| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet gebruik
burgerservicenummer in de zorg
BESLUIT
GEBRUIK BURGERSERVICENUMMER IN DE ZORG
Tekst zoals deze geldt op
25 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
BESLUIT van 23 mei 2008, houdende regels voor het
gebruik van het burgerservicenummer in de zorgsector (Besluit gebruik
burgerservicenummer in de zorg)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
van 16 januari 2007, MEVA/ICT-2740333, gedaan in overeenstemming met
Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties;
Gelet op de artikelen 2, 11, 15, 17 en 17a
van de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg en de artikelen 17 en
21, vierde lid, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;
De Raad van State gehoord (advies van 21
februari 2007, nr. W13.07.0014/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 mei 2008, MEVA/ICT-2846755;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg;
b. register van zorgaanbieders:register van zorgaanbieders als
bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet;
c. register van indicatieorganen: register van indicatieorganen
als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet;
d. register van zorgverzekeraars:register van zorgverzekeraars
als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet;
e. register: register van zorgaanbieders, register van
indicatieorganen of register van zorgverzekeraars;
f. geregistreerde: in een register opgenomen zorgaanbieder,
indicatieorgaan of zorgverzekeraar;
g. SBV-Z: sectorale berichtenvoorziening in de zorg als bedoeld
in artikel 11, eerste lid;
h. beheervoorziening:beheervoorziening als bedoeld in artikel 3
van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;
i. systeembeschrijving:systeembeschrijving als bedoeld in artikel
12;
j. toegangsmiddel: certificaat of ander authenticatiemiddel als
bedoeld in artikel 18 met inbegrip van de drager van het
toegangsmiddel.
Artikel 2
1. De verbindingskantoren, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van
het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering, worden
aangewezen als zorgverzekeraar in de zin van de wet voor zover zij het
in artikel 8 van dat besluit aangegeven deel van de administratie
verrichten voor de bij artikel 2 van dat besluit aangewezen zorg.
2. Als zorgaanbieder, respectievelijk zorg in de zin van de wet
wordt aangewezen de Stichting Sanquin Bloedvoorziening voor zover het
betreft haar werkzaamheden met betrekking tot het diagnostisch
laboratoriumonderzoek voor een zorgaanbieder en het beheer en de
exploitatie van het Transfusie Register Irregulaire antistoffen en
X(kruis)-proeven.
Hoofdstuk II. Registers
Artikel 3
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke gegevens en
bescheiden worden verstrekt bij de aanvraag te worden opgenomen in een
register.
Artikel 4
Onze Minister stelt, voor zover mogelijk aan de hand van wettelijk
gestelde vereisten voor de hoedanigheid van zorgaanbieder,
indicatieorgaan en zorgverzekeraar, vast of de aanvraag, bedoeld in
artikel 3, is gedaan door onderscheidenlijk een zorgaanbieder, een
indicatieorgaan of een zorgverzekeraar.
Artikel 5
De aanvraag, bedoeld in artikel 3, wordt in ieder geval afgewezen
indien deze niet is gedaan door een zorgaanbieder, indicatieorgaan of
zorgverzekeraar.
Artikel 6
1.In het register van zorgaanbieders wordt per inschrijving
opgenomen:
a. indien de geregistreerde een natuurlijke persoon is:
1°. geslachtsnaam;
2°. voornamen;
3°. geboortedatum;
4°. geboorteplaats;
5°. titel in de zin van de Wet op de beroepen in de
individuele gezondheidszorg;
b. indien de geregistreerde een rechtspersoon is: naam;
c. indien de geregistreerde een zorgaanbieder is als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder c, sub 2°, van de Kwaliteitswet
zorginstellingen: naam van de instelling.
2.In het register van indicatieorganen en zorgverzekeraars wordt
per inschrijving opgenomen de naam van onderscheidenlijk het
indicatieorgaan en de zorgverzekeraar.
3.In de registers wordt voorts per inschrijving opgenomen:
a. aard van de gegevens en bescheiden aan de hand waarvan is
vastgesteld dat de geregistreerde een zorgaanbieder,
indicatieorgaan of zorgverzekeraar is;
b. datum van opname in het register;
c. adres van vestiging;
d. gegevens met betrekking tot verstrekte en ingetrokken
toegangsmiddelen.
4.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
over de opname en verwerking van gegevens in het register.
Artikel 7
De geregistreerde stelt Onze Minister onmiddellijk op de hoogte van
een wijziging van de in het register opgenomen gegevens en van andere
omstandigheden die van belang kunnen zijn voor het schorsen of doorhalen
van de inschrijving.
Artikel 8
Zolang de inschrijving van een zorgaanbieder in het register, bedoeld
in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg, is geschorst, is zijn inschrijving in het register van
zorgaanbieders geschorst.
Artikel 9
De inschrijving in het register wordt slechts doorgehaald:
a. op verzoek van de geregistreerde of
b. indien de geregistreerde geen zorgaanbieder, indicatieorgaan
of zorgverzekeraar meer is.
Artikel 10
1.Onze Minister deelt aan een ieder die daarom verzoekt mede of:
a. een natuurlijke persoon of rechtspersoon staat ingeschreven;
b. een aan een geregistreerde verstrekt toegangsmiddel geldig
is.
2.Indien het verzoek wordt gedaan door de SBV-Z, wordt de
mededeling, bedoeld in het eerste lid, te allen tijde onmiddellijk
gedaan.
Hoofdstuk III. SBV-Z
Artikel 11
1.Onze Minister draagt zorg voor de inrichting en instandhouding
van een sectorale berichtenvoorziening in de zorg, waarvan deel
uitmaken:
a. voorzieningen door tussenkomst waarvan zorgaanbieders,
indicatieorganen en zorgverzekeraars gebruik kunnen maken van de
beheervoorziening;
b. voorzieningen met behulp waarvan aan een cliënt een
overzicht gegeven kan worden van het gebruik dat zorgaanbieders,
indicatieorganen en zorgverzekeraars van de voorzieningen, bedoeld
onder a, hebben gemaakt teneinde het burgerservicenummer van de
cliënt vast te stellen.
2.Onze Minister is verantwoordelijk voor de SBV-Z.
Artikel 12
1.Onze Minister stelt een systeembeschrijving voor de SBV-Z vast.
2.De systeembeschrijving bevat een beschrijving van:
a. de hoofdlijnen van de inrichting van de SBV-Z;
b. de inrichting en werking van de voorzieningen, bedoeld in
artikel 11, eerste lid, met inbegrip van de wijze waarop de
uitwisseling van gegevens door de SBV-Z met een zorgaanbieder,
indicatieorgaan of zorgverzekeraar enerzijds en de
beheervoorziening anderzijds, plaatsvindt;
c. de wijze waarop de SBV-Z het geautomatiseerde systeem van
een zorgaanbieder, indicatieorgaan of zorgverzekeraar in staat
stelt aan te sluiten op de SBV-Z;
d. de gevallen waarin en de wijze waarop aantekening wordt
gehouden van het gebruik dat van de SBV-Z wordt gemaakt;
e. de hoofdlijnen van het beheer van de SBV-Z.
Artikel 13
Onze Minister zorgt er voor dat de SBV-Z functioneert op een wijze
die overeenstemt met de systeembeschrijving.
Artikel 14
1.Onze Minister draagt zorg voor de nodige maatregelen van
technische en organisatorische aard ter beveiliging van de gegevens
die de SBV-Z verwerkt tegen verlies of aantasting van deze gegevens en
tegen onbevoegde kennisneming, opneming, wijziging, verwijdering of
verstrekking van deze gegevens.
2.Onze Minister draagt zorg voor de nodige maatregelen van
technische en organisatorische aard ter beveiliging van de SBV-Z tegen
onbevoegd gebruik en belemmering van de goede werking van de
voorzieningen, bedoeld in artikel 11, eerste lid.
3.De maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, hebben ten
minste betrekking op:
a. personen die werkzaam zijn voor Onze Minister;
b. de toegang tot de SBV-Z, met inbegrip van de verbindingen
met de SBV-Z;
c. de toegang tot gebouwen en ruimten waar de SBV-Z of
onderdelen daarvan aanwezig zijn;
d. de apparatuur en de programmatuur van de SBV-Z;
e. de gegevens en het beheer van de gegevens die door de SBV-Z
zijn vastgelegd en bewaard;
f. het geval dat de geheimhouding van door de SBV-Z verwerkte
gegevens is geschaad;
g. het voorkomen van calamiteiten en het afhandelen daarvan.
Artikel 15
Zorgaanbieders, indicatieorganen en zorgverzekeraars kunnen
uitsluitend door tussenkomst van de SBV-Z gebruik maken van de
voorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder c en d, van de
Wet algemene bepalingen burgerservicenummer.
Artikel 16
De zorgaanbieder, het indicatieorgaan en de zorgverzekeraar die is
aangesloten op de SBV-Z draagt zorg dat de verbinding van zijn
geautomatiseerde systeem met de SBV-Z en de uitwisseling van gegevens
tussen zijn geautomatiseerde systeem en de SBV-Z functioneren op een
wijze die overeenstemt met hetgeen daarover in de systeembeschrijving is
vastgelegd.
Artikel 17
Het onderzoek, bedoeld in artikel 21, derde lid, van de Wet algemene
bepalingen burgerservicenummer, leidt tot een oordeel over:
a. de volledigheid, begrijpelijkheid en juistheid van de
beschrijving van de inrichting, werking en beveiliging van de SBV-Z,
gelet op de geldende regelgeving;
b. de mate waarin de SBV-Z functioneert overeenkomstig de onder a
bedoelde beschrijving.
Hoofdstuk IV. Toegangsmiddelen
Artikel 18
Onze Minister kan op aanvraag de volgende middelen verschaffen
waarmee de geregistreerde toegang kan verkrijgen tot de SBV-Z:
a. een certificaat dat is verankerd in het Staat der Nederlanden
Root CA Certificaat;
b. een bij ministeriële regeling aangewezen authenticatiemiddel.
Artikel 19
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke gegevens en
bescheiden worden verstrekt bij de aanvraag van een toegangsmiddel.
Artikel 20
1.De aanvraag, bedoeld in artikel 18, wordt toegekend, tenzij:
a. de aanvraag niet is gedaan door een geregistreerde;
b. de aanvraag een certificaat betreft en de geregistreerde
niet voldoet aan de vereisten voor de toekenning van een
certificaat;
c. de aanvraag een authenticatiemiddel betreft en de
geregistreerde niet voldoet aan de bij ministeriële regeling
gestelde regels voor de toekenning van dat toegangsmiddel.
2.Onze Minister verstrekt het toegekende toegangsmiddel desgevraagd
aan de geregistreerde, tenzij:
a. het een certificaat betreft en de geregistreerde niet
voldoet aan de vereisten voor het verstrekken van een certificaat;
b. het een ander toegangsmiddel dan een certificaat betreft en
de geregistreerde niet voldoet aan de bij ministeriële regeling
gestelde regels voor de verstrekking van dat toegangsmiddel.
Artikel 21
1.Onze Minister brengt de geregistreerde een vergoeding voor het
certificaat in rekening die ten hoogste kostendekkend is.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de vergoeding van het certificaat, waarbij in afwijking
van het eerste lid kan worden bepaald dat geen vergoeding in rekening
wordt gebracht voor daarbij aan te wijzen categorieën certificaten
die gedurende een daarbij aan te wijzen periode worden verstrekt.
3.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de vergoeding van een ander toegangsmiddel dan een
certificaat.
Artikel 22
1.De geregistreerde gebruikt het toegangsmiddel uitsluitend
overeenkomstig de bestemming van dat toegangsmiddel.
2.De geregistreerde treft passende maatregelen om het
toegangsmiddel te beveiligen tegen beschadiging, verlies en
onrechtmatig gebruik.
3.De geregistreerde doet Onze Minister onmiddellijk mededeling van
omstandigheden die van belang kunnen zijn voor het wijzigen of
intrekken van het toegangsmiddel.
4.Onze Minister kan de geregistreerde aanwijzingen geven met
betrekking tot het beheer, de beveiliging of het gebruik van het
toegangsmiddel.
5.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het beheer, de beveiliging, het gebruik en de
intrekking van het toegangsmiddel.
Artikel 23
Het toegangsmiddel kan worden ingetrokken:
a. indien het toegangsmiddel niet is verstrekt op grond van
artikel 20, tweede lid, onder a of b;
b. indien de vergoeding, bedoeld in artikel 21, niet is voldaan;
c. indien de inschrijving in het register is geschorst of is
doorgehaald;
d. indien het toegangsmiddel beschadigd, verloren of defect is;
e. indien het toegangsmiddel onrechtmatig gebruikt is;
f. indien de werking van het toegangsmiddel aangetast is;
g. indien de geregistreerde niet voldoet aan de aanwijzingen of
regels met betrekking tot het beheer, de beveiliging, het gebruik en
de intrekking van het toegangsmiddel;
h. in andere, bij ministeriële regeling te bepalen gevallen.
Artikel 24
Bij ministeriële regeling wordt de geldigheidsduur van het
toegangsmiddel bepaald.
Artikel 25
De geregistreerde verkrijgt geen recht van eigendom of rechten van
intellectuele eigendom op het toegangsmiddel.
Hoofdstuk V. Vaststellen identiteit cliënt
Artikel 26
Artikel 5, aanhef en onder a, van de wet geldt niet voor apothekers.
Artikel 27
In afwijking van artikel 5 van de wet stelt een zorgaanbieder de
identiteit van een persoon die op het moment van inwerkingtreding van de
wet zijn cliënt is, vast voor zover dat redelijkerwijs nodig is ter
uitvoering van artikel 12 van de Wet algemene bepalingen
burgerservicenummer.
Artikel 28
1.Indien het vaststellen van de identiteit van een cliënt door een
zorgaanbieder overeenkomstig het bij of krachtens de artikelen 5, 6 en
17 van de wet bepaalde onmogelijk blijkt of een onevenredige
inspanning kost, gebruikt de zorgaanbieder in afwijking van de
artikelen 4, 8 en 9 van de wet geen burgerservicenummer.
2.In de gevallen, bedoeld het eerste lid:
a. neemt de zorgaanbieder in ieder geval de volgende gegevens
van de cliënt in zijn administratie op:
1°. geslachtsnaam;
2°. voornamen;
3°. geboortedatum;
4°. postcode van het woonadres;
5°. huisnummer van het woonadres en
b. vermeldt de zorgaanbieder de gegevens, bedoeld in onderdeel
a, bij het verstrekken van persoonsgegevens met betrekking tot de
verlening van, indicatiestelling voor of verzekering van zorg aan
een zorgaanbieder, een indicatieorgaan of een zorgverzekeraar.
Artikel 29
1. In afwijking van artikel 28 kan het burgerservicenummer worden
gebruikt door apothekers en bij zorg die per telefoon of per
elektronische bericht aan de cliënt wordt verleend, indien:
a. de zorgaanbieder de identiteit van de cliënt aan de hand
van de volgende gegevens van de cliënt controleert:
1°. geslachtsnaam;
2°. voornamen;
3°. geboortedatum;
4°. postcode van het woonadres;
5°. huisnummer van het woonadres en
b. de zorgaanbieder bij het verstrekken van het
burgerservicenummer vermeldt dat de identiteit van de cliënt niet
is vastgesteld.
2. In afwijking van artikel 28, eerste lid, kan, met betrekking tot
cliënten tot de leeftijd van 14 jaar, waarbij het vaststellen van de
identiteit overeenkomstig het bij of krachtens de artikelen 5 en 6 van
de wet bepaalde onmogelijk blijkt, het burgerservicenummer worden
gebruikt bij jeugdgezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de
Wet publieke gezondheid en bij vaccinaties, opgenomen in een
vaccinatieprogramma als bedoeld in artikel 18 van het Besluit
zorgaanspraken AWBZ, indien de zorgaanbieder:
a. de identiteit van de cliënt controleert aan de hand van de
gegevens genoemd in het eerste lid, onderdeel a, met de
persoonslijst met burgerservicenummer die verstrekt is door de
gemeente aan de cliënt, en
b. bij het verstrekken van het burgerservicenummer vermeldt dat
de identiteit van de cliënt niet is vastgesteld.
3. De zorgaanbieder, bedoeld in het tweede lid, gaat bij elk
volgend contact met de cliënt na of de cliënt inmiddels in het bezit
is van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht en gebruikt, indien dit het geval is, dit document
eenmalig om de identiteit van de cliënt vast te stellen.
4. Als de cliënt, bedoeld in het tweede en derde lid, de leeftijd
van 14 jaren heeft bereikt, stelt de zorgaanbieder, bedoeld in het
tweede en derde lid, alsnog eenmalig de identiteit van de cliënt vast
overeenkomstig het bepaalde krachtens de artikelen 5 en 6 van de wet.
5. In afwijking van artikel 28, eerste lid, kan met betrekking tot
een pasgeborene het burgerservicenummer gebruikt worden bij zorg zoals
huisartsen, medisch-specialisten, klinisch-psychologen, verloskundigen
en kraamverzorgenden die plegen te bieden aan moeder en kind in
verband met een bevalling als bedoeld in de artikelen 2.4 en 2.12 van
het Besluit zorgverzekering, indien de zorgaanbieder:
a. tijdens de bevalling of direct daarna ter plaatse deze zorg
heeft geboden en zich van de identiteit van de pasgeborene heeft
kunnen vergewissen als kind van de kraamvrouw,
b. de identiteit en het burgerservicenummer van de kraamvrouw
overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 7 van de wet heeft
vastgesteld, en
c. bij het verstrekken van het burgerservicenummer vermeldt dat
de identiteit van de pasgeborene niet is vastgesteld.
Artikel 30
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de aan
de gegevensverwerking, bedoeld in artikel 28, tweede lid, en artikel 29,
te stellen beveiligingseisen.
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 31
In afwijking van artikel 23 van de Wet algemene bepalingen
burgerservicenummer verwijdert een zorgaanbieder, een indicatieorgaan en
een zorgverzekeraar het sociaal-fiscaalnummer van een cliënt waarover
onderscheidenlijk de zorgaanbieder, het indicatieorgaan en de
zorgverzekeraar op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet
beschikt, binnen drie maanden na inwerkingtreding van de wet uit de
administratie, tenzij:
a. onderscheidenlijk de zorgaanbieder, het indicatieorgaan en de
zorgverzekeraar met inachtneming van artikel 7 van de wet heeft
vastgesteld dat het sociaal-fiscaalnummer gelijk is aan het
burgerservicenummer van de cliënt en het nummer vervolgens als
burgerservicenummer in de administratie heeft opgenomen of
b. onderscheidenlijk het indicatieorgaan en de zorgverzekeraar
met inachtneming van artikel 7 van de wet heeft vastgesteld dat het
een sociaal-fiscaalnummer betreft van een persoon waaraan geen
burgerservicenummer is toegekend.
Artikel 32
1.In afwijking van de artikelen 3, 4 en 5 wordt in het register van
zorgaanbieders opgenomen elke zorgaanbieder die een op het tijdstip
van inwerkingtreding van dit besluit geldige overeenkomst terzake van
een certificaat heeft gesloten met de Staat der Nederlanden.
2.Op het tijdstip dat de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid,
met inachtneming van de daarvoor geldende termijn door Onze Minister
is opgezegd, wordt een certificaat waarover de zorgaanbieder uit
hoofde van de overeenkomst beschikt, aangemerkt als een certificaat
dat op grond van dit besluit is verstrekt. De artikelen 21, eerste en
tweede lid, 22, 23, onderdelen b tot en met h, 24 en 25 zijn van
overeenkomstige toepassing op het certificaat.
Artikel 33
Onze Minister benoemt een functionaris voor de gegevensbescherming
als bedoeld in artikel 62 van de Wet bescherming persoonsgegevens, die
toeziet op de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de
registers, de SBV-Z en de toegangsmiddelen.
Artikel 34
1.Onverminderd wettelijke verplichtingen tot het gebruik van het
burgerservicenummer kunnen zorgaanbieders, indicatieorganen en
zorgverzekeraars voor alle vormen van zorg in de periode tot een jaar
na inwerkingtreding van dit besluit het burgerservicenummer van een
cliënt gebruiken.
2.Onverminderd wettelijke verplichtingen tot het gebruik van het
sociaal-fiscaalnummer en onverminderd artikel 31, onder b, kunnen
indicatieorganen en zorgverzekeraars voor alle vormen van zorg in de
periode tot een jaar na inwerkingtreding van dit besluit het
sociaal-fiscaalnummer van een cliënt gebruiken bij het ontbreken van
een burgerservicenummer.
Artikel 35
[Wijzigt het Inschrijvingsbesluit bijzondere ziektekostenverzekering
1992]
Artikel 36
[Wijzigt het Besluit maatschappelijke ondersteuning]
Artikel 37
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 38
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gebruik burgerservicenummer
in de zorg.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 23 mei 2008
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A. Klink
Uitgegeven de negenentwintigste mei 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|