onze Minister met betrekking tot
de toepassing van artikel 41, eerste lid, onder c, dan wel artikel 45,
eerste lid, onder c, van de wet van advies te dienen over de vraag of
voor de beoordeling van de aanvraag tot erkenning van
beroepskwalificaties, bedoeld in de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties, een proeve van bekwaamheid dan wel een
aanpassingsstage als bedoeld in de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties vereist is. Indien dat het geval is, adviseert
de commissie Onze Minister over de inhoud van de af te leggen proeve van
bekwaamheid dan wel over de inhoud en de duur van de aanpassingsstage.
Artikel 5
Een advies van de commissie bevat de gronden waarop het berust.
Artikel 6
1.De commissie regelt haar werkwijze met inachtneming van dit
besluit.
2.De commissie kan externe deskundigen raadplegen.
3.De commissie beraadslaagt en brengt advies uit in de
overeenkomstig artikel 2, eerste lid, voor het desbetreffende beroep
bedoelde samenstelling.
Artikel 7
1.Bij een aanvrage om een verklaring als bedoeld in artikel 41,
eerste lid, onder b, van de wet, of een verklaring als bedoeld in
artikel 45, eerste lid, onder b, van de wet worden de volgende
bescheiden overgelegd:
a. het desbetreffende door Onze Minister beschikbaar te stellen
aanvraagformulier, dat door de aanvrager is ingevuld;
b. een fotokopie van het deel van het paspoort dat de
persoonsgegevens bevat;
c. het getuigschrift inzake het betreffende beroep dat door het
in het land van herkomst daartoe bij of krachtens de wet bevoegd
verklaarde gezag aan de aanvrager is afgegeven;
d. het programma van de opleiding tot het betreffende beroep,
onderverdeeld in theorie- en praktijkvakken, met opgave van de
duur van het onderwijs in die vakken, afkomstig van de instelling
waarbij de aanvrager het getuigschrift heeft behaald;
e. cijferlijsten en beoordelingen van studieresultaten,
praktijkperioden of -stages, en dergelijke, van de aanvrager;
f. indien in het land van herkomst een door een overheidsorgaan
of een organisatie van beoefenaren van het desbetreffende beroep
ingesteld register in stand wordt gehouden: een bewijs van
inschrijving van de aanvrager in dat register, niet ouder dan zes
maanden;
g. een document waaruit blijkt dat ten aanzien van de aanvrager
geen beslissing als bedoeld in artikel 42, eerste lid, dan wel in
artikel 45, tweede lid, van de wet van kracht is;
h. bewijsstukken van eventuele beroepservaring.
2.De bescheiden, bedoeld onder c tot en met g, zijn gesteld, dan
wel door een beëdigd vertaler vertaald, in het Nederlands, Engels,
Frans of Duits. De fotokopieën zijn gewaarmerkt.
Artikel 8
1.Onverminderd artikel 2 van het Registratiebesluit BIG, verstrekt
degene die in het bezit is van een door Onze Minister aangewezen
getuigschrift als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder a, van de
wet, bij zijn aanvrage om inschrijving in het desbetreffende register
de bescheiden, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b en g.
2.Onverminderd artikel 2 van het Registratiebesluit BIG, verstrekt
degene die in het bezit is van een verklaring als bedoeld in artikel
41, eerste lid, onder c, van de wet, bij zijn aanvrage om inschrijving
in het desbetreffende register het document, bedoeld in artikel 7,
eerste lid, onder g.
Artikel 9
Het Besluit commissies buitenlandse apothekers en
apothekersassistenten en het Besluit buitenslands gediplomeerde
verpleegkundigen worden ingetrokken.
Artikel 10
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 11
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitenslands gediplomeerden
volksgezondheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 12 mei 1995
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
Uitgegeven de achtste februari 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|