| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de beroepen in
de individuele gezondheidszorg (Wet BIG)
TUCHTRECHTBESLUIT
BIG
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 20 mei 1997, houdende regelen inzake
tuchtrechtspraak en maatregelen wegens ongeschiktheid (Tuchtrechtbesluit
BIG)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van
15 juli 1996, nr. CSZ/BenO-966209, gedaan mede namens Onze Minister van
Justitie;
Gelet op de artikelen 52, 53, eerste lid, 54,
tweede lid, 65, tweede lid, 70, vierde lid, 73, tweede lid, 79, derde
lid, 83, dertiende lid, 84, derde en zesde lid, en 94 van de Wet op de
beroepen in de individuele gezondheidszorg;
De Raad van State gehoord (advies van 19
november 1996, nr. W13.96.0306);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 april 1997, CSZ/BenO-976120,
uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALING
Artikel 1
ln dit besluit wordt verstaan onder «de wet»: de Wet op de beroepen
in de individuele gezondheidszorg.
HOOFDSTUK 2. TUCHTRECHT
Paragraaf 1. Regionale tuchtcolleges
Artikel 2
1. Er zijn vijf regionale tuchtcolleges waarvan de zetels zijn te
Groningen, Zwolle, Amsterdam, Den Haag en Eindhoven.
2. De ambtsgebieden van de tuchtcolleges omvatten de volgende
provincies:
a. van het tuchtcollege te Groningen: de provincies Groningen,
Friesland en Drente;
b. van het tuchtcollege te Zwolle: de provincies Overijssel,
Flevoland en Gelderland;
c. van het tuchtcollege te Amsterdam: de provincies
Noord-Holland en Utrecht;
d. van het tuchtcollege te Den Haag: de provincies Zuid-Holland
en Zeeland ;
e. van het tuchtcollege te Eindhoven: de provincies
Noord-Brabant en Limburg.
Artikel 3
1. Het regionale tuchtcollege te Amsterdam is bevoegd tot het
behandelen van een zaak in eerste aanleg indien degene over wie wordt
geklaagd, geen bekende woonplaats heeft.
2. Indien degene over wie wordt geklaagd een bekende woonplaats in
het buitenland heeft, is tot het behandelen van een zaak in eerste
aanleg bevoegd het regionale tuchtcollege binnen wiens ambtsgebied het
desbetreffende handelen of nalaten is geschied.
3. Indien ter zake van hetzelfde handelen of nalaten wordt geklaagd
over meerdere personen als bedoeld in artikel 47, tweede lid, van de
wet, die niet in het ambtsgebied van één tuchtcollege wonen, is tot
het behandelen van een zaak in eerste aanleg bevoegd het regionale
tuchtcollege binnen wiens ambtsgebied het desbetreffende handelen of
nalaten is geschied.
4. Indien het handelen of nalaten is geschied binnen het
ambtsgebied van meer dan één tuchtcollege en ter zake van dat
handelen of nalaten wordt geklaagd over meerdere personen als bedoeld
in artikel 47, tweede lid, van de wet, die niet in het ambtsgebied van
één tuchtcollege wonen, is tot het behandelen van een zaak in eerste
aanleg bevoegd het regionale tuchtcollege binnen welks ambtsgebied de
klager woont.
5. Indien een klaagschrift is ingediend bij een regionaal
tuchtcollege ter zake van enig in artikel 47, eerste lid, van de wet
bedoeld handelen of nalaten van een lid-beroepsgenoot of
plaatsvervangend lid-beroepsgenoot van dat tuchtcollege, verwijst de
voorzitter van het college de zaak naar een aangrenzend regionaal
tuchtcollege. De zaak wordt alsdan behandeld door het tuchtcollege
waarnaar is verwezen.
6. Indien het klaagschrift is ingediend bij een onbevoegd
tuchtcollege, wordt het onverwijld doorgezonden aan het bevoegde
tuchtcollege, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de klager. In
het geval, bedoeld in de eerste volzin, geldt als de datum van
indiening van het klaagschrift die van indiening bij het onbevoegde
college.
Paragraaf 2. Procedure in eerste aanleg
Artikel 4
1. Het klaagschrift bevat:
1. a. de naam, de voornamen en het adres van de klager;
b. de klacht en de feiten en gronden waarop deze berust;
c. de naam, het werkadres en, voor zover bekend, het woonadres
van degene over wie wordt geklaagd;
d. indien het enig handelen of nalaten, bedoeld in artikel 47,
eerste lid, onder a, aanhef, van de wet betreft en de in dat
onderdeel, onder 1° of 2°, bedoelde persoon niet de klager is,
diens naam en, zo mogelijk, diens adres;
e. indien geklaagd wordt door:
1°. een rechtstreeks belanghebbende: een duidelijke
aanduiding van het belang dat de klager bij het onderwerp van
de klacht heeft;
2°. de beroepsbeoefenaar die aan degene over wie wordt
geklaagd een opdracht heeft gegeven: een duidelijke
omschrijving van de onderlinge verhouding;
3°. een persoon of een orgaan als bedoeld in artikel 65,
eerste lid, onder c, van de wet: een duidelijke omschrijving
van de verhouding tot degene over wie wordt geklaagd;
4°. een hoofdinspecteur of een inspecteur als bedoeld in
artikel 65, eerste lid, onder d, van de wet: vermelding van
diens hoedanigheid.
2. Het klaagschrift is ondertekend door de klager, zijn advocaat of
een andere gemachtigde.
3. De secretaris van het tuchtcollege tekent onverwijld de datum
van ontvangst op het klaagschrift aan.
Artikel 5
Indien het klaagschrift niet voldoet aan artikel 4, eerste of tweede
lid, deelt het tuchtcollege de klager, indien deze bekend is, mede in
hoeverre het klaagschrift onvolledig is en nodigt hem uit het verzuim
binnen een bepaalde termijn te herstellen.
Artikel 6
1. Van het verhandelde tijdens het vooronderzoek, bedoeld in
artikel 66 van de wet, maakt degene die optreedt als secretaris,
proces-verbaal op.
2. Het proces-verbaal bevat de zakelijke inhoud van de verklaringen
van de klager, degene over wie is geklaagd, de getuigen en de
deskundigen. Degene die het vooronderzoek verricht, kan ambtshalve of
op verzoek van een in de eerste volzin bedoeld persoon bepalen dat een
verklaring geheel of gedeeltelijk woordelijk zal worden opgenomen.
3. Het proces-verbaal wordt ondertekend door degene die het
vooronderzoek verricht en degene die optreedt als secretaris.
Artikel 7
De terechtzitting vindt plaats op de standplaats van het regionale
tuchtcollege.
Artikel 8
1. De secretaris nodigt de klager en degene over wie is geklaagd,
schriftelijk uit op de terechtzitting te verschijnen, onder mededeling
van de plaats, de dag en het uur van aanvang van het onderzoek op de
terechtzitting, de samenstelling van het tuchtcollege, de plaats waar
en de tijdstippen waarop de processtukken ter inzage liggen, en de
namen van de getuigen en de deskundigen die zijn uitgenodigd of
opgeroepen.
2. Bij de uitnodiging wordt een termijn van ten minste drie weken
in acht genomen. Indien de inspecteur voor de gezondheidszorg een
verzoek als bedoeld in artikel 65, zesde lid, van de wet heeft gedaan,
mag een kortere termijn in acht worden genomen. In dat geval bepaalt
het tuchtcollege welke termijnen in plaats van die genoemd in de
artikelen 9 en 18, in acht moeten worden genomen. Van het verzoek van
de inspecteur en van de door het tuchtcollege vastgestelde termijnen
wordt door de secretaris mededeling gedaan in de uitnodiging.
Artikel 9
1. De namen van de getuigen en de deskundigen die door de klager of
degene over wie is geklaagd, zijn uitgenodigd of opgeroepen, worden
ten minste een week vóór de terechtzitting aan de secretaris van het
tuchtcollege meegedeeld. De secretaris brengt de klager en degene over
wie is geklaagd, onverwijld op de hoogte van de namen van de getuigen
en deskundigen die nog niet bij hen bekend zijn.
2. Processtukken kunnen uiterlijk tot twee weken vóór de
terechtzitting bij de secretaris worden ingediend.
Artikel 10
1. De samenstelling van het tuchtcollege blijft van de eerste
behandeling ter terechtzitting af tot de beslissing in raadkamer
onveranderd.
2. Indien wijziging van de samenstelling noodzakelijk is, wordt de
behandeling van de zaak op de terechtzitting opnieuw aangevangen.
Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
1. De voorzitter opent, leidt en sluit de terechtzitting.
2. Hij handhaaft de orde op de zitting en kan daartoe de hulp van
de sterke arm inroepen.
3. De voorzitter kan degene die tijdens de zitting de stilte of
orde verstoort dan wel tekenen van goed- of afkeuring geeft, laten
verwijderen.
Artikel 12
De voorzitter beslist de ter terechtzitting voorkomende geschillen
betreffende de wijze waarop de zaak wordt behandeld.
Artikel 13
1. Alle verschenen getuigen en deskundigen worden gehoord. De
voorzitter bepaalt de volgorde van het horen.
2. De getuigen en deskundigen worden gehoord door de voorzitter. De
andere leden van het tuchtcollege kunnen eveneens vragen stellen.
3. Door tussenkomst van de voorzitter kunnen de klager en degene
over wie is geklaagd, vragen stellen aan de getuigen en de
deskundigen.
Artikel 14
1. Het horen van de klager en degene over wie is geklaagd geschiedt
door de voorzitter. De andere leden van het tuchtcollege kunnen
eveneens vragen stellen.
2. Door tussenkomst van de voorzitter kunnen de klager en degene
over wie is geklaagd, elkaar vragen stellen.
Artikel 15
1. Van het verhandelde op de terechtzitting maakt de secretaris
procesverbaal op. Artikel 6, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
2. Het proces-verbaal wordt ondertekend door de voorzitter en de
secretaris.
Artikel 16
1. Het tuchtcollege beraadslaagt en beslist in raadkamer en grondt
de uitspraak uitsluitend op hetgeen ter terechtzitting heeft
plaatsgevonden en op de processtukken.
2. Het college beslist bij meerderheid van stemmen. De secretaris
heeft een adviserende stem.
3. Wanneer drie of meer opvattingen zijn gegeven, wordt beslist in
de zin die het meest overeenkomt met de opvatting van de meerderheid.
Artikel 17
1. Onverminderd artikel 69, tweede en derde lid, van de wet, bevat
de eindbeslissing van het tuchtcollege:
a. de naam, de voornamen en de woonplaats van de klager;
b. de naam, de voornamen en, voor zover bekend, het werkadres
van degene over wie is geklaagd;
c. de naam en de voornamen van de raadsman van de klager en van
die van degene over wie is geklaagd, alsmede de plaats waar deze
personen hun beroep uitoefenen;
d. een omschrijving van de feiten en omstandigheden die naar
aanleiding van de klacht zijn onderzocht;
e. de namen van de voorzitter en de andere leden van het
tuchtcollege die de zaak hebben behandeld, en van de secretaris.
2. De eindbeslissing wordt door de voorzitter en de secretaris
ondertekend. Bij verhindering van een van hen wordt diens plaats ter
zake van de ondertekening ingenomen door een ander lid van het college
dan de voorzitter dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting
heeft bijgewoond.
3. Op het afschrift van de eindbeslissing, bedoeld in artikel 72,
eerste lid, van de wet, wordt het rechtsmiddel vermeld dat tegen die
beslissing voor de klager of degene over wie is geklaagd, openstaat.
Artikel 18
1. Het regionale tuchtcollege draagt ervoor zorg dat er ten minste
acht dagen voor de dag van de behandeling van een zaak op een openbare
terechtzitting of van een openbare uitspraak, in het gebouw waarin het
tuchtcollege zitting houdt, een rollijst ter inzage ligt waarop is
aangegeven de plaats, de dag en het uur van de openbare terechtzitting
of uitspraak, met een aanduiding van de desbetreffende zaak.
2. Plaats, dag en uur van een niet-openbare uitspraak worden ten
minste acht dagen voor de uitspraak schriftelijk meegedeeld aan de
klager en degene over wie is geklaagd.
Paragraaf 3. Procedure in beroep
Artikel 19
1. Het beroepschrift bevat:
a. de naam, de voornamen en het adres van degene die het beroep
instelt;
b. een duidelijke aanduiding van de eindbeslissing waartegen
het beroep is gericht;
c. de gronden van het beroep.
2. Het beroepschrift is ondertekend door degene die het beroep
instelt, zijn advocaat of een andere gemachtigde.
3. Het beroepschrift wordt ingezonden bij het regionale
tuchtcollege dat de eindbeslissing waartegen beroep wordt ingesteld,
heeft gegeven.
4. Indien het beroepschrift is ingezonden bij het centrale
tuchtcollege, wordt het onverwijld doorgezonden aan het desbetreffende
regionale tuchtcollege, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan
degene die beroep heeft ingesteld. In het geval, bedoeld in de eerste
volzin, geldt als datum van indiening van het beroepschrift die van
indiening bij het centrale tuchtcollege.
Artikel 20
1. De secretaris van het regionale tuchtcollege tekent onverwijld
de datum van ontvangst op het beroepschrift aan en zendt de op de zaak
betrekking hebbende processtukken zo spoedig mogelijk aan het centrale
tuchtcollege.
2. De secretaris van het regionale tuchtcollege stelt degenen die
op grond van artikel 72, eerste lid, van de wet een afschrift van de
eindbeslissing ontvangen, ervan in kennis dat tegen die beslissing
beroep is ingesteld.
Artikel 21
Indien het beroepschrift niet voldoet aan artikel 19, eerste en
tweede lid, deelt het centrale tuchtcollege aan de indiener van het
beroep mede in hoeverre het beroepschrift onvolledig is en nodigt hem
uit het verzuim binnen een bepaalde termijn te herstellen.
Artikel 22
Op de procedure in beroep zijn de artikelen 6 tot en met 16, 17
eerste en tweede lid, en 18 van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK 3. HERZIENING
Artikel 23
1. Herziening van een onherroepelijk geworden eindbeslissing als
bedoeld in artikel 52 van de wet, wordt schriftelijk verzocht bij het
centrale tuchtcollege door degene over wie was geklaagd.
2. Het verzoekschrift vermeldt de gronden waarop het berust, met
bijvoeging van de bescheiden waaruit van die gronden kan blijken.
3. Het verzoekschrift is ondertekend door de indiener van het
verzoek, zijn advocaat of een andere gemachtigde.
Artikel 24
Indien het verzoek tot herziening niet voldoet aan het vereiste,
bedoeld in artikel 23, tweede lid, verklaart het centrale tuchtcollege
bij met redenen omklede beslissing de indiener niet-ontvankelijk.
Artikel 25
1. Indien geen toepassing wordt gegeven aan artikel 24, gelast de
voorzitter van het centrale tuchtcollege dat het verzoek verder wordt
behandeld op een openbare terechtzitting op een door hem te bepalen
dag.
2. Zodra de behandeling op de terechtzitting is gelast, benoemt de
voorzitter een ander lid of een plaatsvervangend lid van het college
tot rapporteur.
3. De indiener van het verzoek tot herziening en de oorspronkelijke
klager, indien zijn adres hier te lande bekend is, worden ten minste
drie weken voor de dag van de terechtzitting schriftelijk van die dag
in kennis gesteld.
Artikel 26
1. De rapporteur brengt op de terechtzitting zijn verslag uit,
behelzende een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden die
uit de behandeling van de zaak die heeft geleid tot de eindbeslissing
waarvan herziening is verzocht, en naar aanleiding van het verzoek tot
herziening bekend zijn geworden. Daarna worden de indiener van het
verzoek tot herziening en de oorspronkelijke klager door de voorzitter
in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. Artikel 65, negende
lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
2. Het centrale tuchtcollege bepaalt vervolgens de dag en de plaats
van de uitspraak. De uitspraak vindt plaats op een openbare
terechtzitting.
Artikel 27
1. Van het verhandelde tijdens de terechtzitting maakt de
secretaris van het centrale tuchtcollege proces-verbaal op.
2. Het proces-verbaal bevat de zakelijke inhoud van het verslag van
de rapporteur en van de verklaringen van de indiener van het verzoek
tot herziening en de oorspronkelijke klager. De voorzitter kan
ambtshalve of op verzoek van een in de eerste volzin bedoeld persoon
bepalen dat het verslag of een verklaring geheel of gedeeltelijk
woordelijk zal worden opgenomen.
3. Het proces-verbaal wordt door de voorzitter en de secretaris
ondertekend.
4. Met betrekking tot de behandeling op de terechtzitting zijn de
artikelen 10, 11, 12, 16 en 18 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 28
1. Indien het centrale tuchtcollege het verzoek tot herziening
ongegrond acht, wijst het college dat bij met redenen omklede
uitspraak af.
2. De uitspraak wordt op schrift gesteld en bevat de namen van de
voorzitter en de andere leden van het centrale tuchtcollege die de
zaak hebben behandeld, en van de secretaris. Artikel 17, tweede lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 29
1. Indien het centrale tuchtcollege het verzoek tot herziening
gegrond acht, beveelt het de opschorting van de uitvoering van de
eindbeslissing waarvan herziening is verzocht en verwijst het de zaak
naar een regionaal tuchtcollege dat van de zaak nog geen kennis heeft
genomen teneinde hetzij de desbetreffende eindbeslissing te handhaven,
hetzij, met vernietiging daarvan, de klager niet-ontvankelijk te
verklaren, de klacht af te wijzen dan wel de indiener van het verzoek
tot herziening een minder zware maatregel op te leggen dan de bij de
vernietigde eindbeslissing opgelegde maatregel.
2. Het centrale tuchtcollege draagt zo spoedig mogelijk alle op de
zaak betrekking hebbende stukken over aan het regionale tuchtcollege
waarnaar de zaak is verwezen.
Artikel 30
1. Van een bevel als bedoeld in artikel 29, eerste lid, wordt een
afschrift gezonden aan de indiener van het verzoek tot herziening, aan
Onze Minister, aan de hoofdinspecteur en de regionale inspecteur voor
de gezondheidszorg wie de aangelegenheid uit hoofde van de aan hun
toevertrouwde belangen aangaat, en, indien de indiener van het verzoek
tot herziening een militair is, aan Onze Minister van Defensie.
2. Indien bij de eindbeslissing waarvan herziening is verzocht, een
van de in artikel 48, eerste lid, onder d, e en f, en derde lid, van
de wet omschreven maatregelen was opgelegd, maakt Onze Minister, na
ontvangst van het afschrift, bedoeld in het eerste lid, aantekening
van de opschorting van de desbetreffende eindbeslissing in het
register. Zolang het bevel tot opschorting van kracht is, wordt de
betrokkene voor de toepassing van wettelijke bepalingen, betrekking
hebbende op degenen die in het desbetreffende register ingeschreven
staan, gelijkgesteld met een ingeschrevene, behalve indien bij de
desbetreffende eindbeslissing ten aanzien van hem de maatregel,
bedoeld in artikel 48, derde lid, van de wet was opgelegd.
3. Van de aantekening van de opschorting in het register en de
gelijkstelling, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, wordt aan de
indiener van het verzoek om herziening schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 31
1. Na de verwijzing, bedoeld in artikel 29, gelast de voorzitter
van het regionale tuchtcollege waarnaar de zaak is verwezen, een
vooronderzoek.
2. De behandeling van de verwezen zaak vindt vervolgens plaats met
overeenkomstige toepassing van de artikelen 65, negende lid, 66,
eerste lid, tweede volzin, en tweede tot en met zevende lid, 67, 68,
69, eerste en derde lid, 70, 71 en 72 van de wet, en 6 tot en met 16
en 18 van dit besluit, met dien verstande dat, voor zover in
vorengenoemde artikelen verplichtingen van het tuchtcollege ten
aanzien van de oorspronkelijke klager zijn opgenomen, deze slechts
gelden indien zijn adres hier te lande bekend is. Voorts is artikel 17
van dit besluit van overeenkomstige toepassing, behoudens voor zover
daarin wordt verwezen naar artikel 69, tweede lid, van de wet.
Artikel 32
1. Indien het regionale tuchtcollege in de verwezen zaak beslist
dat de eindbeslissing waarbij een maatregel als bedoeld in artikel 48,
eerste lid, onder d, e of f, of derde lid, van de wet was opgelegd,
wordt gehandhaafd, verwijdert Onze Minister de aantekening van de
opschorting, bedoeld in artikel 30, tweede lid, zodra hij het
afschrift van de beslissing heeft ontvangen.
2. Indien de beslissing van het regionale tuchtcollege in de
verwezen zaak inhoudt dat de eindbeslissing waarvan herziening is
gevraagd, wordt vernietigd en dat een maatregel als bedoeld in artikel
48, eerste lid, onder e , van de wet wordt opgelegd, wordt die
maatregel aangetekend in het register onder gelijktijdige verwijdering
van de aantekening van de oorspronkelijk opgelegde maatregel en van
die van de opschorting. Indien bij de beslissing van het college in de
verwezen zaak de maatregel van schorsing wordt opgelegd, worden de
aantekeningen van de oorspronkelijk opgelegde maatregel en van de
opschorting daarvan in het register verwijderd. Van de schorsing wordt
slechts aantekening gemaakt in het register voor zover de duur daarvan
langer is dan de periode gedurende welke de oorspronkelijk opgelegde
maatregel reeds ten uitvoer is gelegd.
3. Indien de beslissing van het regionale tuchtcollege inhoudt dat
de eindbeslissing waarbij een maatregel als bedoeld in artikel 48,
eerste lid, onder d, e of f, of derde lid, van de wet was opgelegd,
wordt vernietigd en dat de klager niet-ontvankelijk wordt verklaard,
de klacht wordt afgewezen dan wel ten aanzien van de betrokkene een
maatregel als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onder a, b of c , van
de wet wordt opgelegd, worden de aantekeningen in het register van de
oorspronkelijke maatregel en van de opschorting, verwijderd.
HOOFDSTUK 4. MAATREGELEN WEGENS ONGESCHIKTHEID
Artikel 33
De voordracht aan het college van medisch toezicht tot het treffen
van een voorziening als bedoeld in artikel 79, tweede lid, van de wet,
wordt gedaan door de regionale inspecteur of de hoofdinspecteur voor de
gezondheidszorg.
Artikel 34
1. Met betrekking tot de behandeling van een zaak door het college
van medisch toezicht zijn de artikelen 6 tot en met 18 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van «de
klager» en «degene over wie is geklaagd» telkens wordt gelezen «de
inspecteur voor de gezondheidszorg, bedoeld in artikel 33»
onderscheidenlijk «degene op wie de voordracht betrekking heeft» en
dat in artikel 17, eerste lid, onder d , in plaats van «de klacht»
wordt gelezen «de voordracht».
2. Op de procedure in beroep tegen een eindbeslissing van het
college van medisch toezicht zijn de artikelen 19 tot en met 22 van
overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK 5. SLOTBEPALINGEN
Artikel 35
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 36
Dit besluit wordt aangehaald als: Tuchtrechtbesluit BIG.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 20 mei 1997
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de negentiende juni 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|