| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet
informatie-uitwisseling ondergrondse netten
BESLUIT
INFORMATIE-UITWISSELING ONDERGRONDSE NETTEN
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 12 juni 2008, houdende regels voor een
systeem van informatie-uitwisseling ter voorkoming van graafschade (Besluit
informatie-uitwisseling ondergrondse netten)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, gedaan mede namens
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
van 18 oktober 2007, nr. WJZ 7121121;
Gelet op de artikelen 8, derde lid, 20, 21,
eerste, tweede en derde lid, 22, eerste lid, 23 en 46, derde lid, en 49,
eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten;
De Raad van State gehoord (advies van 14
december 2007, nr. W10.07.0385/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Economische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 juni 2008,
nr. WJZ 8033314;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten;
b. beheerdersinformatie: de informatie die een beheerder
verstrekt ingevolge artikel 10, eerste lid, of artikel 46, derde
lid, van de wet.
Artikel 2
1. Een beheerpolygoon, oriëntatiepolygoon en graafpolygoon wordt
weergegeven door een tekening van een vlak aan de hand van
coördinaten van het rijksdriehoekstelsel op door de Dienst verstrekt
kaartmateriaal.
2. De beheerder stelt een beheerpolygoon op voor elk net dat hij
beheert.
3. De omvang en vorm van het gebied van de beheerpolygoon is
gerelateerd aan de ligging van het net dat binnen dat gebied wordt
beheerd, waarbij rekening wordt gehouden met een zorgvuldigheidsmarge
tussen de ligging van het net en de grens van het gebied, en waarbij
netten die een verbinding vormen als bedoeld in artikel 45, tweede
lid, van de wet, buiten beschouwing kunnen blijven.
4. De Dienst verricht de registratie, bedoeld in artikel 18, vierde
lid, onderdeel b, van de wet, overeenkomstig de gebiedsaanduiding die
desgevraagd door de gemeente in wier grondgebied het net zich bevindt,
is gegeven.
5. De oriëntatiepolygoon past binnen een vierkant waarvan de
zijdes langs de x- en y-coördinaten lopen en waarvan de zijdes een
lengte van 2,5 kilometer hebben.
6. De graafpolygoon past binnen een vierkant waarvan de zijdes
langs de x- en y-coördinaten lopen en waarvan de zijdes een lengte
van 500 meter hebben. Indien overeenkomstig artikel 12 van de wet
graafmeldingen gezamenlijk worden gedaan door tussenkomst van een door
Onze Minister aangewezen organisatie, past de graafpolygoon binnen een
vierkant waarvan de zijdes langs de x- en y-coördinaten lopen en
waarvan de zijdes een lengte van 1.500 meter hebben.
Artikel 3
1.Beheerders, opdrachtgevers, grondroerders, en bestuursorganen
hebben toegang tot en aansluiting op het informatiesysteem, mits zij
zich daartoe tevoren hebben aangemeld bij de Dienst.
2.Een grondroerder of opdrachtgever heeft slechts toegang tot en
aansluiting op het informatiesysteem indien hij in het kader van de
uitoefening van een beroep of een bedrijf graafwerkzaamheden onder
zijn verantwoordelijkheid of leiding laat verrichten, respectievelijk
opdracht geeft tot het uitvoeren van een werk waarbij
graafwerkzaamheden worden verricht.
3.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de
in het eerste lid bedoelde aanmelding, met inbegrip van de
verstrekking van gegevens omtrent de aan te melden organisatie en
personen.
Artikel 4
1. De registratiemelding, het oriëntatieverzoek en de graafmelding
worden gedaan en het graafbericht wordt verzonden via het elektronisch
informatiesysteem, met dien verstande dat:
a. het oriëntatieverzoek en de graafmelding door tussenkomst
van de Dienst kunnen worden gedaan;
b. graafmeldingen voor graafwerkzaamheden als bedoeld in
artikel 8, derde lid, van de wet overeenkomstig artikel 12 van de
wet gezamenlijk kunnen worden gedaan door tussenkomst van een door
Onze Minister aangewezen organisatie.
2. De registratiemelding omvat een aanduiding van de functie van
het betreffende net overeenkomstig een bij ministeriële regeling te
bepalen functie-indeling.
3. De graafmelding omvat de aanvangsdatum van de voorgenomen
graafwerkzaamheden en een aanduiding van de aard van deze
werkzaamheden. De eerste volzin is niet van toepassing op
graafmeldingen die overeenkomstig artikel 12 van de wet gezamenlijk
worden gedaan door tussenkomst van een door Onze Minister aangewezen
organisatie.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
wijze waarop en de vorm waarin een registratiemelding, een
oriëntatieverzoek, een graafmelding, een ontvangstbevestiging als
bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de wet, of een graafbericht
wordt gedaan, en over de hierbij te verstrekken gegevens.
Artikel 5
1. De liggingsgegevens die deel uitmaken van de
beheerdersinformatie hebben betrekking op elk in de
oriëntatiepolygoon of graafpolygoon gelegen net, en worden
weergegeven door een tekening op een bij ministeriële regeling te
bepalen schaalgrootte.
2. De liggingsgegevens die deel uitmaken van de
beheerdersinformatie, hebben betrekking op de horizontale ligging en
zijn gebaseerd op de meest nauwkeurige metingen die voor de beheerder
beschikbaar zijn, met dien verstande dat de metingen ten minste een
nauwkeurigheid van een meter hebben.
3. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat op de in het
eerste lid bedoelde tekening markeringen en afzonderlijke elementen
van het net als zodanig worden weergegeven, en kunnen nadere regels
worden gesteld ten aanzien van de weergave van deze gegevens.
4. De beheerdersinformatie omvat de volgende gegevens:
a. de functie van het net overeenkomstig de bij ministeriële
regeling te bepalen functie-indeling;
b. indien meer dan één door de beheerder beheerd net op
onderling zo geringe afstand is gelegen dat deze op de in het
eerste lid bedoelde kaart niet afzonderlijk kunnen worden
weergegeven: het aantal netten;
c. andere, bij ministeriële regeling bepaalde gegevens.
5. Het vierde lid, onderdeel b, is niet van toepassing voor zover
het netten betreft die deel uitmaken van een stervormig aangelegd
aansluitnetwerk en indien wordt voldaan aan de bij ministeriële
regeling gestelde regels.
6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
wijze waarop beheerdersinformatie wordt verstrekt en over de daarbij
te verstrekken contactgegevens.
7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
over de gebiedsinformatie die op grond van artikel 11 van de wet aan
de grondroerder wordt verstrekt en over de wijze waarop deze
gebiedsinformatie wordt verstrekt.
Artikel 6
De maximale diepgang, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet,
bedraagt 50 centimeter.
Artikel 7
1.Indien als gevolg van een calamiteit onverwijld
graafwerkzaamheden noodzakelijk zijn om persoonlijk letsel of grote
schade te voorkomen zijn de artikelen 2, 8 en 13 van de wet niet van
toepassing.
2.Indien graafwerkzaamheden worden verricht als bedoeld in het
eerste lid, draagt de opdrachtgever er zorg voor dat deze
graafwerkzaamheden zoveel mogelijk op zorgvuldige wijze kunnen worden
verricht, rekening houdend met de urgentie van de werkzaamheden.
3.De grondroerder verricht de in het eerste lid bedoelde
graafwerkzaamheden op zorgvuldige wijze, rekening houdend met de
urgentie van de werkzaamheden.
4.De grondroerder stelt voorafgaand aan de in het eerste lid
bedoelde graafwerkzaamheden de Dienst daarvan in kennis, waarna de
Dienst onverwijld de contactgegevens van de beheerders van netten die
op de graaflocatie zijn gelegen en informatie over de functie van deze
netten aan de grondroerder verstrekt. De Dienst draagt in verband
hiermee zorg voor permanente bereikbaarheid van de Dienst.
5.De Dienst kan de uitvoering van het vierde lid opdragen aan een
instelling die permanent bereikbaar is.
6.De grondroerder wint voor zover mogelijk bij de beheerders van
netten die zijn gelegen op de graaflocatie, informatie in over de
precieze ligging van netten op de graaflocatie. De grondroerder neemt
in elk geval contact op met de beheerders van een net met gevaarlijke
inhoud dat op de graaflocatie is gelegen.
7.De beheerder van een net met gevaarlijke inhoud zorgt dat hij met
het oog op de uitvoering van het zesde lid permanent telefonisch
bereikbaar is voor het verschaffen van informatie en het treffen van
voorzorgsmaatregelen voor zover dat nodig en mogelijk is.
8.De opdrachtgever meldt onder opgaaf van redenen uiterlijk de
eerstvolgende werkdag bij Onze Minister indien hij opdracht heeft
gegeven tot graafwerkzaamheden als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8
1. De gebieden, bedoeld in artikel 23 van de wet, zijn:
a. de luchthavens Schiphol, Rotterdam, Lelystad, Maastricht,
Eelde, Leeuwarden, Volkel, Eindhoven, De Peel, Gilze Rijen,
Woensdrecht en De Kooy;
b. de plaatsen van vestiging van de inrichtingen die beschikken
over een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, van de
Kernenergiewet;
c. de marinehavens van Den Helder en Vlissingen;
d. de plaatsen van vestiging van militaire zend- en
ontvangstinstallaties die naar hun aard een bijzondere vorm van
informatiebeveiliging vereisen.
2. In dit artikel wordt onder gebiedsbeheerder verstaan:
a. voor de in het eerste lid, onder a, bedoelde
burgerluchthavens: de exploitant van de luchthaven;
b. voor de in het eerste lid, onder a, bedoelde militaire
luchthavens: Onze Minister van Defensie;
c. voor de in het eerste lid, onder b, bedoelde gebieden: de
houder van de vergunning; en
d. voor de in het eerste lid, onder c en d, bedoelde gebieden:
Onze Minister van Defensie.
3. De gebiedsbeheerder doet bij de Dienst opgave van de begrenzing
van de gebieden, bedoeld in het eerste lid, waarover hij het beheer
voert en stelt onverwijld de Dienst in kennis van wijzigingen van die
begrenzing.
4. Indien een oriëntatieverzoek of graafmelding betrekking heeft
op gebied als bedoeld in het eerste lid:
a. verstrekt de gebiedsbeheerder geen liggingsgegevens over
netten die hij beheert aan de Dienst;
b. verstrekt de Dienst gebiedsinformatie onverwijld, doch
uiterlijk binnen twee werkdagen na verzending van het
graafbericht, aan de gebiedsbeheerder;
c. indien de gebiedsbeheerder niet degene is die het
oriëntatieverzoek of de graafmelding heeft ingediend, verstrekt
hij onverwijld de van de Dienst ontvangen gebiedsinformatie en
beheerdersinformatie over eigen netten die zijn gelegen in de
oriëntatiepolygoon of de graafpolygoon aan degene die het
oriëntatieverzoek of de graafmelding heeft gedaan, voor zover dit
naar zijn oordeel noodzakelijk is voor het zorgvuldig verrichten
van de graafwerkzaamheden en geen afbreuk doet aan het vereiste
niveau van informatiebeveiliging.
5. Op de verstrekking van informatie door de gebiedsbeheerder is
artikel 11, derde lid, en zijn de krachtens artikel 21 en 22 van de
wet gestelde regels van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9
De bewaarplicht, bedoeld in artikel 20 van de wet, geldt voor een
periode van vijf jaar.
Artikel 10 [Vervallen per 01-08-2011]
Artikel 11 [Vervallen per 01-08-2011]
Artikel 12
1. Dit besluit, met uitzondering van artikel 6, treedt in werking
op 1 juli 2008.
2. Artikel 6 treedt in werking op 1 oktober 2008.
Artikel 13
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit informatie-uitwisseling
ondergrondse netten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 12 juni 2008
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
M.J.A. van der Hoeven
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
J.M. Cramer
Uitgegeven de zesentwintigste juni 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|