| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de dierproeven
REGELING
HUISVESTING EN VERZORGING PROEFDIEREN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
Gelet op artikel 4, tweede lid, van het Dierproevenbesluit;
Besluit:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. dierverblijf:
ruimte waar proefdieren zijn ondergebracht;
b. bedding:
bodembedekkend materiaal bestaande uit bijvoorbeeld compost, (gehakseld)
stro, houtkorrels, houtkrullen, houtschilfers, houtzaagsel,
kleikorrels, papier, turfmolm of zand, of een combinatie van twee of
meer van deze materialen;
c. dierlijk laboratoriumafval:
kadavers, delen van kadavers van dieren, faeces en urine, bedding,
strooisel en voederrestanten uit de verblijven. Tevens vallen
hieronder dierlijke producten die in het laboratorium zijn gebruikt,
zoals eieren, bloed en melk en kunstmatig gekweekte cellen en
weefsels;
d. ventilatievoud:
het aantal luchtverversingen per uur.
§ 2. Huisvesting en verzorging van proefdieren, algemene bepalingen
Artikel 2
1. De huisvesting is aangepast aan de behoeften van het dier. In
het dierverblijf zijn bedding en verrijkingsmateriaal, passend bij de
diersoort, aanwezig.
2. Aan drachtige dieren wordt, voordat zij hun jongen werpen,
passend nestmateriaal verstrekt.
Artikel 3
Dierverblijven zijn zo vervaardigd dat ze geen afbreuk doen aan de
gezondheid of het welzijn van de dieren en de mogelijkheid bieden de
dieren te inspecteren.
Artikel 4
Het gebruik van draadkooien en draadroosterbodems voor knaagdieren en
konijnen is niet toegestaan.
Artikel 5
1. Dieren worden uitsluitend gehuisvest in dierverblijven die goed
en doelmatig kunnen worden gereinigd en zonodig worden ontsmet.
2. De dierverblijven worden regelmatig gereinigd.
Artikel 6
1. Gescheiden van de dierverblijven is een ruimte beschikbaar voor
het opslaan van voeder, bedding, schone bakken, kooien, instrumenten
en andere apparatuur.
2. De in het eerste lid bedoelde aparte ruimte is droog en
ontoegankelijk voor insecten en andere dieren zoals honden, katten,
wilde knaagdieren en vogels.
Artikel 7
1. Gescheiden van de dierverblijven en de in artikel 6 bedoelde
ruimte is er een aparte ruimte voor het onder hygiënische
omstandigheden bewaren en afvoeren van dierlijk laboratoriumafval.
2. De in het eerste lid bedoelde aparte ruimte is gemakkelijk
reinig- en desinfecteerbaar en ontoegankelijk voor insecten en andere
dieren zoals honden, katten, wilde knaagdieren en vogels.
3. Bij weinig frequente afvoer van het dierlijk afval vindt koeling
van het dierlijk laboratoriumafval plaats tot ± 0 °C of lager.
Artikel 8
Het is verboden te roken in ruimten waarin zich dieren bevinden.
Artikel 9
1. Dierverblijven zijn voorzien van een goed functionerend
ventilatiesysteem.
2. Het ventilatievoud is afgestemd op de bezettingsgraad in de
dierverblijven.
3. Voor knaagdieren en konijnen is in het algemeen een
ventilatievoud van 8 voldoende. Bij een hoge bezettingsgraad wordt een
ventilatievoud van minimaal 15 gehandhaafd. Voor honden en katten
bedraagt het ventilatievoud 10 tot 12.
Artikel 10
1. Voor de temperatuur in dierverblijven waarin volwassen dieren
worden gehuisvest worden de volgende onder- en bovengrenzen
aangehouden:
a. knaagdieren: 19 tot 24 °C;
b. cavia's: 16 tot 24 °C;
c. kwartels en kleine vogels: 20 tot 24 °C;
d. konijnen, honden, katten, en fretten: 15 tot 24 °C;
e. paarden, runderen, schapen, geiten, varkens, kippen, eenden
en duiven: 10 tot 24 °C.
2. De temperatuur wordt minimaal eenmaal per dag nauwkeurig
gecontroleerd en geregistreerd.
Artikel 11
In dierverblijven wordt de relatieve vochtigheid op 55% ± 15%
gehouden en minimaal eenmaal per dag gecontroleerd.
Artikel 12
Dieren die buiten worden gehouden of gehuisvest zijn in verblijven
met direct contact met de buitenlucht, beschikken over mogelijkheden tot
bescherming tegen wind, regen, zonnebrand en extreme temperaturen.
Artikel 13
1. In dierverblijven is een regelbare verlichting aanwezig,
aangepast aan de diersoort.
2. In dierverblijven bedraagt de maximaal toelaatbare
lichtintensiteit, verticaal op dierhoogte gemeten, voor alle
zoogdieren 350 lux, zonodig met uitzondering van de periode van
inspectie, behandeling of verzorging van de dieren.
3. De maximaal toelaatbare lichtintensiteit bedraagt, verticaal op
dierhoogte gemeten, voor albino-dieren 60 lux, met uitzondering van de
periode van behandeling of verzorging van de dieren.
4. De lengte van de licht- en donkerperioden dient te zijn
afgestemd op de diersoort en bedraagt:
a. voor honden en katten: minimaal 10 tot 12 uur licht;
b. voor knaagdieren en konijnen: 12 uur licht en 12 uur donker.
Artikel 14
Sterke geluidsprikkels in het bereik van de hoorbare en ultrasone
frequenties worden vermeden.
Artikel 15
Alle automatische of mechanische apparatuur die noodzakelijk is voor
de gezondheid en het welzijn van de dieren, wordt ten minste eenmaal per
dag geïnspecteerd. Defecten worden onmiddellijk hersteld of indien
zulks niet mogelijk is, worden de nodige maatregelen getroffen om de
gezondheid en het welzijn van de dieren te beschermen totdat het defect
is hersteld, met name door de toepassing van andere voedermethoden en
het handhaven van een acceptabel leefklimaat. Bij gebruik van
kunstmatige ventilatie of ingeval van zuurstofvoorziening bij vissen
wordt voor een noodvoorziening gezorgd, zodat er, wanneer het systeem
uitvalt, toch voldoende verse lucht of zuurstof wordt aangevoerd om de
gezondheid en het welzijn van de dieren veilig te stellen, en is een
alarmsysteem aanwezig om de vergunninghouder te waarschuwen wanneer het
systeem uitvalt. Het alarmsysteem wordt regelmatig getest.
Artikel 16
Voer, niet zijnde ruwvoeders zoals hooi of kuilmais, wordt bewaard
verpakt in gesloten zakken of in silo's. De vervaldatum van het verpakte
voer is aangegeven.
Artikel 17
1. Alle dieren krijgen voedingsmiddelen aangeboden op een zodanige
wijze dat aan hun fysiologische en waar mogelijk ethologische behoefte
wordt voldaan.
2. Alle dieren beschikken ad libitum over drinkwater van goede
kwaliteit.
Artikel 18
1. De dieren, alsmede de omstandigheden waarin de dieren worden
gefokt, gehouden of gebruikt, worden dagelijks minimaal eenmaal
gecontroleerd. De uitgevoerde controles en bevindingen worden
geregistreerd.
2. Indien bij de controles een gebrek of lijden wordt ontdekt,
worden zo snel mogelijk passende maatregelen genomen.
Artikel 19
Dieren worden alleen vervoerd, als zij geschikt zijn voor transport.
In de gevallen van transport met het oog op behandeling, diagnostisch
onderzoek of in het kader van de proef is passende verzorging tijdens
het transport aanwezig.
Artikel 20
Ratten en muizen worden niet gezamenlijk in één dierverblijf
gehuisvest.
§ 3. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 21
De in de artikelen 4, 6, 7, 9, 10, 11 en 13 opgenomen eisen met
betrekking tot dierverblijven zijn tot twee jaar na het tijdstip van
inwerkingtreding van deze regeling niet van toepassing op dierverblijven
waarvan de vergunninghouder kan aantonen dat zij vóór dat tijdstip in
gebruik zijn genomen.
Artikel 22
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 23
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling huisvesting en
verzorging proefdieren.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers.
|
|
|