BESLUIT van 15 juni 1995, houdende uitvoering van
artikel 32 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van
11 november 1994, 94 M 007318, gedaan mede namens Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken;
Gelet op Richtlijn nr. 77/453/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1977 inzake de coördinatie
van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de
werkzaamheden van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger (PbEG
L 176);
Gelet op artikel 32 van de Wet op de beroepen
in de individuele gezondheidszorg;
Gezien de adviezen van de Raad voor de beroepen
in de individuele gezondheidszorg (adviezen van 17 maart 1994 en 22
april 1994);
De Raad van State gehoord (advies van 31 maart
1995, nr. W01.94.0756);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 7 juni 1995, DGVGZ/PAO/BOG-955235;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;
b. opleidingsinstelling: een rechtspersoon die een
organisatorisch verband in stand houdt dat een opleiding tot
verpleegkundige verzorgt;
c. gezondheidszorginstelling: een instelling als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet toelating
zorginstellingen.
§ 2. Opleiding verpleegkundige
Artikel 2
Om in het krachtens artikel 3 van de wet ingestelde register van
verpleegkundigen te worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van een
getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene met goed gevolg het
examen ter afsluiting van een opleiding tot verpleegkundige heeft
afgelegd, uitgereikt door een instelling als bedoeld in hoofdstuk I van
de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, dan wel van
een getuigschrift, uitgereikt door een krachtens artikel 6 aangewezen
opleidingsinstelling.
Artikel 3
De opleiding tot verpleegkundige bestaat uit ten minste 4600 uren,
die als volgt zijn verdeeld:
a. ten minste 1535 uren theoretisch onderwijs;
b. ten minste 2300 uren praktisch onderwijs.
Artikel 4
1. Het theoretische onderwijs omvat ten minste de onderdelen
verpleegkunde, geneeskunde, gedragswetenschappen en ondersteunende
vakken.
2. Het onderdeel verpleegkunde omvat ten minste:
a. gezondheidsleer;
b. algemene beginselen van de verpleegkunde;
c. beginselen van de verpleegkunde met betrekking tot patiënten
die in een gezondheidszorginstelling zijn opgenomen in verband met een
onderzoek, een behandeling of een chirurgische ingreep;
d. beginselen van de verpleegkunde met betrekking tot specifieke
categorieën van patiënten zoals:
1°. zwangeren, kraamvrouwen en pasgeborenen;
2°. patiënten met een psychiatrische ziekte;
3°. patiënten met beperkte mogelijkheden tot zelfzorg, in
somatisch of psychosociaal opzicht;
4°. jeugdige patiënten;
5°. geriatrische patiënten;
6°. chronisch somatisch zieken;
7°. lichamelijk gehandicapten;
8°. verstandelijk gehandicapten;
9°. patiënten in de thuissituatie.
3. Het onderdeel geneeskunde omvat algemene beginselen van:
a. anatomie en fysiologie;
b. pathologie;
c. bacteriologie, virologie en parasitologie;
d. biofysica, biochemie en radiologie;
e. voedingsleer;
f. preventieve gezondheidszorg alsmede gezondheidsvoorlichting en
-opvoeding;
g. farmacologie;
h. psychiatrie.
4. Het onderdeel gedragswetenschappen omvat algemene beginselen
van:
a. sociologie;
b. psychologie.
5. Het onderdeel ondersteunende vakken omvat ten minste:
a. methoden van bewaking en bevordering van de kwaliteit van de
uitoefening van het beroep van verpleegkundige;
b. methoden van verslaglegging en informatie-overdracht;
c. methoden van vastlegging van patiëntengegevens en inrichting
van patiëntendossiers;
d. beroepsethiek;
e. medisch tuchtrecht en andere gebieden van het gezondheidsrecht;
f. organisatie van de gezondheidszorg;
g. methoden van werkbegeleiding;
h. samenwerking met andere beroepsbeoefenaren.
Artikel 5
Het praktische onderwijs omvat het in gezondheidszorginstellingen
opdoen van praktische ervaring op de in artikel 4, tweede lid, onder c
en d , bedoelde onderdelen van de opleiding onder leiding van
docenten verpleegkunde.
§ 3. Aanwijzing opleidingsinstellingen
Artikel 6
Onze Minister kan op hun daartoe strekkend verzoek
opleidingsinstellingen, niet zijnde instellingen als bedoeld in
hoofdstuk I van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, aanwijzen die een opleiding tot verpleegkundige verzorgen die
naar zijn oordeel voldoet aan de artikelen 3, 4 en 5.
Artikel 7
Voor aanwijzing komen in aanmerking opleidingsinstellingen waarvan in
redelijkheid verwacht mag worden dat zij:
a. met betrekking tot de opleiding en het examen de artikelen 3,
4, 5 en 8 onderscheidenlijk 9 zullen naleven;
b. slechts personen tot de opleiding toelaten die een algemene
schoolopleiding van 10 jaar, afgesloten met een getuigschrift, dan
wel een getuigschrift van een specifieke beroepsopleiding kunnen
overleggen;
c. zorg dragen voor een evenwichtige coördinatie tussen het
theoretische en het praktische gedeelte van de opleiding gedurende
het gehele studieprogramma;
d. zorg dragen voor het op systematische wijze bewaken, beheersen
en verbeteren van de kwaliteit van de opleiding.
Artikel 8
1. De opleidingsinstelling stelt jaarlijks een opleidingsplan
vast waarin de in de artikelen 3, 4 en 5 omschreven onderdelen van de
opleiding nader zijn uitgewerkt.
2. Belanghebbenden kunnen het opleidingsplan, desgevraagd,
inzien.
Artikel 9
1. Voor het afnemen van het examen wordt door de
opleidingsinstelling een examencommissie ingesteld.
2. De instelling stelt een examenreglement vast dat in elk geval
bepalingen bevat ter zake van:
a. de onderdelen van het examen en de wijze waarop deze worden
afgenomen en beoordeeld;
b. een procedure bij verschil van mening in de examencommissie over
de toe te kennen beoordeling;
c. een procedure van beroep tegen besluiten van de examencommissie;
d. een regeling met betrekking tot het herexamen.
3. De opleidingsinstelling draagt er zorg voor dat de aspirant-verpleegkundige
tijdig kennis kan nemen van het in het tweede lid bedoelde
examenreglement.
Artikel 10
Onze Minister kan een aanwijzing intrekken indien de
opleidingsinstelling naar zijn oordeel niet meer aan de in artikel 7
bedoelde voorwaarden voldoet.
Artikel 11
Van een aanwijzing of een intrekking van een aanwijzing wordt kennis
gegeven in de Staatscourant.
§ 4. Slotbepalingen
Artikel 12
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 13
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit opleidingseisen
verpleegkundige.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 15 juni 1995
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
Uitgegeven de vierde juli 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager