| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet
informatie-uitwisseling ondergrondse netten
REGELING INFORMATIE-UITWISSELING ONDERGRONDSE NETTEN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Economische Zaken van
23 februari 2010, nr. WJZ/9230923, houdende regels voor een systeem van
informatie-uitwisseling ter voorkoming van graafschade (Regeling
informatie-uitwisseling ondergrondse netten)
De Minister van Economische Zaken;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op de artikelen 18, tweede lid, 21,
vierde lid, en 49, tweede lid, van de Wet informatie-uitwisseling
ondergrondse netten, alsmede de artikelen 3, derde lid, 4, tweede en
vierde lid, en 5, eerste lid en derde tot en met zevende lid, van het
Besluit informatie-uitwisseling ondergrondse netten;
Besluit:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. besluit: Besluit informatie-uitwisseling ondergrondse netten;
b. minister: de Minister van Economische zaken;
c. burgerservicenummer: het burgerservicenummer, bedoeld in
artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen
burgerservicenummer;
d. IMKL: het Informatiemodel Kabels en Leidingen, opgenomen bij
deze regeling alsbijlage 1;
e. BMKL: het Berichtenmodel Kabels en Leidingen, opgenomen bij
deze regeling alsbijlage 2;
f. Dienst Regelingen: de Dienst Regelingen van het Ministerie van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
§ 2. Deelname aan informatie-uitwisseling
Artikel 2
1. Voor de aanmelding, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het
besluit gebruikt de beheerder, de grondroerder, de opdrachtgever of
het bestuursorgaan een daarvoor door de Dienst vastgesteld formulier.
2. In het geval van een aanmelding van een beheerder,
opdrachtgever, grondroerder of bestuursorgaan verstrekt deze:
a. betreffende de organisatie: het nummer van inschrijving in
het handelsregister;
b. betreffende de persoon die is belast met de taak van
informatie-uitwisseling op grond van de wet: een kopie van zijn
identiteitsbewijs, zijn handtekening, zijn burgerservicenummer en,
voor zover zijn bevoegdheid niet blijkt uit een openbaar register,
een kopie van de machtiging om namens de organisatie aan de
informatie-uitwisseling op grond van de wet deel te nemen.
3. Indien een onderneming als bedoeld in het tweede lid niet in
Nederland is gevestigd of in Nederland vertegenwoordigd is door een
gevolmachtigde handelsagent, verstrekt de onderneming in afwijking van
onderdeel a van het tweede lid de naam, het bezoekadres, en, in
voorkomend geval, het nummer waaronder de onderneming in een
buitenlands register is ingeschreven, de naam van dat register en de
plaats en het land waar het register wordt gehouden.
4. Indien de in het tweede lid bedoelde persoon niet beschikt over
een burgerservicenummer, verstrekt hij in plaats hiervan zijn
persoonsgegevens.
5. Na vaststelling dat de vereiste gegevens en bescheiden zijn
overgelegd, kent de Dienst aan de beheerder, de grondroerder, de
opdrachtgever of het bestuursorgaan een code toe ten behoeve van de
deelname door de in het tweede lid bedoelde persoon aan de
informatie-uitwisseling op grond van de wet.
6. De aangemelde organisatie informeert de Dienst onverwijld met
gebruikmaking van een daarvoor door de Dienst vastgesteld formulier
over een wijziging van de bij de aanmelding verstrekte gegevens.
Artikel 3
1. Degene die anders dan in het kader van de uitoefening van een
beroep of een bedrijf een oriëntatieverzoek of een graafmelding doet
door tussenkomst van de Dienst:
a. verstrekt hierbij aan de Dienst een kopie van zijn
identiteitsbewijs, zijn handtekening en zijn burgerservicenummer,
of , indien hij niet beschikt over een burgerservicenummer, zijn
persoonsgegevens ; of
b. identificeert zich op een andere wijze ten genoege van de
Dienst.
2. Indien in het kader van de uitoefening van een beroep of een
bedrijf een oriëntatieverzoek of een graafmelding wordt gedaan door
tussenkomst van de Dienst en de betrokkene niet over een code beschikt
op grond van artikel 2, is artikel 2, tweede, derde en vierde lid, van
overeenkomstige toepassing.
3. Indien het oriëntatieverzoek of de graafmelding wordt gedaan
door een bestuursorgaan dat niet op grond van artikel 2 over een code
beschikt, is artikel 2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4
1. Van de verplichtingen van de artikelen 6, tweede lid, en 10,
eerste lid, van de wet is de beheerder vrijgesteld die een net beheert
dat geheel of grotendeels is gelegen in grond die geen openbare grond
is in de zin van artikel 1, onderdeel aa, van de Telecommunicatiewet
en mits die grond door hem wordt gebruikt krachtens eigendom, bezit,
beperkt recht of persoonlijk recht.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van:
a. een net dat een aansluiting heeft ten behoeve van derden,
niet zijnde ondernemingen die deel uitmaken van een groep in de
zin van artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waarvan
ook de beheerder deel uitmaakt;
b. een net met een gevaarlijke inhoud of een net met de functie
gas hoge druk, petrochemie, chemie, landelijk hoogspanningsnet,
hoogspanning of warmte, zoals omschreven in het IMKL, onderdeel
6.4.21.
Artikel 4a
Van de verplichtingen van de artikelen 6, tweede lid, en 10, eerste
lid, van de wet is de beheerder van het openbaar riool vrijgesteld voor
het deel van dat net dat dient voor de afvoer van afvalwater vanaf de
openbare weg naar het hoofdriool.
§ 3. Vereisten aan de informatieverstrekking
Artikel 5
1. De Dienst verstrekt bij de ontvangstbevestiging aan degene die
een oriëntatieverzoek of een graafmelding heeft gedaan een overzicht
van de beheerders aan wie het desbetreffende graafbericht is gezonden.
2. Bij het doen van een oriëntatieverzoek of een graafmelding
wordt gebruik gemaakt van de daarvoor door de Dienst vastgestelde
formulieren.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op
graafmeldingen die overeenkomstig artikel 12 van de wet gezamenlijk
worden gedaan door tussenkomst van Dienst Regelingen. In deze gevallen
verstrekt Dienst Regelingen het overzicht van de beheerders aan wie
het graafbericht is gezonden, bij de verstrekking van de
gebiedsinformatie.
Artikel 6
1. De verstrekking van liggingsgegevens vindt plaats met een
schaalgrootte van 1: 500.
2. De weergave van liggingsgegevens, met inbegrip van markeringen
en afzonderlijke elementen van het net vindt plaats overeenkomstig het
IMKL.
3. Bij de aanduiding van de functie van een net wordt gebruik
gemaakt van de functie-indeling, opgenomen in het IMKL, onderdeel
6.4.21.
4. Vermelding van het aantal netten als bedoeld in artikel 5,
vierde lid, onder b, van het besluit is niet vereist ten aanzien van
netten die deel uitmaken van een stervormig aangelegd aansluitnetwerk
indien deze netten telkens op een afstand van ten hoogste een meter
zijn samengebonden.
5. Bij het verstrekken van beheerdersinformatie geeft de beheerder
toepassing aan het BMKL.
6. Indien de beheerder bij de verstrekking van beheerdersinformatie
andere gegevens verstrekt dan waartoe hij op grond van artikel 10 van
de wet is gehouden, geeft hij hierbij toepassing aan het IMKL en het
BMKL.
Artikel 7
De Dienst voegt ten behoeve van de verstrekking van de
gebiedsinformatie aan de ontvangen beheerdersinformatie een kaart als
ondergrond toe waarvoor de Grootschalige Basiskaart Nederland wordt
gebruikt.
Artikel 7a
Voor het geval graafmeldingen overeenkomstig artikel 12 van de wet
gezamenlijk worden gedaan door tussenkomst van Dienst Regelingen, wordt
vrijstelling verleend van de verplichtingen ten aanzien van de
termijnen, bepaald in de artikelen 8, eerste lid, 9, 10, eerste lid, en
11, eerste lid, van de wet.
§ 4. Rapportage schadegevallen
Artikel 8
De beheerder rapporteert langs elektronische weg over het aantal
schadegevallen met gebruikmaking van het formulier dat is opgenomen bij
deze regeling als bijlage 3.
§ 5. Netten met afwijkende ligging en onbekende netten
Artikel 9
1. De melding, bedoeld in artikel 17, eerste lid, en artikel 18,
eerste lid, van de wet, wordt gedaan via het elektronische
informatiesysteem of langs elektronische weg met gebruikmaking van een
daarvoor door de Dienst vastgesteld formulier en door weergave van de
ligging en kenmerken van het desbetreffende gedeelte van het net op
het hiertoe door de Dienst verstrekte kaartmateriaal.
2. De melding, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de wet, kan
achterwege blijven indien de grondroerder redelijkerwijs kan aannemen
dat hij een net heeft aangetroffen als bedoeld in artikel 45, tweede
lid, van de wet of een net dat wordt beheerd door een natuurlijk
persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf
of waarvan de beheerder op grond van artikel 4 is vrijgesteld van de
verplichtingen van de artikelen 6, tweede lid, en 10, eerste lid, van
de wet.
Artikel 10
De Dienst zendt het bericht omtrent een onbekend net, bedoeld in
artikel 18, tweede lid, van de wet, mede aan de gemeente in wier
grondgebied het onbekende net is aangetroffen.
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 11
Deze regeling treedt in werking op 1 juli 2010.
Artikel 12
De Tijdelijke regeling informatie-uitwisseling ondergrondse netten
wordt ingetrokken.
Artikel 13
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling informatie-uitwisseling
ondergrondse netten.
Deze regeling zal met de toelichting en de
bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage, 23 februari 2010.
De Minister van Economische Zaken,
M.J.A. van der Hoeven.
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|