| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb)
BESLUIT
BESTUURSREGLEMENT REGELING TOELATING
GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN BIOCIDEN CTGB 2007
Tekst zoals deze geldt op
29 mei 2008
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
Het College voor
de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
Op grond van de artikelen 8, eerste lid, aanhef
en onder b, 26, vierde lid, en 46, vierde lid, van de Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Stb. 2007, 125);
Gelet op het bepaalde in de artikelen 4, 10,
25, 42, 45, 69 en 130 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden,
het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Stb. 2007,
334) en de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Stcrt.
2007, 188), de Algemene wet bestuursrecht en mede gelet op Richtlijn
91/414/EEG en Richtlijn 98/8/EG;
Besluit de
volgende regeling te treffen voor de uitvoering van de aanvraagprocedure
voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1:1. Definities
a. de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn: Richtlijn nr. 91/414/EEG
van de Raad van de Europese Unie van 15 juli 1991 betreffende het
op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230);
b. de biocidenrichtlijn: Richtlijn nr. 98/8/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 februari 1998
betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123) en daarop
aangebrachte wijzigingen en aanvullingen;
c. de wet: de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Stb. 2007,
125);
d. het besluit: het Besluit houdende nadere regels omtrent
gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Stb. 2007, 334);
e. de regeling: De Regeling houdende nadere regels omtrent
gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Stcrt. 2007, nr. 188);
f. een gewasbeschermingsmiddel: een middel als bedoeld in artikel 1,
lid 1 van de wet;
g. een biocide: een middel als bedoeld in artikel 1, lid 1 van de
wet;
h. het Ctgb: het College voor de toelating van
gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in artikel 3 van de
wet;
i. een week: de werkdagen die vallen onder een weeknummer (de
zaterdagen, zondagen en feestdagen van die week niet meegerekend);
j. schriftelijk: correspondentie over de toelatingsprocedure en
besluiten in dat kader per brief, over de post verzonden, tenzij anders
is vermeld;
k. data-eigenaar: degene die gegevens van dierproefstudies, als
bedoeld in hoofdstuk 8 van dit besluit, heeft overgelegd;
l. partijen: degene die een dierproefstudie, als bedoeld in hoofdstuk
8 van dit besluit, in het kader van een (voorgenomen) aanvraag heeft
geïnitieerd of reeds aan het Ctgb heeft overgelegd en degene die in het
kader van een (voorgenomen) aanvraag toegang tot die dierproefstudie
behoeft;
m. dierproef: proef op gewervelde dieren, als bedoeld in hoofdstuk 8
van dit besluit;
n. brugstudie: een studie waaruit blijkt dat een dierproefstudie, als
bedoeld in hoofdstuk 8 van dit besluit, voor een aanvraag bruikbaar is;
o. commissie van deskundigen: de commissie die door het Ctgb is
ingesteld om het Ctgb te adviseren omtrent de vaststelling van de
vergoeding die de aanvrager dient te betalen voor het verkrijgen van
toegang tot de dierproefgegevens;
p. toegang: verwijsrecht;
q. toetsingskader: bij en krachtens de wet vastgestelde
toelatingsvoorwaarden, normen en beoordelings- en rekenmethoden om bij
een beoordeling van een aanvraag tot toelating van een
gewasbeschermingsmiddelen of biocide te hanteren;
r. beoordelings- en rekenmethode: het door de betrokken Minister(s)
op grond van de wet bij apart besluit aangereikt wetenschappelijk
technisch instrumentarium voor de beoordeling van een aanvraag tot
toelating van een gewasbeschermingsmiddel of biocide;
s. overgangstermijn: een door het Ctgb vastgestelde periode gedurende
welke een nieuwe beoordelings- en rekenmethode niet gebruikt wordt bij
de beoordeling van een in behandeling genomen aanvraag tot toelating van
een gewasbeschermingsmiddel of biocide;
t. opgebruiktermijn: de door het Ctgb vastgestelde periode waarin het
is toegestaan een niet meer voor bepaalde toepassingen te gebruiken of
niet meer toegelaten gewasbeschermingsmiddel of biocide in afwijking van
artikel 20 in voorraad te houden, voorhanden te hebben of te gebruiken;
u. afleveringstermijn: de door het Ctgb vastgestelde periode waarin
het is toegestaan een niet meer voor bepaalde toepassingen te gebruiken
of niet meer toegelaten gewasbeschermingsmiddel of biocide in afwijking
van artikel 20 op de markt te brengen;
v. belanghebbende: degene, als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene
wet bestuursrecht, wiens belang rechtstreeks bij een besluit is
betrokken.
Hoofdstuk 2. De aanvraag tot toelating van
een gewasbeschermingsmiddel
Artikel 2:1. Het in behandeling nemen van de aanvraag
1. Een aanvraag tot toelating van een
gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 23, lid 1, van de wet
wordt door een aanvrager schriftelijk ingediend bij het Ctgb met het
aanvraagformulier dat daartoe is vastgesteld. De aanvraag wordt
ondertekend en bevat alle gegevens die voor het indienen van deze
aanvraag zijn vastgesteld.
2. Bij inzending van de aanvraag zijn de verschuldigde
aanvraagkosten als bedoeld in artikel 10 van de wet voldaan, dan wel is
een bewijs toegevoegd dat de aanvraagkosten zijn voldaan.
3. Bij de aanvraag voegt de aanvrager een ingevulde door het Ctgb
vastgestelde lijst met referenties waaruit voor elk, bij de aanvraag
geleverd, onderzoek in ieder geval is aangegeven: de titel van het
onderzoek, het nummer van het onderzoek, het jaar waarin het onderzoek
is afgerond en of geheimhouding door de aanvrager wordt geclaimd.
4. Het Ctgb tekent de datum van ontvangst aan op de aanvraag.
Binnen 2 weken na deze aantekening bevestigt het Ctgb schriftelijk de
ontvangst van de aanvraag, onder vermelding van een aanvraagnummer.
5. Binnen 4 weken na de dagtekening van de ontvangstbevestiging
als bedoeld in lid 4 stelt het Ctgb vast of alle in lid 1 tot en met lid
3 genoemde gegevens in het dossier fysiek aanwezig zijn.
Indien het dossier administratief onvolledig is wordt de aanvrager
onder vermelding van de nog te leveren gegevens of te verrichte betaling
schriftelijk uitgenodigd de ontbrekende gegevens of verzuimde betaling
binnen 4 weken in te dienen of te betalen.
Na ontvangst van de ontbrekende gegevens of betaling dan wel wanneer
de ontvangst van de ontbrekende gegevens of betaling achterwege blijft
beslist het Ctgb binnen 2 weken over het niet in behandeling nemen van
de aanvraag, dan wel stelt het Ctgb vast dat de aanvraag administratief
volledig is.
Gegevens die na de afloop van de in de eerste volzin genoemde
termijn, dan wel indien de aanvrager schriftelijk is uitgenodigd de
aanvraag aan te vullen, de daarvoor vastgestelde termijn, worden
ingediend, worden niet in behandeling genomen en teruggestuurd.
6. Binnen 10 weken na de in lid 5, eerste volzin, bedoelde
vaststelling, dan wel, indien toepassing is gegeven aan lid 5, tweede
volzin, binnen 10 weken na de in lid 5, derde volzin, bedoelde
vaststelling, beslist het Ctgb of de aanvraag wetenschappelijk volledig
is door te beoordelen of de bij de aanvraag verstrekte gegevens en
bescheiden van voldoende kwaliteit zijn voor de beoordeling van de
aanvraag en besluitvorming daaromtrent.
Indien de gegevens niet adequaat zijn voor de beoordeling van de
aanvraag wordt de aanvrager onder vermelding van de nog te leveren
gegevens schriftelijk uitgenodigd deze gegevens binnen 4 weken, in te
dienen.
Na ontvangst van de benodigde informatie dan wel wanneer de ontvangst
van de nog te leveren gegevens achterwege blijft, beslist het Ctgb zo
spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 8 weken over het in behandeling
nemen van de aanvraag.
Gegevens die na de afloop van de in de eerste volzin genoemde
termijn, dan wel indien de aanvrager schriftelijk is uitgenodigd de
aanvraag aan te vullen, de daarvoor vastgestelde termijn, worden
ingediend wordt niet in behandeling genomen en teruggestuurd.
7. Het Ctgb neemt de aanvraag niet in behandeling indien:
a. de aanvraagkosten niet zijn voldaan, dan wel een bewijs als
bedoeld in lid 2 niet bij de aanvraag is gevoegd;
b. de lijst met referenties als bedoeld in lid 3, niet bij de
aanvraag is gevoegd;
c. de aanvraag niet voldoet aan het gestelde in artikel 24 en
artikel 25 van de wet;
d. de aanvraag ingevolge lid 5 of lid 6 administratief
respectievelijk wetenschappelijk onvolledig is;
e. ten onrechte dierproeven zijn uitgevoerd ten behoeve van de
aanvraag dan wel de inlichtingen inzake dierproeven niet zijn
ingewonnen overeenkomstig hoofdstuk 8;
f. voor een nieuwe werkzame stof niet tegelijkertijd voor de
werkzame stof een aanvraag tot aanwijzing van een werkzame stof op
grond van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn is ingediend bij het
Ctgb of bij de toelatingsinstantie van een andere lid-staat;
g. een vereiste schriftelijke verklaring van toegang als bedoeld in
artikel 2:3, lid 6 ontbreekt;
h. een vereiste schriftelijke motivatie om het leveren van gegevens
achterwege te laten als bedoeld in artikel 2:3, lid 7 ontbreekt;
i. de vereiste informatie over het gebruik van kleur en geur als
bedoeld in artikel 2:3, lid 9 ontbreekt.
8. Van het in behandeling nemen van de aanvraag wordt de
aanvrager door het Ctgb schriftelijk op de hoogte gesteld.
9. Het besluit van het Ctgb om een aanvraag niet in behandeling
te nemen wordt schriftelijk, per aangetekende post bekendgemaakt aan de
aanvrager.
Artikel 2:2. Het verder behandelen van de aanvraag
1. Gelijktijdig met de mededeling dat de aanvraag in
behandeling is genomen doet het Ctgb een opgave van de verschuldigde
samenvattings- en beoordelingskosten. In de opgave geeft het Ctgb een
redelijke termijn waarbinnen de kosten moeten zijn voldaan. De
aanvraag wordt niet verder behandeld zolang de kosten als in de eerste
volzin bedoeld niet zijn voldaan.
2. Het Ctgb stelt de aanvraag buiten behandeling indien de
samenvattings- en beoordelingskosten niet binnen de in lid 1, tweede
volzin, gestelde termijn zijn voldaan en de aanvrager dit verzuim binnen
een door het Ctgb gestelde redelijke termijn niet heeft hersteld. Het
besluit om de aanvraag buiten behandeling te stellen wordt aan de
aanvrager schriftelijk, per aangetekende post toegezonden, onder opgave
van de reden om de aanvraag niet in behandeling te nemen.
3. Het Ctgb neemt uiterlijk 48 weken na de ontvangst van de in
lid 1 bedoelde kosten een gemotiveerd besluit op de aanvraag.
Indien niet binnen de termijn als bedoeld in de eerste volzin kan
worden beslist, deelt het Ctgb dit schriftelijk aan de aanvrager mede en
stelt het Ctgb daarbij een zo kort mogelijke redelijke termijn vast
waarbinnen op de aanvraag zal worden beslist.
4. De in lid 3 bedoelde termijn voor het nemen van een besluit op
de aanvraag vervalt indien het Ctgb binnen 34 weken na ontvangst van de
kosten als bedoeld in lid 1 naar aanleiding van de samenvatting en
beoordeling vaststelt dat de beoordeling niet kan worden afgerond omdat
de beoordeling aanleiding geeft tot het stellen van aanvullende vragen,
noodzakelijk om de beoordeling van de aanvraag af te ronden.
Het Ctgb kan de termijn van 34 weken verlengen voor een zo kort
mogelijke termijn om de beoordeling af te ronden. Het Ctgb deelt de
aanvrager de termijn mee.
De aanvrager wordt, onder vermelding van de in te dienen gegevens,
schriftelijk in de gelegenheid gesteld de aanvullende gegevens binnen
een door het Ctgb te stellen termijn in te dienen. Het Ctgb stelt de
termijn vast aan de hand van de tijd die benodigd is voor het aanleveren
en eventueel de samenvatting en beoordeling van deze gegevens.
Binnen 2 weken na de ontvangst van de aanvullende gegevens stelt het
Ctgb vast of alle gegevens aanwezig en adequaat zijn om betrokken te
worden in de samenvatting en beoordeling van de aanvraag.
Het Ctgb neemt het besluit tot het in behandeling nemen van de
aanvullende gegevens overeenkomstig artikel het bepaalde in artikel 2:1
lid 5 en lid 6.
Het Ctgb beslist op de aanvraag binnen een aan de aanvrager
schriftelijk bekent te maken gemotiveerde termijn. Deze termijn is zo
kort mogelijk.
5. Op de aanvraag wordt beslist met de voorhanden gegevens als de
in lid 4 bedoelde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn door
het Ctgb zijn ontvangen, mits de aanvrager schriftelijk in de
gelegenheid is gestelde het verzuim binnen twee weken te herstellen.
Op schriftelijk verzoek van de aanvrager kan het Ctgb een nieuwe
termijn vaststellen voor het indienen van de aanvullende gegevens.
Een verlenging van de termijn voor het indienen van de aanvullende
gegevens wordt aan de aanvrager schriftelijk medegedeeld.
Het besluit tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag wordt
de aanvrager schriftelijk, bij aangetekende post bekendgemaakt.
Artikel 2:3. De besluitvorming en bekendmaking van het besluit
1. Het Ctgb geeft gelegenheid tot het indienen van een
zienswijze door een belanghebbende voor zover de aanvraag als bedoeld
in artikel 23, respectievelijk artikel 44, eerste lid, van de wet,
betrekking heeft op een eerste toelating in Nederland;
a. van een gewasbeschermingsmiddel met een nieuwe werkzame stof;
b. van een wederzijdse toelating van een gewasbeschermingsmiddel
met een nieuwe werkzame stof;
c. van een voorlopige toelating als bedoeld in artikel 34 van de
wet; en
d. voor zover het Ctgb dit voor de besluitvorming nodig oordeelt
bij een besluit tot toelating van een dringend vereist
gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 123 van de wet.
2. Het Ctgb legt het ontwerpbesluit, dat betrekking heeft op een
aanvraag als bedoeld in lid 1, onderdelen a tot en met c en de aanvraag
als bedoeld in onderdeel d als ingevolge dit onderdeel gelegenheid wordt
gegeven tot het indienen van een zienswijze, met de daarop betrekking
hebbende motivering, zo spoedig mogelijk na vaststelling voor een
periode van 2 weken ter inzage op het Ctgb. Van de ter inzage legging
doet het Ctgb tegelijkertijd mededeling in de Staatscourant en aan de
aanvrager.
Een belanghebbende kunnen gedurende de periode dat het besluit ter
inzage ligt bij het Ctgb schriftelijk aangeven dat een zienswijze zal
worden ingediend. De zienswijze dient, schriftelijk, binnen 2 weken na
afloop van de ter inzage periode, te worden ingediend.
Het Ctgb geeft bij het ongebruikt laten van de in de vorige alinea
vastgestelde periode voor het aankondigen van een zienswijze zo spoedig
mogelijk gevolg aan lid 3 en lid 4.
Indien binnen de daarvoor gestelde termijn een zienswijze is
ingediend neemt het Ctgb binnen een redelijke termijn een besluit
omtrent de aanvraag. De aanvrager wordt de beslistermijn schriftelijk
medegedeeld, onder vermelding van de nieuw vastgestelde termijn.
3. Het Ctgb maakt het besluit strekkende tot afwijzing van de
aanvraag schriftelijk, per aangetekende post bekend aan de aanvrager.
4. Het Ctgb maakt een besluit strekkende tot toelating bekend in
de Staatscourant, onder vermelding van registratienummer, naam van het
middel, toepassingsgebied, toelatinghouder en de datum van het besluit.
Het besluit strekkende tot toelating wordt schriftelijk, per
aangetekende post medegedeeld aan de aanvrager.
Artikel 2:4. Bijzondere bepalingen bij de aanvraag en
aanvraagprocedure
1. Monsters: Het Ctgb kan de aanvrager verzoeken één of meer
monsters binnen een in het verzoek gestelde termijn te overleggen. De
aanvraag wordt buitenbehandeling gesteld indien aan het verzoek geen
gehoor wordt gegeven en de aanvrager in de gelegenheid is gesteld
alsnog het gevraagde binnen een daartoe door het Ctgb gestelde termijn
in te dienen.
2. Wijzigen van de aanvraag: De aanvrager kan zijn aanvraag
tijdens de behandeling van de aanvraag wijzigen. Hij dient daartoe
schriftelijk een verzoek in bij het Ctgb. Het Ctgb volgt het verzoek op.
De aanvrager krijgt van het Ctgb bericht over de gevolgen voor de
beslistermijnen en de beoordelingskosten die inwilliging van het verzoek
tot gevolg heeft. Het Ctgb stelt een nieuwe beslistermijn vast in
afwijking van de in artikel 2:2, lid 3 genoemde beslistermijnen en
bepaald de beoordelingskosten.
3. Wezenlijke verandering: Indien het verzoek als bedoeld in lid
2 een wezenlijke verandering behelst van samenstelling, gebruiksgebied
of toepassingswijze van het middel wordt de gewijzigde aanvraag
beschouwd als nieuwe aanvraag. Dit wordt de aanvrager binnen twee weken
na ontvangst van de aanvraag per aangetekende post medegedeeld.
4. Informatieplicht: De aanvrager is verplicht om, indien hem
gedurende de periode dat zijn aanvraag overeenkomstig artikel 2:1,
artikel 2:2 en artikel 2:3 in behandeling is, voor de aanvraag en het te
nemen besluit relevante nieuwe gegevens bekend worden met betrekking tot
mogelijke gevaarlijke gevolgen voor de gezondheid van de mens of dier of
voor het milieu van de werkzame stof of het gewasbeschermingsmiddel
waarop de aanvraag betrekking heeft, hiervan terstond aan het Ctgb
mededeling te doen.
5. Betrekken gegevens en beoordelingskosten: Het Ctgb betrekt de
in lid 4 bedoelde gegevens bij de beoordeling en samenvatting van de
aanvraag en stelt de beoordelingskosten, die door de aanvrager betaald
dienen te worden, vast.
6. Verwijzing naar gegevens van een ander:Bij de aanvraag kan een
aanvrager het overleggen van gegevens achterwege laten met een
verklaring van toegang als bedoeld in artikel 25, respectievelijk 45,
lid 2, van de wet en kan het Ctgb gebruik maken van gegevens die door
een andere aanvrager zijn verstrekt voor een andere aanvraag. Het
origineel van deze verklaring dient bij de aanvraag gevoegd te zijn,
uitdrukkelijk bedoeld zijn voor ingediende aanvraag en bij indiening van
de aanvraag niet ouder te zijn dan één jaar.
7. Achterwege laten van gegevens: Bij de aanvraag kan een
aanvrager ingevolge artikel 5 van het besluit het overleggen van
gegevens schriftelijke en gemotiveerd achterwege laten. Met het
achterwege laten van de gegevens heeft de aanvrager voldaan aan het
vereiste om een gegeven in te dienen. Indien tijdens de beoordeling het
Ctgb oordeelt dat een gegeven wel overgelegd had dienen te worden, wordt
de aanvraag afgewezen.
8. Intrekken van de aanvraag: De aanvrager kan zonder opgaaf van
redenen een aanvraag schriftelijk intrekken tot het moment dat het
besluit op aanvraag is medegedeeld en bekendgemaakt als bedoeld in
artikel 2:3 lid 3 en artikel 2:3, lid 4. Indien de aanvraag wordt
ingetrokken worden de aanvraagkosten niet terugbetaald en de
beoordelingskosten kunnen slechts op verzoek terugbetaald worden voor de
onderdelen waar nog geen kosten voor zijn gemaakt, zulks ter beoordeling
van het Ctgb en tegen finale kwijting.
9. Het gebruik van kleur en geur: De aanvrager voegt bij de
aanvraag tot toelating als bedoeld in artikel 25 van de wet informatie
over kleur- en geurstoffen die aan het gewasbeschermingsmiddel zijn
toegevoegd en geeft de redenen aan voor de toevoeging van deze stoffen
aan het betreffende gewasbeschermingsmiddelen.
10. Voorschrift kleur en geur: Het Ctgb kan bij de toelating van
een gewasbeschermingsmiddel, na overleg met de aanvrager, een
voorschrift geven omtrent de kleur of geur in het toe te laten
gewasbeschermingsmiddel, indien dit noodzakelijk is in verband met een
of meer toelatingsvoorwaarden als bedoeld in artikel 28 van de wet.
11. Opvallende kleur: Indien de kleuring van een
gewasbeschermingsmiddel wordt voorgeschreven moet de kleur opvallend
zijn.
Hoofdstuk 3. Bijzondere vormen van aanvragen
tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel
Artikel 3:1. Vereenvoudigde uitbreidingstoelating (op aanvraag)
1. Een aanvraag tot uitbreiding van een
toepassing van een eerder toegelaten gewasbeschermingsmiddelen als
bedoeld in artikel 31 van de wet wordt door een aanvrager ingediend bij
het Ctgb met een aanvraagformulier dat daartoe is vastgesteld door het
Ctgb en aldaar is te verkrijgen. De aanvraag wordt ondertekend en bevat
alle gegevens die voor het indienen van deze aanvraag zijn vastgesteld.
2. Het Ctgb deelt degene op wiens naam het
gewasbeschermingsmiddel staat geregistreerd in het register als bedoeld
in artikel 42, lid 2 van de wet mee dat een aanvraag als bedoeld in het
eerste lid is ingediend.
3. Artikel 2:1, lid 2 tot en met lid 9, is overeenkomstig van
toepassing.
4. Artikel 2:2 is voor zover niets anders is geregeld in lid 4 en
lid 5, overeenkomstig van toepassing.
5. In afwijking van artikel 2:2, lid 3, neemt het Ctgb uiterlijk
21 weken na de ontvangst van de in artikel 2:2, lid 1 bedoelde kosten
een gemotiveerd besluit op de aanvraag.
Indien niet binnen de termijn als bedoeld in de eerste volzin kan
worden beslist, deelt het Ctgb dit schriftelijk aan de aanvrager mede en
stelt het Ctgb daarbij een zo kort mogelijke redelijke termijn vast
waarbinnen op de aanvraag zal worden beslist.
6. In afwijking van de in artikel 2:2, lid 4 bedoelde termijn
voor het nemen van een besluit op de aanvraag wordt de termijn
opgeschort indien het Ctgb binnen 16 weken na ontvangst van de kosten
als bedoeld in lid 1 naar aanleiding van de samenvatting en beoordeling
vaststelt dat de beoordeling niet kan worden afgerond omdat de
beoordeling aanleiding geeft tot het stellen van aanvullende vragen,
noodzakelijk om de beoordeling van de aanvraag af te ronden.
De aanvrager wordt, onder vermelding van de in te dienen gegevens,
schriftelijk in de gelegenheid gesteld de aanvullende gegevens binnen
een door het Ctgb te stellen termijn in te dienen. Het Ctgb stelt de
termijn vast aan de hand van de tijd die benodigd is voor het aanleveren
en de samenvatting en beoordeling van deze gegevens.
7. Artikel 2:3, is overeenkomstig van toepassing.
8. Artikel 2:4 is, met uitzondering van lid 1 en lid 2,
overeenkomstig van toepassing
Artikel 3:2. Verlenging van de toelating
1. Een aanvraag tot verlenging van de toelating van een
gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 39 van de wet wordt
door een aanvrager schriftelijk ingediend bij het Ctgb met het
vastgestelde aanvraagformulier dat daartoe door het Ctgb is
vastgesteld en aldaar is te verkrijgen. De aanvraag wordt ondertekend
en bevat alle gegevens die voor het indienen van deze aanvraag zijn
vastgesteld.
2. Artikel 2:1, lid 2 tot en met lid 9, artikel 2:2, artikel 2:3,
met uitzondering van lid 1 en lid 2 en artikel 2:4 zijn overeenkomstig
van toepassing
3. Een aanvraag tot verlenging van een toelating wordt ten minste
64 weken voor de afloop van die toelating waarop de aanvraag betrekking
heeft ingediend.
4. Het Ctgb kan indien niet op de aanvraag tot toelating kan
worden beslist voor het vervallen van de toelating van het
gewasbeschermingsmiddel waar de aanvraag betrekking op heeft, het
vervallen van de toelating opschorten, als bedoeld in artikel 23, lid 4.
De reden van het niet op tijd kunnen beslissen op de aanvraag mag op
geen enkele wijze veroorzaakt zijn door de aanvrager. Het besluit van
het Ctgb tot tijdelijke verlenging van de toelating wordt per
aangetekende post aan de toelatinghouder medegedeeld. Van dit besluit
wordt mededeling gedaan in de Staatscourant onder vermelding van het
registratienummer, de naam van het middel, het toepassingsgebied, de
toelatinghouder en de datum van het besluit. De opschorting van het
vervallen van een toelating vervalt met het besluit van het Ctgb op de
aanvraag en dat besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Artikel 3:3. Afgeleide toelating
1. Een aanvraag tot een afgeleide toelating van een
gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 32 van de wet wordt
door een aanvrager schriftelijk ingediend bij het Ctgb met het
aanvraagformulier dat daartoe door het Ctgb is vastgesteld en aldaar
is te verkrijgen. De aanvraag wordt ondertekend en bevat alle gegevens
die voor het indienen van een aanvraag door het Ctgb zijn vastgesteld.
De aanvraag wordt ingediend met het door het Ctgb vastgestelde
aanvraagformulier, dat aldaar te verkrijgen is.
2. Het bepaalde in artikel 2:1, lid 2 tot en met lid 9, is van
toepassing, met dien verstande dat:
a. de termijn bedoeld in artikel 2:1, lid 5, eerste volzin, 2 weken
bedraagt;
b. in afwijking van artikel 2:1, lid 7, het Ctgb de aanvraag niet
in behandeling neemt als het bewijs dat de aanvraagkosten zijn voldaan
niet is bij de aanvraag is gevoegd of de verklaring van toegang van de
toelatinghouder van het moedermiddel ontbreekt of de aanvraag niet
voldoet aan het gestelde in artikel 32 van de wet.
3. Artikel 2:2, met uitzondering van lid 4, is overeenkomstig van
toepassing, met dien verstande dat:
– de termijn bedoeld in artikel 2:2, lid 3, 6 weken bedraagt;
4. Artikel 2:3 is, met uitzondering van lid 1 en lid 2,
overeenkomstig van toepassing.
5. Artikel 2:4 is overeenkomstig van toepassing.
Artikel 3:4. Parallelle toelating
1. De aanvraag tot een parallelle toelating van een
gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 33 van de wet wordt
door een aanvrager schriftelijk ingediend bij het Ctgb met het
aanvraagformulier dat daartoe is vastgesteld door het Ctgb en aldaar
is te verkrijgen. De aanvraag wordt ondertekend en bevat alle gegevens
die voor het indienen van deze aanvraag door het Ctgb zijn
vastgesteld.
2. De aanvraag bevat in ieder geval de volgende informatie:
a. aanduiding van de maand waarin de aanvrager de partij in
Nederland beoogt in te voeren en een aanduiding van de plaats in
Nederland waar het ingevoerde gewasbeschermingsmiddel wordt
opgeslagen;
b. naam van het land van de Europese Economische Ruimte van waaruit
het gewasbeschermingsmiddel zal worden ingevoerd;
c. handelsnaam, naam toelatinghouder en toelatingsnummer van het
gewasbeschermingsmiddel in het land waarvan het wordt ingevoerd;
d. handelsnaam, naam toelatinghouder en toelatingsnummer van het in
Nederland reeds toegelaten gewasbeschermingsmiddel;
e. de voorgestelde handelsnaam voor het in te voeren
gewasbeschermingsmiddel;
f. het gehalte van de werkzame stoffen in het te voeren
gewasbeschermingsmiddel;
g. de nummers van de partijen die de importeur wenst in te voeren;
h. de maximale hoeveelheid die hij wenst in te voeren;
i. een etiketontwerp dat voldoet aan de voorschriften voor het in
Nederland reeds toegelaten gewasbeschermingsmiddel;
j. opgave van het gewicht of de inhoud van de ingevoerde
verpakkingen;
k. opgave van de aard van het oorspronkelijke verpakkingsmateriaal
en van het verpakkingsmateriaal waarin wordt omgepakt; en
l. de naam van de fabrikant van het te importeren
gewasbeschermingsmiddel.
3. Artikel 2:1, lid 2 tot en met lid 9, is overeenkomstig van
toepassing, met dien verstande dat:
a. de termijn bedoeld in artikel 2:1, lid 5, eerste volzin, 2 weken
bedraagt;
b. in afwijking met artikel 2:1, lid 7, het Ctgb de aanvraag niet
in behandeling neemt als de aanvraagkosten niet zijn voldaan danwel
een bewijs dat de aanvraagkosten zijn voldaan niet bij de aanvraag
gevoegd of de aanvraag niet voldoet aan het gestelde in artikel 33 van
de wet;
c. de toelatinghouder als bedoeld in lid 1, onderdeel d door het
Ctgb schriftelijk in kennis wordt gesteld van de aanvraag, onder
vermelding van het aanvraagnummer en het toelatingsnummer van het
gewasbeschermingsmiddel.
4. Het bepaalde in artikel 2:2 is overeenkomstig van toepassing,
met dien verstande dat:
– de termijn bedoeld in artikel 2:2, lid 3, 6 weken bedraagt.
5. Het bepaalde in artikel 2:4, met uitzondering van lid 1 en lid
2, is overeenkomstig van toepassing.
6. De parallelle toelating voor de import, op de markt brengen en
gebruik van een gewasbeschermingsmiddel bedoeld in artikel 33 van de
wet, wordt verleend voor de in het besluit tot toelating genoemde
partijnummers.
7. Bij wijziging of intrekking van een parallelle toelating, kan
het Ctgb ten behoeve van importeurs, handelaren en gebruikers van tot de
in het besluit genoemde partijen behorende exemplaren van het middel,
een termijn als bedoeld in artikel 41, lid 5, van de wet vaststellen die
langer is dan de termijn waarvoor het reeds in Nederland toegelaten
gewasbeschermingsmiddel is toegelaten dan wel waarvoor voor dit laatste
middel een termijn in artikel 41, lid 5, van de wet is vastgesteld.
8. Het etiket van de parallelle toelating wijkt niet wezenlijk af
van het etiket van het reeds in Nederland toegelaten
gewasbeschermingsmiddel.
9. Het Ctgb stelt bij het besluit tot parallelle toelating als
bedoeld in artikel 33 van de wet ten minste de volgende voorschriften
vast:
– onmiddellijk na de invoer in Nederland meldt de toelatinghouder
bij de Algemene Inspectiedienst per fax met een daartoe bestemd
formulier de invoer;
– indien de invoer een partij betreft die eveneens onder een
ander besluit tot toelating op de markt mag worden gebracht, faxt de
toelatinghouder tevens het bewijs van de oorspronkelijke identiteit
van de partij;
– de toelatinghouder houdt de ingevoerde partij gedurende 48 uur
vanaf het moment van deze kennisgeving voor de Algemene
Inspectiedienst ter beschikking in de originele verpakking alvorens de
partij om te pakken en van andere etiketten te voorzien, en de
toelatinghouder houdt gedurende de volledige geldigheidsduur van de
toelating minstens één originele verpakking ter beschikking van de
Algemene Inspectiedienst.
Artikel 3:5. Wederzijdse erkenning van een toelating
1. Een aanvraag voor een wederzijdse erkenning van een
toelating, als bedoeld in artikel 36 van de wet, wordt door een
aanvrager schriftelijk ingediend bij het Ctgb met het
aanvraagformulier dat daartoe is vastgesteld door het Ctgb en aldaar
is te verkrijgen. De aanvraag wordt ondertekend en bevat alle gegevens
die voor het indienen van deze aanvraag door het Ctgb zijn
vastgesteld.
2. Artikel 2:1, lid 2 tot en met 9, is overeenkomstig van
toepassing, met dien verstande dat:
– in afwijking van artikel 2:1, lid 7, het Ctgb de aanvraag niet
in behandeling neemt indien de aanvraagkosten niet zijn voldaan, dan
wel een bewijs dat de aanvraagkosten zijn voldaan niet bij de aanvraag
is gevoegd, de aanvraag niet voldoet aan het gestelde in artikel 36
van de wet, de aanvraag administratief of wetenschappelijk onvolledig
is, of ten onrechte dierproeven zijn uitgevoerd ten behoeve van de
aanvraag dan wel de inlichtingen inzake dierproeven niet zijn
ingewonnen, met betrekking tot nationaal specifieke aspecten als
bedoeld in .
3. Het bepaalde in artikel 2:2 is overeenkomstig van toepassing,
met dien verstande dat:
– de termijn bedoeld in artikel 2:2, lid 3, 6 weken bedraagt.
4. In afwijking van artikel 2:2, lid 3, neemt het Ctgb uiterlijk
11 weken na de ontvangst van de in artikel 2:2, lid 1 bedoelde kosten
een gemotiveerd besluit op de aanvraag.
Indien niet binnen de termijn als bedoeld in de eerste volzin kan
worden beslist, deelt het Ctgb dit schriftelijk aan de aanvrager mede en
stelt het Ctgb daarbij een zo kort mogelijke redelijke termijn vast
waarbinnen op de aanvraag zal worden beslist.
5. In afwijking van artikel 2:2, lid 4 bedoelde termijn voor het
nemen van een besluit op de aanvraag wordt opgeschort indien het Ctgb
binnen 6 weken na ontvangst van de kosten als bedoeld in lid 1 naar
aanleiding van de samenvatting en beoordeling vaststelt dat de
beoordeling niet kan worden afgerond omdat de beoordeling aanleiding
geeft tot het stellen van aanvullende vragen, noodzakelijk om de
beoordeling van de aanvraag af te ronden.
De aanvrager wordt, onder vermelding van de in te dienen gegevens,
schriftelijk in de gelegenheid gesteld de aanvullende gegevens binnen
een door het Ctgb te stellen termijn in te dienen. Het Ctgb stelt de
termijn vast aan de hand van de tijd die benodigd is voor het aanleveren
en de samenvatting en beoordeling van deze gegevens.
6. Artikel 2:3 en artikel 2:4 zijn overeenkomstig van toepassing.
Artikel 3:6. Voorlopige toelating
1. Een aanvraag tot voorlopige toelating als bedoeld in artikel
34 van de wet wordt door een aanvrager schriftelijk ingediend bij het
Ctgb met het aanvraagformulier dat daartoe door het Ctgb is
vastgesteld en aldaar is te verkrijgen, wordt ondertekend en bevat
alle gegevens die voor het indienen van een aanvraag door het Ctgb
zijn vastgesteld.
2. Artikel 2:1, met uitzondering van lid 1, artikel 2:2, artikel
2:3 en artikel 2:4 zijn overeenkomstig van toepassing.
Artikel 3:7. Toelating op aanvraag van Onze Minister
1. De aanvraag als bedoeld in artikel 35 van de wet wordt
schriftelijk en gemotiveerd ingediend bij het Ctgb.
2. Artikel 2:1, met uitzondering van lid 1, artikel 2:2, artikel
2:3, met uitzondering van lid 1 en lid 2, en artikel 2:4 zijn
overeenkomstig van toepassing.
Hoofdstuk 4. De aanvraag tot toelating van
een biocide
Artikel 4:1. Het in behandeling nemen van de aanvraag
1. De aanvraag tot toelating van een
biocide als bedoeld in artikel 44, lid 1 van de wet wordt door een
aanvrager, schriftelijk ingediend bij het Ctgb met aanvraagformulier dat
daartoe is vastgesteld door het Ctgb en dat aldaar is te verkrijgen. De
aanvraag wordt ondertekend en bevat alle gegevens die voor het indienen
van deze aanvraag door het Ctgb zijn vastgesteld.
2. Artikel 2:1, lid 2 tot en met 9, artikel 2:2, artikel 2:3 en
artikel 2:4 zijn overeenkomstig van toepassing.
3. Het Ctgb besluit in afwijking van lid 2 op een aanvraag tot
toelating van een biocide die berust op een kaderformulering als bedoeld
in artikel 62 van de wet en die overeenkomstig het bepaalde in artikel
5:7 of artikel 5:8 tot stand is gekomen binnen 60 dagen na de
bevestiging van de ontvangst van de aanvraag als bedoeld in artikel 2:1,
lid 4.
Hoofdstuk 5. Bijzondere vormen van aanvragen
tot toelating van een biocide
Artikel 5:1. Verlenging van de toelating
1. Een aanvraag tot verlenging van de
toelating als bedoeld in artikel 66 van de wet wordt door een aanvrager
schriftelijk ingediend bij het Ctgb met het aanvraagformulier dat
daartoe door het Ctgb is vastgesteld en aldaar is te verkrijgen. De
aanvraag wordt ondertekend en bevat alle gegevens die voor het indienen
van deze aanvraag door het Ctgb zijn vastgesteld.
2. Artikel 4:1, lid 2 is overeenkomstig van toepassing.
3. Een aanvraag tot verlenging van een toelating wordt ten minste
60 weken voor de afloop van die toelating van de biocide waarop de
aanvraag betrekking heeft ingediend.
4. Het Ctgb kan indien niet op de aanvraag tot toelating kan
worden beslist voor het vervallen van de toelating van de biocide waar
de aanvraag betrekking op heeft, het vervallen van de toelating
opschorten, als bedoeld in artikel 44, lid 4. De reden van het niet op
tijd kunnen beslissen op de aanvraag mag op geen enkele wijze
veroorzaakt zijn door de aanvrager. Het besluit van het Ctgb tot
tijdelijke verlenging van de toelating wordt per aangetekende post aan
de toelatinghouder medegedeeld. Van dit besluit wordt mededeling gedaan
in de Staatscourant onder vermelding van het registratienummer, de naam
van het middel, het toepassingsgebied, de toelatinghouder en de datum
van het besluit. De opschorting van het vervallen van een toelating
vervalt met het besluit van het Ctgb op de aanvraag en dat besluit op de
voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Artikel 5:2. Afgeleide toelating
1. Een aanvraag tot een afgeleide toelating als bedoeld in
artikel 52 wordt door de aanvrager schriftelijk ingediend bij het Ctgb
met het aanvraagformulier dat daartoe door het Ctgb is vastgesteld en
aldaar is te verkrijgen. De aanvraag wordt ondertekend en bevat alle
gegevens die voor het indienen van deze aanvraag door het Ctgb zijn
vastgesteld.
2. Artikel 2:1, lid 2 tot en met lid 9, is overeenkomstig van
toepassing, met dien verstande dat:
a. de termijn bedoeld in artikel 2:1, lid 5, eerste volzin, 2 weken
bedraagt;
b. in afwijking van artikel 2:1, lid 7, het Ctgb de aanvraag niet
in behandeling neemt als het bewijs dat de aanvraagkosten zijn voldaan
niet bij de aanvraag is gevoegd of een referentielijst niet bij de
aanvraag gevoegd of de aanvraag niet voldoet aan het gestelde in
artikel 52 van de wet.
3. Artikel 2:2 is overeenkomstig van toepassing, met dien
verstande dat de termijn bedoeld in artikel 2:2, lid 3, 6 weken
bedraagt;
4. Het bepaalde in artikel 2:3 is, met uitzondering van lid 1 en
lid 2 overeenkomstig van toepassing.
5. Artikel 2:4, met uitzondering van lid 1 en lid 2, is
overeenkomstig van toepassing
Artikel 5:3. Parallelle toelating
1. Een aanvraag tot een parallelle toelating als bedoeld in
artikel 53 van de wet wordt door de aanvrager schriftelijk ingediend
bij het Ctgb met het aanvraagformulier dat daartoe is vastgesteld door
het Ctgb en aldaar is te verkrijgen. De aanvraag wordt ondertekend en
bevat alle gegevens die voor het indienen van deze aanvraag door het
Ctgb zijn vastgesteld.
2. De aanvraag bevat in ieder geval de volgende informatie:
a. aanduiding van de maand waarin de aanvrager de partij in
Nederland beoogt in te voeren en een aanduiding van de plaats in
Nederland waar het ingevoerde biocide wordt opgeslagen;
b. naam van het land van de Europese Economische Ruimte van waaruit
het middel zal worden ingevoerd;
c. handelsnaam, naam toelatinghouder en toelatingsnummer van het
biocide in het land waarvan het wordt ingevoerd;
d. handelsnaam, naam toelatinghouder en toelatingsnummer van het in
Nederland reeds toegelaten biocide;
e. de voorgestelde handelsnaam voor de in te voeren biocide;
f. het gehalte van de werkzame stoffen de in te voeren biocide;
g. de nummers van de partijen die de importeur wenst in te voeren;
h. de maximale hoeveelheid die hij wenst in te voeren;
i. een etiketontwerp dat voldoet aan de voorschriften voor de in
Nederland reeds toegelaten biocide;
j. opgave van het gewicht of de inhoud van de ingevoerde
verpakkingen;
k. opgave van de aard van het oorspronkelijke verpakkingsmateriaal
en van het verpakkingsmateriaal waarin wordt omgepakt; en
l. de naam van de fabrikant van de te importeren biocide.
3. Artikel 2:1, lid 2 tot en met lid 9, is overeenkomstig van
toepassing, met dien verstande dat:
a. de termijn bedoeld in artikel 2:1, lid 5, 2 weken bedraagt;
b. in afwijking van artikel 2:1, lid 7, het Ctgb de aanvraag niet
in behandeling neemt als het bewijs dat de aanvraagkosten zijn voldaan
of indien geen verklaring van toegang of verklaring van geen bezwaar
is overgelegd van de toelatinghouder van het moedermiddel of indien de
aanvraag niet voldoet aan het gestelde in artikel 53 van de wet.
4. Artikel 2:2 is overeenkomstig van toepassing, met dien
verstande dat
de termijn bedoeld in artikel 2:2, lid 3, 6 weken bedraagt.
5. Het bepaalde in artikel 2:3, met uitzondering van lid 1 en lid
2 en artikel 2:4 zijn overeenkomstig van toepassing.
6. De toelating voor de import, het op de markt brengen of
gebruik van een biocide, bedoeld in artikel 53 van de wet, wordt
verleend voor de in het besluit tot toelating genoemde partijnummers.
7. Importeurs, handelaren en gebruikers kunnen de exemplaren van
de in het besluit tot toelating genoemde partijen langer dan de periode
waarin het reeds in Nederland toegelaten biocide is toegelaten in
voorraad houden, afleveren, voor handen hebben en gebruiken, voor de
periode die door het Ctgb is vastgesteld bij het besluit tot intrekking
van de toelating voor parallelle handel. Bij wijziging of intrekking van
een parallelle toelating kan het Ctgb ten behoeve van importeurs,
handelaren en gebruikers van de tot de in het besluit genoemde partijen
behorende exemplaren van het middel, een termijn als bedoeld in artikel
68, lid 5, van de wet vaststellen die langer is dan de termijn waarvoor
de reeds in Nederland toegelaten biocide is toegelaten dan wel waarvoor
voor dit laatste middel een termijn als bedoeld in artikel 68,lid 5 van
de wet is vastgesteld.
8. Het etiket van de parallelle toelating wijkt niet wezenlijk af
van het etiket van het reeds in Nederland toegelaten biocide.
9. Het Ctgb neemt in ieder geval de volgende voorschriften bij
het besluit tot de toelating als bedoeld in artikel 53 van de wet op:
– onmiddellijk na de invoer in Nederland meldt de toelatinghouder
bij de Voedsel en Waren autoriteit per fax met een daartoe bestemd
formulier de invoer;
– indien de invoer een partij betreft die eveneens onder een
ander besluit tot toelating op de markt mag worden gebracht, faxt de
toelatinghouder tevens het bewijs van de oorspronkelijke identiteit
van de partij;
– de toelatinghouder houdt de ingevoerde partij gedurende 48 uur
vanaf het moment van deze kennisgeving voor de Algemene
Inspectiedienst ter beschikking in de originele verpakking alvorens de
partij om te pakken en van andere etiketten te voorzien en de
toelatinghouder houdt gedurende de volledige geldigheidsduur van de
toelating minstens één originele verpakking ter beschikking van de
Algemene Inspectiedienst.
Artikel 5:4. Voorlopige toelating
1. Een aanvraag tot voorlopige toelating als bedoeld in artikel
54 van de wet wordt door de aanvrager schriftelijk ingediend bij het
Ctgb met het aanvraagformulier dat daartoe door het Ctgb is
vastgesteld en aldaar is te verkrijgen. De aanvraag wordt ondertekend
en bevat alle gegevens die voor het indienen van deze aanvraag door
het Ctgb zijn vastgesteld.
2. Artikel 4:1, lid 2 is overeenkomstig van toepassing.
Artikel 5:5. Toelating op aanvraag van Onze Minister
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 55 van de wet wordt door
schriftelijk en gemotiveerd ingediend bij het Ctgb.
2. Artikel 2:1, met uitzondering van lid 1, artikel 2:2, artikel
2:3, met uitzondering van lid 1 en lid 2, zijn overeenkomstig van
toepassing.
Artikel 5:6. Wederzijdse erkenning van een toelating van een biocide
1. Een aanvraag voor een wederzijdse erkenning, als bedoeld in
artikel 56 van de wet, wordt door de aanvrager schriftelijk ingediend
bij het Ctgb met het aanvraagformulier dat daartoe is vastgesteld en
aldaar is te verkrijgen bevat alle gegevens die voor het indienen van
deze aanvraag door het Ctgb zijn vastgesteld.
2. Artikel 2:1, lid 2 tot en met 9, zijn van toepassing, met dien
verstande dat:
in afwijking van artikel 2:1, lid 7, het Ctgb de aanvraag niet in
behandeling neemt indien het bewijs dat de aanvraagkosten zijn voldaan
of een referentielijst niet bij de aanvraag zijn gevoegd, de aanvraag
niet voldoet aan het gestelde in artikel 56 van de wet, de aanvraag
administratief dan wel wetenschappelijk onvolledig is, of ten onrechte
dierproeven zijn uitgevoerd ten behoeve van de aanvraag dan wel de
inlichtingen inzake dierproeven niet zijn ingewonnen.
3. In afwijking van artikel 2:2, lid 3, neemt Ctgb neemt
uiterlijk 120 dagen na de ontvangst van de in artikel 2:2, lid 1
bedoelde kosten een gemotiveerd besluit op de aanvraag.
Indien niet binnen de termijn als bedoeld in de eerste volzin kan
worden beslist, deelt het Ctgb dit schriftelijk aan de aanvrager mede en
stelt het Ctgb daarbij een zo kort mogelijke redelijke termijn vast
waarbinnen op de aanvraag zal worden beslist.
4. Artikel 2:2 is overeenkomstig van toepassing, voor zover
hierna niets anders is bepaald.
In afwijking van de in artikel 2:2, lid 4 bedoelde termijn voor het
nemen van een besluit op de aanvraag wordt opgeschort indien het Ctgb
binnen 6 weken na ontvangst van de kosten als bedoeld in lid 1 naar
aanleiding van de samenvatting en beoordeling vaststelt dat de
beoordeling niet kan worden afgerond omdat de beoordeling aanleiding
geeft tot het stellen van aanvullende vragen, noodzakelijk om de
beoordeling van de aanvraag af te ronden.
De aanvrager wordt, onder vermelding van de in te dienen gegevens,
schriftelijk in de gelegenheid gesteld de aanvullende gegevens binnen
een door het Ctgb te stellen termijn in te dienen. Het Ctgb stelt de
termijn vast aan de hand van de tijd die benodigd is voor het aanleveren
en de samenvatting en beoordeling van deze gegevens.
5. Artikel 2:3 met uitzondering van lid en lid 2, en artikel 2:4
zijn overeenkomstig van toepassing.
6. Het Ctgb stelt de aanvrager, Onze Minister en de Commissie van
de Europese Gemeenschappen in kennis van een voornemen tot het afwijzen
van de aanvraag overeenkomstig het bepaalde in artikel 56, vierde en
vijfde lid, van de wet.
7. Indien de in lid 6 genoemde procedure is gevolgd beslist het
Ctgb op de aanvraag na de mededeling van Onze Minister als bedoeld in
artikel 56, zesde lid, van de wet.
Artikel 5:7. De kaderformulering
1. Een aanvraag voor een kaderformulering als bedoeld in
artikel 62 van wet wordt door de aanvrager schriftelijk ingediend bij
het Ctgb met het aanvraagformulier dat daartoe is vastgesteld en
aldaar is te verkrijgen. De aanvraag wordt ondertekend bevat alle
gegevens die voor het indienen van deze aanvraag door het Ctgb zijn
vastgesteld.
2. Het Ctgb stelt de kaderformulering vast en brengt deze ter
kennis van de aanvrager bij de het toelatingsbesluit als bedoeld in
artikel 62 van de wet. De kaderformulering wordt bekendgemaakt in de
Staatscourant.
Hoofdstuk 6. De registratie van een biocide
met gering risico
Artikel 6:1. Het in behandeling nemen van een aanvraag
1. De aanvraag tot registratie van een
biocide als bedoeld in artikel 59 van de wet wordt door de aanvrager
ingediend bij het Ctgb met het aanvraagformulier dat daartoe is
vastgesteld door het Ctgb en aldaar is te verkrijgen. De aanvraag wordt
ondertekend en bevat alle gegevens die voor het indienen van deze
aanvraag zijn vastgesteld.
2. Bij inzending van de aanvraag zijn de verschuldigde
aanvraagkosten als bedoeld in artikel 10 van de wet voldaan, dan wel is
een bewijs toegevoegd dat de aanvraagkosten zijn voldaan.
3. Het Ctgb tekent de datum van ontvangst aan op de aanvraag en
bevestigt terstond schriftelijk de ontvangst van de aanvraag, onder
vermelding van een aanvraagnummer.
4. Binnen 2 weken na de dagtekening van de ontvangstbevestiging
als bedoeld in lid 3 beslist het Ctgb over het in behandeling nemen van
de aanvraag.
5. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan het bepaalde in lid
1 of lid 2 wordt de aanvrager, uiterlijk binnen 2 weken na de
dagtekening van de ontvangstbevestiging als bedoeld in lid 3, onder
vermelding van de nog te leveren gegevens schriftelijk uitgenodigd de
ontbrekende gegevens binnen 2 weken in te dienen.
Na ontvangst van de ontbrekende gegevens dan wel wanneer de ontvangst
van de ontbrekende gegevens achterwege blijft beslist het Ctgb binnen 2
weken over het in behandeling nemen van de aanvraag. Gegevens die na
afloop van de voor aanvulling van de aanvraag vastgestelde termijn
worden ingediend, worden niet in behandeling genomen en teruggestuurd.
6. Het Ctgb neemt de aanvraag niet in behandeling indien:
a. de aanvraagkosten niet zijn voldaan, dan wel een bewijs als
bedoeld in lid 2 niet bij de aanvraag is gevoegd;
b. de aanvraag niet voldoet aan het gestelde in artikel 59 van de
wet;
c. de aanvraag onvolledig (lid 5) is;
7. Van het in behandeling nemen van de aanvraag wordt de
aanvrager door het Ctgb schriftelijk op de hoogte gesteld.
8. Het besluit van het Ctgb om een aanvraag niet in behandeling
te nemen wordt per aangetekende post bekendgemaakt aan de aanvrager.
Artikel 6:2. Het verder behandelen van de aanvraag
1. Het Ctgb neemt uiterlijk 120 dagen na de mededeling als
bedoeld in artikel 6:1, lid 7, een gemotiveerd besluit op de aanvraag.
2. De aanvraag wordt toegewezen conform artikel 58 van de wet
indien:
a. de werkzame stof of stoffen in bijlage 1A bij richtlijn 98/8/EG
zijn vermeld en aan de eisen van die bijlagen is voldaan;
b. de biocide geen tot bezorgdheid aanleiding gevende stof bevat.
3. De in het eerste lid bedoelde termijn vervalt indien het Ctgb
binnen 80 dagen vaststelt dat de beoordeling niet kan worden afgerond
omdat de beoordeling aanleiding geeft tot het stellen van aanvullende
vragen met betrekking tot de werkzaamheid of etikettering van het
middel, noodzakelijk om de beoordeling van de aanvraag af te ronden.
De aanvrager wordt schriftelijk, per aangetekende post, in de
gelegenheid gesteld de aanvullende gegevens binnen een door het Ctgb te
stellen termijn in te dienen, onder vermelding van de verlangde
gegevens. Het Ctgb geeft tegelijkertijd aan niet binnen de gestelde
termijn als bedoeld in de artikel 6:2. lid 1, te kunnen beslissen en
stelt een nieuwe termijn vast waarbinnen een beslissing over de aanvraag
wordt genomen. Het Ctgb stelt de een termijn vast aan de hand van de
tijd die benodigd is voor het aanleveren en de samenvatting en
beoordeling van deze gegevens, zonder onnodige vertraging van het
besluitvormingsproces toe te staan.
4. Het Ctgb maakt het besluit strekkende tot afwijzing van de
aanvraag schriftelijk, per aangetekende post bekend bij de aanvrager.
5. Het Ctgb deelt het besluit strekkende tot toewijzing van de
aanvraag per aangetekende post mee aan de aanvrager. Het Ctgb maakt het
besluit bekend in de Staatscourant, onder vermelding van
registratienummer, naam middel, de toelatinghouder en de datum van het
besluit.
Hoofdstuk 7. Vrijstelling ten behoeve van
proefneming
Artikel 7:1. Het in behandeling nemen van een aanvraag
1. Een aanvraag tot vrijstelling als
bedoeld in artikel 37 en artikel 64 van de wet wordt door een aanvrager
schriftelijk ingediend bij het Ctgb met het aanvraagformulier dat
daartoe is vastgesteld door het Ctgb en aldaar is te verkrijgen. Het
aanvraagformulier wordt ondertekend en bevat alle gegevens die voor het
indienen van deze aanvraag zijn vastgesteld.
2. Bij inzending van de aanvraag zijn de verschuldigde
aanvraagkosten als bedoeld in artikel 10 van de wet voldaan, dan wel is
een bewijs toegevoegd dat de aanvraagkosten zijn voldaan.
3. Het Ctgb tekent de datum van ontvangst aan op de aanvraag en
bevestigt tegelijkertijd schriftelijk de ontvangst van de aanvraag,
onder vermelding van een aanvraagnummer.
4. Binnen 2 weken na de dagtekening van de ontvangstbevestiging
als bedoeld in lid 3 stelt het Ctgb vast of de aanvraag administratief
en wetenschappelijk volledig is, nadat is beoordeeld of alle gegevens in
het dossier fysiek aanwezig zijn en de bij de aanvraag verstrekte
gegevens en bescheiden van voldoende kwaliteit zijn voor de beoordeling
van de aanvraag en besluitvorming daaromtrent.
Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan het bepaalde in lid 1 of
lid 2 wordt de aanvrager, onder vermelding van de nog te leveren
gegevens, schriftelijk uitgenodigd de geconstateerde omissies binnen 2
weken in te dienen. Op verzoek van de aanvrager wordt deze termijn
eenmaal met 2 weken verlengd.
Na ontvangst van de gegevens dan wel wanneer de ontvangst van de
ontbrekende gegevens achterwege blijft beslist het Ctgb binnen 2 weken
over het in behandeling nemen van de aanvraag. Gegevens die na de afloop
van de voor aanvulling van de aanvraag vastgestelde termijn worden
ingediend, worden niet in behandeling genomen en teruggestuurd.
5. Het Ctgb neemt de aanvraag niet in behandeling indien:
a. de aanvraagkosten niet zijn voldaan, dan wel een bewijs als
bedoeld in lid 2 niet bij de aanvraag is gevoegd;
b. de aanvraag niet voldoet aan het gestelde in artikel 37 of
artikel 64 van de wet;
c. de aanvraag onvolledig (lid 5) is;
d. ten onrechte dierproeven worden uitgevoerd ten behoeve van de in
te dienen aanvraag dan wel de inlichtingen inzake dierproeven niet
zijn ingewonnen (hoofdstuk 8);
6. Van het in behandeling nemen van de aanvraag wordt de
aanvrager door het Ctgb schriftelijk op de hoogte gesteld.
7. Het besluit van het Ctgb om een aanvraag niet in behandeling
te nemen wordt per aangetekende post bekendgemaakt aan de aanvrager.
Artikel 7:2. Het verder behandelen van de aanvraag
1. Het Ctgb neemt uiterlijk 4 weken na de dagtekening van de
mededeling als bedoeld in artikel 7:1, lid 8 een gemotiveerd besluit
op de aanvraag.
2. Het Ctgb maakt het besluit tot afwijzing van de aanvraag per
aangetekende post bekend bij de aanvrager.
3. Het Ctgb deelt het besluit tot toewijzing van de aanvraag per
aangetekende post mee aan de aanvrager. Het Ctgb maakt het besluit
bekend in de Staatscourant, onder vermelding van registratienummer,
toelatinghouder en de datum van het besluit.
Hoofdstuk 8. Proeven op gewervelde dieren
Artikel 8:1. Inlichtingenplicht en mededelingsplicht
1. Een aanvrager, wiens aanvraag een
dierproef bevat, legt bij de aanvraag een kopie over van zijn verzoek om
inlichtingen als bedoeld in artikel 26, lid 1 of artikel 46, lid 1 en
een kopie van de brief van het college inzake inlichtingen als bedoeld
in artikel 26, lid 2 of artikel 46, lid 2 van de wet.
2. Degene die een dierproef wil uitvoeren ten behoeve van een
aanvraag is verplicht hiervan vóór de aanvang van deze studie
schriftelijk mededeling te doen aan het Ctgb.
De mededeling wordt gedaan met een door het Ctgb vastgesteld
formulier, dat aldaar is te verkrijgen.
3. Aan een aanvraag mogen geen dierproefstudies ten grondslag
liggen waarvan geen of niet tijdig mededeling is gedaan aan het Ctgb,
indien voorafgaand aan het moment waarop het Ctgb met het bestaan van
die dierproef bekend werd, een vergelijkbare dierproefstudie is
geïnitieerd en aan het Ctgb bekendgemaakt.
Artikel 8:2. Inlichtingen en aanvullende vragen
1. Inlichtingen als bedoeld in artikel 26 en artikel 46 van de
wet worden ingewonnen door toezending van een bij het Ctgb
verkrijgbaar formulier.
2. Na ontvangst van het volledig ingevulde formulier en van het
voor het verstrekken van inlichtingen verschuldigde tarief, verstrekt
het Ctgb aan degene die om inlichtingen heeft verzocht de informatie als
bedoeld in artikel 26, lid 2 en 3 of artikel 46, lid 2 en 3. Vermeld
wordt welke onderdelen van het aanvraagformulier met welke reeds
aanwezige dierproefgegevens mogelijk kunnen worden onderbouwd.
3. De op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit in
gang gezette dierproeven, hetgeen blijkt uit een ondertekend protocol
dat een datum draagt voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van
dit besluit, zijn uitgezonderd van het bepaalde in hoofdstuk 8.
4. Bij het onderzoek naar en de opgave van relevante
dierproefgegevens betrekt het Ctgb ook de dierproefstudies die niet meer
fysiek bij het Ctgb aanwezig zijn, indien de wel op het Ctgb aanwezige
samenvatting en beoordeling ervan naar het oordeel van het Ctgb
voldoende informatie biedt om tot een verantwoorde beoordeling van de
stof of het middel te komen.
5. Het Ctgb deelt tevens de naam en het adres mee van degene die
op grond van artikel 8:2, lid 2 heeft aangegeven dat dierproefstudies
worden geïnitieerd, indien deze dierproefstudies relevant zijn voor
verzoeker.
6. Indien blijkt dat voor de verzoeker relevante
dierproefgegevens nog niet zijn beoordeeld, beoordeelt het Ctgb deze
studies zo mogelijk met voorrang, opdat de verzoeker zich een beeld kan
vormen van de betekenis en economische waarde die toegang tot de studie
voor hem kan hebben.
7. Bij de opgave van voor de verzoeker relevante
dierproefgegevens doet het Ctgb tevens opgave van bij het Ctgb aanwezige
dierproefgegevens die voor de voorgenomen aanvraag
te gebruiken zijn indien een brugstudie wordt geleverd.
8. Aan de data-eigenaar en, indien toepassing is gegeven aan het
vierde lid, aan degene die heeft aangegeven dat dierproefstudies worden
geïnitieerd worden naam en adres van de verzoeker bekendgemaakt.
9. Indien het Ctgb oordeelt dat de aanvrager aanvullende gegevens
als bedoeld in artikel 2:2, lid 4, waaronder dierproefgegevens dient te
leveren, geeft het Ctgb bij de opgave van de nog te leveren gegevens
tevens aan welke dierproefgegevens zich in het dossier van een reeds
eerder toegelaten gewasbeschermingsmiddel resp. van een reeds eerder
toegelaten, vergelijkbaar biocide bevinden, voor zover deze informatie
niet reeds is verstrekt naar aanleiding van een verzoek om inlichtingen.
Het Ctgb deelt tevens mee welke relevante dierproefstudies zijn of
worden geïnitieerd. Met uitzondering van het eerste en tweede lid van
artikel 8:2 zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing.
Artikel 8:3. Inspanningsverplichting en bemiddeling
1. De inspanningsverplichting als bedoeld in artikel 26, vierde
lid en artikel 46, vierde lid van de wet, houdt tevens in dat indien
partijen niet tot overeenstemming komen over de uitwisseling van de
dierproefgegevens en degene die ten behoeve van zijn (voorgenomen)
aanvraag een verwijsrecht naar de dierproefstudies behoeft een verzoek
om bemiddeling heeft gedaan, partijen medewerking verlenen aan die
bemiddeling.
2. Indien partijen niet tot overeenstemming komen over de
uitwisseling van de dierproefgegevens kan de aanvrager het Ctgb om
bemiddeling verzoeken. Voor de bemiddeling is een tarief verschuldigd
aan het Ctgb.
4. Het Ctgb gaat niet over tot in behandeling neming van het
bemiddelingsverzoek indien het Ctgb constateert dat de verzoeker niet
aan zijn inlichtingen- en inspanningsverplichting heeft voldaan of het
voor de bemiddeling verschuldigde tarief niet heeft voldaan.
5. De verzoeker en de data-eigenaar zijn voor gelijke delen het
voor de bemiddeling vastgestelde tarief verschuldigd.
6. Bij de vaststelling van het bedrag waarvoor verwijsrecht kan
worden verkregen, laat het Ctgb zich bijstaan door een commissie van
deskundigen.
7. Het Ctgb stelt op basis van het advies van de commissie van
deskundigen het bedrag vast waarvoor het verwijsrecht wordt verkregen,
conform artikel 8:6 van dit hoofdstuk.
8. Het Ctgb kan op advies van de commissie van deskundigen
uitspreken dat de bemiddeling wordt gestaakt wegens gebrek aan
medewerking van de zijde van verzoeker.
9. Het Ctgb stelt de te betalen vergoedingen voor het verkrijgen
van het verwijsrecht als bedoeld in artikel 8:4 van dit hoofdstuk vast.
10. Alle bedragen die door het Ctgb worden vastgesteld, behalve
het voor de bemiddeling verschuldigde tarief, worden binnen een door het
Ctgb te bepalen termijn gestort op een daartoe door het Ctgb geopende
derdenrekening.
Het Ctgb betaalt de ontvangen bedragen uit aan degene die daartoe
gerechtigd is, zo nodig onder aftrek van hetgeen deze aan het Ctgb is
verschuldigd.
Artikel 8:4. Verkrijging van het verwijsrecht
Nadat de aanvrager het bedrag, bedoeld in artikel 8:3, lid 7, aan het
Ctgb heeft voldaan, heeft de aanvrager verwijsrecht verkregen naar de
desbetreffende dierproefgegevens.
Artikel 8:5. Commissie van deskundigen
1. Het Ctgb stelt een commissie van deskundigen in.
2. De commissie adviseert het Ctgb over de vaststelling van het
bedrag dat de aanvrager dient te voldoen aan de data-eigenaar ter
verkrijging van verwijsrecht naar diens desbetreffende
dierproefgegevens.
3. De commissie bestaat uit 3 leden.
4. Het Ctgb stelt op voordracht van de commissie een reglement
vast omtrent de wijze waarop de commissie haar taak zal uitvoeren.
Artikel 8:6. Vaststelling vergoeding
1. Bij de vaststelling van het bedrag waarvoor verwijsrecht tot
dierproefgegevens wordt verkregen, wordt in ieder geval rekening
gehouden met:
a. verwervingskosten van de dierproefstudie:
1°. de ontwikkelingskosten;
2°. de nominale kostprijs van de dierproef;
b. de resterende termijn van dataprotectie als bedoeld in artikel
27 en 47 van de wet;
c. het marktaandeel van elk der partijen;
d. de gebruiksmogelijkheid voor elk der partijen van de data voor
meerdere aanvragen tot toelating van een middel;
e. de waarde voor de aanvrager zowel in het geval van een
waardedaling als een stijging daarvan;
f. door de data-eigenaar reeds verkregen vergoedingen voor de
dierproefstudie.
2. Bij de bepaling van de nominale kostprijs van een dierproef
wordt geen rekening gehouden met inflatie en rentederving.
Artikel 8:7. Over te leggen bescheiden
1. Ten behoeve van de vaststelling van het bedrag waarvoor door
verzoeker verwijsrecht kan worden verkregen legt degene naar wiens
gegevens een verwijsrecht moet worden verkregen de volgende bescheiden
over:
a. een naar waarheid ingevulde verklaring betreffende de voor de
verwerving van de betrokken gegevens gemaakte kosten alsmede de reeds
eerder voor deze gegevens ontvangen vergoedingen;
b. op deze kosten en vergoedingen betrekking hebbende
betalingsbewijzen, dan wel een verklaring afgegeven door een
accountant als bedoeld in artikel 393 van boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek omtrent de getrouwheid van de in onderdeel a bedoelde
verklaring.
c. een naar waarheid ingevulde verklaring omtrent het bestaan van
overeenkomsten met derden, waarvan het gebruik van de dierproefstudie
door die derden deel uitmaakt (vergoeding in natura).
Deze bescheiden worden aan het Ctgb verschaft binnen 8 weken na het
daartoe strekkende verzoek.
2. Verzoeker en data-eigenaar leggen overige naar het oordeel van
de commissie van deskundigen voor de vaststelling noodzakelijke gegevens
over binnen een door de commissie gestelde redelijke termijn.
3. De commissie kan op een gemotiveerd verzoek van één der
partijen de termijn, genoemd in het eerste of tweede lid, éénmaal
verlengen.
Artikel 8:8. In gebreke blijven van data-eigenaar
1. Indien de commissie vaststelt dat de data-eigenaar
voorafgaand aan de bemiddeling niet aan zijn wettelijke
inspanningsverplichting heeft voldaan, bepaalt het Ctgb dat deze het
door de verzoeker verschuldigde tarief voor de bemiddeling geheel of
gedeeltelijk dient te vergoeden.
2. Indien de commissie vaststelt dat de data-eigenaar de
bescheiden, bedoeld in artikel 8:7, lid 1 niet binnen de gestelde
termijn heeft overgelegd, bepaalt het Ctgb dat degene die om de
bemiddeling heeft verzocht in zijn aanvraag kan volstaan met een
verwijzing naar de betrokken gegevens.
Artikel 8:9. In gebreke blijven van verzoeker
1. Indien de commissie vaststelt dat de verzoeker om
bemiddeling de bescheiden, bedoeld in artikel 8:7 van dit hoofdstuk
niet binnen de gestelde termijn heeft overgelegd en de bemiddeling
deswege niet kan worden afgerond, dient de verzoeker de kosten die de
data-eigenaar voor de bemiddeling heeft moeten maken, geheel of
gedeeltelijk te vergoeden.
2. Indien de verzoeker geen verwijsrecht tot de dierproefgegevens
koopt nadat de bemiddeling van het Ctgb is afgerond, dient de verzoeker
de kosten die de data-eigenaar voor de bemiddeling heeft moeten maken,
geheel of gedeeltelijk te vergoeden.
3. Het Ctgb stelt op verzoek van de data-eigenaar het bedrag van
de vergoeding als bedoeld in lid 1 of lid 2 vast en de termijn
waarbinnen deze aan de data-eigenaar dient te zijn voldaan.
Hoofdstuk 9. Van de intrekking of wijziging
op verzoek van een toelating of toepassing van een
gewasbeschermingsmiddel of biocide
§ 1. Het in behandeling nemen van het verzoek tot intrekking of
wijziging door degene op wiens naam het gewasbeschermingsmiddel of
biocide in het register als bedoeld in artikel 42, lid 2 is vermeld.
Artikel 9:1
1. Het verzoek tot intrekking of
wijziging van een gewasbeschermingsmiddel of biocide als bedoeld in
artikel 41, lid 1 en 68, lid 1 van de wet, van de natuurlijke persoon of
rechtspersoon ten name van wie de toelating van een
gewasbeschermingsmiddel of biocide is opgenomen in het register als
bedoeld in artikel 42, lid 2 van de wet, wordt door de aanvrager
schriftelijk ingediend bij het Ctgb met het formulier dat daartoe door
het Ctgb is vastgesteld en aldaar is te verkrijgen. Het
aanvraagformulier wordt ondertekend en bevat alle gegevens die voor het
indienen van deze aanvraag door het Ctgb zijn vastgesteld.
2. Bij inzending van de aanvraag zijn de verschuldigde
aanvraagkosten als bedoeld in artikel 10 van de wet voldaan, dan wel is
een bewijs toegevoegd dat de aanvraagkosten zijn voldaan.
3. Binnen twee weken na ontvangst van het verzoek wordt de
ontvangst van het verzoek onder vermelding van het verzoeknummer aan de
verzoeker schriftelijk bevestigd.
4. Het verzoek wordt niet in behandeling genomen indien:
a. de aanvraagkosten niet zijn voldaan, dan wel een bewijs als
bedoeld in lid 2 niet bij de aanvraag is gevoegd;
b. het verzoek niet voldoet aan het gestelde in artikel 41 of 68
van de wet;
c. het verzoek overeenkomstig het bepaalde in lid 5 onvolledig is.
5. Het besluit van het Ctgb om een verzoek niet in behandeling te
nemen wordt per aangetekende post bekendgemaakt aan de aanvrager.
§ 2. Het verder behandelen van het verzoek tot intrekking of
wijziging door degene op wiens naam het gewasbeschermingsmiddel of
biocide in het register als bedoeld in artikel 42, lid 2 is vermeld
Artikel 9:2
1. Het Ctgb neemt binnen 4 weken een besluit op het verzoek op
basis van de beschikbaar gestelde gegevens.
2. Het Ctgb maakt het besluit tot afwijzing van het verzoek per
aangetekende post bekend bij de aanvrager.
3. Het Ctgb maakt het besluit tot intrekking of wijziging bekend
in de Staatscourant, onder vermelding van registratienummer, naam van
het middel, toepassingsgebied, toelatinghouder en de datum van het
besluit. De verzoeker wordt het besluit schriftelijk medegedeeld.
§ 3. Het in behandeling nemen van het verzoek tot intrekking of
wijziging door een belanghebbende
Artikel 9:3
1. Het verzoek tot intrekking of wijziging van een
gewasbeschermingsmiddel of biocide als bedoeld in artikel 41, lid 1 en
68, lid 1 van de wet, door een belanghebbende wordt door de aanvrager
schriftelijk ingediend bij het Ctgb met het formulier dat daartoe door
het Ctgb is vastgesteld en aldaar is te verkrijgen. Het
aanvraagformulier wordt ondertekend en bevat alle gegevens die voor
het indienen van deze aanvraag door het Ctgb zijn vastgesteld.
2. Bij inzending van de aanvraag zijn de verschuldigde
aanvraagkosten als bedoeld in artikel 10 van de wet voldaan, dan wel is
een bewijs toegevoegd dat de aanvraagkosten zijn voldaan.
3. Binnen twee weken na ontvangst van het verzoek wordt de
ontvangst van het verzoek onder vermelding van het verzoeknummer aan de
verzoeker schriftelijk bevestigd.
4. Binnen vier weken na dagtekening van de ontvangstbevestiging
als bedoeld in lid 3 wordt de verzoeker medegedeeld of het verzoek in
behandeling is genomen.
5. Indien de aanvrager niet heeft voldaan het bepaalde in lid 1
of lid 2 wordt de aanvrager binnen 4 weken na dagtekening van de
ontvangstbevestiging als bedoeld in lid 3, onder vermelding van de nog
te leveren gegevens, schriftelijk uitgenodigd de ontbrekende gegevens
binnen een door het Ctgb te stellen redelijke termijn, in te dienen. Op
verzoek van de verzoeker kan deze termijn eenmaal voor dezelfde termijn
worden verlengd. Na ontvangst van de ontbrekende gegevens dan wel
wanneer ontvangst van de ontbrekende gegevens achterwege blijft, beslist
het Ctgb binnen 4 weken over het in behandeling nemen van het verzoek.
6. Het verzoek wordt niet in behandeling genomen indien:
a. de aanvraagkosten niet zijn voldaan, dan wel een bewijs als
bedoeld in lid 2 niet bij de aanvraag is gevoegd;
b. het verzoek niet voldoet aan het gestelde in artikel 41 of 68
van de wet;
c. het verzoek overeenkomstig het bepaalde in lid 6 onvolledig is.
7. Van het in behandeling nemen van het verzoek wordt per
aangetekende post mededeling gedaan aan de verzoeker. Het Ctgb
informeert de natuurlijke of rechtspersoon ten name van wie de toelating
van een gewasbeschermingsmiddel of biocide waarop het verzoek in lid 1
betrekking heeft, is opgenomen in het register als bedoeld in artikel
42, lid 2 van de wet.
8. Het besluit van het Ctgb om een verzoek niet in behandeling te
nemen wordt per aangetekende post bekendgemaakt aan de aanvrager.
§ 4. Het verder behandelen van het verzoek tot intrekking of
wijziging door een belanghebbende
Artikel 9:2
1. Binnen 6 weken na het in behandeling nemen van het verzoek
legt het Ctgb een ontwerp voor een besluit, met de motivering, voor
een periode van 4 weken ter inzage. De termijn vangt aan met ingang
van de dag waarop het ontwerp besluit ter inzage is gelegd.
2. Gedurende de termijn genoemd in lid 1 kunnen belanghebbenden
naar keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze indienen.
3. Voorafgaande aan de ter inzage legging geeft het Ctgb in de
Staatscourant kennis van het ontwerp besluit. In de publicatie in de
Staatscourant wordt het aanvraagnummer, de naam van het middel, het
soort middel, de gebruikstoepassing van het middel en zakelijke inhoud
van het te nemen besluit vermeld. In de kennisgeving wordt tevens
vermeld:
a. waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen;
b. wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren
te brengen;
c. op welke wijze dit kan gebeuren.
4. Het Ctgb brengt het ontwerp van het te nemen besluit per post
ter kennis aan de aanvrager.
5. Van hetgeen mondeling naar voren is gebracht, wordt een
verslag gemaakt.
6. De aanvrager en belanghebbenden worden in de gelegenheid
gesteld binnen 2 weken schriftelijk te reageren op de ingediende
zienswijze.
7. Het Ctgb neemt bij het ongebruikt verstrijken van de in lid 2
geboden mogelijkheid om een zienswijze in te dienen binnen 8 weken of na
ontvangst van een zienswijze als bedoeld in lid 2 binnen 16 weken een
besluit op het verzoek op basis van de beschikbaar gestelde gegevens.
8. Het Ctgb maakt het besluit tot afwijzing van het verzoek per
aangetekende post bekend bij de aanvrager en deelt deze mee aan
belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend.
9. Het Ctgb maakt het besluit tot intrekking of wijziging bekend
in de Staatscourant, onder vermelding van registratienummer, naam van
het middel, toepassingsgebied, toelatinghouder en de datum van het
besluit. De verzoeker en de belanghebbende die een zienswijze heeft
ingediend wordt het besluit schriftelijk medegedeeld.
Hoofdstuk 10. De ambtshalve intrekking of
wijziging van een gewasbeschermingsmiddel of biocide
Artikel 10:1
1. Het Ctgb legt het ontwerp voor een
besluit tot ambtshalve intrekking of wijziging, met de motivering, ter
inzage voor een periode van 4 weken. De termijn vangt aan met ingang van
de dag waarop het ontwerp besluit ter inzage is gelegd.
2. Gedurende de termijn genoemd in lid 1 kunnen belanghebbenden
naar keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze met betrekking tot
het ontwerp van het te nemen besluit indienen.
3. Voorafgaande aan de ter inzage legging geeft het Ctgb in de
Staatscourant kennis van het ontwerp besluit. In de publicatie in de
Staatscourant wordt het aanvraagnummer, de naam van het middel, het
soort middel, de gebruikstoepassing van het middel en zakelijke inhoud
van het te nemen besluit vermeld. In de kennisgeving wordt tevens
vermeld:
a. waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen;
b. wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen nar voren te
brengen;
c. op welke wijze dit kan gebeuren.
4. Het Ctgb brengt het ontwerp van het te nemen besluit per post
ter kennis aan de toelatinghouder.
5. Van hetgeen mondeling naar voren is gebracht, wordt een
verslag gemaakt.
6. De aanvrager en belanghebbenden worden in de gelegenheid
gesteld binnen 2 weken schriftelijk te reageren op de ingediende
zienswijze.
7. Het Ctgb neemt bij het ongebruikt verstrijken van de in lid 2
en 4 geboden mogelijkheid om een zienswijze in te dienen binnen 8 weken
of na ontvangst van de zienswijze als bedoeld in lid 2 binnen 16 weken
een besluit omtrent het ambtshalve intrekken of wijzigen op basis van de
beschikbare gegevens en de uitgevoerde beoordeling.
8. Het Ctgb maakt het besluit omtrent de aanvraag per
aangetekende post bekend bij de aanvrager.
9. Het Ctgb maakt het besluit omtrent het verzoek in de
Staatscourant, onder vermelding van registratienummer, naam van het
middel, toepassingsgebied, toelatinghouder en de datum van het besluit.
Hoofdstuk 11. Mededeling nieuwe gegevens
PM
Hoofdstuk 12. Aanvragen tot toelating van
gewasbeschermingsmiddelen met bestaande werkzame stoffen die zijn of
worden onderzocht voor opneming in een bijlage bij de
gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn
Artikel 12:1
Een aanvraag als bedoeld in artikelen 121, 123, 124 en 125 van de wet
tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel met bestaande werkzame
stoffen die worden onderzocht voor opneming in een bijlage bij de
gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn, wordt afgehandeld overeenkomstig het
bepaalde in Hoofdstuk 2 en 3.
Hoofdstuk 13. Aanvragen tot toelating van
biociden met bestaande werkzame stoffen die zijn of worden onderzocht
voor opneming in een bijlage bij de biociderichtlijn
Artikel 13:1
Een aanvraag als bedoeld in artikelen 121, 123, 124 en 125 van de wet
tot toelating van een biocide met bestaande werkzame stoffen die worden
onderzocht voor opneming in een bijlage bij de biociderichtlijn, wordt
afgehandeld overeenkomstig het bepaalde Hoofdstuk 4 en 5.
Artikel 13:2
Aanvragen inzake vereenvoudigde uitbreidingstoelating van een
biocide, als bedoeld in artikel 126 van de wet, worden afgehandeld
overeenkomstig artikel 3:1 van dit besluit.
Hoofdstuk 14. Besluiten na een communautaire
maatregel op grond van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn
Artikel 14:1. Besluiten na een communautaire maatregel tot niet
opneming
1. Indien het Ctgb ten gevolge van een
communautaire maatregel als bedoeld in artikel 127 van de wet voornemens
is een besluit te nemen tot wijziging of intrekking van een toelating
als bedoeld in artikel 121 van de wet stelt het een ontwerp van het
besluit op en doet daarvan minimaal 8 weken voordat uitvoering moet zijn
gegeven aan de communautaire maatregel mededeling aan de
toelatinghouder. De toelatinghouder kan binnen 2 weken na dagtekening
van de mededeling een zienswijze indienen. Het Ctgb beslist zo spoedig
mogelijk na ontvangst van de zienswijze doch uiterlijk op de datum dat
uitvoering moet zijn gegeven aan de communautaire maatregel.
Artikel 14:2. Besluiten na een communautaire maatregel tot opneming (compliance
check en herregistratie)
1. Na een communautaire maatregel tot opneming van een werkzame
stof in Bijlage I van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn gaat het
Ctgb binnen de daarvoor in de betreffende communautaire maatregel tot
plaatsing van de werkzame stof vastgestelde termijn na of de
karakteristieken van de werkzame stof in toegelaten
gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn op basis van die stof
overeenstemmen met de vastgestelde voorwaarden in de betreffende
communautaire maatregel (compliance check).
2. Binnen 8 weken na plaatsing van de communautaire maatregel in
het Publicatieblad van de Europese Unie deelt het Ctgb de
toelatinghouder van een middel met een werkzame stof waarop de
communautaire maatregel betrekking heeft schriftelijk mee dat de
werkzame stof is opgenomen in Bijlage 1 van de
gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn en geeft de gevolgen aan van de
opneming en verzoekt de in de mededeling genoemde gegevens benodigd voor
de beoordeling als bedoeld in lid 1 te leveren.
3. Indien de gegevens niet vóór de in lid 2 genoemde termijn
zijn ingediend besluit het Ctgb dat de werkzame stof in het toegelaten
middel niet in overeenstemming is met de bij communautaire maatregel
vastgestelde voorwaarden en trekt de toelating van het betreffende
middel overeenkomstig het bepaalde in artikel 41 van de wet in. Het
besluit wordt de toelatinghouder per aangetekende post bekendgemaakt.
4. Het Ctgb maakt het besluit omtrent de compliance check per
aangetekende post bekend aan de toelatinghouder. Indien de werkzame stof
in het toegelaten gewasbeschermingsmiddel niet overeenstemt met de
vastgestelde voorwaarden in de communautaire maatregel besluit het Ctgb
tot intrekking van de toelating en stelt een afleverings- en
opgebruiktermijn van maximaal 12 maanden vast.
5. Indien de werkzame stof in het toegelaten
gewasbeschermingsmiddel overeenstemt met de vastgestelde voorwaarden in
de communautaire maatregel dient de toelatinghouder 24 maanden vóór de
datum dat uitvoering moet zijn gegeven aan de communautaire maatregel
een aanvraag als bedoeld in artikel 2:1, lid 1 (herregistratie) in. De
aanvragen worden overeenkomstig hoofdstuk 2 afgehandeld. Indien de
aanvraag niet binnen de in de eerste volzin genoemde termijn is
ingediend, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.
Hoofdstuk 15. Besluiten na een communautaire
maatregel op grond van de biociderichtlijn
Artikel 15:1. Besluiten na een communautaire maatregel tot niet
opneming
Indien het Ctgb ten gevolge van een communautaire maatregel als
bedoeld in artikel 127 van de wet voornemens is een besluit te nemen tot
wijziging of intrekking van een toelating als bedoeld in artikel 121 van
de wet stelt het een ontwerp van het besluit op en doet daarvan minimaal
8 weken voordat uitvoering met zijn gegeven aan de communautaire
maatregel mededeling aan de toelatinghouder. De toelatinghouder kan
binnen 2 weken na ontvangst van de mededeling een zienswijze indienen.
Het Ctgb beslist zo spoedig na ontvangst van de zienswijze doch
uiterlijk op de datum dat uitvoering moet zijn gegeven aan de
communautaire maatregel. Bij intrekking van de lopende toelating kan
geen opgebruik- en afleveringstermijn worden gegeven die doorloopt tot
na de datum dat uitvoering moet zijn gegeven aan de communautaire
maatregel
Artikel 15:2. Besluiten na een communautaire maatregel tot opneming
1. De toelatinghouder van een toegelaten biocide waarvan de
werkzame stof is opgenomen in bijlage I, IA of IB van de
biociderichtlijn, dient binnen 24 maanden voor de datum dat de
communautaire maatregel tot opneming van de werkzame stof in werking
treedt, bij het Ctgb een aanvraag als bedoeld in artikel 44 van de wet
in of dient bij het Ctgb in een mededeling van het voornemen om een
aanvraag als bedoeld in artikel 56 van de wet in te dienen twee
maanden nadat de eerste toelating als bedoeld in artikel 8 van de
biociderichtlijn voor het biocide in een andere Lidstaat van de
Europese Gemeenschap is verkregen.
2. Het Ctgb tekent de datum van ontvangst aan van de aanvraag dan
wel mededeling als bedoeld in lid 1 en bevestigt schriftelijk, binnen 3
weken de ontvangst van de aanvraag of mededeling.
3. De mededeling als bedoeld in lid 1 bevat de volgende
informatie:
a. naam en adres van degene die de mededeling doet;
b. handelsnaam van het biocide;
c. toelatingsnummer;
d. volledige samenstelling van het biocide;
e. de verklaring dat de intentie bestaat om een aanvraag voor
wederzijdse erkenning in te dienen;
f. lidstaat waar de eerste toelating na opname van de werkzame stof
wordt aangevraagd
g. de lidstaten waar een wederzijdse erkenning wordt gevraagd;
h. de lidstaten waar het biocide is toegelaten (inclusief handels
naam van het biocide);
i. als het dossier dat is ingediend voor de aanvraag een letter of
access bevat moet worden verklaard dat deze verklaring ook geldt voor
het land waar de mededeling is gedaan;
j. de verklaring van de toelatinghouder dat hij begrijpt dat als
niet aan de voorwaarden wordt voldaan de toelating van het betrokken
biocide komt te vervallen.
4. Binnen 6 maanden na het ongebruikt laten van de in lid 1
genoemde periode om een aanvraag of mededeling in te dienen trekt het
Ctgb de toelating van het betreffende biocide in.
Hoofdstuk 16. De overgangstermijn bij een
nieuwe beoordelings- en rekenmethode
Artikel 16:1
1. Een beoordelingsmethode als bedoeld in
artikel 8 of artikel 12 van het besluit of een richtsnoer als bedoeld in
artikel 2.4 of artikel 3.4 van de regeling die is gewijzigd en zonder
overgangstermijn is vastgesteld wordt niet toegepast bij een aanvraag
die in behandeling is genomen op grond van artikel 2:1.
2. Een beoordelingsmethode als bedoeld in lid 1 die is gewijzigd
na indiening van een aanvraag die nog niet in behandeling is genomen als
bedoeld in artikel 2:1, lid 1 is op deze aanvraag niet van toepassing
indien een dossiervereiste wijzigt, de wijziging van de beoordelings- en
berekeningsmethode leidt tot een nieuw dossiervereiste of een wijziging
betreft die ook overigens tot zwaardere lasten bij de aanvrager
aanleiding geven.
3. Het Ctgb stelt een overgangstermijn vast die in een redelijke
verhouding staat tot de duur van de uit te voeren werkzaamheden om het
betreffende onderzoek te kunnen uitvoeren en het dossier te kunnen
aanpassen.
4. Aanvragen die worden ingediend binnen de overgangstermijn
bedoeld in lid 3 gaan vergezeld van een dossier dat voldoende gegevens
bevat om de gewijzigde beoordelingsmethode toe te passen tenzij een
aanvulling van het dossier naar het oordeel van het Ctgb onevenredig is
met het daarmee te dienen belang
Hoofdstuk 17. Afleverings- en
opgebruiktermijn
Artikel 17:1
1. Een afleverings- en/of
opgebruiktermijn als bedoeld in artikel 41, lid 5 respectievelijk
artikel 68, lid 5 van de wet wordt zo kort als mogelijk en reëel is
gehouden.
2. Bij het bepalen van de termijn als bedoeld in artikel 17:1
weegt het Ctgb alle bij het besluit betrokken belangen. In deze afweging
betrekt het Ctgb in ieder geval:
a. dat de termijn in redelijke verhouding staat tot de reden van de
intrekking of wijziging;
b. dat de termijn bij voorkeur niet afloopt binnen een teeltseizoen
of een gebruiksseizoen;
c. dat de lengte van de termijn mede afhangt van de mate waarin de
wijziging of intrekking voor de markt en/of gebruiker onvoorzien was
en van de mogelijkheden van de markt en gebruikers om de gevolgen van
een plotselinge intrekking of wijziging op te vangen;
d. de risico’s voor mens, milieu en dier, waaronder zowel de
risico’s bij het voortduren van het gebruik van het
gewasbeschermingsmiddel of biocide als de schade die het gevolg is van
de vernietiging van voorraden
e. de economische belangen.
Artikel 17:2
Geen afleverings- en/of opgebruiktermijn wordt vastgesteld indien de
volksgezondheid of de veiligheid voor de toepasser in het geding zijn.
Artikel 17:3
Indien het Ctgb een toelating intrekt dan wel het toepassingsgebied
wijzigt ter uitvoering van een communautaire maatregel wordt een
afleverings- en/of opgebruiktermijn vastgesteld aan de hand van de
bepalingen daarover in de betreffende communautaire maatregel.
Artikel 17:4
Indien een toelating wordt ingetrokken of gewijzigd, worden de
toelatingen van afgeleide toelatingen als bedoeld in artikel 32 en
artikel 52 van de wet en parallelle toelatingen als bedoeld in artikel
33 en artikel 53 van de wet ambtshalve ingetrokken dan wel gewijzigd
indien er aanwijzingen bestaan dat ook deze toelatingen niet meer
voldoen aan de toelatingsvoorwaarden. Het Ctgb stelt een afleverings-
en/of opgebruiktermijn voor de afgeleide toelating of parallelle
toelating vast die gelijk is aan de afleverings- en opgebruiktermijn die
het Ctgb vaststelt voor de ingetrokken toelating.
Hoofdstuk 18. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 18:1. Inwerkingtreding
1. De artikelen in dit besluit treden in
werking op een bij het Ctgb te bepalen tijdstip na goedkeuring door de
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit en de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.
2. De inwerkingtreding van dit besluit of onderdelen daarvan
maakt het Ctgb bekend in de Staatscourant.
Artikel 18:2. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bestuursreglement regeling
toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden Ctgb 2007.
Het College voor de toelating van
gewasbeschermingsmiddelen en biociden,
voor deze,
de voorzitter,
D.K.J. Tommel.
|
|
|