| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de dierproeven
DIERPROEVENBESLUIT
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 31 mei 1985 tot uitvoering van de
artikelen 3, tweede lid, 9, 12, 14 en 15 van de Wet op de dierproeven (Stb.
1977, 67)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur van 8 februari 1985, DG VGZ/VVP, nr. 143898;
Gelet op de artikelen 3, tweede lid, 9, 12, 14
en 15 van de Wet op de dierproeven (Stb. 1977, 67);
Gezien het advies van de Commissie van advies
voor de dierproeven van 4 augustus 1982;
De Raad van State gehoord (advies van 3 mei
1985, nr. W13.85.0097/15.5.18.);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 21 mei
1985, DGVGZ/VVP, nr. 81688;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. "wet": Wet op de dierproeven;
b. "vergunninghouder": houder van een vergunning tot
het verrichten van dierproeven als bedoeld in artikel 2 van de wet,
alsmede, voor de toepassing van de artikelen 8 en 10, eerste en
zesde lid, van dit besluit, de houder van een vergunning tot het
fokken of afleveren van dieren als bedoeld in artikel 11a van de
wet.
Artikel 2
1. De wijze van uitvoering van een dierproef dient te zijn bepaald
door een persoon die in een lidstaat van de Europese Unie of van de
Europese Economische Ruimte een doctoraal examen met goed gevolg heeft
afgelegd in een biologische, biomedische of zoötechnische
studierichting met ten minste 500 studiebelastingsuren (sbu's)
biologische basisvakken. Hiervan dienen de vakken anatomie/zoölogie
en dierfysiologie ieder ten minste 200 sbu's te omvatten.
2. De in het eerste lid bedoelde persoon dient bovendien een door
Onze Minister aan te wijzen cursus proefdierkunde te hebben gevolgd en
met goed gevolg te hebben afgesloten.
Artikel 2a
Het onderzoeksplan, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, van de wet,
vermeldt in ieder geval:
– de vraagstelling van het onderzoek;
– het belang van het onderzoek voor de gezondheid of voeding
van mens of dier;
– het maatschappelijke en wetenschappelijke belang van het
onderzoek;
– de deskundigheid, waaronder begrepen de mate van ervaring op
het desbetreffende onderzoeksgebied, van degene die de opzet en
uitvoering van de proef bepaalt, in verband met artikel 9 van de
wet;
– door wie of door welke commissie de wetenschappelijke
kwaliteit is beoordeeld;
– de argumentatie, waarom de vraagstelling niet met minder
dieren of anders dan met behulp van proefdieren kan worden
beantwoord;
– de motivering van de keuze van de soort en het aantal
proefdieren;
– de herkomst van de proefdieren;
– de beoogde behandeling en verzorging, waaronder begrepen de
huisvesting, voor, tijdens en na de proef, alsmede de deskundigheid
van de hiermee belaste persoon, in verband met artikel 12 van de
wet;
– de aard, de frequentie en de duur van de ingrepen waaraan het
dier wordt onderworpen;
– de mate van ongerief dat de proefdieren wordt of kan worden
berokkend;
– de toepassing van verdoving of pijnstillende middelen en
andere methoden ter vermijding van ongerief;
of een dier eerder is gebruikt in verband met artikel 13, derde
lid, van de wet;
– of en, zo ja, op welk moment besloten zal worden over te gaan
tot verantwoord doden van betrokken proefdieren, alsmede de methode
welke wordt toegepast;
– de uiteindelijke bestemming van het dier na de proef.
Artikel 3
Dieren die voor proeven worden gebruikt, dienen te worden verzorgd en
behandeld door personen als bedoeld in artikel 2, of door anderen die
over een door Onze Minister erkend diploma beschikken dan wel aan door
hem te stellen eisen van bekwaamheid voldoen. Onze Minister kan
werkzaamheden aanwijzen, waarvan het verrichten is voorbehouden aan een
of meer categorieën van de in dit artikel bedoelde personen.
Artikel 4
1.Tenzij zulks de proef zou verijdelen dienen de voeding, de
huisvesting en de overige verzorging en behandeling van de proefdieren
op zodanige wijze en onder zodanige omstandigheden te geschieden dat
zoveel mogelijk wordt voldaan aan hun fysiologische en ethologische
behoeften.
2.Onze Minister kan nadere regelen stellen met betrekking tot het
in het eerste lid bepaalde.
Artikel 4a
Als handelingen waarbij in alle gevallen verdoving moet plaatsvinden,
worden aangewezen die handelingen waarbij sprake is van ernstige
verwondingen die hevige pijn kunnen veroorzaken.
Artikel 5
Aan de in artikel 14 van de wet bedoelde verplichting kan slechts
worden voldaan door het houden van toezicht op het welzijn van de
proefdieren op te dragen aan een persoon die in een lidstaat van de
Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte met goed gevolg het
doctoraal examen heeft afgelegd in één van de volgende
studierichtingen:
1. diergeneeskunde;
2. geneeskunde;
3. biologie, afstudeerrichting medische biologie;
4. biologie, afstudeerrichting zoölogie, waarbij pathofysiologie
onderdeel van het onderwijsprogramma uitmaakt.
De in de vorige volzin bedoelde persoon dient bovendien een door Onze
Minister aan te wijzen cursus welzijn van proefdieren te hebben gevolgd
en met goed gevolg te hebben afgesloten.
Artikel 6
De in artikel 5 bedoelde opdracht omvat naast het houden van toezicht
op de wijze van uitvoering van de dierproeven in ieder geval het houden
van toezicht op de keuze en de verwerving van de proefdieren, waaronder
begrepen de fokkerij, op hun verzorging en behandeling zowel voor en
tijdens als na de proef, op de eventuele verdoving en euthanasie der
dieren en voorts op de registratie van de proefdieren en de proeven.
Artikel 7
De in artikel 5 bedoelde opdracht gaat gepaard met de verlening van
de bevoegdheid aan degene die met het toezicht is belast om:
a. van ieder voor wiens handelen of nalaten de opdrachtgever als
zodanig verantwoordelijk is, alle inlichtingen te verlangen alsmede
inzage te verlangen van alle bescheiden en daarvan afschrift te
nemen;
b. te allen tijde alle plaatsen waarvoor de opdrachtgever als
zodanig verantwoordelijk is, te betreden. Indien voor het betreden
van een plaats in het belang van een proef voorschriften zijn
gesteld, worden deze bij het betreden van die plaats in acht
genomen;
c. dieren en goederen waarvoor de opdrachtgever als zodanig
verantwoordelijk is, aan een onderzoek ter plaatse of elders te
onderwerpen of te doen onderwerpen en van goederen monsters te nemen
of te doen nemen, een en ander voor zover dit voor de vervulling van
de in artikel 6 omschreven taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 8
De vergunninghouder draagt zorg dat ieder voor wiens handelen of
nalaten hij als zodanig verantwoordelijk is, aan de in artikel 5
bedoelde persoon alle ingevolge artikel 7 verlangde medewerking verleent
alsmede dat de verstrekking van de ingevolge artikel 7, eerste lid,
verlangde inlichtingen volledig en naar waarheid geschiedt.
Artikel 9
De in artikel 5 bedoelde opdracht omvat de verplichting van degene
die met het toezicht is belast ten minste eenmaal per jaar aan de
opdrachtgever schriftelijk verslag uit te brengen van zijn in artikel 6
bedoelde werkzaamheden. De opdrachtgever zendt aan de op grond van
artikel 20 van de wet aangewezen hoofdinspecteur een afschrift van dit
verslag toe.
Artikel 10
1.De vergunninghouder is met betrekking tot de proefdieren waarover
hij beschikt, verplicht aantekening te houden van:
a. het aantal, de soort en de datum van verwerving van de
dieren;
b. de herkomst van de dieren;
c. het gebruik dat van de dieren is gemaakt;
d. de reden en de datum van afvoer der dieren.
2.De in het vorige lid bedoelde gegevens dienen te worden bewaard
tot vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarop de gegevens
betrekking hebben.
3.Voorzover het een paard, een aap, een hond of een kat betreft
dienen de in het eerste lid bedoelde gegevens voor ieder dier
afzonderlijk te worden bijgehouden. Daartoe dienen deze dieren door
het aanbrengen van merktekens of anderszins identificeerbaar te zijn.
4.Onze Minister kan aanwijzingen geven over de wijze waarop het
aanbrengen van merktekens dient te geschieden.
5.De vergunninghouder is tevens verplicht per proef aantekening te
houden van:
a. het doel waarvoor de proef wordt verricht;
b. de vraagstelling die leidde tot het ontwerpen van de proef,
alsmede de naam van degene die de wijze van uitvoering van de
proef bepaalde;
c. de aard van de proef;
d. het aantal en de soort van de bij de proef betrokken dieren;
e. het al dan niet rechtstreeks verband van de proef met de
gezondheid of met de voeding van mens of dier;
f. het al dan niet rechtstreeks verband tussen het doel van de
proef en geldende wettelijke bepalingen;
g. de bij de proef in het geding zijnde technieken, daaronder
begrepen eventuele verdoving;
h. het in de proef aanwezige risico van ongerief voor de
dieren;
i. de bestemming der dieren na afloop van de proef.
6.Onze Minister stelt vast welke gegevens omtrent de proefdieren en
de verrichte proeven de vergunninghouder hem dient te verstrekken;
deze gegevens dienen jaarlijks over het voorafgaande kalenderjaar te
worden verstrekt.
7.Onze Minister kan nadere regelen stellen met betrekking tot het
in het eerste, vijfde en zesde lid bepaalde.
Artikel 11
Bij het indienen van een aanvrage om een vergunning, bedoeld in
artikel 2 van de wet, is een bedrag van € 90,76 verschuldigd.
Artikel 11a
Om in aanmerking te komen voor een vergunning tot het fokken of
afleveren van proefdieren als bedoeld in artikel 11a van de wet, dient
de aanvrager aannemelijk te maken dat hij wat betreft de organisatie kan
voldoen aan de artikelen 4, 7, 8, 9 en 10, alsmede, wat betreft het
personeel, aan de artikelen 3, 5 en 6.
Artikel 12
Het in de artikelen 2, tweede lid, en 3 bepaalde geldt niet ten
aanzien van degenen die op het tijdstip van afkondiging van dit besluit
reeds zijn belast met de in die artikelen bedoelde werkzaamheden.
Artikel 13
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden gesteld.
Artikel 14
Dit besluit kan worden aangehaald onder de titel
"Dierproevenbesluit".
Lasten en bevelen, dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 31 mei 1985
BEATRIX
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur,
J.P. van der Reijden
Uitgegeven de tweede juli 1985
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|