| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb)
REGELING
GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN BIOCIDEN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van
26 september 2007, nr. TRCJZ/2007/3100, houdende nadere regels omtrent
gewasbeschermingsmiddelen en biociden
De Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
Handelende in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 5, eerste lid, 12, elfde lid, 31, vijfde lid,
37, zevende lid, 42, tweede lid, 43, zevende lid, 64, zevende lid, 70,
zevende lid, 82, derde lid, 126, negende lid van de Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de artikelen 3, achtste lid, en
4, vierde lid, 8, eerste tot en met vierde lid, 10, 11, derde lid, 12,
eerste en vierde lid, 14, 16, derde lid, 17, eerste, vierde en vijfde
lid, 18, tweede tot en met zesde lid, 20, tweede lid, 24, vierde en
vijfde lid, 25, vierde en vijfde lid, 17, vierde en vijfde lid, 26,
zevende lid, 29, derde lid, 30, tweede lid, 31, vierde en vijfde lid,
32, vierde lid, 34, tweede en derde lid, 36, vijfde en zevende lid, 37,
tweede lid van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
Besluiten:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
besluit: Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
grondwaterbeschermingsgebied: een gebied waarbinnen de kwaliteit
van het grondwater krachtens artikel 1.2 van de Wet milieubeheer
wordt beschermd;
risicogetal: een volgens een door de Gezondheidsraad opgestelde
methode vastgesteld getal dat het extra risico per jaar op sterfte
door kanker van 4.10–5 bij een blootstelling gedurende 40 jaar,
vijf dagen per week en acht uur per dag weergeeft;
ultra low volume-formulering: een gewasbeschermingsmiddel in
hooggeconcentreerde vorm, bestemd om in fijne druppelvorm te worden
verspoten;
wet: Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
Hoofdstuk 2. Toelating gewasbeschermingsmiddelen
§ 1. Bijzondere vormen van toelating
Artikel 2.1. Afbouwplan
1. De aanvrager van een toelating van een gewasbeschermingsmiddel
dat een overeenkomstig artikel 4, zevende lid, van verordening (EG)
1107/2009 goedgekeurde werkzame stof bevat, legt tegelijkertijd met
zijn aanvraag een plan voor een alternatieve aanpak van het ernstige
gevaar voor aan de Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie.
2. Het plan beschrijft stapsgewijs:
a. hoe binnen vijf jaren na de eventuele toelating chemische of
niet-chemische alternatieven kunnen worden gevonden en ingezet in
plaats van het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel, en
b. met behulp van wiens inzet het doel zal worden gerealiseerd.
3. De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kan het
plan, na overleg met landbouwsectororganisaties of andere
sectororganisaties die belang hebben bij de bestrijding van het
ernstige gevaar, wijzigen en stuurt het plan binnen twee weken nadat
in voorkomend geval een toelating is verleend, aan de Europese
Commissie.
4. De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kan een
formulier vaststellen voor het indienen van het plan.
Artikel 2.2. Beoordeling vereenvoudigde uitbreidingstoelating
1. Op verzoek van de aanvrager volstaat het college bij de
beoordeling van een aanvraag tot uitbreiding van een bestaande
toelating met een kleine toepassing als bedoeld in artikel 3,
onderdeel 26, van verordening (EG) 1107/2009 met de beoordeling van de
documentatie en informatie, bedoeld in artikel 51, tweede lid,
onderdeel d, van verordening (EG) 1107/2009, volgens de stand van de
wetenschappelijke en technische kennis en de richtsnoeren of andere
beoordelingsmethoden, zoals die hebben gegolden ten tijde van de
aanvraag voor de reeds bestaande toelating.
2. Indien het college besluit tot toelating van de uitbreiding,
overeenkomstig het eerste lid, eindigt de uitbreidingstoelating
tegelijk met de bestaande toelating.
§ 2. Voorschriften bij de toelating
Artikel 2.3. Risicogroep gewasbeschermingsmiddelen die
micro-organismen bevatten
Het college vermeldt bij de toelating de risicogroep, bedoeld in
artikel 4.84 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, waarin een
gewasbeschermingsmiddel is ingedeeld.
Hoofdstuk 3. Toelating en registratie van biociden
§ 1. Aanvragen
Artikel 3.1. Te overleggen documenten inzake biociden
1. Een aanvrager overlegt in afwijking van artikel 3, eerste en
tweede lid, van het besluit bij de aanvraag van een besluit omtrent
toelating slechts de gegevens die zijn aangegeven in het
aanvraagformulier en de bijbehorende instructie die het college voor
deze aanvragen heeft vastgesteld, indien voor de toepassing van een
toelatingsvoorwaarde als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de
wet, geen beoordelingsmethode is vastgesteld.
2. Een aanvrager overlegt in afwijking van artikel 3, eerste en
tweede lid, van het besluit bij de aanvraag van een besluit omtrent
toelating als bedoeld in de artikelen 54 en 55 van de wet informatie
over elk onderdeel van de in artikel 3, eerste lid, en tweede lid, van
het besluit genoemde bijlagen. De aanvrager kan voor het verstrekken
van deze informatie afwijken van artikel 4, eerste lid, van het
besluit.
3. De aanvrager is bij de indiening van een aanvraag van een
besluit tot toelating als bedoeld in artikel 52 van de wet, slechts
verplicht de gegevens te verstrekken die zijn aangegeven in het
aanvraagformulier en de bijbehorende instructie die het college voor
deze aanvragen heeft vastgesteld .
§ 2. Algemene bepalingen inzake de beoordeling van biociden
Artikel 3.2. Werkingssfeer
1.Het college neemt een aanvraag omtrent toelating van een biocide
als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet niet in behandeling
indien de aanvraag betrekking heeft op een product dat is gedefinieerd
in of onder de werkingsfeer valt van de in bijlage I van deze regeling
genoemde communautaire maatregelen.
2.Een uitgezonderde biocide als bedoeld in artikel 1, derde lid,
van de wet, wordt door Onze Minister aangewezen in bijlage IX.
Artikel 3.3. In acht te nemen communautaire maatregelen
Het college neemt bij een aanvraag omtrent toelating van een biocide
als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet de in bijlage II van
deze regeling genoemde communautaire maatregelen of daarmee in
overeenstemming genomen communautaire maatregelen in acht.
Artikel 3.4. Beoordelingsmethoden uit richtsnoeren en nationale
methoden
1. Het college maakt gebruik van de beoordelingsmethoden uit de
aangewezen richtsnoeren of de andere beoordelingsmethoden, die zijn
opgenomen inbijlage XV, deel A respectievelijk B, onverminderd het
bepaalde inhoofdstuk 3.
2. Het college kan aan de Minister van Infrastructuur en Milieu een
voorstel tot wijziging van bijlage XV doen, nadat het dit voorstel in
de Staatscourant bekend heeft gemaakt en aan een ieder de gelegenheid
heeft geboden binnen zes weken zijn zienswijze ter kennis van het
college te brengen.
3. Indien in voorkomend geval geen beoordelingsmethode voor een
biocide beschikbaar is, maar wel voor een gewasbeschermingsmiddel en
beoordeling in verband met de toelatingsvoorwaarden als bedoeld in
artikel 49, eerste lid, onderdeel b, subonderdelen 1 tot en met 4, van
de wet noodzakelijk is, kan het college, onder opgaaf van redenen, een
beoordelingsmethode voor gewasbeschermingsmiddelen op overeenkomstige
wijze toepassen voor de beoordeling van een biocide.
§ 3. Bepalingen inzake het humaantoxicologisch risico van biociden
Artikel 3.5. Berekening humaan-toxicologisch risico als gevolg van
professioneel gebruik
1.Een biocide heeft geen onaanvaardbare effecten op de gezondheid
van de mens, bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, onder
3°, van de wet, indien bij de toepassing van bijlage VI, punten 55
tot en met 74, bij richtlijn 98/8/EG blijkt dat voor alle
omstandigheden waarbij als gevolg van professioneel gebruik
blootstelling aan de biocide kan optreden, een risico-index is
berekend die ten hoogste gelijk is aan 1.
2.De risico-index wordt voor elke voor de toelating relevante
blootstelling berekend door de blootstelling als gevolg van
professioneel gebruik aan de biocide te delen door de
gezondheidskundige norm als bedoeld in de punten 20 tot en met 30 en
34 van de gemeenschappelijke beginselen van bijlage VI bij richtlijn
98/8/EG.
3.Indien het mengen van een biocide met andere stoffen, middelen of
preparaten wordt voorgeschreven zijn het eerste en tweede lid van
overeenkomstige toepassing op het mengsel.
Artikel 3.6. Blootstelling als gevolg van professioneel gebruik
1.Het college schat de kwantitatieve blootstelling aan de biocide,
bedoeld in de punten 31 tot en met 33 van Bijlage VI bij richtlijn
98/8/EG, zonder rekening te houden met het effect van persoonlijke
beschermingsmaatregelen en met gebruikmaking van een model uit een
daartoe aangewezen richtsnoer of in het geval de biocide een
aangroeiwerende verf is, het NL-model aangroeiwerende verf.
2.Bij toepassing van punt 24 van bijlage VI bij richtlijn 98/8/EG
wordt als goede reden tot bezorgdheid aangemerkt een risico-index die
groter is dan 1 bij enige vorm van blootstelling zonder rekening te
houden met risicobeheersmaatregelen, bijzondere voorwaarden of
beperkingen.
3.Het college gaat bij de toepassing van bijlage VI bij richtlijn
98/8/EG voor wat betreft persoonlijke beschermingsmaatregelen, uit van
bijlage III.
4.In aanvulling op het derde lid hanteert het college voor wat
betreft persoonlijke beschermingsmaatregelen, de beschermingsfactor
zoals die is gemeten, wanneer blijkt dat de gemeten blootstelling met
toepassing van de voorgestelde beschermende kleding en apparatuur
onder de geldende gebruiksomstandigheden en bij het juiste gebruik,
anders is dan bij bepaling van de blootstelling overeenkomstig het
eerste lid.
5.De minister stelt de modellen, genoemd in het eerste lid, in een
bijlage bij deze regeling vast.
Artikel 3.7. Gezondheidskundige norm
1.Het college bepaalt voor elke voor de toelating relevante
blootstelling de gezondheidskundige norm voor systemische effecten op
de gezondheid door blootstelling via de orale, dermale en inhalatoire
blootstellingsroute.
2.De blootstelling wordt voor iedere blootstellingsroute uitgedrukt
in mg/persoon per dag en voor vluchtige stoffen de inhalatoire
blootstellingsroute tevens uitgedrukt in mg/m3.
3.Het college maakt bij de bepaling van de gezondheidskundige norm
gebruik van het Acceptable Operator Exposure Level (AOEL) zoals
voortkomend uit de beoordeling van de werkzame stof in de biocide door
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, bedoeld in de artikelen
10 en 11 van Richtlijn 98/8/EG, en de grenswaarde zoals vastgesteld
krachtens art. 4.3, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
4.In aanvulling op het tweede lid bepaalt het college in geval van
blootstelling aan stoffen met kankerverwekkende effecten zonder
toxicologische drempelwaarde het risicogetal. Dit risicogetal wordt
overeenkomstig het eerste lid aangemerkt als gezondheidskundige norm.
5.Het college bepaalt voor zover mogelijk op grond van het dossier
in alle gevallen de gezondheidskundige norm voor lokale effecten op de
gezondheid door blootstelling voor de orale, dermale en inhalatoire
blootstellingsroute voor kortdurende alsmede langdurige blootstelling.
Deze effecten worden:
– bij de dermale effecten uitgedrukt in mg/persoon per dag en
– bij inhalatoire effecten uitgedrukt in mg/m3 in de
inademingslucht per persoon per dag.
6.Wanneer uit de risicobeoordeling bedoeld in bijlage VI bij
richtlijn 98/8/EG blijkt dat de risico-index zonder gebruik van
persoonlijke beschermingsmiddelen groter is dan 1, wordt de
gezondheidskundige norm met uitzondering van die voor
kankerverwekkende effecten zonder toxicologische drempelwaarde,
opnieuw berekend met behulp van de methode allometrische extrapolatie
en wordt de risico-index opnieuw bepaald.
7.Wanneer na toepassing van het zesde lid de risico-index bij de
dermale blootstellingsroute groter is dan 1, wordt bijlage IIB, puntl
6.4, bij richtlijn 98/8/EG toegepast. Het college bepaalt de
risico-index bij de dermale blootstellingsroute met behulp van de
experimenteel verkregen nieuwe informatie opnieuw.
§ 3a. Werkzaamheid van biociden
Artikel 3.7a. Werkzaamheid
Het college houdt bij de beoordeling van de werkzaamheid van
desinfecterende middelen rekening met een reductie volgens de tabel,
bedoeld in bijlage XVI, en met een inwerktijd van ten hoogste 5 minuten.
§ 4. Bepalingen inzake de beoordeling van biociden die
micro-organismen bevatten
Artikel 3.8. Beoordeling van biociden die micro-organismen bevatten
1.Het college past het bepaalde in deze regeling met betrekking tot
het dossier dat moet worden ingediend voor biociden, die chemische
werkzame stoffen bevatten voor zover mogelijk op overeenkomstige wijze
toe met betrekking tot het dossier als bedoeld in bijlage IV, delen A
en B, bij richtlijn 98/8/EG dat moet worden ingediend voor biociden
die micro-organismen bevatten.
2.Het college past het in bijlage VI, deel II, bij richtlijn
91/414/EEG bepaalde met betrekking tot de toepassing bij de
beoordeling van de uniforme beginselen voor het evalueren en toelaten
van gewasbeschermingsmiddelen die micro-organismen bevatten voor zover
mogelijk op overeenkomstige wijze toe met betrekking tot biociden die
micro-organismen bevatten.
3.Voorts past het college bij de beoordeling van biociden die
micro-organismen bevatten op overeenkomstige wijze de artikelen 3.5,
derde lid, 3.6 en 3.7, vierde en vijfde lid van deze regeling toe
alsmede de artikelen 4.84 en 4.100 van het
Arbeidsomstandighedenbesluit.
§ 5. Bepalingen inzake bijzondere vormen van toelating
Artikel 3.9. Beoordeling afgeleide toelating
1. De paragrafen 1 tot en met 4 zijn met uitzondering van artikel
3.1, derde lid niet van toepassing bij de beoordeling van een aanvraag
tot toelating van een biocide als bedoeld in artikel 52, eerste lid,
van de wet, wanneer de biocide afkomstig is van:
a. dezelfde onderneming die de biocide onder een andere
handelsnaam en voor een zelfde doeleinde op de markt brengt,
b. een daarmee gelieerde onderneming,
c. een onderneming die onder licentie de biocide vervaardigt of
d. een onderneming die beschikt over de verklaringen van
toegang, bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdelen a en b, van
de wet.
2. In afwijking van het eerste lid is artikel 3.4 van toepassing
bij het aanwijzen van een richtsnoer over afgeleide toelating.
Artikel 3.10. Beoordeling parallelle toelating
1. De paragrafen 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing bij de
beoordeling van een aanvraag tot toelating van een biocide als bedoeld
in artikel 53, eerste lid van de wet, met dien verstande dat artikel
3.4 van toepassing is bij het aanwijzen van een richtsnoer over
parallelle toelating.
2. Het college handelt bij de toets of een biocide niet wezenlijk
verschilt van een reeds in Nederland toegelaten biocide als bedoeld in
artikel 53, eerste lid, onderdeel c, van de wet overeenkomstig de
voorwaarde dat:
a. met in achtneming van de onzuiverheden die voor de
onderscheiden biociden zijn vastgesteld aan de hand van de
gegevens bedoeld in bijlagen IIA, IIIA en IVA bij richtlijn
98/8/EG sprake is van dezelfde werkzame stof,
b. met in achtneming van de onzuiverheden die voor de
onderscheiden biociden zijn vastgesteld aan de hand van de
gegevens bedoeld in bijlagen IIB, IIIB en IVB bij richtlijn
98/8/EG sprake is van dezelfde formulering, en
c. de onderscheiden biociden op dezelfde wijze worden gebruikt.
3. In aanvulling op het tweede lid beoordeelt het college of de te
importeren biocide dezelfde gevolgen als bedoeld in artikel 49, eerste
lid, onderdeel b, van de wet heeft als de in Nederland reeds op de
markt toegelaten biocide, waarbij rekening wordt gehouden met de
mogelijke verschillen tussen het land van export en het land van
import in de voor het gebruik van het biocide relevante
omstandigheden, wanneer naar het oordeel van het college sprake is van
een wezenlijk verschil omdat de biocide niet wordt gebruikt met
eenzelfde wijze van toediening als bedoeld in het tweede lid,
onderdeel c.
Artikel 3.11. Beoordeling toelating op aanvraag van de minister
Artikel 3.7, zevende lid, is niet van toepassing bij een beoordeling
van een aanvraag tot toelating van de minister als bedoeld in artikel 55
van de wet.
§ 6. Voorschriften bij de toelating
Artikel 3.12. Voorschriften inzake bescherming voortvloeiend uit de
richtlijn tot opneming van de werkzame stof
Het college neemt een beschermingsmaatregel die is vermeld bij de
richtlijn tot opneming van een werkzame stof in bijlage I bij richtlijn
98/8/EG in de gebruiksvoorschriften op voor zover deze
beschermingsmaatregel voortvloeit uit de beoordeling van de
desbetreffende biocide en dit in overeenstemming is met de beoordeling
als bedoeld in artikel 12 van het besluit.
Artikel 3.13. Beschermingsfactor meer dan tien
1. Het college neemt alleen bij de toelating van biociden als
bedoeld in de artikelen 30 en 31 van het besluit alsmede bij biociden
van productsoort 21 als bedoeld in bijlage V bij richtlijn 98/8/EG een
voorschrift op dat leidt tot een persoonlijke bescherming met een
beschermingsfactor van meer dan tien als bedoeld in bijlage II van het
besluit.
2. In afwijking van het eerste lid kan het college bij het mengen,
vullen en toepassen van vaste biociden een persoonlijke bescherming
voorschrijven met behulp van handschoenen, als bedoeld in bijlage II
van het besluit met een beschermingsfactor 20.
Artikel 3.14. Risicogroep biociden die micro-organismen bevatten
Het college vermeldt bij de toelating in het voorschrift bij welke
risicogroep, bedoeld in artikel 4.84 van het
Arbeidsomstandighedenbesluit een biocide is ingedeeld.
§ 7 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 3.15 [Vervallen per 01-01-2010]
Hoofdstuk 4. Erkenning van instanties
§ 1. Erkenning van instanties voor toelatingsonderzoek
Artikel 4.1. Erkenning onderzoek met gewasbeschermingsmiddelen
1. Proeven en analysen als bedoeld in artikel 29, derde lid, van
verordening (EG) 1107/2009, zijn erkend indien zij zijn uitgevoerd
door een erkende instantie.
2. Een instantie kan een erkenning aanvragen bij de Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
3. De beoordeling van de aanvraag vindt plaats aan de hand van de
eisen, bedoeld in uitvoeringsverordening 545/2011, inleiding,
onderdeel 2.2.
Artikel 4.2. Aanvraag erkenning voor onderzoek met biociden
1. Een erkenning als bedoeld in artikel 64, zesde lid, van de wet,
wordt aangevraagd bij de Minister van Infrastructuur en Milieu.
2. De beoordeling van de aanvraag vindt plaats overeenkomstig de
eisen, bedoeld in artikel 4.1, derde lid.
Artikel 4.3. Duur van de erkenning
1.De geldigheidsduur van de erkenning bedraagt ten hoogste zes
jaren. Zij kan voor een kortere duur worden verleend.
2.Een erkenning kan worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken met
ingang van een daarbij aan te geven tijdstip, indien:
a. de houder van de erkenning hier schriftelijk om verzoekt;
b. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt op grond
waarvan een erkenning is verleend;
c. de houder handelt in strijd met de voorwaarden genoemd in
artikel 4.4of de voorschriften die bij de erkenning zijn gesteld;
d. de houder van de erkenning tekort schiet in hetgeen op grond
van deze erkenning redelijkerwijs van hem mag worden verwacht;
e. de erkenning dan wel de beperkingen in strijd met wettelijke
voorschriften zijn gegeven;
f. dit noodzakelijk is in verband met gewijzigde regelgeving of
ter uitvoering van een communautaire maatregel, gewijzigde
omstandigheden of gewijzigde inzichten.
Artikel 4.4. Voorwaarden bij erkenning
1. De aanvrager dan wel houder van een erkenning verstrekt
desgevraagd onverwijld alle gedetailleerde informatie om aan te tonen
dat hij aan de eisen aangaande de erkenning dan wel de aanvraag
voldoet.
2. De aanvrager dan wel houder van een erkenning laat op ieder
tijdstip inspecties toe om na te gaan of aan de eisen aangaande de
erkenning dan wel de aanvraag wordt voldaan.
3. De aanvrager dan wel houder van een erkenning bewaart de
gegevens van alle oorspronkelijke waarnemingen en berekeningen en de
daarvan afgeleide gegevens, de ijkstaten en het eindverslag van de
proef zolang het betrokken product in de Europese Unie is toegelaten.
4. Essentiële wijzigingen van de organisatie die ingevolge artikel
4.1 een erkenning heeft, worden schriftelijk aan de Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie gemeld. De Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie beoordeelt of de gewijzigde
organisatie dan wel eventuele uitbreiding van type proeven en analyses
door de organisatie voldoen aan de eisen voor erkenning.
5. Essentiële wijzigingen van de organisatie die ingevolge artikel
4.2 een erkenning heeft, worden schriftelijk aan de Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gemeld. Deze
minister beoordeelt of de gewijzigde organisatie dan wel eventuele
uitbreiding van type proeven en analyses door de organisatie voldoen
aan de eisen voor erkenning.
Artikel 4.5. Leges
De Minister van Infrastructuur en Milieu kan voor een erkenning als
bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, leges vaststellen.
§ 2. Erkenning proeven en experimenten met niet-toegelaten
gewasbeschermingsmiddelen
Artikel 4.6. Procedure erkenning instanties
1. Een erkenning als bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de wet,
van een instantie voor het doen van proeven en experimenten voor
onderzoek- of ontwikkelingsdoeleinden waarbij een niet-toegelaten
gewasbeschermingsmiddel in het milieu wordt gebracht, wordt
aangevraagd bij de Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie.
2. Deartikelen 4.3, 4.4, eerste, tweede en vierde lid, en 4.5,
eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.7. Erkenningsvoorwaarden instanties en
toepassingsvoorschriften
1. Een instantie, die proeven en experimenten wil doen
overeenkomstig artikel 4.6, eerste lid, wordt voor dat doel erkend
indien in voldoende mate is gebleken dat aan de volgende voorwaarden
zal worden voldaan:
a. de instantie voldoet aan de voorwaarden van
uitvoeringsverordening 545/2011, inleiding, onderdeel 2.2 of zij
is erkend overeenkomstig artikel 4.1, eerste lid;
b. de instantie treft bij de uitvoering van proeven en
experimenten de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen, die mogelijk
schadelijke gevolgen voor de gezondheid van mens en dier, voor het
milieu of voor andere gewassen voorkomen;
c. de proeven en experimenten worden uitgevoerd volgens een
vooraf vastgesteld protocol;
d. de proeven en experimenten worden uitgevoerd onder
gecontroleerde omstandigheden, waarbij proeven in het veld of in
kassen buiten het terrein van de erkende instantie plaatsvinden
onder toezicht van de erkende instantie;
e. de proeven en experimenten vinden plaats op beperkte
oppervlakten, zodat het gewasareaal dat jaarlijks in het kader van
de proef of het experiment met een niet-toegelaten
gewasbeschermingsmiddel wordt behandeld het door het college ten
hoogste toegestane areaal niet overstijgt;
f. de instantie houdt een administratie bij inzake de
uitgevoerde proeven en experimenten, die actueel, eenvoudig
toegankelijk en direct toonbaar is voor de toezichthouder;
g. de instantie deelt schriftelijk mede aan de directeur van de
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie waar de
administratie zich bevindt;
h. de administratie beschrijft ten minste per kalenderjaar voor
ieder gebruikt niet toegelaten gewasbeschermingsmiddel de
gebruikte hoeveelheid, alsmede de locatie van proefvelden waar de
proeven en experimenten met niet-toegelaten middelen worden
uitgevoerd en de totale grootte van het behandelde areaal;
i. de instantie deelt ten minste eenmaal per maand de planning
en de precieze locatie van de onder zijn verantwoordelijkheid
uitgevoerde proeven en experimenten met niet-toegelaten
gewasbeschermingsmiddelen mede aan de directeur van de Minister
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
j. de administratie wordt ten minste drie jaren bewaard;
k. de instantie slaat niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen
veilig en apart van toegelaten middelen op in een ruimte die
ontoegankelijk is voor onbevoegden;
l. de oogst van in het kader van een proef of experiment met
niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen behandelde gewassen
geschikt voor menselijke consumptie of diervoeder, wordt
vernietigd, en
m. de instantie zorgt ervoor dat de toepassing van niet
-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt met een maximale
persoonlijke beschermingsuitrusting.
2. Op aanvraag kan de Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie een erkende instantie ontheffing verlenen van het eerste
lid, onderdeel l, of onderdeel m, voor proeven en experimenten die
onder haar verantwoordelijkheid worden uitgevoerd, of in haar opdracht
door andere erkende instanties worden uitgevoerd, indien uit de
aanvraag blijkt dat de instantie voldoende zekerheid biedt dat de
maximale residulimiet voor de desbetreffende stof dan wel het
desbetreffende middel, bedoeld in verordening 396/2005/EG, niet wordt
overschreden, respectievelijk voldoende zekerheid biedt dat zij kan
beoordelen in welke gevallen met een geringere beschermingsuitrusting
kan worden volstaan.
Hoofdstuk 5. Het register van het college en openbaarmaking
§ 1. Het register van het college
Artikel 5.1. Het register
1. Het college houdt het elektronisch register omtrent
gewasbeschermingsmiddelen bij, bedoeld in artikel 57 van verordening
(EG) 1107/2009.
2. Het college deelt het register, bedoeld in het eerste lid en in
artikel 69, tweede lid, van de wet, ten minste in volgens de
hoofdstukken gewasbeschermingsmiddelen, biociden en toevoegingsstoffen.
3. De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie stelt
de lijst van kleine toepassingen, bedoeld in artikel 57, eerste lid,
onderdeel h, van verordening (EG) 1107/2009, elektronisch ter
beschikking aan het publiek.
Artikel 5.2. Gegevens in het register
Het college neemt ten minste de volgende gegevens op in het register:
a. de naam van de biocide;
b. de namen van de werkzame stoffen die deel uitmaken van de
samenstelling van de biocide;
c. het nummer dat is toegekend aan de biocide dat is toegelaten
of geregistreerd;
d. de naam en het adres van de toelatinghouder of
registratiehouder;
e. een aanduiding van de door het college genomen besluiten
omtrent toelating of registratie.
Artikel 5.3. Periodieke aanpassingen in databank
De informatie in het register omtrent biociden wordt ten minste elke
drie maanden ververst.
§ 2. Openbaarmaking
(gereserveerd)
Hoofdstuk 6. Bewijs van vakbekwaamheid voor handel en gebruik
§ 1. Bewijs van vakbekwaamheid
Artikel 6.1. Betekenis bewijs van vakbekwaamheid
1. Een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, eerste
lid, van de wet geeft aan dat de houder:
a. voldoende op de hoogte is wanneer en onder welke
omstandigheden het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen of
biociden verantwoord is;
b. voldoende op de hoogte is van de gevaren welke het gebruik
met zich meebrengt en van de wijze waarop deze gevaren kunnen
worden voorkomen, en
c. voor zover het een bewijs van vakbekwaamheid voor
gewasbeschermingsmiddelen betreft, voldoende kennis heeft van de
onderwerpen, genoemd in bijlage I bij richtlijn 2009/128/EG,
rekening houdend met de taken en verantwoordelijkheden die behoren
bij zijn functie.
2. Indien het bewijs van vakbekwaamheid slechts betrekking heeft op
bepaalde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, op bepaalde
toepassingen dan wel op de behandeling van bepaalde ruimten of
terreinen, wordt de betrokkene slechts te dien aanzien als houder van
een bewijs van vakbekwaamheid aangemerkt.
Artikel 6.2. Bewijs van vakbekwaamheid gewasbescherming
1. Een aanvraag voor een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in
artikel 17, eerste lid, van het besluit, wordt ingediend bij Bureau
Erkenningen van de AOC-raad. Bij de aanvraag worden de volgende
bescheiden overgelegd:
a. een naar behoren ingevuld en ondertekend aanvraagformulier;
b. een goed leesbare kopie van het identiteitsbewijs van de
aanvrager, en
c. een gewaarmerkt afschrift van een diploma of een certificaat
als bedoeld in artikel 6.3, derde tot en met zesde lid, of
d. een gewaarmerkt afschrift van een bekwaamheidsattest of
opleidingstitel, dat door Bureau erkenningen van de AOC-raad is
erkend op grond van artikel 6 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties.
2. Ten behoeve van migrerende beroepsbeoefenaren, bedoeld in
artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties kan
Bureau Erkenningen van de AOC-raad opleidingstitels of
bekwaamheidsattesten erkennen.
3. De migrerende beroepsbeoefenaar legt aan Bureau Erkenningen van
de AOC-raad de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid,
onderdelen a, b, c, en e, van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties over ten behoeve van de erkenning, bedoeld in
het tweede lid.
4. De tijdelijke en incidentele dienstverrichter, bedoeld in
artikel 21 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties,
verstrekt voorafgaand aan zijn eerste dienstverrichting op het terrein
van gewasbescherming in Nederland aan Bureau Erkenningen van de
AOC-raad de documenten, bedoeld in artikel 23, derde lid, onderdelen a
tot en met d, van die wet.
5. In geval van toepassing van artikel 27, derde lid, van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties beoordeelt Bureau
Erkenningen van de AOC-raad of de dienstverrichter, bedoeld in het
vierde lid, over voldoende kennis en vaardigheden beschikt ten aanzien
van gewasbescherming en het veilig omgaan met
gewasbeschermingsmiddelen.
6. Bureau Erkenningen brengt na afloop van ieder kalenderjaar
verslag uit aan de Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie over zijn werkzaamheden en het aantal verstrekte en erkende
bewijzen van vakbekwaamheid.
Artikel 6.3. Verstrekken bewijs van vakbekwaamheid gewasbescherming
1. Bureau Erkenningen van de AOC-raad verstrekt het bewijs van
vakbekwaamheid op aanvraag.
2. Een bewijs wordt niet verstrekt dan nadat het tarief van €
5,95 is voldaan.
3. Het bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren Gewasbescherming wordt
verstrekt aan de persoon die beschikt over een certificaat
gewasbescherming A of een diploma dat mede dat certificaat omvat, en
dat voldoet aan de op grond van de artikelen 7.2.4.en 7.2.6. van de
Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde kwalificaties en
beroepsvereisten.
4. Het bewijs van vakbekwaamheid Bedrijfsvoeren Gewasbescherming
wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over een certificaat
gewasbescherming B of een diploma dat mede dat certificaat omvat, en
dat voldoet aan de op grond van de artikelen 7.2.4.en 7.2.6. van de
Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde kwalificaties en
beroepsvereisten.
5. Het bewijs van vakbekwaamheid Distributie en Opslag
Gewasbescherming wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over een
certificaat gewasbescherming C of een diploma dat mede dat certificaat
omvat, en dat voldoet aan de op grond van de artikelen 7.2.4.en 7.2.6.
van de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde kwalificaties en
beroepsvereisten.
6. Het bewijs van vakbekwaamheid Mollen- en Woelrattenbestrijding
wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over een certificaat
gewasbescherming MW of een diploma dat mede dat certificaat omvat, dat
voldoet aan de op grond van de artikelen 7.2.4.en 7.2.6. van de Wet
educatie en beroepsonderwijs vastgestelde kwalificaties en
beroepsvereisten.
7. Het bewijs van vakbekwaamheid op basis van een
Veiligheidsinstructie Gewasbescherming, bedoeld in artikel 6.3a, wordt
verstrekt aan de persoon die een instructie op de werkplek heeft
gevolgd als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel c, van het
besluit, welke instructie is erkend door Bureau Erkenningen van de
AOC-raad.
8. Een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in het derde tot en
met vijfde lid, wordt ambtshalve verlengd indien voldoende
nascholingsbijeenkomsten zijn bijgewoond, die zijn erkend door Bureau
Erkenningen van de AOC-raad, of opnieuw met goed gevolg een examen is
afgelegd dat recht geeft op een certificaat als bedoeld in het derde
tot en met vijfde lid.
Artikel 6.3a. Instructie vakbekwaamheid gewasbescherming [Treedt in
werking per 26-11-2012]
1. De handelingen, die in aanmerking komen voor een bewijs van
vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel c, van
het besluit, zijn:
a. het bedienen van een volledig gesloten zaadcoatingsmachine;
b. het in een laboratorium ten behoeve van plantaardige
weefselkweek in vitro gebruiken of voorhanden hebben van
gewasbeschermingsmiddelen die volgens de desbetreffende toelating
zijn bestemd om de levensprocessen van planten te beïnvloeden;
c. het bestrijden van aardappelopslag door middel van een
gewasbeschermingsmiddel op basis van de werkzame stof glyfosaat
door middel van handapparatuur, voor zover de apparatuur is gevuld
door een andere persoon die beschikt over een bewijs van
vakbekwaamheid Uitvoeren of Bedrijfsvoeren gewasbescherming als
bedoeld in artikel 6.3, derde en vierde lid;
d. het doden van ongewenste planten met handapparatuur gevuld
met een gewasbeschermingsmiddel op basis van de werkzame stof
glyfosaat bij de selectie van bolgewassen en andere planten ten
behoeve van veredeling, voor zover de apparatuur is gevuld door
een andere persoon die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid
Uitvoeren of Bedrijfsvoeren gewasbescherming als bedoeld in
artikel 6.3, derde en vierde lid.
2. Bureau Erkenningen van de AOC-raad erkent een instructie,
bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel c, van het besluit,
indien zij ten minste voorlichting geeft over:
a. welke gevaren en risico’s voor de mens, gehouden dieren en
het milieu, inclusief niet-doelwit-planten en -dieren, zijn
verbonden aan het gebruik van het desbetreffende
gewasbeschermingsmiddel door de concrete handeling;
b. wat de symptomen van vergiftiging en de in voorkomend geval
te nemen eerste-hulp-maatregelen zijn;
c. wat de veiligste werkpraktijken zijn;
d. hoe restanten van het middel en aangebroken verpakkingen
moeten worden opgeruimd, en
e. welke noodmaatregelen moeten worden genomen in geval van
lekkages, verspilling of andere onvoorziene gebeurtenissen.
3. De instructie wordt gegeven door een houder van een bewijs van
vakbekwaamheid Uitvoeren of Bedrijfsvoeren Gewasbescherming als
bedoeld in artikel 6.3, derde of vierde lid.
4. Artikel 6.3, eerste lid, is niet van toepassing. De werkgever of
opdrachtgever van de persoon die de instructie heeft gevolgd,
verstrekt een kopie van de presentielijst van de instructie aan
betrokkene, en bewaart het origineel gedurende vijf jaren nadat de
instructie is gegeven. De presentielijst vermeldt de handeling,
bedoeld in het eerste lid, waar de instructie betrekking op heeft, en
wordt gedurende vijf jaren nadat de instructie is gevolgd, aangemerkt
als bewijs van vakbekwaamheid voor de desbetreffende handeling.
Artikel 6.3b. Intrekking bewijs van vakbekwaamheid
1. De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie trekt
een bewijs van vakbekwaamheid gewasbeschermingsmiddelen in indien niet
langer wordt voldaan aan de eisen die ter zake van het verkrijgen of
behouden van een zodanig bewijs van vakbekwaamheid bij of krachtens de
wet zijn gesteld nadat hij betrokkene ten hoogste zes maanden in de
gelegenheid heeft gesteld alsnog aan de eisen te voldoen.
2. De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kan op
grond van artikel 85, derde lid, van de wet, een bewijs van
vakbekwaamheid intrekken, indien
a. de houder ernstig tekort schiet in hetgeen op grond van dat
bewijs van hem mag worden verwacht, of
b. jegens de houder herhaaldelijk overtredingen op grond van de
wet zijn geconstateerd.
3. De termijn, bedoeld in artikel 85, vierde lid, van de wet
bedraagt ten hoogste een jaar vanaf het moment dat het besluit tot
intrekking is genomen.
Artikel 6.4. Bewijs van vakbekwaamheid biociden
1. De aanvraag voor een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in
artikel 17a, eerste lid, van het besluit, wordt ingediend bij de
Minister van Infrastructuur en Milieu. Bij de aanvraag worden de
volgende bescheiden overgelegd:
a. een naar behoren ingevuld en ondertekend aanvraagformulier;
b. een goed leesbare kopie van het identiteitsbewijs van de
aanvrager, en
c. een gewaarmerkt afschrift van een behaald diploma of
certificaat, of
d. een gewaarmerkt afschrift van een bekwaamheidsattest of
opleidingstitel, die door de Minister van Infrastructuur en Milieu
is erkend op grond van artikel 6 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties.
2. Ten behoeve van migrerende beroepsbeoefenaren, bedoeld in
artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties kan de
Minister van Infrastructuur en Milieu opleidingstitels of
bekwaamheidsattesten erkennen.
3. De migrerende beroepsbeoefenaar legt aan de Minister van
Infrastructuur en Milieu de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste
lid, onderdelen a, b, c, en e, van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties over ten behoeve van de erkenning, bedoeld in
het tweede lid.
4. De tijdelijke en incidentele dienstverrichter, bedoeld in
artikel 21 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties,
verstrekt voorafgaand aan zijn eerste dienstverrichting met behulp van
biociden waarvoor een bewijs van vakbekwaamheid is voorgeschreven in
Nederland aan de Minister van Infrastructuur en Milieu de documenten,
bedoeld in artikel 23, derde lid, onderdelen a tot en met d, van die
wet.
5. In geval van toepassing van artikel 27, derde lid, van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties beoordeelt de Minister
van Infrastructuur en Milieu of een door de Minister van
Infrastructuur en Milieu aangewezen instantie of de dienstverrichter,
bedoeld in het vierde lid, over voldoende kennis en vaardigheden
beschikt.
6. Een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17a, eerste
lid, van het besluit, ten aanzien van het afweren of bestrijden van
een dierplaag, het bestrijden van houtrotverwekkende schimmel,
gassingsleider of gasmeetdeskundige, wordt verstrekt indien de
gebruiker met goed gevolg theorie- en praktijkexamens heeft afgelegd,
die voldoen aan de eindtermen voor onderwijs, bedoeld in bijlage VI,
onderdeel A, of bijlage VII, en daartoe een getuigschrift van
Stichting Examen- en Certificeringsinstituut Plaagdierpreventie, of
Stichting Certificeringsinstituut Plaagdierbeheersing, Milieu en
Volksgezondheid heeft ontvangen.
7. De kosten voor een bewijs van vakbekwaamheid bedragen voor een
bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in bijlage VI, onderdeel A, ten
hoogste€ 45,–, exclusief de kosten van scholing. De kosten voor
een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in bijlage VI, onderdeel B,
bedragen ten hoogste € 50,–, exclusief de kosten van nascholing.
8. Een bewijs van vakbekwaamheid wordt ambtshalve verlengd als
bedoeld in artikel 18, tweede lid, van het besluit, indien wordt
voldaan aan de eindtermen voor onderwijs, bedoeld in bijlage VI,
onderdeel B, ofbijlage VII.
9. De Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bewijs van
vakbekwaamheid biociden intrekken indien de houder ervan niet voldoet
aan de eindtermen voor onderwijs, bedoeld in bijlagen VI of VII.
Artikel 6.3b, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
10. De Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bewijs van
vakbekwaamheid biociden intrekken op grond van artikel 85, derde lid,
van de wet.Artikel 6.3b, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 6.5. Voorwaarde voor de verlenging van een bewijs van
vakbekwaamheid
De automatische verlenging van een bewijs van vakbekwaamheid gaat in
op de datum volgend op de datum waarop de betrokken bewijzen van
vakbekwaamheid aflopen dan wel, indien de betrokken houder van een
bewijs van vakbekwaamheid niet aan de voorwaarden voldoet met ingang van
de datum na de datum dat deze houder alsnog aan de voorwaarden voldoet.
Artikel 6.6. Vrijstelling bewijs van vakbekwaamheid
Voor de volgende handelingen is geen bewijs van vakbekwaamheid
vereist:
a. het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij het machinaal
coaten van zaaizaad;
b. het gebruiken, voorhanden of in voorraad hebben van
gewasbeschermingsmiddelen die volgens het besluit tot toelating
slechts zijn bestemd om levensprocessen van planten te beïnvloeden
en worden toegepast in een laboratorium bij weefselkweek in vitro;
c. het afleveren door personeel van reeds bestelde of reeds
gekochte gewasbeschermingsmiddelen of biociden, indien dat uit een
bestelbon of factuur blijkt, zonder advies aan gebruikers;
d. het toepassen of doen toepassen van een
gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof glyfosaat bevat voor de
bestrijding van aardappelopslag door middel van handapparatuur mits
het gewasbeschermingsmiddel reeds door een houder van een bewijs van
vakbekwaamheid in deze apparatuur is aangebracht;
e. het toepassen of doen toepassen van een
gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stoffen diquat of glyfosaat
bevat voor het selecteren van bloembollen of selecteren in de
veredeling met apparatuur volgens de bij het besluit tot toelating
gegeven voorschriften mits het gewasbeschermingsmiddel reeds door
een houder van een bewijs van vakbekwaamheid in deze apparatuur is
aangebracht.
f. het toepassen van een biocide voor het afweren of bestrijden
van een dierplaag of het bestrijden van een houtrotverwekkende
schimmel als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, door een agrarische
ondernemer op het eigen bedrijf;
g. de industriële toepassing van een biocide in hout in verband
met de conservering ervan tegen schimmels of dierplagen;
h. het op de markt brengen van biociden.
Artikel 6.7. Werken met gewasbeschermingsmiddelen
1. Een distributeur van gewasbeschermingsmiddelen of voldoende van
zijn personeel als bedoeld in artikel 73, tweede lid, van de wet,
beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid Bedrijfsvoeren
Gewasbescherming als bedoeld in artikel 6.3, vierde lid.
2. Een professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen
beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid Bedrijfsvoeren
Gewasbescherming als bedoeld in artikel 6.3, vierde lid.
3. In afwijking van het tweede lid beschikt het bedrijfshoofd van
een landbouwbedrijf dat gewasbeschermingsmiddelen ontvangt, gebruikt
of voorhanden heeft als bedoeld in artikel 71, eerste lid, van de wet,
en die is geboren voor 1 januari 1996 ten minste over een bewijs van
vakbekwaamheid Uitvoeren Gewasbescherming als bedoeld in artikel 6.3,
derde lid.
4. In afwijking van het tweede lid beschikt een persoon die
gewasbeschermingsmiddelen ontvangt of gebruikt in opdracht van een
ander, over een bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren Gewasbescherming
als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, voor zover in het bedrijf waar
de behandeling met gewasbeschermingsmiddelen wordt uitgevoerd, ten
minste een persoon aanwezig of beschikbaar is, die beschikt over een
bewijs van vakbekwaamheid Bedrijfsvoeren Gewasbescherming.
5. In afwijking van het tweede lid beschikt een persoon die
gewasbeschermingsmiddelen gebruikt over een bewijs van vakbekwaamheid
Veiligheidsinstructie als bedoeld in artikel 6.3, zesde lid, voor
zover de handeling is opgenomen in artikel 6.3a, eerste lid, en op de
werkplek waar de behandeling met het gewasbeschermingsmiddel
plaatsvindt ten minste een persoon aanwezig is, die beschikt over een
bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren of Bedrijfsvoeren
gewasbescherming.
6. In afwijking van het tweede lid beschikt een bestrijder van
mollen en woelratten met gewasbeschermingsmiddelen over een bewijs van
vakbekwaamheid Mollen en Woelrattenbestrijding als bedoeld in artikel
6.3, zesde lid.
7. Onverminderd het eerste lid beschikt een distributeur of het
personeelslid dat is belast met de dagelijkse leiding of werkzaamheden
ten behoeve van het op veilige wijze transporteren en opslaan van
gewasbeschermingsmiddelen over een bewijs van vakbekwaamheid
Distributie en Opslag als bedoeld inartikel 6.3, vijfde lid.
Hoofdstuk 7. Overige bepalingen inzake handel
Artikel 7.1. Kettingbeding verboden gewasbeschermingsmiddelen en
biociden
1. Degene die een niet in Nederland toegelaten
gewasbeschermingsmiddel of biocide produceert, opslaat of vervoert,
komt bij iedere overeenkomst die strekt tot opslag, vervoer of
levering van het middel aan een ander, schriftelijk een beding als
bedoeld in artikel 253 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ten
behoeve van de Staat overeen, en neemt een afschrift van deze
overeenkomst in zijn administratie op.
2. Het beding, bedoeld in het eerste lid, luidt als volgt:
a. De ontvangende partij doet al hetgeen redelijkerwijs
mogelijk is te voorkomen dat het gewasbeschermingsmiddel of de
biocide in Nederland wordt toegepast. De ontvangende partij neemt
daartoe dit beding op in een overeenkomst die strekt tot levering
aan een derde partij van het bij deze overeenkomst te leveren
gewasbeschermingsmiddel of biocide.
b. Indien niet uit de administratie van de ontvangende partij
of een derde partij blijkt dat het gewasbeschermingsmiddel of de
biocide buiten Nederland is toegepast of naar het buitenland is
vervoerd, verbeurt de ontvangende partij een som van 10% van de
marktwaarde van het gewasbeschermingsmiddel of de biocide ten
behoeve van de Staat der Nederlanden.
c. Deze verplichting zal overgaan op degenen die het
gewasbeschermingsmiddel of de biocide onder bijzondere titel
zullen verkrijgen. Voorts zijn mede gebonden degenen die van de
rechthebbende een beperkt recht of een recht tot gebruik van het
goed zullen verkrijgen.
Artikel 7.2 [Vervallen per 16-12-2011]
Artikel 7.3. Vrijstelling administratieplicht
De administratieplicht, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van het
besluit, is niet van toepassing op degene die biociden op de markt
brengt, die door het college zijn aangemerkt als geschikt voor
niet-professioneel gebruik.
Artikel 7.3a. Administratie algemeen
Degene die op grond van artikel 67 van verordening (EG) 1107/2009 of
artikel 24 of 25 van het besluit gegevens administreert of gegevens uit
zijn administratie verstrekt, doet dit volledig en naar waarheid, en
onverwijld nadat de gegevens hem bekend zijn geworden.
Artikel 7.3b. Bestemd voor gebruik buiten Nederland
Het is de eigenaar of houder van een in Nederland gevestigd bedrijf,
die beschikt over landbouwpercelen in België of Duitsland toegestaan
een niet in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel op zijn bedrijf
op te slaan, voor zover het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel is
toegelaten in België of Duitsland en feitelijk ook over de Nederlandse
grens wordt toegepast en daarvan blijkt uit zijn administratie, bedoeld
inartikel 7.3c.
Artikel 7.3c. Administratie van niet toegelaten
gewasbeschermingsmiddelen of biociden
1. De administratie, bedoeld in artikel 74, derde lid, onderdeel b,
van de wet en artikel 67, eerste lid, eerste volzin, van verordening
(EG) 1107/2009, bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de naam van het gewasbeschermingsmiddel en het
toelatingsnummer of toelatingskenmerk in het land van bestemming;
b. het aantal verpakkingseenheden per ontvangst of aflevering,
alsmede de op de verpakking aangegeven volume- of massa-eenheden;
c. de totale hoeveelheid voorraad en de veranderingen van de
voorraad, waarbij onderscheid wordt gemaakt per
gewasbeschermingsmiddel of biocide;
d. de naam, het adres en de woon- of vestigingsplaats van
degene van wie het gewasbeschermingsmiddel of de biocide is
verkregen respectievelijk aan wie is geleverd;
e. de datum van ontvangst, aflevering of verandering als
bedoeld in de onderdelen b en c, en
f. de afschriften van overeenkomsten als bedoeld in artikel
7.1, eerste lid.
2. De administratie bestrijkt een periode van de laatste vijf
jaren.
3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden op de factuur of
het afleveringsbewijs aangegeven.
Artikel 7.3d. Opslag en vervoer, bestemd voor gebruik buiten
Nederland
1. Een niet in Nederland toegelaten biocide of
gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 74, eerste of tweede
lid, van de wet wordt gescheiden van een toegelaten middel opgeslagen.
2. Het vervoer van een niet in Nederland toegelaten
gewasbeschermingsmiddel of biocide is uitsluitend toegestaan, indien
de vervoerder beschikt over een vrachtbrief of ander document waaruit
blijkt van wie de partij afkomstig is en voor wie de partij is
bestemd.
Artikel 7.4. Informatieplicht niet-professionele gebruiker
1. Een houder van een toelating van een gewasbeschermingsmiddel
voor niet-professioneel gebruik is verantwoordelijk voor de
verstrekking van de algemene informatie, bedoeld in artikel 73, vierde
lid, van de wet, ten behoeve van de gebruiker van zijn middel. De
houder van de toelating vermeldt deze informatie tevens bij het
aanprijzen van het middel op zijn website of in andere media.
2. De informatie is zo weergegeven dat de strekking eenvoudig te
begrijpen is.
3. De houder van een toelating zorgt ervoor dat iedere distributeur
van zijn gewasbeschermingsmiddel in staat is de informatie te
verstrekken aan de gebruiker.
4. De distributeur zorgt ervoor dat de informatie voor iedere koper
van een gewasbeschermingsmiddel voor niet-professioneel gebruik in
voldoende mate toegankelijk en beschikbaar is.
Hoofdstuk 8. Gebruik
§ 1. Geïntegreerde bestrijding en juist gebruik
Artikel 8.1. Vrijstelling gewasbeschermingsplan
Degene die de biologische productiemethode als bedoeld in artikel 2
van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 toepast, is vrijgesteld van de
verplichting over een gewasbeschermingsplan als bedoeld in artikel 26,
eerste lid, van het besluit te beschikken.
§ 2. Toepassingsmethoden, – technieken en – materialen
Artikel 8.2. Verplichtingen gebruiker bij toepassing met
luchtvaartuigen
1.De gebruiker zorgt ervoor, dat het met een luchtvaartuig te
behandelen object, ten minste één uur voor aanvang van de toepassing
met het gewasbeschermingsmiddel wordt voorzien van duidelijk zichtbare
waarschuwingstekens voor de aanstaande luchtvaartuigtoepassing.
2.De waarschuwingstekens, bedoeld in het eerste lid, blijven tot
ná de toepassing van het gewasbeschermingsmiddel op het object,
bedoeld in het eerste lid.
3.De gebruiker is verplicht ervoor te zorgen, dat zich ten tijde
van de toepassing geen personen die niet bij de toepassing zijn
betrokken op het object bevinden.
Artikel 8.3. Algemene voorwaarden toepassing met luchtvaartuigen
1.De toepassing van een gewasbeschermingsmiddel met behulp van een
luchtvaartuig is verboden indien:
a. het met een luchtvaartuig toe te passen
gewasbeschermingsmiddel voor deze toepassing niet is toegelaten;
b. de in artikel 8.2, eerste lid, genoemde waarschuwingstekens
niet zijn aangebracht;
c. op het te behandelen object zich personen bevinden die niet
bij de toepassing zijn betrokken of niet volgens de
gebruiksvoorschriften beschermd zijn;
d. de windsnelheid op een hoogte twee meter boven het te
behandelen object ten tijde van de toepassing op enig moment een
snelheid van vijf meter per seconde te boven gaat, of, indien een
ultra low formulering wordt toegepast, indien de windsnelheid
aldaar ten tijde van de toepassing op enig moment een snelheid van
vier meter per seconde te boven gaat;
e. de luchttemperatuur op twee meter hoogte boven het object
hoger is dan 25ºC of bij een relatieve luchtvochtigheid van
minder dan 50%;
f. de langste rechte zijde van het te behandelen object korter
is dan 100 meter;
g. zich op het object boomgaarden, bossen of laanbomen
bevinden;
h. het te behandelen object zich op een afstand bevindt van
beschermde natuurgebieden in de zin van de Natuurbeschermingswet,
bebouwde kommen, scholen, ziekenhuizen, bejaardentehuizen,
tuincomplexen, recreatieterreinen, visplaatsen, zwembaden of
kampeerplaatsen die kleiner is dan:
– gemeten in benedenwindse richting van het te behandelen
object: 100 meter en
– gemeten in bovenwindse richting van het te behandelen
object: 50 meter;
i. met het luchtvaartuig hoger wordt gevlogen dan drie meter
boven het gewas, of, indien een ultra low formulering wordt
toegepast, indien daarbij hoger wordt gevlogen dan vier meter
boven het gewas.
2.Het eerste lid geldt, onverminderd:
a. de gebruiksvoorschriften die het college voor een specifieke
toepassing van een gewasbeschermingsmiddel stelt;
b. de voorschriften, voorwaarden of beperkingen die bij of
krachtens een andere wet met betrekking tot het toepassen van een
gewasbeschermingsmiddel zijn gesteld.
Artikel 8.4. Nadere voorwaarden administratie
In aanvulling op artikel 25 van het besluit houdt de ondernemer
inzake luchtvaarttoepassingen een administratie bij, waarin dagelijks
naar waarheid wordt vermeld;
a. de ligging van elk behandeld object en het tijdstip van de
toepassing;
b. de naam van de op elk object gebruikte
gewasbeschermingsmiddelen en de gebruikte hoeveelheid;
c. de naam en het adres van de opdrachtgever;
d. het volgnummer van de toepassing.
Artikel 8.5. Schriftelijke verklaring op het gemeentehuis
Een ondernemer als bedoeld in artikel 8.4 is verplicht er voor te
zorgen, dat uiterlijk op het tijdstip waarop de toepassing van een
gewasbeschermingsmiddel met een luchtvaartuig begint, op het
gemeentehuis van de gemeente op wiens grondgebied de toepassing
plaatsvindt een schriftelijke verklaring aanwezig is, waarin zijn
vermeld:
a. zijn naam en adres,
b. de ligging van het te behandelen object,
c. de naam van de te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen, en
d. de naam en het adres van de opdrachtgever.
Artikel 8.6. Vrijstelling voorwaarden luchtvaarttoepassing
1.De minister kan vrijstelling verlenen van het bepaalde in de
artikelen 8.2 tot en met 8.5, indien uitzonderlijke omstandigheden
zulks noodzakelijk maken en het belang van de bescherming van de
volksgezondheid of het belang van de bescherming van mens en dier,
alsmede het milieu zich daartegen niet verzetten.
2.Aan een vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.
3.Een vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend.
Artikel 8.7. Luchtvaarttoepassing van biociden
De artikelen 8.2 tot en met 8.6 zijn van overeenkomstige toepassing
op luchtvaarttoepassingen van biociden.
Artikel 8.8. Toepasselijkheid bepalingen inzake gasvormige en
gasvormende middelen
1.De artikelen 30 en 31 van het besluit inzake de
toepassingsmethoden bij gasvormige en gasvormende
gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn slechts van toepassing op
middelen met een werkzame stof als bedoeld in bijlage X bij deze
regeling.
2.De toegangen, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel a, van
het besluit zijn voorzien van een waarschuwingssignaal en opschrift
dat in overeenstemming is met hetgeen hieromtrent is bepaald in
hoofdstuk 8 van de Arbeidsomstandighedenregeling.
Artikel 8.9. Melding toepassing fosforwaterstof, sulfurylfluoride en
methylbromide
1.Gewasbeschermingsmiddelen en biociden die als werkzame stof
fosforwaterstof, sulfurylfluoride of methylbromide bevatten, worden
niet toegepast dan nadat ten minste zeven dagen voor aanvang van de
toepassing een melding is gedaan bij de bevoegde bedrijfstakdirecteur
van de VROM-inspectie. Daartoe wordt het formulier, bedoeld in bijlage
XI, volledig en naar waarheid ingevuld.
2.In afwijking van het eerste lid kan de melding korter dan zeven
dagen voor aanvang van de toepassing worden gedaan, indien minder dan
2500 m3 wordt gegast of de toepassing een gassing van lichters of
binnenvaartschepen betreft en het spoedeisende karakter van de
toepassing dit noodzakelijk maakt, mits:
– de melding ten minste 6 uur voor de aanvang van de
toepassing is ontvangen en de toepassing een gassing van lichters
of binnenvaartschepen betreft,
– de melding ten minste 6 uur voor de aanvang van de
toepassing is ontvangen en niet meer dan 500 m3 wordt gegast, of
– de melding ten minste 24 uur voor aanvang van de toepassing
is ontvangen en niet meer dan 2500 m3 wordt gegast.
3.Voor de gasvrijverklaring, bedoeld in artikel 31, derde lid, van
het besluit wordt het formulier bedoeld in bijlage XII volledig en
naar waarheid ingevuld, verstrekt aan de opdrachtgever. Een afschrift
van dit formulier wordt binnen 48 uur aan de bevoegde directeur van de
VROM-inspectie toegezonden.
4.Degene die de verklaring, bedoeld in het derde lid, heeft
verstrekt, bewaart een afschrift van de verklaring gedurende ten
minste een jaar.
Artikel 8.10. Melding bij periodieke toepassing
1. De melding, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van het besluit,
van de toepassing van een gewasbeschermingsmiddel wordt uiterlijk drie
weken voor de toepassing bij de Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie gedaan.
2. Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt een volledig en
naar waarheid ingevuld meldingsformulier over gelegd of elektronisch
verzonden met daarin opgenomen:
a. de naam en het adres van de gebruiker,
b. voor zover van toepassing: de naam en het adres van een
bedrijf als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b,
subonderdeel 2°, van het besluit,
c. de naam van het gewasbeschermingsmiddel,
d. het doelgewas,
e. het voorgenomen moment van toepassing,
f. een op een kaart die voldoet aan de door de Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie gestelde eisen, op schaal
weergegeven aanduiding van het te behandelen perceel of
perceelsgedeelte, het te behandelen areaal in m2 en voor zover van
toepassing:
– een verklaring van het Hoofdproductschap akkerbouw dat
knolcyperus (Cyperus esculentus L.) op het perceel is
aangetoond,
– een verklaring van de directeur van de Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie dat het stengelaaltje
(Ditylenchus dipsaci (Kühn) Filipjev) op het perceel is
aangetoond, of
– de datum van een besluit als bedoeld in artikel 32,
derde lid, onderdelen a tot en met c, van het besluit.
3. De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie geeft
binnen twee weken na de melding een ontvangstbewijs af.
4. De melder past het gewasbeschermingsmiddel binnen 3 maanden na
de op het ontvangstbewijs vermelde datum toe.
5. Indien na de melding geen grondontsmetting is toegepast kan de
melder door het terugsturen van het ontvangstbewijs de melding
intrekken tot vier maanden na de op het ontvangstbewijs vermelde
datum.
Artikel 8.10a. Meldingsplicht ter bescherming kwetsbare groepen
mensen
1. Artikel 8.10, eerste, tweede en vierde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op een melding als bedoeld in artikel 27c,
derde lid, van het besluit.
2. De termijn, bedoeld in artikel 27c, vierde lid, van het besluit,
bedraagt veertien dagen vanaf het moment dat de melding per post of op
elektronische wijze is gedaan.
§ 3. Monitoring na toelating
Artikel 8.11. Berekening MTR water
Op verzoek berekent het college het maximaal toelaatbaar risico van
gewasbeschermingsmiddelen voor waterorganismen, bedoeld in artikel 2,
onderdeel f, van het besluit, aan de hand van de methode INS, bedoeld in
bijlage XV, deel B.
§ 4. Heffingen
Artikel 8.12. Tarief voor vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen
1. Een aanvraag tot vrijstelling van een gewasbeschermingsmiddel
als bedoeld in artikel 38 van de wet wordt eerst in behandeling
genomen, nadat bij een eerste aanvraag een voorschot van € 1.300,–
en bij een vervolgaanvraag een voorschot van € 520,– op het
verschuldigde tarief is voldaan aan de Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie.
2. Het verschuldigde tarief bedraagt:
a. indien advies aan het College voor de toelating van
gewasbeschermingsmiddelen en biociden wordt gevraagd: € 3.925,–,
indien het een nieuwe aanvraag betreft, of € 3.145,–, indien
het een vervolgaanvraag betreft;
b. indien geen advies aan het College voor de toelating van
gewasbeschermingsmiddelen en biociden behoeft te worden gevraagd:
€ 1.300,–, indien het een nieuwe aanvraag betreft, of € 520,–
indien het een vervolgaanvraag betreft.
Hoofdstuk 9. Toezicht en handhaving
§ 1. Toezicht
Artikel 9.1. Aanwijzing toezichthouders
Belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn de
ambtenaren van:
– de Algemene Inspectie Dienst van het Ministerie van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit,
– de Voedsel en Waren Autoriteit,
– de Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale zaken en
Werkgelegenheid,
– het Inspectoraat-Generaal VROM,
– de Inspectie voor de Gezondheidszorg,
– de waterschappen.
§ 2. Handhaving
Artikel 9.2 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 9.3 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 9.4 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 9.5 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 9.6. Hoogte van de bestuurlijke boete
1. De hoogte van de bestuurlijke boete, die de Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de Minister van
Infrastructuur en Milieu op grond van artikel 97 van de wet kan
opleggen bij een overtreding, is gelijk aan het geldbedrag dat in
bijlage XIII voor de desbetreffende overtreding is vermeld.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de bestuurlijke boete
voor een overtreding met betrekking tot professioneel gebruik van
biociden de helft van het geldbedrag, genoemd in bijlage XIII,
behoudens indien:
a. de gebruiker beschikt of dient te beschikken over een bewijs
van vakbekwaamheid;
b. het gebruik van de desbetreffende biocide onderdeel uitmaakt
van het verrichten van een dienst.
Artikel 9.7. Hoogte van de bestuurlijke boete bij herhaalde
overtreding
De natuurlijke persoon of rechtspersoon, die binnen vijf jaren nadat
een eerdere overtreding is geconstateerd een soortgelijke overtreding
begaat, wordt bestraft met een bestuurlijke boete die gelijk is aan de
eerder opgelegde bestuurlijke boete, vermenigvuldigd met de factor 1,5.
Hoofdstuk 10. Overgangsperiode van de richtlijnen 91/414/EEG en
98/08/EG
Artikel 10.1. Werkingsgebied
Hoofdstuk 3 is van toepassing bij besluiten op grond van hoofdstuk 9
van de wet met uitzondering van de artikelen 3.4, 3.4a, 3.7, zevende
lid, en3.7a.
Artikel 10.2. Te overleggen documenten bij een aanvraag als bedoeld
in artikel 121 van de wet
1. In aanvulling op artikel 34, eerste lid, van het besluit
overlegt een aanvrager van een besluit tot toelating voor een biocide
als bedoeld in artikel 121 van de wet gegevens die niet zijn genoemd
in artikel 34, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van het besluit
slechts voor zover deze gegevens in verband met de aard van de
bijzondere vorm van toelating als bedoeld in de artikelen 121 en 123
tot en met 126 van de wet en de artikelen 36 en 37 van het besluit
naar het oordeel van het college nodig zijn.
2. In geval van een aanvraag tot toelating bedoeld in artikel 34,
tweede lid, van het besluit, kan het college bepalen dat dezelfde
gegevens dienen te worden overgelegd als die nodig zouden zijn geweest
voor toepassing van de Handleiding toelating bestrijdingsmiddelen,
zoals laatstelijk vastgesteld bij besluit van 13 december 2006, nr.
TRCJZ/2006/2719, houdende bekendmaking van beleidsregels inzake de
toelating van biociden en gewasbeschermingsmiddelen (Stcrt. 2006,
248), onverminderd het bepaalde in artikel 51 van de wet.
Artikel 10.3. Beoordeling van een biocide als bedoeld in artikel 121
van de wet
Het college geeft in de beoordeling van een aanvraag omtrent
toelating van een biocide als bedoeld in artikel 121 van de wet,
ongeacht voor welke vorm van toelating als bedoeld in hoofdstuk 9 van de
wet een aanvraag is ingediend, een oordeel over elk onderdeel van
bijlage VI bij richtlijn 98/8/EG met inachtneming van de specifieke
bepalingen die voor elke vorm van toelating bij wet of bij besluit zijn
gegeven.
Artikel 10.4 [Vervallen per 16-12-2011]
Artikel 10.5 [Vervallen per 16-12-2011]
Artikel 10.6. Het begrip dringend vereist biocide
1.Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu stelt op
verzoek van het college de noodzaak van een dringend vereiste biocide
vast.
2.Een biocide is niet dringend vereist als bedoeld in artikel 36,
tweede lid, van het besluit als voor de bestrijding van een schadelijk
organisme reeds een of meer biociden zijn toegelaten, tenzij de
ontwikkeling of instandhouding van een systeem van juist gebruik, als
bedoeld in artikel 1 van de wet, niet meer mogelijk is wanneer de
biocide niet wordt toegelaten.
3.Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu houdt in zijn
afwegingen bij de vaststelling rekening met alle beschikbare
maatregelen ter bestrijding van het schadelijk organisme. Het houdt
daarbij tevens rekening met het risico op resistentievorming van reeds
toegelaten biociden.
4.Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu baseert zijn
vaststelling omtrent het dringend vereist zijn van de biocide ten
minste op interviews met een of meer deskundigen, waaronder een of
meer gebruikers.
5.De aanvrager van een dringend vereiste biocide kan aan de hand
van nieuwe informatie het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en
Milieu verzoeken de vaststelling dat een biocide niet dringend vereist
is, te heroverwegen.
Artikel 10.7. Beoordeling dringend vereist biocide
1. Het college kan op een aanvraag tot toelating van een dringend
vereist biocide op aanvraag van een besluit tot toelating als bedoeld
in artikelen 52 of 53 van de wet ook andere biociden toelaten mits
deze middelen dezelfde werkzame stof bevatten in een preparaat dat
niet wezenlijk verschilt van het preparaat waarvoor een aanvraag is
ingediend. Het college past daartoe artikelen 3.9 en3.10
overeenkomstig toe.
2. Het college houdt in zijn afweging of het biocide een
onaanvaardbaar effect heeft op het milieu rekening met de mate van de
verwachte omvang van de toepassing in het bij de toepassing betrokken
bedrijf, de mate waarin de toepassing uitgevoerd wordt, de duur van
het optredende effect en de mate waarin een effect op het milieu naar
het oordeel van het college met voorschriften kan worden beperkt.
3. Het college kan aan de toelating voor het gebruik het
voorschrift verbinden dat een door de Minister van Infrastructuur en
Milieu aan te wijzen instantie de aanwezigheid van het te bestrijden
organisme heeft geconstateerd.
4. Het college kan de toelating voor het op de markt brengen en
gebruiken beperken tot een kleinere periode dan in een communautaire
maatregel met betrekking tot middelen die de betrokken werkzame stof
bevatten is opgenomen, indien en voor zover het college dit met het
oog op het belang van de bescherming van mens en dier alsmede het
milieu nodig oordeelt.
5. Bij de intrekking of wijziging van een besluit tot toelating van
een dringend vereist middel bepaalt het college of, in hoeverre en
voor welke termijn het is toegestaan de in artikel 68, vijfde lid, van
de wet genoemde handelingen te verrichten met in achtneming van
communautaire maatregelen met betrekking tot de betrokken werkzame
stof en voor zover het belang van de bescherming van mens en dier
alsmede het milieu zich daar niet tegen verzet.
6. Het college kan bij een besluit tot toelating de toelatingsduur
beperken en nadere voorwaarden stellen waaronder voorwaarden inzake de
gegevens:
a. die de aanvrager ieder jaar aan een door de Minister van
Infrastructuur en Milieu aan te wijzen instantie levert om te
kunnen vaststellen dat de biocide dringend vereist is,
b. die de aanvrager ieder jaar levert om te voldoen aan artikel
36, derde lid, onderdelen a tot en met c, van het besluit,
c. inzake de administratie van de handel en het gebruik van de
dringend vereiste middelen.
7. Het college kan de toelating van een dringend vereist biocide
onmiddellijk intrekken zonder een termijn als bedoeld in artikel 68,
vijfde lid, van de wet te stellen, indien zich gevolgen als bedoeld in
artikel 49, eerste lid, onderdeel b van de wet voordoen.
8. Het college maakt een besluit omtrent toelating van een dringend
vereist biocide op zijn website bekend.
9. Het college trekt een besluit tot toelating van een dringend
vereist biocide in en neemt een aanvraag tot een desbetreffend besluit
niet in behandeling indien de toelating niet of niet meer dringend
vereist is in de zin van artikel 10.6, eerste lid,
10. Het college bepaalt bij ieder besluit inzake toelating van een
dringend vereiste biocide hoe de voorschriften voor het gebruik van de
biocide bekend worden gemaakt. Het college past daarbij artikel 2.21
op dienovereenkomstige wijze toe.
Artikel 10.8 [Vervallen per 16-12-2011]
Artikel 10.9. Vereenvoudigde uitbreidingstoelating biociden
1.Artikel 3.7, zevende lid, is niet van toepassing bij een
beoordeling van een aanvraag tot uitbreiding van de toepassing als
bedoeld in artikel 126, eerste lid, van de wet.
2.Bij de ambtshalve vaststelling van de wijze van mededelen als
bedoeld in artikel 31, vierde lid, van de wet kiest het college voor
de wijze van mededelen van voorschriften voor de uitbreiding van de
toepassing als bedoeld in artikel 126, zesde lid, van de wet uit een
van de volgende mogelijkheden:
a. vermelding op de verpakking,
b. het in de verpakking opnemen van een bijsluiter, die de
mededeling bevat, of
c. het overhandigen van een bijsluiter met de desbetreffende
mededeling aan de gebruiker bij het verstrekken van de biocide.
Hoofdstuk 11. Intrekkingsbepalingen, wijzigingsbepalingen,
overgangsrecht en slotbepalingen
Artikel 11.1. Intrekken mandaatbesluit
De regeling van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
van 24 december 1992, nr. 9218639, houdende het verlenen van mandaat aan
het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (Stcrt. 252)
wordt ingetrokken.
Artikel 11.2. Intrekken instellingsregeling commissie van toezicht
De regeling van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij van 19 december 2001, nr. Trcjz/2001/12365, houdende het
verlenen van mandaat aan het College voor de toelating van
bestrijdingsmiddelen (Stcrt. 248) wordt ingetrokken.
Artikel 11.3. Wijziging Warenwetregeling Babyvoeding
[Wijzigt de Warenwetregeling Babyvoeding]
Artikel 11.4. Wijziging Nadere regels verpakking en aanduiding
milieugevaarlijke stoffen en preparaten
[Wijzigt de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke
stoffen en preparaten]
Artikel 11.5. Wijziging van de Regeling preventie, bestrijding en
monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s
[Wijzigt de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van
besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s]
Artikel 11.6. Wijziging van de Regeling milieukwaliteitseisen
gevaarlijke stoffen oppervlaktewateren
[Wijzigt de Regeling milieukwaliteitseisen gevaarlijke stoffen
oppervlaktewateren]
Artikel 11.7. Wijziging van de regeling met de citeertitel Besluit
organisatie VWA
[Wijzigt het Besluit organisatie VWA]
Artikel 11.8. Wijziging van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006
[Wijzigt de Regeling GLB-inkomenssteun 2006]
Artikel 11.9 [Vervallen per 16-12-2011]
Artikel 11.10 [Vervallen per 16-12-2011]
Artikel 11.10a. Wijziging
artikel 6.6
[Wijzigt deze regeling]
Artikel 11.10b. Toelating toevoegingstoffen
1. Het college verleent een toelating voor een toevoegingstof als
bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel d, van verordening (EG)
1107/2009, indien de aanvrager aantoont dat de toevoegingstof geen
formuleringshulpstof bevat, die in bijlage III van verordening (EG)
1107/2009 is opgenomen.
2. Het college herziet een toelating voor een toevoegingstof
indien:
a. de nadere regels, bedoeld in artikel 58, tweede lid, van
verordening (EG) 1107/2009 daartoe nopen, of
b. een toevoegingstof geheel of gedeeltelijk bestaat uit
formuleringshulpstoffen die zijn opgenomen in bijlage III van
verordening (EG) 1107/2009.
Artikel 11.10c. Toelating met niet-goedgekeurde beschermstoffen en
synergisten
1. Een gewasbeschermingsmiddel kan worden toegelaten, hoewel het
een niet goedgekeurde beschermstof of synergist bevat, als bedoeld in
artikel 2, derde lid, onderdeel a respectievelijk b, van verordening
(EG) 1107/2009:
a. totdat een werkprogramma als bedoeld in artikel 26 van
verordening (EG) 1107/2009 is vastgesteld, en
b. zolang de desbetreffende beschermstof of synergist in het
werkprogramma is opgenomen.
2. Het college beperkt de duur van een toelating van een
gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in het eerste lid tot een periode
van vijf jaren na de vaststelling van het werkprogramma, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a.
3. Het college herziet of wijzigt een toelating als bedoeld in het
eerste lid naar gelang de ontwikkeling van het werkprogramma, bedoeld
in het eerste lid, onderdeel a, of aan de hand van een besluit omtrent
de desbetreffende beschermstof of synergist.
Artikel 11.11. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip dat de Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden in werking treedt.
Artikel 11.12. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling
gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
G. Verburg.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.M. Cramer.
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|