| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet
informatie-uitwisseling ondergrondse netten
TIJDELIJKE
REGELING INFORMATIE-UITWISSELING ONDERGRONDSE NETTEN
Tekst zoals deze geldt op
28 januari 2010
Vervallen
m.i.v. 1 juli 2010
|
|
|
REGELING van de Minister van Economische Zaken van
20 juni 2008, nr. WJZ 8067794, houdende regels voor een
systeem van informatie-uitwisseling ter voorkoming van graafschade zoals
van toepassing tot het moment van inwerkingtreding van artikel 5, eerste
lid, van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (Tijdelijke
regeling informatie-uitwisseling ondergrondse netten)
De Minister
van Economische Zaken;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op de artikelen 21, vierde lid, 47, 48,
tweede lid, en 49, tweede lid, van de Wet informatie-uitwisseling
ondergrondse netten, alsmede de artikelen 3, derde lid, 4, tweede en
vierde lid, en 5, vierde en vijfde lid, van het Besluit
informatie-uitwisseling ondergrondse netten;
Besluit:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. besluit: Besluit informatie-uitwisseling ondergrondse netten;
b. Minister: de Minister van Economische zaken;
c. burgerservicenummer: het burgerservicenummer, bedoeld in
artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen
burgerservicenummer.
§ 2. Deelname aan informatie-uitwisseling
Artikel 2
1. Voor de aanmelding, bedoeld in artikel
3, eerste lid, van het besluit, gebruikt de beheerder, de grondroerder,
de opdrachtgever of het bestuursorgaan een daarvoor door de Dienst
vastgesteld formulier.
2. In het geval van een aanmelding van een beheerder,
opdrachtgever, grondroerder of bestuursorgaan, verstrekt deze:
a. betreffende de organisatie: het nummer van inschrijving in het
handelsregister voor zover de organisatie gehouden is zich in te
schrijven in het handelsregister;
b. betreffende de persoon die is belast met de taak van
informatie-uitwisseling op grond van de wet: een kopie van zijn
identiteitsbewijs, zijn handtekening, zijn burgerservicenummer en,
voor zover zijn bevoegdheid niet blijkt uit een openbaar register, een
kopie van de machtiging om namens de organisatie aan de
informatie-uitwisseling op grond van de wet deel te nemen.
3. Indien de in het tweede lid bedoelde onderneming niet in
Nederland is gevestigd of in Nederland vertegenwoordigd is door een
gevolmachtigde handelsagent, verstrekt de onderneming in afwijking van
onderdeel a van het tweede lid de naam, het bezoekadres, en, in
voorkomend geval, het nummer waaronder de onderneming in een buitenlands
register is ingeschreven, de naam van dat register en de plaats en het
land waar het register wordt gehouden.
4. Indien de in het tweede lid bedoelde persoon niet beschikt
over een burgerservicenummer, verstrekt hij in plaats hiervan zijn
persoonsgegevens.
5. Na vaststelling dat de vereiste gegevens en bescheiden zijn
overgelegd, kent de Dienst aan de beheerder, de grondroerder, de
opdrachtgever of het bestuursorgaan een code toe ten behoeve van de
deelname door de in het tweede lid bedoelde persoon aan de
informatie-uitwisseling op grond van de wet.
6. De aangemelde organisatie informeert de Dienst onverwijld met
gebruikmaking van een daarvoor door de Dienst vastgesteld formulier over
een wijziging van de bij de aanmelding verstrekte gegevens.
Artikel 3
1. Degene die anders dan in het kader van de uitoefening van
een beroep of een bedrijf een oriëntatieverzoek of een graafmelding
doet door tussenkomst van de Dienst verstrekt hierbij aan de Dienst
een kopie van zijn identiteitsbewijs, zijn handtekening en zijn
burgerservicenummer of, indien hij niet beschikt over een
burgerservicenummer, zijn persoonsgegevens, dan wel identificeert zich
op een andere wijze ten genoege van de Dienst.
2. Indien in het kader van de uitoefening van een beroep of een
bedrijf een oriëntatieverzoek of een graafmelding wordt gedaan door
tussenkomst van de Dienst en de betrokkene beschikt niet op grond van
artikel 2 over een code, is artikel 2, tweede, derde en vierde lid, van
overeenkomstige toepassing.
3. Indien het oriëntatieverzoek of de graafmelding wordt gedaan
door een bestuursorgaan dat niet op grond van artikel 2 over een code
beschikt, is artikel 2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4
1. Van de verplichtingen van de artikelen 6, tweede lid, 10,
eerste lid, 45 en 46 van de wet is de beheerder vrijgesteld die een
net beheert dat geheel of grotendeels is gelegen in grond die geen
openbare grond is in de zin van artikel 1, onderdeel aa, van de
Telecommunicatiewet en mits die grond door hem wordt gebruikt
krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van
a. een net dat een aansluiting heeft ten behoeve van derden, niet
zijnde ondernemingen die deel uitmaken van een groep in de zin van
artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waarvan ook de
beheerder deel uitmaakt;
b. een net met een gevaarlijke inhoud of een net met de functie gas
hoge druk, chemie, petrochemie, landelijk hoogspanningsnet,
hoogspanning of warmte, zoals omschreven in de bijlage bij deze
regeling.
Artikel 5
1. Van de verplichtingen van de artikelen 6, tweede lid, 10,
eerste lid, 45 en 46 van de wet is vrijgesteld de beheerder van een
net dat is gelegen binnen de gemeente Rotterdam en waarvoor hij
beschikt over een vergunning op grond van de Leidingenverordening
Rotterdam 2005 of de Telecommunicatieverordening Rotterdam 2008.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van
a. de gemeente Rotterdam voor zover deze als beheerder optreedt;
b. beheerders van netten met een gevaarlijke inhoud.
§ 3. Vereisten inzake de
informatieverstrekking
Artikel 6
1. De Dienst verstrekt bij de
ontvangstbevestiging aan degene die een oriëntatieverzoek of een
graafmelding heeft gedaan een overzicht van de beheerders aan wie het
desbetreffende graafbericht is gezonden.
2. Bij het doen van een oriëntatieverzoek of een graafmelding
wordt gebruik gemaakt van de daarvoor door de Dienst vastgestelde
formulieren.
Artikel 7
De beheerdersinformatie omvat in voorkomende gevallen gegevens over
te nemen voorzorgsmaatregelen.
Artikel 8
Bij de aanduiding van de functie van een net wordt gebruik gemaakt
van de functie-indeling, opgenomen in de bijlage bij deze regeling.
Artikel 9
Vermelding in de beheerdersinformatie van het aantal kabels, bedoeld
in artikel 5, vierde lid, onder b, van het besluit, is niet vereist ten
aanzien van kabels die deel uitmaken van een stervormig aangelegd
aansluitnetwerk indien deze kabels telkens op een afstand van een meter
zijn samengebonden.
Artikel 10
De beheerder rapporteert langs elektronische weg over het aantal
schadegevallen met gebruikmaking van een daarvoor door de Minister
vastgesteld formulier.
Artikel 11
De grondroerder doet de melding, bedoeld in artikel 48, eerste lid,
van de wet, onder vermelding van het nummer dat de Dienst hem heeft
verstrekt naar aanleiding van de graafmelding, en van informatie over de
ligging en kenmerken van het desbetreffende gedeelte van het net met een
weergave op het door de beheerder verstrekte kaartmateriaal. De
grondroerder verzendt een afschrift van deze melding aan de Minister.
§ 4. Slotbepalingen
Artikel 12
Deze regeling treedt in werking op 1 juli 2008.
Artikel 13
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling
informatie-uitwisseling ondergrondse netten.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
Den Haag, 20 juni 2008.
De Minister van Economische Zaken,
M.J.A. van der Hoeven.
Bijlage, behorende bij artikel 4, tweede
lid, onder b, en artikel 8 van de Tijdelijke regeling
informatie-uitwisseling ondergrondse netten
Functie-indeling netten
Onderstaand overzicht bevat een overzicht van functies van netten,
met een nadere omschrijving.
| |
Functie
|
Omschrijving
|
|
1
|
buisleiding gevaarlijke
inhoud
|
Een net met gevaarlijke
inhoud is in de WION gedefinieerd als een buisleiding die behoort
tot een krachtens artikel 12.12, tweede lid, van de Wet
milieubeheer aangewezen categorie. De aanwijzing van deze
categorieën heeft plaatsgevonden door middel van het
Registratiebesluit externe veiligheid, i.h.b. artikel 6, lid 1
(Staatsblad 2006, 656) in combinatie met definities uit artikel 1.
Deze bepalingen luiden als volgt:
|
| |
|
|
| |
|
Artikel 6 (lid 1)
|
| |
|
1. Als buisleidingen als
bedoeld in artikel 12.12, tweede lid, van de wet Milieubeheer
worden aangewezen:
a. aardgasleidingen met
een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer
dan 1600 kPa;
b. buisleidingen voor
het vervoer van brandbare vloeistoffen van de categorieën K1, K2
of K3, met een uitwendige diameter van meer dan 100 mm;
c. buisleidingen voor
andere gevaarlijke stoffen dan bedoeld onder a en b, waarvoor het
plaatsgebonden risico op een afstand van 5 m gemeten vanaf het
hart van de buisleiding hoger is dan 10–6
per jaar.
|
| |
|
|
| |
|
Artikel 1 (lid g, h, i
en j)
|
| |
|
g. plaatsgebonden
risico: risico op een plaats buiten een inrichting, een
transportroute of een buisleiding, uitgedrukt als de kans per jaar
dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou
verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon
voorval binnen die inrichting, op die transportroute of met die
buisleiding, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is;
h. categorie K1: een
product niet zijnde een brandbaar gas met een vlampunt dat,
bepaald met het toestel van Abel-Pensky, bij een druk van 100 kPa
lager is dan 21°C;
i. categorie K2: een
product met een vlampunt dat, bepaald met het toestel van
Abel-Pensky, bij een druk van 100 kPa ligt tussen de 21°C en 55°C;
j. categorie K3: een
product met een vlampunt dat, bepaald met het toestel van
Pensky-Martens, bij een druk van 100 kPa hoger is dan 55°C en
lager is dan 100°C;
|
| |
|
|
|
2
|
datatransport
|
De elektronische
overdracht van signaalinformatie tussen punten via kabels die deel
uitmaken van een net.
|
| |
|
|
|
3
|
gas lage druk
|
Een gasleiding lagedruk
(LD) heeft een drukniveau lager dan 200 mBar en bestaat uit een
hoofdleiding en een aansluitleiding. LD druksoorten: 100, 30 mBar.
NB: De aansluitleiding
kan ook alleen op (huis)aansluitschetsen voorkomen.
Opmerking: In de
praktijk kunnen netten tot en met 500 mBar op de LD themakaart
voorkomen
|
| |
|
|
|
4
|
gas hoge druk
|
Een gasleiding hogedruk
(HD) heeft een drukniveau hoger dan 200 mBar en bestaat uit een
hoofdleiding en een aansluitleiding. HD druksoorten: 8, 4, 1 Bar.
NB: De aansluitleiding
kan ook alleen op (huis)aansluitschetsen voorkomen.
Opmerking: In de
praktijk kunnen netten vanaf 200 mBar op de HD themakaart
voorkomen.
|
| |
|
|
|
5
|
(petro)chemie
|
Leiding voor transport
van olie of chemicaliën, niet vallend onder de functie
‘Buisleiding gevaarlijke inhoud’.
|
| |
|
|
|
6
|
landelijk
hoogspanningsnet
|
Toestand waarin het
mogelijk is een elektrische stroom te creëren;ZHS = zeer hoge
spanning (110 kV tot en met 380 kV).
|
| |
|
|
|
7
|
hoogspanning
|
Toestand waarin het
mogelijk is een elektrische stroom te creëren; HS = hoogspanning
(36 tot en met 220 kV).
Opmerking: In de
praktijk kunnen netten vanaf 20 kV t/m 220 kV op de HS themakaart
voorkomen
|
| |
|
|
|
8
|
laagspanning
|
LS kabel bestaat uit
hoofdnet en aansluitnet. LS = laagspanning (230 V en 400 V)
NB: De aansluitleiding
kan ook alleen op (huis)aansluitschetsen voorkomen.
Opmerking: In de
praktijk kunnen netten tot en met 1000 Volt op de LS themakaart
voorkomen
|
| |
|
|
|
9
|
middenspanning
|
MS kabel bestaat uit
hoofdnet en aansluitnet. MS = middenspanning (0,4 kV tot 30 kV)
NB: De aansluitleiding
kan ook alleen op (huis)aansluitschetsen voorkomen.
Opmerking: In de
praktijk kunnen netten van 400 Volt op de MS themakaart voorkomen.
|
| |
|
|
|
10
|
riool vrijverval
|
Riool waardoor
afvalwater door de zwaartekracht wordt getransporteerd (uit NEN
3300, Buitenriolering).
|
| |
|
|
|
11
|
riool onder druk
|
Riolering waarbij het
transport plaatsvindt door overdruk (uit NEN 3300,
Buitenriolering).
|
| |
|
|
|
12
|
warmte
|
Een warmtenet kan
bestaan uit stadswarmte, centraal tapwater en een koude net.
Een stadswarmtenet
bestaat uit aanvoer- en retourleidingen.
Onderverdeeld in:
Transport-, en/of
Wijknet en Aansluitleidingen.
Leidingdiameters
40–1100 mm.
Temp. 40°–120°
Druk 4–25 bar
NB: De aansluitleiding
kan ook alleen op (huis)aansluitschetsen voorkomen.
|
| |
|
|
| |
|
Een centraal tapwaternet
bestaat uit aanvoer- en recirculatieleidingen,
Onderverdeeld in:
Wijknet en
Aansluitleidingen.
Waarbij het mogelijk is
dat aanvoer- en recirculatieleiding gecombineerd zijn in één
mantel, of een gescheiden tracé hebben.
Temp. 66°
Druk 2–4 bar
NB: De aansluitleiding
kan ook alleen op (huis)aansluitschetsen voorkomen.
|
| |
|
|
| |
|
Een koudenet bestaat uit
aanvoer- en retourleidingen.
Onderverdeeld in:
Transportnet, en
Aansluitleidingen.
Leidingdiameters
150–800 mm.
Temp. 5°–16°
Druk 2–16 bar
NB: De aansluitleiding
kan ook alleen op (huis)aansluitschetsen voorkomen.
|
| |
|
|
|
13
|
water
|
Een waterleiding bestaat
uit transport-, distributie- en aansluitleidingen ten behoeve van
(drink)water.
NB: De aansluitleiding
kan ook alleen op (huis)aansluitschetsen voorkomen.
|
| |
|
|
|
14
|
wees
|
Alle onbekende leidingen
welke bij een eerdere grondroering zijn geconstateerd, die ook na
onderzoek niet aan een beheerder waren toe te wijzen en waarvoor
de gemeente ingevolge de WION de beheerdersverplichtingen vervult.
|
| |
|
|
|
15
|
overig
|
Alle, niet bij de andere
thema’s omschreven vormen van transport door middel van kabels
en leidingen.
|
|
|
|