|
BESLUIT van 27 januari 2000, houdende regels voor het
lozen op oppervlaktewater dat samenhangt met agrarische activiteiten in
de open grond alsmede gebruiksvoorschriften voor bestrijdingsmiddelen (Lozingenbesluit
open teelt en veehouderij)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 30 juni
1999, nr. CDJZ/BVW 967-99, en de Staatssecretaris van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij, gedaan mede namens Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Onze Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, drs. J.F. Hoogervorst;
Gelet op de Richtlijn 91/676/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 inzake de
bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische
bronnen (PbEG L375);
Gelet op de artikelen 1, 2a, 2b,
2c, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en
mede gelet op artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, voor zover
het betreft de artikelen 1, 2, 3, 5, 13, 14, 15, 17, 21 en 25;
De Raad van State gehoord (advies van 18
november 1999, nr. W09.99.0322/V);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van [..., red.], nr.
CDJZ/2000-83, en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. afvalwater: alle water waarvan de houder zich – met het
oog op de verwijdering daarvan – ontdoet, voornemens is zich te
ontdoen of zich moet ontdoen;
b. agrarische activiteiten: een geheel van activiteiten die
betrekking hebben op landbouwgewassen en landbouwhuisdieren als
bedoeld in bijlage I bij dit besluit;
c. beperkt lozen: lozen van 10 inwonerequivalenten of minder;
d. bestaand lozen: lozen dat reeds voor het tijdstip van het in
werking treden van het besluit plaatsvond;
e. bestrijdingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel of biocide als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet
gewasbeschermingsmiddelen of biociden;
f. biologische teelt: teelt uitgevoerd overeenkomstig het
bepaalde bij of krachtens het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007;
g. condenswater: water dat bij afkoeling van lucht in
koelinstallaties en langs koude oppervlakken in bewaarruimten
ontstaat;
h. controlevoorziening:voorziening ten behoeve van het nemen
van monsters;
i. driftarme dop: een spuitdop die in het toe te passen
drukbereik vergeleken met de grensdop van de klasse fijn en midden
volgens de British Crop Protection Council (BCPC)-klassificatie
(31-030-F110 bij 3 bar), een 50% kleiner volumepercentage druppels
met een diameter kleiner dan 100 μm produceert;
j. emissiescherm:tijdens het gebruiken van een
bestrijdingsmiddel of bladmeststof aanwezige, aan de grond
verankerde barrière van ondoorlatend materiaal of van gaas met
een windreductie van 50% of meer, die van tenminste gelijke hoogte
is als de bovenste in gebruik zijnde spuitdop van de gebruikte
apparatuur én van tenminste gelijke hoogte als het gewas op het
perceel, die het verwaaien van spuitvloeistof naar een
oppervlaktewaterlichaam beperkt, die met uitzondering van een
doorrijscherm op de kopakker aaneengesloten is;
k. gewasbed: strook beteelde grond die in de breedte wordt
begrensd door een strook onbeteelde grond;
l. gewasbeschermingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en
biociden;
m. hemelwater: water dat als gevolg van neerslag op het
perceel, het erf of de gebouwen terechtkomt;
n. huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat naar zijn aard en
samenstelling overeenkomt met afvalwater afkomstig van een
particulier huishouden;
o. insteek van een oppervlaktewaterlichaam: snijpunt van de
raaklijnen van het talud en het horizontale maaiveld;
p. kantdop: driftarme dop die als gevolg van de constructie en
bevestiging aan de veldspuitapparatuur een tophoek van maximaal
90° kent en aan de zijde van een oppervlaktewaterlichaam een
verticale of nagenoeg verticale neerwaartse richting van het
bestrijdingsmiddel creëert;
q. kantstrooivoorziening:voorziening die tijdens het toedienen
van korrel- en poedervormige meststoffen bewerkstelligt dat de
verspreiding van die meststoffen richting een
oppervlaktewaterlichaam wordt verhinderd;
r. lozen:het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam
als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet;
s. luchtondersteuning:voorziening aan de spuitboom van
veldspuitapparatuur, waarbij een separate luchtstroom een
geforceerde neerwaartse richting van het bestrijdingsmiddel
creëert;
t. meststoffen: stoffen als bedoeld in artikel 1, onderdeel d,
van de Meststoffenwet;
u. NEN:door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI)
uitgegeven norm;
v. nieuw lozen: lozen dat geen bestaand lozen is;
w. omvangrijk lozen: lozen van meer dan 10 doch niet meer dan
200 inwonerequivalenten;
x. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
y. Onze Ministers: Onze Minister en Onze Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit
z. overkapte beddenspuit: apparatuur die bestemd is voor het
gebruiken van bestrijdingsmiddelen waarbij de spuitdoppen
gemonteerd zijn binnen een overkapping, die met uitzondering van
de voor- en de achterzijde van de apparatuur, het gewasbed min of
meer omsluit en waarbij per gewasbed een eenheid van spuitleiding
en overkapping wordt gebruikt;
aa. reflectiescherm:verticale constructie aan een apparaat dat
bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen, met een
zodanige hoogte en breedte dat het verwaaien van spuitnevel wordt
beperkt;
bb. riolering: voorziening voor de inzameling en het transport
van afvalwater als bedoeld in artikel 10.30 van de Wet
milieubeheer of een daarop aangesloten bedrijfsriolering;
cc. spuitdop: uitstroomopening van apparatuur die bestemd is
voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen die in staat is
spuitvloeistof zo te verdelen in druppels dat er op de grond of op
het landbouwgewas een regelmatige verdeling ontstaat;
dd. spuitgeweer: apparatuur die bestemd is voor het gebruiken
van bestrijdingsmiddelen bestaande uit een spuitleiding die is
voorzien van één spuitdop die met de hand wordt vastgehouden en
bediend;
ee. teeltvrije zone: strook tussen de insteek van een
oppervlaktewaterlichaam en het te telen gewas waarop, behoudens
grasland, geen gewas of niet hetzelfde gewas als op de rest van
het perceel wordt geteeld;
ff. testcertificaat:schriftelijke verklaring, afgegeven door
een deskundig, onafhankelijk instituut, waaruit blijkt dat een
driftarme dop, die bij het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen
wordt toegepast, voldoet aan de bij of krachtens dit besluit
gestelde eisen ten aanzien van driftarme doppen;
gg. tunnelspuit: apparatuur die is bestemd voor het gebruiken
van bestrijdingsmiddelen in een gewasrij waarbij het verwaaien van
spuitnevel wordt beperkt door een constructie die de gewasrij
geheel of gedeeltelijk omsluit;
hh. vanggewas: tijdens het gebruiken van een bestrijdingsmiddel
aanwezige barrière van bomen, struiken of andere gewassen welke
van tenminste gelijke hoogte is als de bovenste in gebruik zijnde
spuitdop van de gebruikte apparatuur én van tenminste gelijke
hoogte als het gewas op het perceel, die het verwaaien van
spuitvloeistof naar een oppervlaktewaterlichaam beperkt, die met
uitzondering van een doorrijscherm op de kopakker aaneengesloten
is;
ii. veldspuitapparatuur:mechanisch voortbewogen apparatuur die
bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen, bestemd
voor bovengrondse volveldsbehandeling in buitenteelten, die een
overwegend neerwaartse uitstroming van de spuitvloeistof
bewerkstelligt;
jj. wet:Waterwet.
2. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende
bepalingen, wordt de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering
berekend langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder
overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
3. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende
bepalingen, wordt in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder
oppervlaktewaterlichaam verstaan: beddingen waarin ten tijde van het
lozen een aan het aardoppervlak en de open lucht grenzende watermassa
voorkomt.
4. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt het aantal inwonerequivalenten van een lozing van
huishoudelijk afvalwater berekend door:
a. het aantal kubieke meters gebruikt water per 365 dagen te
vermenigvuldigen met de factor 0,023, of
b. het aantal mandagen per 365 dagen te vermenigvuldigen met de
factor 0,0011.
5. Dit besluit berust voor de artikelen 1, 2, 3, 5,13, 15, 17, 21
en 25 mede op de artikelen 79 en 80 van de Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
Artikel 1a
Dit besluit berust mede op de artikelen 6.2, eerste lid, onderdeel b,
en tweede lid, onderdeel b, 6.6 en 6.7 van de Waterwet.
Artikel 1b
Hoofdstuk 6 van de Waterwet is mede van toepassing op handelingen
waaromtrent regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden, voor zover die handelingen
plaatsvinden bij het verrichten van agrarische activiteiten.
Artikel 2
1. Dit besluit is van toepassing op het lozen en het gebruiken van
bestrijdingsmiddelen nabij een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van
agrarische activiteiten dan wel van activiteiten die daarmee verband
houden, met uitzondering van:
a. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen vanuit
respectievelijk op bedrijfsterreinen die in belangrijke mate
bestemd zijn voor technische dienstverlening aan derden voor
gemechaniseerd agrarisch loonwerk;
b. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen ten
gevolge van glastuinbouwactiviteiten of activiteiten die daar
direct mee verband houden, als bedoeld in het Besluit
glastuinbouw.
c. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen ten
gevolge van respectievelijk bij witloftrek;
d. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen ten
gevolge van respectievelijk bij paddestoelenteelt;
e. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen ten
gevolge van respectievelijk bij de teelt van landbouwgewassen in
potten, containers of substraat op een dichte of doorlatende
ondergrond;
f. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen ten
gevolge van respectievelijk bij de teelt van vaste planten in een
waterbassin;
g. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen vanuit
respectievelijk op wetenschappelijke onderzoeksinstellingen;
h. het lozen ten gevolge van het spoelen van landbouwgewassen
die uitsluitend of in hoofdzaak afkomstig zijn van agrarische
activiteiten van derden;
i. het lozen van huishoudelijk afvalwater met een omvang van
meer dan 10 inwonerequivalenten, behoudens het omvangrijk lozen
waarbij de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering waarop kan
worden aangesloten, gemeten vanaf de plaats waar dat afvalwater
ontstaat, minder bedraagt dan:
1°. 100 m bij 10 tot 25 inwonerequivalenten,
2°. 600 m bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
3°. 1500 m bij 50 tot 100 inwonerequivalenten en
4°. 3000 m bij meer dan 100 inwonerequivalenten doch niet
meer dan 200 inwonerequivalenten;
j. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen ten
gevolge van respectievelijk bij de teelt van bloembollen of
-knollen op hetzelfde gewasperceel gedurende een periode van twee
of meer achtereenvolgende teeltseizoenen in de in bijlage IIbij
dit besluit aangewezen gebieden;
k. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen waarvoor
op de datum van het inwerking treden van dit besluit
1°. door de beheerder een aanvraag voor een vergunning op
grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren is ontvangen dan wel
2°. een zodanige vergunning van kracht is, tenzij door de
beheerder een aanvraag om intrekking is ontvangen vóór de
datum van inwerking treden van het besluit;
l. het lozen vanuit inrichtingen die behoren tot een categorie
als bedoeld in bijlage I van de richtlijn (EG) nr. 96/61/EG van de
Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake
geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG
L 257);
m. het lozen ten gevolge van het sorteren of transporteren van
landbouwgewassen.
2. De verboden, bedoeld in artikel 6.2 van de wet, gelden niet voor
het lozen met betrekking waartoe dit besluit van toepassing is.
3. Degene die agrarische activiteiten dan wel activiteiten die
daarmee verband houden uitvoert neemt de bij en krachtens dit besluit
gestelde voorschriften in acht.
Artikel 3
Indien een voorschrift dat is opgenomen in dit besluit inhoudt dat
daarbij aangegeven middelen ter voorkoming of beperking van
verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam moeten worden toegepast,
kan degene die agrarische activiteiten uitvoert andere middelen
toepassen mits hij, voordat hij die andere middelen toepast, aan de
beheerder aantoont dat met de door hem gekozen middelen een tenminste
gelijkwaardige bescherming van een oppervlaktewaterlichaam wordt
bereikt.
Hoofdstuk II. Bepalingen ten aanzien van het lozen en het gebruiken
van bestrijdingsmiddelen nabij een oppervlaktewaterlichaam
Artikel 4
1. Bij agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee
verband houden wordt voldoende zorg in acht genomen om verontreiniging
van een oppervlaktewaterlichaam te voorkomen.
2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat
een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn
handelen of nalaten een oppervlaktewaterlichaam kan worden
verontreinigd, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten
voorzover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle
maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd
teneinde die verontreiniging te voorkomen of, voorzover die
verontreiniging niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te
beperken of ongedaan te maken.
Artikel 5
1. Lozen is verboden.
2. In afwijking van het eerste lid is lozen toegestaan, indien het
betreft:
a. huishoudelijk afvalwater, met inachtneming van de
voorschriften, genoemd in artikel 6;
b. lozen ten gevolge van het wassen of uitwendig reinigen van
voertuigen, werktuigen of apparaten, met inachtneming van de
voorschriften, genoemd in artikel 7;
c. lozen ten gevolge van het spoelen van landbouwgewassen, met
inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 8;
d. lozen ten gevolge van de ontijzering van grondwater, met
inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 9;
e. lozen ten gevolge van het reinigen van gebouwen of opstallen
waarin agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee
verband houden plaatsvinden, met inachtneming van de
voorschriften, genoemd in artikel 10;
f. lozen van koel- en condenswater, met inachtneming van de
voorschriften, genoemd in artikel 11;
g. lozen van hemelwater en water dat bij het reinigen van
verhard oppervlak vrijkomt, met inachtneming van de voorschriften,
genoemd in artikel 12;
h. het op een andere wijze dan met behulp van een werk lozen
door pleksgewijze, driftvrije, toepassing van
gewasbeschermingsmiddelen op het talud;
i. overig op een andere wijze dan met behulp van een werk
lozen, dat verband houdt met gewasbescherming en toediening van
meststoffen, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in de
artikelen 13, 15 en 16;
j. water dat bij normaal landbouwkundig gebruik uit de bodem
vrijkomt en via een drainagesysteem wordt geloosd.
3. Ander lozen dan genoemd in het tweede lid, onderdeel a tot en
met j, is toegestaan indien degene die de agrarische activiteiten
waarvan het voorgenomen lozen het gevolg zal zijn uitvoert, voor de
aanvang van het lozen aan de beheerder aantoont, dat het lozen geen
nadelige gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam zal veroorzaken.
4. Het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen nabij een
oppervlaktewaterlichaam is
a. verboden, tenzij de voorschriften gesteld bij of krachtens
artikel 13 in acht worden genomen;
b. binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van een
oppervlaktewaterlichaam verboden, tenzij de voorschriften gesteld
bij of krachtens artikel 15 in acht worden genomen.
Artikel 6
1. Met betrekking tot het lozen van huishoudelijk afvalwater worden
de voorschriften, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het
tiende lid, in acht genomen.
2. Beperkt lozen is verboden, indien de afstand tot de
dichtstbijzijnde riolering gemeten vanaf de plaats waar het afvalwater
ontstaat, 40 m of minder bedraagt.
3. Omvangrijk lozen, binnen de afstanden als bedoeld in artikel 2,
onderdeel i, onder 1° tot en met 4°, is verboden.
4. Indien de in het tweede lid bedoelde afstand meer bedraagt dan
40 m, wordt het afvalwater door een voorziening voor de individuele
behandeling van afvalwater geleid waarmee de nadelige gevolgen voor de
kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden
voorkomen.
5. Bij bestaand beperkt lozen kan de beheerder, in een geval als
bedoeld in het vierde lid, nadere eisen stellen aan de voorziening
indien aan het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam in een plan,
vastgesteld ingevolge de Waterwet, een bijzondere functie of
waterkwaliteitsdoelstelling is toegekend. De eisen kunnen worden
gesteld ten aanzien van het zuiveringsrendement dan wel de
doelmatigheid, het gebruik en het onderhoud van de voorziening,
alsmede de aanwezigheid, de uitvoering en de situering van een
controlevoorziening.
6. Bij nieuw beperkt lozen kan de beheerder, in een geval als
bedoeld in het vierde lid, nadere eisen stellen ten aanzien van het
zuiveringsrendement dan wel de doelmatigheid, het gebruik of het
onderhoud van de voorziening, alsmede de aanwezigheid, de uitvoering
en de situering van een controlevoorziening.
7. Tenzij toepassing is gegeven aan het vijfde of zesde lid, wordt
alleen aan de eis van het vierde lid voldaan, indien het afvalwater
wordt geleid door een septic tank die is uitgevoerd overeenkomstig de
voorschriften gesteld krachtens artikel 7, tweede lid, van het
Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.
8. De septic tank wordt zo dikwijls geledigd als voor een goede
werking daarvan noodzakelijk is.
9. Het is verboden de bij het ledigen van de septic tank
vrijkomende stoffen te lozen.
10. In afwijking van het zevende lid kan worden volstaan met een
voorziening die wat het zuiveringsrendement betreft tenminste
gelijkwaardig is aan een voorziening als bedoeld in dat lid, indien
voldaan wordt aan door de beheerder te stellen nadere eisen ten
aanzien van het zuiveringsrendement dan wel de doelmatigheid, het
gebruik of het onderhoud van de voorziening.
Artikel 7
1. Met betrekking tot het lozen ten gevolge van het wassen of
uitwendig reinigen van voertuigen, werktuigen of apparaten worden de
voorschriften, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het
vijfde lid, in acht genomen.
2. Afvalwater dat afkomstig is van het op verhard oppervlak wassen
of uitwendig reinigen van voertuigen, werktuigen of apparaten die
bestemd zijn voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen of
meststoffen, wordt niet geloosd.
3. Indien het wassen of uitwendig reinigen van voertuigen,
werktuigen of apparaten op verhard oppervlak plaatsvindt dan is lozen
verboden tenzij:
a. binnen een afstand van 40 m vanaf de plaats waar het
afvalwater ontstaat geen riolering aanwezig is;
b. het gehalte minerale olie in enig monster van het te lozen
afvalwater niet meer dan 20 mg/l, bepaald volgens NEN-EN-ISO
9377-2, uitgave december 2000, bedraagt en het gehalte onopgeloste
bestanddelen niet meer dan 100 mg/l, bepaald volgens NEN 6621,
uitgave 1988, bedraagt en
c. het te lozen afvalwater voorafgaand aan het lozen en voordat
het vermengd wordt met ander afvalwater een doelmatige en goed
toegankelijke controlevoorziening doorloopt.
4. De beheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van de
uitvoering en de situering van de controlevoorziening.
5. Indien het wassen of uitwendig reinigen niet op verhard
oppervlak plaatsvindt, wordt een zodanige afstand van het te reinigen
voertuig, werktuig of apparaat tot de insteek van een
oppervlaktewaterlichaam aangehouden dat geen lozen plaatsvindt. De aan
te houden afstand bedraagt tenminste 5 m.
Artikel 8
1. Met betrekking tot het lozen ten gevolge van het spoelen van
landbouwgewassen worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het
tweede tot en met het veertiende lid, in acht genomen.
2. Lozen is verboden indien binnen een afstand van 40 m vanaf de
plaats waar het te lozen afvalwater ontstaat een riolering aanwezig
is.
3. Het spoelproces is onderverdeeld in voorspoelen en naspoelen,
waarbij de uitsleep van water uit het voorspoelen zo veel mogelijk
wordt voorkomen en de hoeveelheid naspoelwater wordt geminimaliseerd.
4. Binnen het spoelproces vindt hergebruik van spoelwater plaats.
5. Er wordt uitsluitend naspoelwater geloosd.
6. Het lozen van naspoelwater is alleen toegestaan, indien het
naspoelwater niet kan worden benut voor hergebruik.
7. Het lozen van naspoelwater vindt plaats via een voorziening voor
het tegenhouden van onopgeloste bestanddelen.
8. In enig monster van het te lozen naspoelwater bedraagt het
gehalte aan onopgeloste bestanddelen niet meer dan 100 mg/l, bepaald
volgens NEN 6621, uitgave 1988.
9. Het naspoelwater doorloopt voorafgaand aan het lozen en voordat
het vermengd wordt met ander afvalwater een doelmatige en goed
toegankelijke controlevoorziening.
10. Indien aan het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam in een
plan, vastgesteld ingevolge de Waterwet, een bijzondere functie of
waterkwaliteitsdoelstelling is toegekend kan de beheerder ten aanzien
van het spoelproces nadere eisen stellen die voor de kwaliteit van dat
oppervlaktewaterlichaam voldoende bescherming bieden.
11. Indien blijkens een toxiciteitsproef in enig monster van het op
het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam te lozen water sprake is
van acute toxiciteit voor waterorganismen kan de beheerder ten aanzien
van het spoelproces nadere eisen stellen die voor de kwaliteit van dat
oppervlaktewaterlichaam voldoende bescherming bieden.
12. De beheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van de
uitvoering en de situering van de controlevoorziening, bedoeld in het
negende lid.
13. Het derde tot en met het zesde lid is niet van toepassing op
het spoelen van:
a. prei, indien voorafgaand aan het spoelen vervuiling met de
buitenste bladeren van het gewas is verwijderd;
b. asperges.
14. Het zevende tot en met het negende lid zijn van overeenkomstige
toepassing op het water afkomstig van het spoelen van gewassen als
bedoeld in het dertiende lid.
Artikel 9
1. Met betrekking tot het lozen ten gevolge van de ontijzering van
grondwater worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het
tweede tot en met het zesde lid, in acht genomen.
2. Lozen is verboden indien binnen een afstand van 40 m vanaf de
plaats waar het afvalwater ontstaat een riolering aanwezig is.
3. Het lozen vindt plaats via een voorziening voor het tegenhouden
van onopgeloste bestanddelen.
4. In enig monster van het te lozen afvalwater bedraagt het gehalte
aan ijzer niet meer dan 5 mg/l, bepaald volgens NEN 6426, uitgave
1995.
5. Het te lozen afvalwater doorloopt voorafgaand aan het lozen en
voordat het vermengd wordt met ander afvalwater een doelmatige en goed
toegankelijke controlevoorziening.
6. De beheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van de
uitvoering en de situering van de controlevoorziening.
Artikel 10
1. Met betrekking tot het lozen ten gevolge van het reinigen van
gebouwen of opstallen waarin agrarische activiteiten dan wel
activiteiten die daarmee verband houden plaatsvinden worden de
voorschriften, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het
achtste lid, in acht genomen.
2. Lozen is verboden indien binnen een afstand van 40 m vanaf de
plaats waar het afvalwater ontstaat een riolering aanwezig is.
3. Afvalwater dat afkomstig is uit stallen, ruimten waarin
bestrijdingsmiddelen worden toegepast of worden opgeslagen, ruimten
waarin meststoffen worden opgeslagen dan wel ruimten waarin onderhoud
aan voertuigen, werktuigen of apparaten plaatsvindt, wordt niet
geloosd.
4. Afvalwater waarin reinigings- of ontsmettingsmiddelen voorkomen
en afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken van onderdelen die
afkomstig zijn uit de in het eerste lid bedoelde gebouwen of opstallen
en in aanraking zijn geweest met bestrijdingsmiddelen of meststoffen,
wordt niet geloosd.
5. Het lozen van afvalwater dat vrijkomt ten gevolge van het
reinigen van gebouwen en opstallen als bedoeld in het eerste lid,
vindt plaats via een voorziening voor het tegenhouden van onopgeloste
bestanddelen.
6. In enig monster van het te lozen afvalwater bedraagt het gehalte
aan onopgeloste bestanddelen niet meer dan 100 mg/l, bepaald volgens
NEN 6621, uitgave 1988.
7. Het te lozen afvalwater doorloopt voorafgaand aan het lozen en
voordat het vermengd wordt met ander afvalwater een doelmatige en goed
toegankelijke controlevoorziening.
8. De beheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van de
uitvoering en de situering van de controlevoorziening.
Artikel 11
1. Met betrekking tot het lozen van koel- en condenswater worden de
voorschriften, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het
zesde lid, in acht genomen.
2. Het te lozen koelwater is uitsluitend thermisch verontreinigd en
is niet warmer dan 30° C.
3. De beheerder kan in het belang van de kwaliteit van een
oppervlaktewaterlichaam nadere eisen stellen ten aanzien van het
gehalte aan chloride, ijzer of zuurstof of organische stoffen in het
te lozen koelwater. Daarbij mag het gehalte niet bepaald worden op een
waarde:
– 1° lager dan 200 mg/l voor chloride;
– 2° lager dan 2 mg/l voor ijzer;
– 3° hoger dan 5 mg/l voor zuurstof;
– 4° lager dan 15 mg/l voor organische stof.
4. Het te lozen koel- of condenswater doorloopt voorafgaand aan het
lozen en voordat het vermengd wordt met ander afvalwater een
doelmatige en goed toegankelijke controlevoorziening.
5. Condenswater wordt niet geloosd, indien dit afkomstig is uit
ruimten waarin bestrijdingsmiddelen worden toegepast.
6. De beheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van de
uitvoering en de situering van de controlevoorziening, bedoeld in het
vierde lid.
Artikel 12
1. Met betrekking tot het lozen van hemelwater en water waarmee
verhard oppervlak wordt gereinigd worden de voorschriften, gesteld bij
of krachtens het tweede tot en met het derde lid, in acht genomen.
2. Materialen, apparaten, voedingsstoffen, afvalstoffen en
grondstoffen waarmee het hemelwater verontreinigd kan raken worden
zodanig op verhard oppervlak opgeslagen of gestald dat te lozen
hemelwater en water waarmee het verhard oppervlak wordt gereinigd
daarmee niet in contact kan komen.
3. Materialen, apparaten, voedingsstoffen, afvalstoffen en
grondstoffen worden op onverhard oppervlak langs een
oppervlaktewaterlichaam:
a. op een afstand van tenminste 5 m tot de insteek van een
oppervlaktewaterlichaam opgeslagen of gestald of
b. zodanig opgeslagen of gestald dat te lozen hemelwater niet
in contact kan komen met die materialen, apparaten,
voedingsstoffen, afvalstoffen en grondstoffen.
Artikel 13
1. Met betrekking tot het lozen op een andere wijze dan met behulp
van een werk in het kader van gewasbescherming worden de
voorschriften, gesteld bij of krachtens het derde tot en met het
veertiende lid, in acht genomen.
2. Met betrekking tot het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen
worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het derde tot en met
het veertiende lid, in acht genomen.
3. Langs een oppervlaktewaterlichaam wordt een teeltvrije zone
aangehouden.
4. De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van NAK-pootaardappelen,
consumptieaardappelen, fabrieksaardappelen inclusief pootgoed, poot-
en plantuien, zaaiuien, bloembollen en -knollen, aardbeien, asperges,
prei, schorseneren, sla, was- en bospenen, winterpenen, vaste planten,
en in neerwaartse richting te bespuiten boomkwekerijgewassen, als
bedoeld in bijlage I bij dit besluit:
a. tenminste 150 cm;
b. tenminste 100 cm, indien gebruik gemaakt wordt van:
1°. veldspuitapparatuur met luchtondersteuning,
2°. een overkapte beddenspuit,
3°. een motorisch aangedreven handgedragen spuit,
4°. vanggewas, of
c. tenminste 50 cm, indien gebruik gemaakt wordt van een
handmatig aangedreven handgedragen spuit.
5. De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van in opwaartse of
zijwaartse richting te bespuiten boomkwekerijgewassen als bedoeld in
bijlage I bij dit besluit tenminste 500 cm.
6. De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van appelen, peren en
overige pit- en steenvruchten:
a. tenminste 900 cm;
b. tenminste 450 cm, indien gebruik wordt gemaakt van een
reflectiescherm;
c. tenminste 300 cm, indien:
1°. gebruik wordt gemaakt van een tunnelspuit,
2°. gebruik wordt gemaakt van een vanggewas,
3°. sprake is van biologische teelt, of
4°. gebruik wordt gemaakt van een dwarsstroomspuit met
reflectiescherm en van een emissiescherm, waarvan geen
afdruipende gewasbeschermingsmiddelen in een
oppervlaktewaterlichaam kunnen geraken;
d. met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, tenminste 300 cm, indien gebruik wordt gemaakt van een
dwarsstroomspuit en bij de bespuiting van de buitenste gewasrij
geen gebruik wordt gemaakt van naar een oppervlaktewaterlichaam
gerichte apparatuur en slechts gebruik wordt gemaakt van
spuitdoppen waarvan door een deskundig, onafhankelijk instituut is
vastgesteld dat het gebruik van die spuitdoppen bij die wijze van
bespuiten resulteert in een driftdepositie in een
oppervlaktewaterlichaam in de volbladsituatie van ten hoogste
1,5%.
7. In afwijking van het zesde lid, onderdeel a, bedraagt de
teeltvrije zone langs de kopakker tenminste 600 cm, indien bij de
bespuiting van de buitenste gewasrij geen gebruik wordt gemaakt van
naar een oppervlaktewaterlichaam gerichte apparatuur.
8. De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van:
a. grasland, graszaad, haver, rogge, spelt, teff, triticale,
vlas, zomertarwe, wintertarwe, zomergerst en wintergerst tenminste
25 cm;
b. overige landbouwgewassen met uitzondering van de
landbouwgewassen genoemd in het vierde tot en met zesde lid,
tenminste 50 cm.
9. In afwijking van het vierde lid, het zesde lid, onderdelen b tot
en met d, en het achtste lid bedraagt de teeltvrije zone langs de in
de bijlage bij artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet
aangewezen oppervlaktewaterlichamen tenminste 500 cm.
10. De teeltvrije zone bedoeld in het vierde tot en met het negende
lid, wordt gemeten vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam en
strekt zich, met uitzondering van de teelt van grasland, uit tot het
hart van de buitenste planten van de te telen landbouwgewassen.
11. Bij aanwezigheid van een talud dat breder is dan 200 cm kan de
beheerder bij nadere eis een minder brede teeltvrije zone
voorschrijven dan bedoeld in het vierde tot en met het tiende lid. In
gevallen waarin toepassing is gegeven aan de vorige volzin, zijn die
bepalingen niet van toepassing.
12. Indien aan het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam in een
plan, vastgesteld ingevolge de Waterwet, een bijzondere functie of
waterkwaliteitsdoelstelling is toegekend, kan de beheerder bij nadere
eis een bredere teeltvrije zone voorschrijven dan bedoeld in het
vierde tot en met het tiende lid. In gevallen waarin toepassing is
gegeven aan de vorige volzin, zijn die bepalingen niet van toepassing.
13. In afwijking van het derde lid behoeft een teeltvrije zone niet
te worden aangehouden langs andere dan de in het negende lid bedoelde
oppervlaktewaterlichamen:
a. bij de teelt van appelen, peren en overige pit- en
steenvruchten van bomen, waarvan de laagste gesteltak op 175 cm of
hoger uit de stam ontspringt, indien binnen een afstand van ten
minste 900 cm vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam
geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast;
b. bij teelt anders dan de teelt van appelen, peren en overige
pit- en steenvruchten, indien:
1°. sprake is van biologische teelt;
2°. gebruik wordt gemaakt van een emissiescherm, waarvan
geen afdruipende gewasbeschermingsmiddelen in een
oppervlaktewaterlichaam kunnen geraken.
14. In afwijking van het derde lid behoeft een teeltvrije zone niet
te worden aangehouden langs gegraven waterlopen, die van 1 april tot 1
oktober onder normale omstandigheden geen water bevatten, mits daaraan
niet in een plan, vastgesteld ingevolge de Waterwet, een bijzondere
functie of waterkwaliteitsdoelstelling is toegekend.
Artikel 14 [Vervallen per 23-05-2007]
Artikel 15
1. Met betrekking tot het lozen op een andere wijze dan met behulp
van een werk in het kader van gewasbescherming worden binnen een
afstand van 14 m vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam de
voorschriften, gesteld bij of krachtens het derde tot en met het
zevende lid, in acht genomen.
2. Met betrekking tot het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen
binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van een
oppervlaktewaterlichaam, worden de voorschriften gesteld bij of
krachtens het derde tot en met het zevende lid in acht genomen.
3. Gewasbeschermingsmiddelen worden niet gebruikt
a. met veldspuitapparatuur, met uitzondering van een overkapte
beddenspuit, die:
1°. niet is voorzien van kantdoppen en andere driftarme
doppen, of
2°. zodanig is ingesteld dat de spuitdoppen zich op een
hoogte groter dan 50 cm boven het gewas of de kale grond
bevinden;
b. met een spuitgeweer dat is voorzien van een werveldop of dat
gebruik maakt van een werkdruk van 5 bar of meer, zodat over een
afstand van meer dan 2 m vloeistof verspreid kan worden;
c. bij een windsnelheid van 5 m of meer per seconde gemeten op
spuitdophoogte tenzij:
1°. de gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt met een
overkapte beddenspuit;
2°. degene die de gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kan
aantonen, dat redelijkerwijs niet anders dan door het
gebruiken van die middelen bij een windsnelheid van 5 m of
meer per seconde een teeltbedreigende situatie kan worden
afgewend.
4. Binnen de teeltvrije zone worden gewasbeschermingsmiddelen niet
gebruikt met apparatuur die bestemd is voor het druppelsgewijs
gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van
pleksgewijze onkruidbestrijding met een afgeschermde spuitdop.
5. In afwijking van het vijfde lid is het toepassen van
gewasbeschermingsmiddelen op overhangend loof met een maximale omvang
van een halve gewasrij toegestaan, tenzij daartoe gebruik wordt
gemaakt van naar een oppervlaktewaterlichaam gerichte apparatuur.
6. Het driftarm karakter van doppen als bedoeld in het vierde lid,
onderdeel a,
a. blijkt uit een testcertificaat en
b. wordt volgens een door Onze Ministers bij ministeriële
regeling aan te wijzen testmethode dan wel een daaraan
gelijkwaardige methode vastgesteld.
Artikel 16
1. Met betrekking tot het lozen op een andere wijze dan met behulp
van een werk in het kader van het gebruik van meststoffen worden de
voorschriften, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het
zevende lid in acht genomen.
2. Het is verboden meststoffen toe te dienen op de ingevolge
artikel 13 voorgeschreven teeltvrije zone.
3. In afwijking van het tweede lid is het verboden bij de teelt van
opwaarts en zijwaarts te bespuiten boomkwekerijgewassen als bedoeld in
bijlage Ibij dit besluit of van appelen, peren en overige pit- en
steenvruchten, meststoffen toe te dienen binnen 25 cm vanaf de insteek
van een oppervlaktewaterlichaam, niet zijnde een
oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 13, negende lid, indien
in de teeltvrije zone geen ander gewas dan gras wordt geteeld.
4. Bij gebruik van korrel- of poedervormige meststoffen op de
strook gelegen naast de teeltvrije zone wordt direct langs de zone een
kantstrooivoorziening toegepast.
5. In afwijking van het tweede lid is het pleksgewijs bemesten van
een vanggewas op de teeltvrije zone toegestaan buiten een afstand van
50 cm gemeten vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam, niet
zijnde een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 13, negende
lid, onverminderd het zevende lid.
6. Bij de toepassing van bladmeststoffen op de strook gelegen naast
de teeltvrije zone wordt direct langs de zone:
a. bij het bemesten van landbouwgewassen als bedoeld in artikel
13, vierde en achtste lid, gebruik gemaakt van kantdoppen en
andere driftarme doppen die zich maximaal op een hoogte van 50 cm
boven het gewas of de kale grond bevinden;
b. bij het bemesten van landbouwgewassen als bedoeld in artikel
13, vijfde en zesde lid, geen gebruik gemaakt van naar een
oppervlaktewaterlichaam gerichte apparatuur.
7. Bij de toepassing van bladmeststoffen bij de teelt van een gewas
waarbij ingevolgeartikel 13, dertiende lid, aanhef en onderdeel b,
onder 2°, geen teeltvrije zone wordt aangehouden, wordt gebruik
gemaakt van een emissiescherm waarvan geen afdruipende bladmeststoffen
in een oppervlaktewaterlichaam kunnen geraken.
8. Onverminderd het eerste tot en met het zesde lid zijn de
artikelen 1a tot en met 6d van het Besluit gebruik meststoffen binnen
een afstand van 14 m vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 17
1. Het is verboden apparatuur, die bestemd is voor het gebruiken
van gewasbeschermingsmiddelen, vanuit of nabij een
oppervlaktewaterlichaam te vullen, tenzij daarbij het tweede en het
derde lid in acht worden genomen.
2. Bij uit een oppervlaktewaterlichaam vullen van apparatuur die
bestemd is voor het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen wordt een
voorziening getroffen die terugstroming van het mengsel van
gewasbeschermingsmiddelen en water voorkomt.
3. Het vullen van de apparatuur die gebruikt wordt voor het
gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen vindt op een afstand van
tenminste 2 m van de insteek van een oppervlaktewaterlichaam plaats.
Artikel 18
1.In afwijking van artikel 6, tweede lid, artikel 7, derde lid,
onder a, artikel 8, tweede lid, artikel 9, tweede lid en artikel 10,
tweede lid, is lozen toegestaan, indien krachtens de Wet milieubeheer
is bepaald dat het desbetreffende afvalwater niet of niet volledig op
een riolering wordt gebracht.
2.Artikel 6 , vierde tot en met tiende lid, artikel 7, derde lid,
onderdelen b en c, en vierde lid, artikel 8, derde tot en met elfde
lid, artikel 9, derde tot en met zesde lid, en artikel 10, derde tot
en met achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het in het
eerste lid bedoelde lozen.
Hoofdstuk III. Meldingen
Artikel 19
1. Degene die voornemens is agrarische activiteiten uit te voeren
ten gevolge waarvan een lozing kan plaatsvinden meldt het lozen
tenminste zes weken voordat daarmee wordt aangevangen aan de
beheerder.
2. Een melding als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk
gedaan en omvat in ieder geval:
a. de naam, het adres en het telefoonnummer van degene die
meldt;
b. een omschrijving van de agrarische activiteiten die worden
verricht;
c. de lozingen bedoeld in artikel 5, tweede lid, ten gevolge
van agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee
verband houden;
d. de locatie van gebouwen van waaruit lozingen plaatsvinden;
e. de locatie van de percelen van waar af lozingen
plaatsvinden;
f. in geval van het lozen van huishoudelijk afvalwater gegevens
op grond waarvan het aantal inwonerequivalenten kan worden
bepaald;
g. gegevens waaruit kan worden afgeleid hoeveel meter de
afstand tot de dichtstbijzijnde riolering bedraagt;
h. gegevens met betrekking tot de voorzieningen bedoeld in
artikel 6, vierde lid, artikel 7, derde lid, onderdeel c, artikel
8, zevende en negende lid, artikel 9, derde en vijfde lid, artikel
10, vijfde en zevende lid en artikel 11, vierde lid;
i. gegevens waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van
biologische teelt.
3. De melding wordt gedaan op een formulier waarvan het model wordt
vastgesteld door Onze Minister.
4. Degene die voornemens is agrarische activiteiten ten gevolge
waarvan een lozing plaatsvindt te veranderen, meldt veranderend lozen
voordat daarmee wordt aangevangen aan de beheerder, tenzij het
veranderend lozen uitsluitend het gevolg is van een wijziging in teelt
en de gegevens omtrent het te telen landbouwgewas en de betreffende
percelen op grond van artikel 26 van het Uitvoeringsbesluit
Meststoffenwet zijn gemeld aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
5. De beheerder is bevoegd de krachtens artikel 26 van het
Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet gemelde gegevens te gebruiken voor
zover noodzakelijk voor het toezicht op de naleving van de bij of
krachtens dit besluit gestelde regels.
Hoofdstuk IV. Bijzondere omstandigheden
Artikel 20
Indien zich als gevolg van agrarische activiteiten dan wel van
activiteiten die daarmee verband houden een ongewoon voorval voordoet of
heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een
oppervlaktewaterlichaam zijn ontstaan of dreigen te ontstaan,
a. worden onmiddellijk de maatregelen genomen die redelijkerwijs
verlangd kunnen worden om de gevolgen van die gebeurtenis te
voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen,
om deze zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken;
b. wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 8 uur,
melding gemaakt van het voorval aan de beheerder van het
desbetreffende oppervlaktewaterlichaam;
c. worden onverwijld alle maatregelen die de beheerder
voorschrijft ter voorkoming van verdere verontreiniging van een
oppervlaktewaterlichaam getroffen.
Artikel 21
De bij of krachtens de artikelen 13 en 15 gestelde voorschriften zijn
niet van toepassing indien de directeur van de Plantenziektenkundige
Dienst, of deze directeur namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit op grond van of krachtens artikel 3 van de
Plantenziektenwet, de gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen heeft
aangezegd deze middelen te gebruiken ter voorkoming van het optreden en
van de verbreiding van schadelijke organismen en ter bestrijding
daarvan, dan wel de verplichting tot dit gebruik op grond van of
krachtens artikel 3 van de Plantenziektenwet aan deze gebruiker is
opgelegd.
Hoofdstuk V. Evaluatie- en overgangsbepalingen
Artikel 22
Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van
Landbouw, Natuur- en Voedselkwaliteit en Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer binnen vier jaar
na de inwerkingtreding van dit besluit en vervolgens telkens na vier
jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de mate waarin dit besluit
bijdraagt aan het behalen van de waterkwaliteitsdoelstellingen.
Artikel 23
1.Indien binnen de in artikel 6, tweede lid, bepaalde afstand
riolering wordt aangelegd waarop aangesloten kan worden, is bestaand
beperkt lozen, in afwijking van artikel 6, tweede lid, toegestaan
gedurende 5 jaar vanaf het tijdstip waarop aansluiting op de riolering
mogelijk is, indien het afvalwater door een voorziening wordt geleid
die voldoet aan de voorschriften gesteld krachtens artikel 6.
2.Indien binnen de afstanden genoemd in artikel 2, onderdeel i,
onder 1° tot en met 4° riolering wordt aangelegd waarop aangesloten
kan worden, is bestaand omvangrijk lozen, in afwijking van artikel 6,
derde lid, toegestaan gedurende:
a. 5 jaar vanaf het tijdstip waarop aansluiting op de riolering
mogelijk is met dien verstande, dat artikel 6, vierde, vijfde en
zesde lid, van overeenkomstige toepassing is;
b. 3 jaar vanaf het tijdstip waarop aansluiting op de riolering
mogelijk is, in de overige gevallen.
3.In afwijking van het eerste en tweede lid zijn de
overgangsbepalingen uit hoofdstuk V van het Lozingenbesluit Wvo
huishoudelijk afvalwater van toepassing op lozen dat tot het moment
van inwerkingtreding van het onderhavige besluit door eerstgenoemd
besluit werd geregeld.
Artikel 24 [Vervallen per 23-05-2007]
Artikel 25
In afwijking van artikel 13, zesde lid, bedraagt de teeltvrije zone
van percelen die niet breder zijn dan 70 m en aan de zijde parallel of
nagenoeg parallel aan de gewasrijen worden begrensd door een
oppervlaktewaterlichaam tot 1 januari 2010 tenminste 150 cm, indien bij
de bespuiting van de buitenste gewasrij geen gebruik wordt gemaakt van
naar een oppervlaktewaterlichaam gerichte apparatuur.
Artikel 26
In een geval, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel k,
onder 2°, de zinsnede beginnend met «tenzij» en eindigend met
«besluit,» wordt dit besluit van toepassing voor het desbetreffende
lozen met ingang van de datum waarop de beschikking tot intrekking van
de vergunning, onherroepelijk is geworden.
Artikel 27 [Vervallen per 23-05-2007]
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Artikel 28 [Vervallen per 23-05-2007]
Artikel 29 [Vervallen per 23-05-2007]
Artikel 29a
Met de in dit besluit bedoelde middelen en methoden worden
gelijkgesteld middelen en methoden die rechtmatig zijn vervaardigd of in
de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan
wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat die partij is bij de
Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die aan ten
minste gelijkwaardige technische eisen voldoen.
Artikel 30
Dit besluit treedt in werking met ingang van het tijdstip liggende
vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het
wordt geplaatst.
Artikel 31
Dit besluit wordt aangehaald als: Lozingenbesluit open teelt en
veehouderij.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 27 januari 2000
BEATRIX
De Staatssecretaris van Verkeer en
Waterstaat,
J.M. de Vries
De Staatssecretaris van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij,
G.H. Faber
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer a.i.,
T. Netelenbos
De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de eerste februari
2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Bijlage I bij het Lozingenbesluit open
teelt en veehouderij
Overzicht van landbouwhuisdieren en
landbouwgewassen
Landbouwhuisdieren en landbouwgewassen
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het
Lozingenbesluit open teelt en veehouderij zijn de onderstaande gewassen
en dieren voorzover deze geteeld of gekweekt onderscheidenlijk gefokt,
gemest of gehouden worden in of ten behoeve van de akkerbouw, de
vollegrondsgroententeelt, de fruitteelt, de bloembollenteelt, de
vollegrondsbloemisterij, de boomkwekerij, de glastuinbouw, de teelt in
potten, containers of substraat, de paddestoelenteelt, de
witloftrekkerij, de graasdierhouderij, de hokdierhouderij en de gemengde
veehouderij.
|
LANDBOUWHUISDIEREN
EN -GEWASSEN |
|
Veestapel |
|
Rundvee (geen vlees- of weidevee) |
|
Rundvee |
|
Jongvee |
|
Vaarzen |
|
Melk- en kalfkoeien |
|
Fokstieren |
|
Rundvee (vlees- of weidevee) |
|
Vleeskalveren |
|
Vleesvee |
|
Zoogkoeien |
|
Vlees- en weidekoeien |
|
Varkens |
|
Biggen |
|
Vleesvarkens |
|
Opfokzeugen |
|
Opfokberen |
|
Zeugen |
|
Beren |
|
Kippen |
|
Vleeskuikens |
|
Moederdieren |
|
Leghennen |
|
Eenden en kalkoenen |
|
Eenden |
|
Vleeskalkoenen |
|
Kalkoenen voor de eierproductie |
|
Overig pluimvee (o.a. ganzen,
parelhoenders, struisvogels) |
|
Paarden en pony's |
|
Paarden |
|
Pony's |
|
Schapen en geiten |
|
Lammeren |
|
Ooien |
|
Overige schapen |
|
Melkgeiten |
|
Overige geiten |
|
Konijnen |
|
Vleeskonijnen |
|
Voedsters |
|
Edelpelsdieren |
|
Nertsen |
|
Vossen |
|
Overige pelsdieren |
| |
|
Tuinbouw open grond |
|
Groenten |
|
Aardbeien |
|
Andijvie |
|
Asperges |
|
Bewaarkool |
|
Bloemkool |
|
Broccoli |
|
Herfstkool en vroege sluitkool |
|
Knolselderij |
|
Kroten |
|
Sla |
|
Prei |
|
Schorseneren |
|
Spinazie |
|
Spruitkool |
|
Stamsperziebonen |
|
Tuinbonen |
|
Was- en bospeen |
|
Winterpeen |
|
Witlofwortel |
|
Overige groenten |
|
Fruit |
|
Appelen |
|
Peren |
|
Overige pit- en steenvruchten |
|
Klein fruit (exclusief machinaal
geoogst fruit) |
|
Machinaal geoogst fruit |
|
Tuinbouwzaden |
|
Groentezaden |
|
Bloemzaden |
|
Bloemkwekerijgewassen |
|
Droogbloemen |
|
Overige bloemkwekerijgewassen |
|
Bloembollen en -knollen |
|
Hyacinten |
|
Tulpen |
|
Narcissen |
|
Gladiolen |
|
Krokussen |
|
Lelies |
|
Irissen |
|
Overige bol- en knolgewassen |
|
Boomkwekerijgewassen |
|
Bos- en haagplantsoen |
|
Laan- en parkbomen |
|
Vruchtbomen |
|
Rozestruiken |
|
Sierconiferen |
|
Overige sierheesters en klimplanten |
|
Vaste planten |
|
Vaste planten |
| |
|
Paddestoelenteelt |
|
Champignons |
|
Overige eetbare paddestoelen |
| |
|
Bollenbroei en witloftrek |
|
Tulpenbroei |
|
Narcissenbroei |
|
Witloftrek |
| |
|
Tuinbouw onder glas |
|
Groenten |
|
Tomaten |
|
Komkommers |
|
Aardbeien |
|
Asperges |
|
Paprika |
|
Radijs |
|
Aubergines |
|
Overige groenten |
|
Groentezaden |
|
Opkweekmateriaal groenten |
|
Fruit |
|
Fruit onder glas |
|
Bloemkwekerijgewassen |
|
Rozen |
|
Anjers |
|
Anthurium |
|
Chrysanten |
|
Freesias |
|
Orchideeën |
|
Gerberas |
|
Alstroemerias |
|
Gypsophila |
|
Eustoma Russellianum |
|
Lelies |
|
Nerine |
|
Overige snijbloemen |
|
Potplanten voor de bloei |
|
Bladplanten |
|
Amaryllisbollen |
|
Perkplanten |
|
Overige bloemkwekerijgewassen |
|
Opkweekmateriaal snijbloemen |
|
Boomkwekerijgewassen en vaste
planten |
|
Boomkwekerijgewassen en vaste
planten onder glas |
| |
|
Akkerbouw |
|
Wintertarwe |
|
Zomertarwe |
|
Wintergerst |
|
Zomergerst |
|
Rogge (geen snijrogge) |
|
Haver |
|
Triticale |
|
Groene erwten en schokkers |
|
Kapucijners en grauwe erwten |
|
Bruine bonen |
|
Veldbonen |
|
Erwten (groen te oogsten) |
|
Koolzaad |
|
Karwijzaad |
|
Blauwmaanzaad |
|
Vlas |
|
Graszaad |
|
NAK-Pootaardappelen |
|
Consumptie aardappelen |
|
Fabrieksaardappelen (incl.pootgoed) |
|
Suikerbieten |
|
Voederbieten |
|
Luzerne |
|
Snijmaïs |
|
Korrelmaïs |
|
Corn-cob mix |
|
Groenbemestingsgewassen |
|
Cichorei |
|
Hennep (t.b.v. gangbare
landbouwkundige toepassingen) |
|
Poot- en plantuien |
|
Zaaiuien |
|
Zilveruitjes |
|
Spelt |
|
Teff |
|
Overige akkerbouwgewassen |
| |
|
Overig |
|
Blijvend grasland |
|
Tijdelijk grasland |
|
Snelgroeiend productiehout |
|
Braakland |
|
Cultuurgronden niet in gebruik |
|
Overige gronden |
Bijlage II bij het Lozingenbesluit open
teelt en veehouderij
Als gebied als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel j, zijn aangewezen:
1°. de in de provincie Noord-Holland
gelegen gemeenten:
– Den Helder
– Anna Paulowna voorzover gelegen
ten westen van de watergangen de Boezem van Zijpe/ Hooge Oude Veer
en de Van Ewijcksvaart
– Wieringermeer
– Zijpe voorzover gelegen ten
westen van de Groote Sloot
– Schoorl
– Bergen
– Alkmaar
– Egmond
– Heiloo
– Castricum
– Limmen
– Akersloot voorzover gelegen ten
westen van het Noordhollandsch Kanaal
– Uitgeest voorzover gelegen ten
westen van de rijksweg A9 (Haarlem-Alkmaar)
– Heemskerk
– Haarlemmermeer voorzover gelegen
ten westen van de Spieringweg
– Bloemendaal
– Heemstede
2°. de in de provincie Zuid-Holland
gelegen gemeenten:
– Hillegom
– Lisse
– Noordwijk
– Noordwijkerhout
– Warmond
– Sassenheim
– Voorhout
– Katwijk
– Rijnsburg
– Wassenaar
|