|
BESLUIT van 23 december 1987, houdende intrekking van
het Bekostigingsbesluit ISOVSO en vaststelling van het
Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO in verband met de invoering van het
bekostigingsstelsel van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het
voortgezet speciaal onderwijs
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen van 27
oktober 1987, nr. 9727/2363, centrale directie Wetgeving en Juridische
Zaken;
Gelet op de artikelen 19a en 59 van de
Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal
onderwijs (Stb. 1987, 614) en de artikelen E 23 en E 24 van de
Overgangswet ISOVSO (Stb. 1987, 615);
Gehoord de Onderwijsraad (advies van 15 oktober
1987, nr. 1/1431);
De Raad van State gehoord (advies van 17
december 1987, nr. W05.87.0581);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen van 22 december 1987,
nr. 10080/2363, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Titel I. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
wet: Wet op de expertisecentra;
school: een school voor speciaal
onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid,
onder a, b, c, f, h, j, k, m of n, van de wet, dan wel een instelling
voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8,
eerste lid, tweede volzin, van de wet, tenzij het tegendeel blijkt;
afdeling: afdeling als bedoeld in artikel
8, tweede lid, van de wet;
instelling: instelling als bedoeld in
artikel 8, eerste lid, tweede volzin, van de wet, tenzij het tegendeel
blijkt;
regionaal expertisecentrum: een regionaal
expertisecentrum als bedoeld in artikel 28b van de wet;
nevenvestiging: een nevenvestiging als
bedoeld in de artikelen 76a en 76b van de wet dan wel een nevenvestiging
van een instelling, genoemd in artikel X van de Wet van 31 mei 1995,
houdende wijziging van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het
voortgezet speciaal onderwijs en van enkele andere wetten inzake
samenvoeging van de schoolsoorten onderwijs aan blinde kinderen en
onderwijs aan slechtziende kinderen tot de schoolsoort onderwijs aan
visueel gehandicapte kinderen (Stb. 1995, 319);
openbare school: door een of meer
gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke
rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, in stand gehouden
school;
bijzondere school: door een
privaatrechtelijke rechtspersoon in stand gehouden school;
bevoegd gezag van volgens de wet
bekostigde scholen: voor wat betreft:
a. een openbare school: het college
van burgemeester en wethouders voor zover de raad niet anders
bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming
van door hem te stellen regelen, dan wel het krachtens een
gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;
b. een bijzondere school: de
rechtspersoon bedoeld in artikel 57 van de wet;
inspecteur: lid van de inspectie voor
zover belast met taken op het gebied van het speciaal onderwijs en
voortgezet speciaal onderwijs;
ouders: ouders, voogden of verzorgers;
teldatum: een van de data, bedoeld in
artikel 118 van de wet;
commissie: de commissie, bedoeld in
artikel 41, tweede lid, van de wet;
leerling: tenzij anders is bepaald een
leerling:
a. die toelaatbaar is verklaard tot
een van de onderwijssoorten die door de school worden verzorgd,
b. die toelaatbaar is verklaard tot
een andere onderwijssoort dan de onderwijssoort die door de school
wordt verzorgd en die met toepassing van artikel 76a van de wet bij
de school is ingeschreven, of
c. van een residentiële instelling
waarmee het bevoegd gezag een overeenkomst als bedoeld in artikel
71c van de wet heeft gesloten;
leerling met een niet-Nederlandse
culturele achtergrond: leerling:
a. die behoort tot de Molukse
bevolkingsgroep;
b. van wie ten minste een van de
ouders of voogden afkomstig is uit Griekenland, Italië, het
voormalige Joegoslavië, Kaapverdië, Marokko, Portugal, Spanje,
Tunesië of Turkije;
c. van wie ten minste een van de
ouders of voogden afkomstig is uit Suriname, de Nederlandse Antillen
of Aruba;
d. van wie ten minste een van de
ouders of voogden als vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond
van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33 van de
Vreemdelingenwet 2000;
e. van wie ten minste een van de
ouders of voogden afkomstig is uit een ander niet-Engelstalig land
buiten Europa, echter met uitzondering van Indonesië.
schooljaar: het tijdvak van 1 augustus
tot en met 31 juli daaraanvolgend;
ambulante begeleiding: de begeleiding,
bedoeld in artikel 8a, derde lid onder b, van de wet;
lokaal voor motorische therapie: ruimte
van 120 m2 of minder die is bedoeld voor onderwijs in lichamelijke
oefening aan leerlingen van 6 jaar en ouder;
schoolbad: een bad voor watergewenning of
bewegingstherapie;
accountant: een accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
formatiebasisbedrag: het
formatiebasisbedrag, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a;
formatieleeftijdsbedrag: het
formatieleeftijdsbedrag, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b;
basisbedrag: het basisbedrag, bedoeld in
artikel 31, eerste lid, onderdeel c;
leeftijdsbedrag: het leeftijdsbedrag,
bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel d.
TITEL II. Administratieve voorschriften
met betrekking tot aanvang en einde bekostiging en borgstelling
Artikel 2. Gegevens en bescheiden school
in plan van nieuwe scholen
Het bevoegd gezag van een school die in
een plan van nieuwe scholen als bedoeld in artikel 84, negende lid, en
artikel 86, eerste lid, van de wet is opgenomen, zendt Onze Minister
uiterlijk 3 maanden voor de datum van ingang van de bekostiging de
benodigde administratieve gegevens en bescheiden voor de vaststelling
van de vergoedingsbedragen, waaronder ten minste wordt begrepen het
vermoedelijk aantal leerlingen op 1 oktober volgend op de datum van
ingang van de bekostiging. Bij ministeriële regeling worden
voorschriften gegeven omtrent de gegevens en bescheiden.
Artikel 3. Borgstelling
1.Ten einde overeenkomstig de
bepalingen van dit besluit enige bekostiging van het Rijk te
verkrijgen, moet het bevoegd gezag van een bijzondere school zijn
aangesloten bij een organisatie van bevoegde gezagsorganen die
rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is en als zodanig door
Onze Minister is erkend en zich te zijnen genoegen heeft borg gesteld
voor terugbetaling van teveel ontvangen bedragen.
2.De erkenning, bedoeld in het eerste
lid, geschiedt op een daartoe door het bestuur der organisatie tot
Onze Minister gericht verzoek waarbij moet worden overgelegd een
opgave van elk bevoegd gezag waarvoor zekerheid wordt gesteld,
vermeldende ten aanzien van elke school, de gemeente en nadere
plaatsaanduiding in de gemeente waar de school is gevestigd, alsmede
naam van de rechtspersoon onder wiens bestuur de school staat.
Wijzigingen die daarin worden aangebracht, deelt het bestuur der
organisatie binnen twee weken mede aan Onze Minister. Deze wijzigingen
ontheffen de organisaties niet van de voor het lopende jaar aangegane
borgstelling ten behoeve van een aangesloten bevoegd gezag.
Artikel 3a. Aanvang van de bekostiging
1.De aanspraak op de verstrekking van
bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in de artikelen 124 en 131,
eerste lid, van de wet ontstaat met ingang van 1 augustus van het
schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint.
2.De aanspraak op de bekostiging voor
de uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de
instandhouding, bedoeld in artikel 128 van de wet ontstaat met ingang
van 1 augustus van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw
geopende school begint.
3.In afwijking van het eerste lid,
ontstaat de aanspraak op bekostiging voor de uitgaven voor 1 lid van
het personeel op 1 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin de
bekostiging van een nieuw geopende school begint.
4.De in het derde lid bedoelde
bekostiging bestaat uit de som van
a. het basisbedrag, welk bedrag
wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd
met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de
leraren in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal
onderwijs op 1 oktober voorafgaand aan de eerste kalenderdag van
het schooljaar waarin de bekostiging van de nieuw geopende school
begint; en
b. 2/12 van de aanvullende
bekostiging voor de schoolleiding, bedoeld in artikel 35,
gebaseerd op de daar bedoelde factor 1.
5.Voor de berekening van het
basisbedrag, bedoeld in het vierde lid, en het leeftijdsbedrag,
bedoeld in het vierde lid, bedraagt de formatie 2/12 formatieplaats.
6.Indien een school op 1 oktober van
het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school
begint geen leerlingen heeft, ontstaat in afwijking van het tweede
lid, aanspraak op bekostiging voor de personeelskosten, bedoeld in
artikel 131, eerste lid, van de wet met ingang van de eerste dag van
de maand waarin de school een leerling heeft. Indien de eerste volzin
van toepassing is, wordt de bekostiging voor het lopende schooljaar en
het schooljaar daaropvolgend gebaseerd op het aantal leerlingen dat de
school heeft op de eerste dag van de tweede maand volgend op de dag
waarop de school de eerste leerling heeft.
7.Indien een school op 1 oktober van
het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school
begint geen leerlingen heeft, ontstaat in afwijking van het zesde lid,
aanspraak op bekostiging voor de personeelskosten, bedoeld in de
artikelen 124 en 131, eerste lid, van de wet met ingang van de eerste
dag van de maand waarin de school een leerling heeft. Indien de eerste
volzin van toepassing is, wordt de bekostiging voor het lopende
schooljaar en het daaropvolgende schooljaar gebaseerd op het aantal
leerlingen dat de school heeft op de eerste dag van de tweede maand
volgend op de dag waarop de school de eerste leerling heeft.
Artikel 3b. Vaststelling bevoorschotting
en verrekening van voorschotten
1. Aan het bevoegd gezag van een nieuw
geopende school wordt, in afwachting van de vaststelling van de
bekostiging voor personeelskosten en de bekostiging voor de uitgaven
voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding op
basis van de gegevens op de teldatum, een voorschot op de bedoelde
bekostiging verstrekt indien het bevoegd gezag uiterlijk op 1 juli
voorafgaande aan het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw
geopende school begint, het vermoedelijk aantal leerlingen op 1
oktober volgend op de datum van ingang van de bekostiging aan Onze
Minister meldt.
2. Het voorschot, bedoeld in het eerste
lid, bestaat uit:
a. de bekostiging, bedoeld in
artikel 131, eerste lid, van de wet berekend overeenkomstig dit
besluit, met dien verstande dat wordt gerekend met het aantal
leerlingen, bedoeld in het eerste lid; en
b. de bekostiging, bedoeld in
artikel 128 van de wet berekend overeenkomstig dit besluit, met
dien verstande dat wordt gerekend met het aantal leerlingen,
bedoeld in het eerste lid.
3. Op de betaling van het voorschot
zijn artikel 13 en artikel 30 van overeenkomstige toepassing.
4. Onze Minister is bevoegd tot
verrekening van verstrekte voorschotten met de betalingen die
voortvloeien uit de vaststelling van de onderscheiden onderdelen van
de bekostiging.
5. Indien Onze Minister een voorschot
verleent in gevallen waarin de bekostiging wegens niet aan het bevoegd
gezag van een school toe te rekenen omstandigheden niet tijdig kan
worden vastgesteld, zijn het derde en het vierde lid van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 4. Opheffing van een school
Het bevoegd gezag geeft binnen twee weken
na beslissing tot opheffing van de school of een nevenvestiging van een
instelling kennis daarvan aan Onze Minister, gedeputeerde staten, de
inspecteur en, indien het een bijzondere school of een nevenvestiging
van een bijzondere instelling betreft, eveneens aan burgemeester en
wethouders van de gemeente waarin de school onderscheidenlijk de
nevenvestiging van de instelling is gelegen.
TITEL III. Leerlingenadministratie,
leerlingentelling, opgave gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van
de school en overige bekostigingsgegevens
AFDELING 1. Leerlingenadministratie
Artikel 5. Inhoud leerlingenadministratie
1.De directeur van een school draagt er
zorg voor dat een overzichtelijke administratie van de gegevens van de
leerlingen met inbegrip van het gemeenschappelijk rapport, bedoeld in
artikel 41, zesde lid, van de wet, en van hun ouders, alsmede van de
inschrijving, de uitschrijving en het verzuim van de leerlingen op de
school aanwezig is. In deze administratie wordt een onderverdeling
gemaakt naar:
a. leerlingen van de
hoofdvestiging,
b. leerlingen van elk van de
nevenvestigingen,
c. leerlingen die toelaatbaar zijn
verklaard tot een van de onderwijssoorten die door de school
worden verzorgd dan wel tot het cluster, bedoeld in artikel 2,
vierde lid onder d, van de wet, waartoe de school behoort,
d. leerlingen die zijn toegelaten
op basis van de bekostiging, bedoeld in artikel 117, vijfde lid,
van de wet,
e. leerlingen die zijn toegelaten
op basis van de bekostiging, bedoeld in artikel 117, zevende lid,
van de wet en
f. leerlingen, die toelaatbaar zijn
verklaard tot een andere onderwijssoort dan de onderwijssoort die
door de school wordt verzorgd en die op de school zijn
ingeschreven met toepassing van artikel 76a van de wet.
De directeur draagt er zorg voor dat de
volledige administratie op de hoofdvestiging aanwezig is.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop de
leerlingenadministratie wordt ingericht.
Artikel 5a [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 6. Inschrijving
1. De directeur van een school schrijft
een leerling slechts in na overlegging van
a. een bewijs van uitschrijving van
de leerling van een andere school of een school voor ander
onderwijs, welk bewijs op het moment van inschrijving niet ouder
is dan 6 maanden,
b. een schriftelijke verklaring van
de ouders of de leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is,
dat de leerling binnen een periode van 6 maanden voorafgaand aan
de inschrijving niet eerder op een andere school, een school voor
ander onderwijs of een instelling als bedoeld in artikel 1,
onderdeel c, van de Leerplichtwet 1969 was ingeschreven, of
c. een schriftelijke verklaring van
de ouders of de leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is,
dat de leerling voorafgaand aan de inschrijving op een instelling
als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Leerplichtwet 1969
was ingeschreven en dat deze leerling daar is uitgeschreven.
2. Het bewijs van uitschrijving dan wel
de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of c, wordt
bewaard in de administratie van de school.
3. De directeur doet in het geval,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dan wel in het geval, bedoeld
in het eerste lid, onderdeel b, indien hem bekend is op welke andere
school, school voor ander onderwijs of instelling als bedoeld in
artikel 1, onderdeel c, van de Leerplichtwet 1969 de leerling was
ingeschreven buiten de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde
periode, dan wel in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
indien hem bekend is op welke instelling als bedoeld in artikel 1,
onderdeel c, van de Leerplichtwet 1969 de leerling was ingeschreven,
onder vermelding van de datum van inschrijving op zijn school, binnen
1 week schriftelijk mededeling van de inschrijving aan de directeur,
rector of centrale directie van de school, de school voor ander
onderwijs of de instelling, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de
Leerplichtwet 1969 waarop de leerling voordien was ingeschreven.
4. De directeur schrijft de leerling in
met ingang van de dag waarop de leerling de school voor het eerst
bezoekt.
5. In afwijking van het vierde lid,
schrijft de directeur een leerling die de school voor het eerst
bezoekt op de eerste schooldag van het schooljaar, in met ingang van 1
augustus van dat schooljaar, behoudens wanneer de leerling op 1
augustus de leeftijd van 4 jaar nog niet heeft bereikt.
Artikel 7. Uitschrijving
1. De directeur van een school op wiens
school de leerling staat ingeschreven, schrijft de leerling, indien
deze de school verlaat, uit met ingang van de dag waarop de leerling
de school voor het laatst heeft bezocht en verstrekt de leerling een
bewijs van uitschrijving. De directeur schrijft de leerling die wordt
uitgeschreven na de school op de laatste schooldag van het schooljaar
te hebben bezocht, uit met ingang van 31 juli van dat schooljaar.
2. Indien de directeur van een school
op wiens school de leerling staat ingeschreven binnen 4 weken na de
dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht een
mededeling ontvangt van de directeur, rector of centrale directie van
een school of een school voor ander onderwijs, van de inschrijving van
de leerling op diens school, wijzigt de directeur de datum van
uitschrijving, bedoeld in het eerste lid, alsnog in de datum van de
dag voorafgaande aan de inschrijving op de andere school of de school
voor ander onderwijs.
Artikel 8. Bewaren van gegevens
1.Onverminderd het bepaalde in artikel
41, negende lid, van de wet, blijven de gegevens die in de
leerlingenadministratie zijn opgenomen daarvan in ieder geval deel
uitmaken gedurende 5 jaar nadat de desbetreffende leerling van de
school is uitgeschreven.
2.Het gemeenschappelijk rapport,
bedoeld in artikel 41, zesde lid, van de wet alsmede de gegevens die
van belang zijn voor de berekening van de bekostiging voor
personeelskosten worden in elk geval binnen acht weken na het
verstrijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid, vernietigd.
Artikel 9. Leerlingentelling
1. Voor de toepassing van het bepaalde
in de wet worden, onverminderd het bepaalde in artikel 7, de
leerlingen op een school meegeteld die toelaatbaar zijn verklaard tot
een van de onderwijssoorten die door de school worden verzorgd dan wel
tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder d, van de wet,
waartoe de school behoort en die op een teldatum op die school staan
ingeschreven, tenzij zij vanaf het begin van het schooljaar tot de
teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige
reden hebben verzuimd.
2. Voor de toepassing van het eerste
lid wordt ten aanzien van de leerplichtige leerling als geldige reden
aangemerkt een vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in
de Leerplichtwet 1969 (Stb. 1971, 406). Ten aanzien van de
niet-leerplichtige leerling worden als geldige reden aangemerkt
dezelfde gronden als die welke leiden tot een vrijstelling als bedoeld
in de vorige volzin.
3. Indien een teldatum valt op een dag
waarop geen onderwijs wordt gegeven, worden op de eerstvolgende
schooldag de leerlingen geteld, die op de teldatum stonden
ingeschreven.
4. Een leerling kan slechts op 1 school
voor de bekostiging meetellen.
Artikel 10. Terugmelding gegevens aantal
leerlingen op de teldatum
1. Met het oog op de vaststelling van
de bekostiging, bedoeld in de artikelen 12a, eerste lid, en 29, eerste
lid, doet Onze Minister aan het bevoegd gezag jaarlijks een overzicht
toekomen van de hem ter beschikking staande gegevens over het aantal
leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de bekostiging
in aanmerking wordt genomen. Het overzicht wordt gelijktijdig met het
besluit tot vaststelling van de bekostiging, bedoeld in artikel 12a,
eerste lid, toegezonden.
2. Het overzicht, bedoeld in het eerste
lid, is onderverdeeld in leerlingen met een niet-Nederlandse culturele
achtergrond en overige leerlingen.
3. Indien de school een nevenvestiging
heeft, is het overzicht, bedoeld in het eerste lid, tevens
onderverdeeld in de leerlingen van de hoofdvestiging en de leerlingen
van elk van de nevenvestigingen.
AFDELING 3. Verstrekken overige gegevens
Artikel 10a. Verstrekken gegevens REC aan
Minister
1.Voor 15 oktober zendt het regionaal
expertisecentrum aan Onze Minister, een opgave van het aantal
leerlingen dat in de periode van 12 maanden direct voorafgaand aan 1
oktober een bevestigende beoordeling van de commissie, bedoeld in
artikel 28c, eerste lid, van de wet, heeft ontvangen.
2.Bij ministeriële regeling wordt
vastgesteld op welke wijze de opgave, bedoeld in het eerste lid, wordt
gedaan.
Artikel 10b. Verstrekken gewogen
gemiddelde leeftijd leraren
1.Het bevoegd gezag van een school doet
jaarlijks voor 1 december aan Onze Minister mededeling van de gewogen
gemiddelde leeftijd van de leraren van die school op 1 oktober daaraan
voorafgaand.
2.Bij ministeriële regeling worden
voorschriften gegeven voor de toepassing van het eerste lid.
Artikel 10c. Verklaring bevoegd gezag
Het bevoegd gezag verstrekt gelijktijdig
met de verklaring, bedoeld in artikel 157, vierde lid, van de wet een
verklaring omtrent de juistheid en tijdige aanmelding van de gegevens
waarop bekostigingsbedragen zijn of worden gebaseerd.
TITEL IV [Vervallen per 10-02-2006]
Artikel 11 [Vervallen per 10-02-2006]
Artikel 11a [Vervallen per 10-02-2006]
Hoofdstuk II
(Vervallen)
Hoofdstuk III. Vergoeding voor de
uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de
instandhouding voor scholen en schoolbaden van scholen, niet zijnde
instellingen
Titel I. Algemeen
AFDELING 1. REIKWIJDTE
Artikel 12. Omschrijving
1.Hoofdstuk III is behoudens het
gestelde in het tweede lid niet van toepassing op instellingen.
2.Het Rijk verstrekt elke maand van het
uitkeringsjaar in verband met de materiële voorzieningen ten behoeve
van de instandhouding aan het bevoegd gezag van een instelling, een
twaalfde gedeelte van de vergoeding, bedoeld in artikel 128, negende
lid, van de wet, waarop het over dat jaar recht heeft.
TITEL II. Vergoeding materiële
voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van scholen
Artikel 12a. Vaststelling en nadere
vaststelling bekostiging materiële voorzieningen ten behoeve van de
instandhouding
1. Onze Minister stelt jaarlijks voor 1
februari de bekostiging voor dat jaar voor de scholen vast, gebaseerd
op de grondslag, bedoeld in artikel 128, vierde lid, van de wet, met
dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal
leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het
bekostigingsjaar, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het
persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 164a, tweede lid,
van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op de daarop volgende 1
december zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig
artikel 164b van de wet, dan wel de leerlingen van wie opgave is
gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 58a, vierde lid.
2. Indien artikel 128, zesde lid, van
de wet van toepassing is en indien van de leerlingen die op 16 januari
van het bekostigingsjaar op de school staan ingeschreven het
persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 164, tweede lid, van
de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 16 februari van dat jaar zijn
opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 164b
van de wet, dan wel van deze leerlingen opgave is gedaan aan Onze
Minister overeenkomstig artikel 58a, vierde lid, stelt Onze Minister
voor 1 mei de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, voor dat jaar
nader vast.
3. Indien de verklaring van de
accountant, bedoeld in artikel 157, vierde lid, van de wet aanleiding
geeft tot wijziging van de bekostiging, bedoeld in het eerste of
tweede lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de bekostiging voor dat
jaar nader vast.
4. Het Rijk verstrekt elke maand van
het bekostigingsjaar in verband met de materiële voorzieningen ten
behoeve van de instandhouding aan het bevoegd gezag een twaalfde
gedeelte van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, waarop het
over dat jaar recht heeft.
Artikel 13. Maandelijkse betaling
1. Het Rijk verstrekt elke maand van
het uitkeringsjaar in verband met de materiële voorzieningen ten
behoeve van de instandhouding aan het bevoegd gezag van een school een
twaalfde gedeelte van de vergoeding, bedoeld in artikel 128, eerste
lid, van de wet, waarop het over dat jaar recht heeft.
2. Indien blijkt dat voor het
uitkeringsjaar artikel 128, zesde lid, van de wet van toepassing is,
wordt het verschil tussen de vergoeding, bedoeld in het eerste lid,
berekend op grond van artikel 128, zesde lid, van de wet en de
vergoeding berekend op grond van artikel 128, vierde lid, van de wet,
verstrekt in de maanden mei tot en met december van het
uitkeringsjaar.
3. Indien artikel 12a, derde lid, van
toepassing is, vindt verrekening plaats van de vergoeding voor dat
jaar met de vergoeding die wordt verstrekt in de maanden oktober tot
en met december van het uitkeringsjaar.
Artikel 14. Normatieve vaststelling
schoolgrootte
1.Het normatief bepaalde aantal te
huisvesten groepen leerlingen, bedoeld in artikel 128, vierde lid,
onder a, en vijfde lid, onder a, van de wet, wordt voor het jaar
waarvoor de vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve
van de instandhouding strekt, berekend door het aantal leerlingen van
de desbetreffende school en van een of meer daaraan verbonden
afdelingen, op 1 oktober van het voorafgaande jaar, dan wel indien
artikel 128, zesde lid, van de wet van toepassing is, het aantal
leerlingen van de desbetreffende school en afdelingen op 16 januari
van dat jaar, te delen door de voor het desbetreffende onderwijs
geldende factor N van de onderstaande tabel.
| |
Factor N voor het
speciaal onderwijs |
Factor N voor het
voortgezet speciaal onderwijs |
|
Aan: |
|
|
|
a. dove kinderen |
6 |
6 |
|
b. slechthorende kinderen |
12 |
7 |
|
c. kinderen met ernstige
spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder a of b
bedoelde kinderen |
12 |
7 |
|
f. lichamelijk gehandicapte
kinderen |
12 |
7 |
|
h. 1°. langdurig zieke kinderen
met een lichamelijke handicap |
13 |
7 |
|
2°. langdurig zieke kinderen
anders dan met een lichamelijke handicap |
12 |
7 |
|
i. [vervallen] |
|
|
|
j. zeer moeilijk lerende kinderen |
12 |
7 |
|
k. zeer moeilijk opvoedbare
kinderen |
12 |
7 |
|
l. [vervallen] |
|
|
|
m. kinderen in scholen verbonden
aan pedologische instituten |
12 |
7 |
|
n. meervoudig gehandicapte kinderen |
7 *[1] |
7 *[2] |
2.Het normatief bepaalde aantal te
huisvesten groepen leerlingen, bedoeld in het eerste lid, wordt voor
het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs,
onderscheidenlijk het onderwijs aan een afdeling, afzonderlijk
berekend en de uitkomst van de afzonderlijke berekeningen wordt naar
boven afgerond op een geheel getal.
3.Voor scholen, waaraan bekostiging
als bedoeld in artikel 117, zevende lid, van de wet is toegekend,
wordt het aantal leerlingen op basis waarvan die bekostiging is
toegekend, voor de toepassing van dit artikel aangemerkt als
leerlingen.
Artikel 14a [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 15. Vergoeding door gemeente aan
bevoegd gezag instellingen
Het aantal groepen leerlingen bedoeld in
artikel 130, derde lid, tweede volzin, van de wet, wordt berekend
overeenkomstig artikel 14, waarbij de factor N voor het speciaal
onderwijs 12 en voor het voortgezet speciaal onderwijs 7 is.
Artikel 16 [Vervallen per 10-02-2006]
Artikel 17. Omschrijving uitgaven
materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding
De uitgaven voor de materiële
voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voor schoolgebouwen
hebben betrekking op de programma’s van eisen, bedoeld in artikel 112,
eerste lid, van de wet.
Artikel 18. Omvang vergoeding uitgaven
materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding
De vergoeding voor de materiële
voorzieningen ten behoeve van de instandhouding wordt bepaald volgens de
programma’s van eisen, bedoeld in artikel 111, derde lid onderdeel a ,
van de wet.
TITEL III. Vergoeding materiële
voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van schoolbaden
Artikel 19. Vergoeding schoolbaden
1.De aanspraak op vergoeding voor de
uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de
instandhouding van een schoolbad ontstaat met ingang van de maand
voorafgaand aan de melding aan Onze Minister van de ingebruikneming
daarvan en eindigt met ingang van de maand volgend op de maand waarin
het schoolbad buiten gebruik wordt gesteld. Binnen acht weken na de
buitengebruikstelling wordt daarvan melding gemaakt aan Onze Minister.
2.Voor de vergoeding, bedoeld in het
eerste lid, van een schoolbad waarvan het gebruik niet is beëindigd
ingevolge artikel 108 van de wet, zijn de artikelen 12a en 13, van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat waar het betreft
artikel 12a, eerste lid, Onze Minister binnen acht weken na de melding
van ingebruikneming, bedoeld in het eerste lid, de vergoeding voor dat
jaar vaststelt.
3.De uitgaven voor de materiële
voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van een schoolbad
hebben betrekking op de programma’s van eisen, bedoeld in artikel
112, tweede lid, van de wet en de vergoeding, bedoeld in het eerste
lid, wordt bepaald door de programma’s van eisen, bedoeld in artikel
111, derde lid onder b, van de wet.
Hoofdstuk IV. Vergoeding voor en
buitengebruikstelling van oude eigendoms- en huurscholen
Titel I. Algemeen
Artikel 20. Schatting
Schattingen welke ingevolge dit hoofdstuk
dienen plaats te vinden, geschieden door een commissie van 3 deskundigen
van wie er een wordt benoemd door de Onderwijsraad, een door
burgemeester en wethouders en een door het bevoegd gezag. De commissie
beslist bij meerderheid van stemmen. Indien geen meerderheid wordt
verkregen, wordt de waarde bepaald op het gemiddelde van de 3
schattingsopgaven. Afschrift van de beslissing wordt gezonden aan het
gemeentebestuur en het bevoegd gezag. De kosten van de schattingen komen
ten laste van de gemeente.
Artikel 21. Niet meer verschuldigde
vergoeding
De vergoedingen, bedoeld in de titels II
en III, zijn niet langer verschuldigd wanneer de gemeente de eigendom
van het terrein en gebouw verkrijgt of wanneer het terrein en gebouw
niet meer voor het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal
onderwijs, bedoeld in artikel 2 van de wet, wordt gebruikt.
TITEL II. Eigendomsscholen als bedoeld in
artikel 205 van de Lager-onderwijswet 1920
Artikel 22. Vergoeding
1.Voor de terreinen en gebouwen die
eigendom zijn van het bevoegd gezag van een bijzondere school en op 1
januari 1921 in gebruik of in aanbouw waren, betaalt de gemeente
jaarlijks aan het desbetreffende bevoegd gezag een vergoeding,
berekend over de waarde van de terreinen, gebouwen en het meubilair
zoals deze ingevolge de Lager-onderwijswet 1920 is geschat. In
afwijking van het bepaalde in de vorige volzin wordt voor gebouwen die
niet uitsluitend zijn bestemd voor speciaal onderwijs, voortgezet
speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als
bedoeld in artikel 2 van de wet, de vergoeding berekend over 80
procent van het voor het desbetreffende gebouw ingevolge de
Lager-onderwijswet 1920 geschatte bedrag. De vergoeding wordt op
gelijke wijze uitbetaald aan een bevoegd gezag dat na 1 januari 1921
de eigendom van terreinen en gebouwen van een bijzondere school die op
1 januari 1921 in gebruik of in aanbouw waren, heeft verkregen of
verkrijgt.
2.Voor de toepassing van dit artikel
worden onder gebouwen in aanbouw verstaan de gebouwen van een
bijzondere school waarvan de ontwerpen voor 1 januari 1921
overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 juni 1912
(Stb. 193) bij het rijksschooltoezicht werden ingediend en die voor 1
juli 1923 zijn voltooid.
Artikel 23. Hoogte vergoeding
1.De vergoeding, bedoeld in artikel 22,
bedraagt 5 procent van de geschatte waarde, onderscheidenlijk het in
de tweede volzin van het eerste lid van dat artikel bedoelde bedrag
waarover de vergoeding dient te worden berekend.
2.Het college van burgemeester en
wethouders kan, op verzoek van het bevoegd gezag van de bijzondere
school, bepalen dat in verband met de op het bevoegd gezag rustende
geldelijke verplichtingen, gedurende een door hem vast te stellen
termijn de vergoeding naar een hoger percentage zal worden berekend.
Artikel 24. Vermindering van de
vergoeding
1.Indien voor de bouw van nieuwe
lokalen gebruik wordt gemaakt van een gebouw of terrein als bedoeld in
artikel 22, of indien overeenkomstig artikel 108 van de wet is
vastgesteld dat een gedeelte van een zodanig gebouw of terrein ten
gevolge van het in gebruik nemen van nieuwe of andere lokalen blijvend
niet meer voor de school wordt gebruikt, wordt de geschatte waarde,
bedoeld in dat artikel, verminderd met de geschatte waarde van de niet
meer gebruikte lokalen, en wordt over het verschil de vergoeding
opnieuw berekend. De nieuw berekende vergoeding gaat in op het
tijdstip waarop de lokalen buiten gebruik zijn gesteld.
2.Indien het meubilair in gebouwen als
bedoeld in artikel 22 wordt vervangen, wordt de geschatte waarde,
bedoeld in dat artikel, verminderd met het bedrag waarop de waarde van
het oude meubilair was bepaald, en wordt over het verschil de
vergoeding opnieuw berekend. De nieuw berekende vergoeding gaat in op
het tijdstip van ingebruikneming van het nieuwe meubilair.
Artikel 25 [Vervallen per 23-06-2000]
Artikel 26. Vervreemding en
buitengebruikstelling
1.Wanneer de gebouwen en terreinen,
bedoeld in artikel 22, anders dan ingevolge artikel 58 van de wet
worden vervreemd, of zodra voor die gebouwen en terreinen
overeenkomstig artikel 108 van de wet is vastgesteld dat zij blijvend
niet meer voor het onderwijs aan de school worden gebruikt, betaalt
het bevoegd gezag van een bijzondere school aan de gemeente terug het
bedrag dat de gemeente aan uitbreiding, verbouwing of vernieuwing van
het gebouw en terrein op grond van de bepalingen van de
Lager-onderwijswet 1920 of de Overgangswet ISOVSO zoals luidend op 31
december 1996 heeft uitgegeven, verminderd, behoudens voor zover het
betreft door de gemeente bekostigde grond, met 2 procent voor wat
betreft de uitbreiding en met 5 procent voor wat betreft de verbouwing
of de vernieuwing, voor elk vol jaar dat is verstreken vanaf het
tijdstip waarop de uitgaven zijn gedaan. De terugbetaling kan in
termijnen plaatsvinden.
2.Het bevoegd gezag van een bijzondere
school betaalt aan de gemeente terug het bedrag dat de gemeente aan
uitbreiding, algehele aanpassing, partiële aanpassing, ingrijpend
onderhoud of energiebesparende maatregelen op grond van de bepalingen
van deInterimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal
onderwijs zoals die luidde op 31 december 1996 heeft uitgegeven,
verminderd, behoudens voor zover het betreft door de gemeente
bekostigde grond, met de ten behoeve van een voorziening als de
onderhavige voor de desbetreffende school door het Rijk aan de
gemeente verstrekte vergoedingen. De terugbetaling kan in termijnen
plaatsvinden.
3.Het bevoegd gezag van een bijzondere
school betaalt aan de gemeente terug het bedrag dat de gemeente heeft
uitgegeven aan de voorzieningen, bedoeld in artikel 90, eerste lid,
onderdelen a 2°, b en c, van de wet, verminderd met de uit de
gemeentebegroting blijkende afschrijving op het moment van de in het
eerste lid bedoelde vaststelling van de buitengebruikstelling,
behoudens voor zover het betreft door de gemeente bekostigde grond,
voor elk vol jaar dat is verstreken sedert het tijdstip waarop de
uitgaven plaats hadden. De terugbetaling kan in termijnen
plaatsvinden.
4.Binnen vier weken na de vervreemding
of nadat de buitengebruikstelling overeenkomstig artikel 108 van de
wet is vastgesteld, draagt het bevoegd gezag van een bijzondere school
de roerende zaken, behoudens die welke het bevoegd gezag uit eigen
middelen heeft aangeschaft, aan de gemeente in eigendom over.
5.Indien het bevoegd gezag in de
onmogelijkheid verkeert het gebouw en terrein tegen een zodanige prijs
te verkopen of op andere wijze daaruit zodanige inkomsten te
verwerven, dat uit de opbrengst het verschuldigde bedrag kan worden
terugbetaald, kan het bevoegd gezag aan zijn verplichtingen voldoen
door overdracht van het gebouw en terrein aan de gemeente, dan wel
door betaling aan de gemeente van een door gedeputeerde staten vast te
stellen vergoeding.
Titel III. Scholen als bedoeld in artikel
184 van het Besluit buitengewoon onderwijs 1967
Artikel 27. Scholen als bedoeld in
artikel 184 van het Besluit buitengewoon onderwijs 1967
1.Voor de gebouwen en terreinen
waarvoor voor 1 januari 1989 vergoeding werd genoten op grond van
artikel 184 van het Besluit buitengewoon onderwijs 1967, betaalt de
gemeente jaarlijks aan het bevoegd gezag een vergoeding gelijk aan het
bedrag dat voor huur van de gebouwen en terreinen, met inbegrip van de
inrichting, het meubilair en het onderwijsleerpakket, redelijk is te
achten, verminderd met de kosten van instandhouding van het gebouw. De
vergoeding bedraagt niet meer dan het bedrag dat een redelijke
vergoeding oplevert voor een overeenkomstige school, bestemd voor
hetzelfde aantal leerlingen, die in normale omstandigheden verkeert.
De vergoeding wordt in overleg tussen burgemeester en wethouders en
het bevoegd gezag vastgesteld. Indien voor gebouw en terrein, met
inbegrip van de inrichting, het meubilair en het onderwijsleerpakket,
een vergoeding uit de openbare kassen is of wordt genoten, wordt de
vergoeding dienovereenkomstig verminderd.
2.Aan het bevoegd gezag van een school,
niet zijnde een instelling, waarvoor de in het eerste lid bedoelde
vergoeding wordt betaald, verstrekt het Rijk jaarlijks een bedrag ter
bestrijding van de kosten van de school waarvoor de in het eerste lid
bedoelde vergoeding niet is bestemd. De titels I tot en met III van
hoofdstuk III zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 28. Vervreemding en
buitengebruikstelling
1.Indien het bevoegd gezag, bedoeld in
artikel 27, eigenaar is van het gebouw en terrein, en het gebouw en
terrein niet meer voor het speciaal onderwijs, het voortgezet speciaal
onderwijs of het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld
in artikel 2 van de wet worden gebruikt, dan wel het gebouw en terrein
na 1 september 1987 zijn of worden vervreemd, betaalt het bevoegd
gezag voor elk jaar dat de gemeente met betrekking tot het gebouw en
terrein een vergoeding heeft verstrekt, doch voor ten hoogste 40
jaren, aan de gemeente 1/40 deel van de waarde van het gebouw en
terrein in het economisch verkeer, met dien verstande dat het college
van burgemeester en wethouders kan besluiten in verband met eigen
investeringen van het bevoegd gezag een lagere waarde vast te stellen.
Indien toepassing is gegeven aan artikel VI, vierde lid, van de wet
van 2 april 1998, Stb. 228, wordt de gemeente geacht gedurende 40
jaren een vergoeding met betrekking tot het gebouw en terrein te
hebben verstrekt.
2.In afwijking van het bepaalde in het
eerste lid kan het bevoegd gezag de eigendom van het gebouw overdragen
aan de gemeente.
Hoofdstuk V. Bekostiging voor de
personeelskosten
Titel I. Algemeen
Artikel 29. Vaststelling bekostiging en
latere wijziging bekostiging
1. Onze Minister stelt jaarlijks
uiterlijk op 15 april, de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel
131, eerste en derde lid, van de wet vast voor zover deze bedragen
mede gebaseerd zijn op het aantal leerlingen op de teldatum, met dien
verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen
op de teldatum, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het
persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 164a, tweede lid,
van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 1 december van het jaar
voorafgaande aan het bekostigingsjaar zijn opgenomen in het
basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 164b van de wet, dan
wel de leerlingen van wie opgave is gedaan aan Onze Minister
overeenkomstigartikel 58a, vierde lid. De bedragen hebben betrekking
op een schooljaar.
2. Onze Minister stelt de
bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet
voorzover het betreft de bekostiging, bedoeld in artikel 38, vast
binnen 8 weken na ontvangst van de gegevens ten behoeve van de
berekening van deze bekostiging.
3. Indien de verklaring van de
accountant, bedoeld in artikel 157, vierde lid, van de wet aanleiding
geeft tot wijziging van de bekostiging, bedoeld in het eerste of
tweede lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de bekostiging voor dat
jaar nader vast.
4. De in het eerste en tweede lid
bedoelde bekostigingsbedragen kunnen door Onze Minister worden
gewijzigd wegens algemene salarismaatregelen of wegens andere al dan
niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
Artikel 30. Betaalritme
1.De betaling van de
bekostigingsbedragen voor personeelskosten, bedoeld in artikel 124 en
artikel 131, eerste lid, van de wet vindt maandelijks plaats op een
bij ministeriële regeling vast te stellen betaalritme dat voor de
verschillende onderdelen van de bekostiging verschillend kan worden
vastgesteld.
2.De betaling van de bekostiging voor
personeelskosten bedoeld in artikel 131, tweede lid, van de wet vindt,
tenzij bij beschikking anders wordt bepaald, plaats in een aantal
gelijke maandelijkse termijnen.
Titel II. Bekostigingsgrondslagen
Artikel 31. Vaststelling bedragen
Voor de toepassing van dit besluit wordt
verstaan onder:
a. formatiebasisbedrag: een bij
ministeriële regeling vast te stellen bedrag, dat niet afhankelijk
is van de leeftijd van personeel van de school;
b. formatieleeftijdsbedrag: een bij
ministeriële regeling vast te stellen bedrag, dat vervolgens
afhankelijk wordt gesteld van de leeftijd van personeel van de
school;
c. basisbedrag: een bij ministeriële
regeling vast te stellen bedrag, dat wordt bepaald door de in het
desbetreffende artikel genoemde formatie te vermenigvuldigen met het
formatiebasisbedrag;
d. leeftijdsbedrag: een bij
ministeriële regeling vast te stellen bedrag, dat wordt bepaald
door de in het desbetreffende artikel genoemde formatie te
vermenigvuldigen met het formatieleeftijdsbedrag.
Artikel 32. Vast bedrag per school
1.Aan elke school, niet zijnde een
instelling, wordt voor de bekostiging van de personeelskosten een vast
bedrag per school verstrekt. Het vaste bedrag per school bestaat uit
een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag
dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de
leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
2.Voor de berekening van het
basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het leeftijdsbedrag,
bedoeld in het eerste lid, bedraagt de formatie 1,1734 formatieplaats.
3.Voor het schooljaar waarin een nieuwe
school wordt geopend, wordt het leeftijdsbedrag vermenigvuldigd met de
geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd op 1 oktober van het
voorafgaande schooljaar van de leraren in het speciaal onderwijs en
het voortgezet speciaal onderwijs.
Artikel 33. Formatie leraren per leerling
t.b.v. berekening bedrag per leerling
Voor de berekening van het bedrag per
leerling, bedoeld in artikel 117, elfde lid, onderdeel a, van de wet,
wordt de formatie leraren voor scholen, niet zijnde instellingen, per
leerling vastgesteld volgens de onderstaande tabel:
|
Onderwijssoort |
Speciaal onderwijs |
|
Voortgezet speciaal
onderwijs |
|
Jonger dan 8 jaar |
8 jaar en ouder |
|
a. dove kinderen |
0,2141 |
0,2117 |
0,2226 |
|
b. slechthorende kinderen |
0,1173 |
0,1157 |
0,2000 |
|
c. kinderen met ernstige
spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder a of b
bedoelde kinderen |
0,1173 |
0,1157 |
|
|
f. lichamelijk gehandicapte
kinderen |
0,1181 |
0,1181 |
0,2019 |
|
h1°. langdurig zieke kinderen met
een lichamelijke handicap |
0,1043 |
0,1021 |
0,1835 |
|
h2°. langdurig zieke kinderen
anders dan met een lichamelijke handicap |
0,1273 |
0,1262 |
0,1861 |
|
j. zeer moeilijk lerende kinderen |
0,1090 |
0,1090 |
0,1649 |
|
k. zeer moeilijk opvoedbare
kinderen |
0,1273 |
0,1262 |
0,1861 |
|
m. kinderen in scholen verbonden
aan pedologische instituten |
0,1273 |
0,1262 |
0,1861 |
|
n. meervoudig gehandicapte kinderen
met de combinatie: |
|
|
|
|
a +j |
0,4024 |
0,4007 |
0,4004 |
|
b + j |
0,1999 |
0,1987 |
0,2030 |
|
f + j |
0,1869 |
0,1869 |
0,2062 |
|
a + blind |
0,6027 |
0,6003 |
0,6003 |
Artikel 34. Formatie
onderwijsondersteunend personeel per leerling t.b.v. berekening bedrag
per leerling
Voor de berekening van het bedrag per
leerling, bedoeld in artikel 117, elfde lid, onderdeel b, van de wet
wordt de formatie onderwijsondersteunend personeel voor scholen, niet
zijnde instellingen, per leerling vastgesteld volgens de onderstaande
tabel.
|
Onderwijssoort |
Speciaal onderwijs |
|
Voortgezet speciaal
onderwijs |
|
Jonger dan 8 jaar |
8 jaar en ouder |
|
a. dove kinderen |
0,1993 |
0,0531 |
0,0471 |
|
b. slechthorende kinderen |
0,1636 |
0,0676 |
0,0663 |
|
c. kinderen met ernstige
spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder a of b
bedoelde kinderen |
0,1573 |
0,0613 |
|
|
f. lichamelijk gehandicapte
kinderen |
0,2287 |
0,2287 |
0,1962 |
|
h1°. langdurig zieke kinderen met
een lichamelijke handicap |
0,2087 |
0,0775 |
0,0572 |
|
h2°. langdurig zieke kinderen
anders dan met een lichamelijke handicap |
0,1251 |
0,0573 |
0,0438 |
|
j. zeer moeilijk lerende kinderen |
0,0892 |
0,0892 |
0,0717 |
|
k. zeer moeilijk opvoedbare
kinderen |
0,1251 |
0,0573 |
0,0438 |
|
m. kinderen in scholen verbonden
aan pedologische instituten |
0,1251 |
0,0573 |
0,0438 |
|
n. meervoudig gehandicapte kinderen
met de combinatie: |
|
|
|
|
a + j |
0,2066 |
0,1067 |
0,0603 |
|
b + j |
0,1724 |
0,0993 |
0,0831 |
|
f + j |
0,2896 |
0,2896 |
0,2892 |
|
a + blind |
0,2309 |
0,0847 |
0,0847 |
Artikel 35. Aanvullende bekostiging
personeelskosten voor de schoolleiding
1.Voor de aanvullende bekostiging voor
de schoolleiding, bedoeld in artikel 117, derde lid, van de wet van
scholen, niet zijnde instellingen, wordt een bedrag toegekend.
2.Het bedrag, bedoeld in het eerste
lid, is de uitkomst van de volgens de onderstaande tabel op de school
van toepassing zijnde factor, vermenigvuldigd met een bij
ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
|
Andere
onderwijssoorten dan de hiernaast genoemde |
|
Onderwijssoort
meervoudig gehandicapte kinderen met de combinatie a+j, b+j, f+j
of a+blind |
|
|
Aantal leerlingen |
so of vso |
sovso |
so of vso |
sovso |
|
1 t/m 49 |
1 |
1 |
2 |
2 |
|
50 of meer |
2 |
3 |
2 |
3 |
waarbij:
so = een school voor speciaal
onderwijs,
vso = een school voor voortgezet
speciaal onderwijs,
sovso = een school voor speciaal
onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs.
Artikel 36 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 37. Aanvullende bekostiging
personeelskosten bij aanzienlijke tussentijdse toename aantal leerlingen
per 16 januari
1. Aan het bevoegd gezag van een
school, niet zijnde een instelling, wordt aanvullende bekostiging voor
personeelskosten toegekend indien:
a. het verschil tussen
1°. het aantal leerlingen op
16 januari van het schooljaar, en
2°. het aantal leerlingen op 1
oktober van het schooljaar onderscheidenlijk het aantal
leerlingen op de teldatum die op grond van artikel 118, tweede
lid, van de wet van toepassing is, gelijk is aan of groter is
dan de helft van de kleinste factor N, bedoeld in de tabel in
artikel 14 die op de school van toepassing is, en
b. het persoonsgebonden nummer
tezamen met de in artikel 164a, tweede lid, van de wet bedoelde
gegevens van de leerlingen die op 16 januari van het schooljaar op
de school staan ingeschreven, uiterlijk 16 februari van het
schooljaar zijn opgenomen in het basisregister onderwijs
overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel van deze
leerlingen opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig
artikel 58a, vierde lid.
2. De aanvullende bekostiging is de
uitkomst van het verschil tussen
a. de totale personeelsbekostiging,
bedoeld in artikel 131 van de wet verminderd met de bekostiging,
bedoeld inartikel 35, berekend op grond van het aantal leerlingen
op 16 januari van het schooljaar, en
b. de bekostiging, bedoeld in
onderdeel a, berekend op basis van het aantal leerlingen op de
teldatum.
3. Aanspraak op de aanvullende
bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, ontstaat met ingang
van 1 augustus van het daaropvolgende schooljaar en wordt betaald in
twaalf maandelijkse termijnen.
Artikel 38. Aanvullende bekostiging
personeelskosten bij toename aantal leerlingen per 1 oktober van het
lopende schooljaar
1.Aan het bevoegd gezag van een school,
niet zijnde een instelling, wordt aanvullende bekostiging voor
personeelskosten toegekend indien het verschil tussen
a. het aantal leerlingen op 1 oktober
van het schooljaar, en
b. het aantal leerlingen op de
teldatum, gelijk is aan of groter is dan de kleinste factor N, bedoeld
in de tabel in artikel 14 die op de school van toepassing is.
2.Indien in het voorafgaande schooljaar
toepassing is gegeven aan artikel 37, wordt in afwijking van het
eerste lid aanvullende bekostiging voor personeelskosten toegekend
indien het verschil tussen
a. het aantal leerlingen op 1
oktober van het schooljaar, en
b. het aantal leerlingen op 16
januari van het voorafgaande schooljaar gelijk is aan of groter is
dan de kleinste factor N, bedoeld in de tabel in artikel 14, die
op de school van toepassing is.
3.De aanvullende bekostiging, bedoeld
in het eerste en tweede lid, bedraagt 7/12 deel van de uitkomst van
het verschil tussen
a. de totale personeelsbekostiging,
bedoeld in artikel 131 van de wet verminderd met de bekostiging,
bedoeld inartikel 35, berekend op grond van het aantal leerlingen
op de teldatum, respectievelijk indien het tweede lid van
toepassing is, op 16 januari van het voorafgaande schooljaar, en
b. de bekostiging, bedoeld in
onderdeel a, berekend op basis van het aantal leerlingen op 1
oktober van het schooljaar.
4.Aanspraak op de aanvullende
bekostiging ingevolge de voorafgaande leden ontstaat met ingang van 1
januari van het schooljaar en wordt betaald in 7 maandelijkse
termijnen.
Artikel 38a. Berekening bekostiging
preventieve ambulante begeleiding
1.Voor de bekostiging van preventieve
ambulante begeleiding, bedoeld in artikel 8a, derde lid, onderdeel a,
van de wet wordt aan het bevoegd gezag van een school, niet zijnde een
instelling, een basisbedrag toegekend per leerling. Dit basisbedrag
wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met
de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1
oktober van het voorafgaande schooljaar.
2.Voor de toepassing van het eerste lid
geldt het aantal leerlingen van de school op de teldatum of op 16
januari indien toepassing is gegeven aan artikel 37.
3.Voor de berekening van het
basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het leeftijdsbedrag,
bedoeld in het eerste lid, wordt de formatie bepaald op de hoeveelheid
formatie als aangegeven in onderstaande tabel:
|
Onderwijssoort |
Speciaal onderwijs |
Voortgezet speciaal
onderwijs |
|
a. dove kinderen |
0,0000 |
0,0122 |
|
b. slechthorende kinderen |
0,0114 |
0,0000 |
|
c. kinderen met ernstige
spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder a of b
bedoelde kinderen |
0,0115 |
0,0000 |
|
f. lichamelijk gehandicapte
kinderen |
0,0494 |
0,0107 |
|
h.
1°. langdurig zieke kinderen
met een lichamelijke handicap
|
0,0005 |
0,0000 |
|
2°. langdurig zieke kinderen
anders dan met een lichamelijke handicap |
0,0030 |
0,0051 |
|
j. zeer moeilijk lerende kinderen |
0,0012 |
0,0000 |
|
k. zeer moeilijk opvoedbare
kinderen |
0,0030 |
0,0051 |
|
m. kinderen in scholen verbonden
aan pedologische instituten |
0,0030 |
0,0051 |
|
n. meervoudig gehandicapte kinderen
met de combinatie: |
|
|
|
a + j |
0,0000 |
0,0000 |
|
b + j |
0,0000 |
0,0000 |
|
f + j |
0,0000 |
0,0000 |
|
a + blind |
0,0000 |
0,0000 |
Artikel 39. Berekening bekostiging
ambulante begeleiding in verband met terugplaatsing
1.Voor de bekostiging van ambulante
begeleiding wordt aan de bevoegd gezagsorganen van scholen waar
onderwijs wordt gegeven als bedoeld in artikel 2, tweede lid,
onderdeel a tot en met c, f en h, j, k, m en n, van de wet voor de in
het tweede lid bedoelde leerlingen per leerling een basisbedrag
toegekend, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat
wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de
leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
2.Voor de toepassing van het eerste lid
geldt het aantal leerlingen op de teldatum dat in het direct daaraan
voorafgaande schooljaar was toegelaten tot de school, niet zijnde een
instelling, en dat zonder dat voor hen nog een leerlinggebonden budget
beschikbaar is, leerling is van een school als bedoeld in de Wet op
het primair onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel
deelnemer is van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2., eerste
lid onder a en b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
3.Voor de berekening van het
basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het leeftijdsbedrag,
bedoeld in het eerste lid, wordt de formatie bepaald op de hoeveelheid
formatie als aangegeven in onderstaande tabel:
|
Onderwijssoort |
Terugplaatsing naar
basisonderwijs, aantal formatieplaatsen |
Terugplaatsing naar
voortgezet onderwijs of opleiding als bedoeld in art. 7.2.2.,
eerste lid onder a en b van de WEB, aantal formatieplaatsen |
|
a. dove kinderen |
0,1892 |
0,0872 |
|
b. slechthorende kinderen |
0,0851 |
0,0570 |
|
c. kinderen met ernstige
spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder a of b
bedoelde kinderen |
0,0851 |
|
|
f. lichamelijk gehandicapte
kinderen |
0,0851 |
0,0872 |
|
h.1° langdurig zieke kinderen met
een lichamelijke handicap |
0,0851 |
0,0570 |
|
h.2° langdurig zieke kinderen
anders dan met een lichamelijke handicap |
0,0851 |
0,0570 |
|
j. zeer moeilijk lerende kinderen |
0,0851 |
0,0570 |
|
k. zeer moeilijk opvoedbare
kinderen |
0,0851 |
0,0570 |
|
m. kinderen in scholen verbonden
aan pedologische instituten |
0,0851 |
0,0570 |
|
n. meervoudig gehandicapte kinderen
met de combinatie |
|
|
|
a+j |
|
|
|
b+j |
|
|
|
f+j |
0,0851 |
0,0570 |
|
a + blind |
0,0851 |
0,0570 |
Artikel 40. Berekening bekostiging
personeelskosten m.b.t. verbreed toegelaten leerlingen
Indien een leerling, die toelaatbaar is
verklaard tot een andere onderwijssoort dan de onderwijssoort die door
de school wordt verzorgd, bij de school is ingeschreven met toepassing
van artikel 76a van de wet, wordt met betrekking tot die leerling voor
de berekening van de bekostiging voor personeelskosten uitgegaan van het
bedrag per leerling dat behoort bij de onderwijssoort waarvoor die
leerling toelaatbaar is verklaard.
Artikel 41. Berekening aanvullende
bekostiging personeelskosten voor de bestrijding van
onderwijsachterstanden
1. Voor de aanvullende bekostiging voor
personeelskosten ten behoeve van de bestrijding van
onderwijsachterstanden voor scholen, niet zijnde instellingen, met een
aantal leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond op de
teldatum boven het aantal van 4, wordt per leerling boven het aantal
van 4 een basisbedrag toegekend, welk bedrag wordt verhoogd met een
leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde
leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het
voorafgaande schooljaar.
2. Voor de berekening van het
basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het leeftijdsbedrag,
bedoeld in het eerste lid, bedraagt de formatie per leerling 0,0385
formatieplaats.
3. Voor het schooljaar waarin een
nieuwe school wordt geopend, wordt het leeftijdsbedrag vermenigvuldigd
met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren
in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs op 1
oktober van het voorafgaande schooljaar.
Artikel 42. Bekostiging instellingen
Voor de berekening van het bedrag per
leerling, bedoeld in artikel 117, elfde lid, onderdeel a en b, van de
wet, bedraagt de formatie per leerling tezamen 0,0546 formatieplaats.
Hoofdstuk VI. Correcties op de
bekostiging
Artikel 43. Correctie op de bekostiging
1.Indien uit een op grond van artikel
161, eerste of tweede lid, van de wet ingesteld onderzoek blijkt dat
de omvang van de bekostiging voor de uitgaven ten behoeve van de
materiële instandhouding, de omvang van de bekostiging voor de
personeelskosten, de omvang van enige bijzondere of aanvullende
bekostiging onjuist is vastgesteld, kan Onze Minister tot uiterlijk
één jaar na ontvangst van de bevindingen uit dat onderzoek
correcties aanbrengen op de desbetreffende bekostiging. Onze Minister
deelt het bevoegd gezag uiterlijk één jaar na ontvangst van deze
bevindingen schriftelijk mede of en zo ja welke correcties hij
aanbrengt.
2.Indien uit het jaarverslag, bedoeld
in artikel 157 van de wet, uit de in artikel 157, vierde lid, van de
wet, bedoelde verklaring van de accountant of uit een op grond van
artikel 161 van de wet ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging
voor een school onrechtmatig is besteed, kan Onze Minister bepalen dat
het desbetreffende gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van
het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden
gebracht op de bekostiging. Onze Minister doet hiervan binnen een jaar
na ontvangst van het jaarverslag, respectievelijk binnen een jaar na
ontvangst van de bevindingen uit dat onderzoek schriftelijk mededeling
aan het bevoegd gezag.
3.Indien daarvoor naar zijn oordeel
aanleiding is, kan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde
termijnen waarbinnen correcties kunnen worden aangebracht alsmede de
in het tweede lid bedoelde termijn met ten hoogste een jaar verlengen.
Artikel 44. Verrekening of betaling
i.v.m. correcties
Een in artikel 43, eerste lid, bedoelde
correctie wordt, indien de correctie strekt tot verhoging van de
bekostiging, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in artikel 43,
eerste lid, door Onze Minister betaald.
Hoofdstuk VII. Voorschriften betreffende
berekening van overschotten bij opheffing of beëindiging van de
bekostiging van de laatste school van een bevoegd gezag
Artikel 45. Berekening
exploitatieoverschot bij opheffing of beëindiging van de bekostiging
van de laatste school van een bevoegd gezag
1.Voor de toepassing van artikel 150a
van de wet wordt onder exploitatieoverschot verstaan:
a. het bedrag van de bekostiging,
bedoeld in de artikelen 120, 128 en 131 van de wet, verminderd met
de lasten over dat jaar voor zover deze als rechtmatig kunnen
worden aangemerkt,
b. de reserveringen voor zover
afkomstig uit ’s Rijks kas, met inbegrip van de ontvangen
rentebaten, en
c. voor zover het een niet door een
gemeente in stand gehouden school betreft, de niet bestede
gedeelten van de uitkeringen op grond van de voorschriften inzake
de gemeentelijke overschrijding.
2.Het bevoegd gezag meldt het
overeenkomstig het eerste lid berekende saldo, verdeeld naar de
onderdelen a en b, respectievelijk c, van het eerste lid tezamen met
het jaarverslag over het laatste jaar waarin de school nog geheel of
gedeeltelijk voor bekostiging in aanmerking kwam. De opgave gaat
vergezeld van een verklaring van een accountant omtrent de juistheid
van de opgave.
3.Indien het exploitatieoverschot van
een niet door een gemeente in stand gehouden school mede is opgebouwd
uit uitkeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en geen
onderscheid kan worden gemaakt met de baten respectievelijk de lasten
als bedoeld in het eerste lid onderdelen a en b, geldt als maatstaf
voor de verdeling van eerstbedoeld deel van het exploitatieoverschot
tussen Rijk en de desbetreffende gemeente de verhouding tussen het
ontvangen bedrag aan bekostiging van het Rijk en het ontvangen bedrag
aan uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, van de
gemeente in een periode van vijf jaren, voorafgaand aan het jaar van
de beëindiging van de bekostiging. De verdeling behoeft de
goedkeuring van Onze Minister.
Hoofdstuk VIII [Vervallen per 10-02-2006]
Artikel 55 [Vervallen per 10-02-2006]
Artikel 56 [Vervallen per 10-02-2006]
Hoofdstuk IX. Regionale expertisecentra
Artikel 56a. Vergoeding regionaal
expertisecentrum
1. De vergoeding voor een regionaal
expertisecentrum bedraagt € 27 200 [Red: per 10 november 2011: €
32.197] , vermeerderd met € 9 100 [Red: per 10 november 2011: €
10.772] voor elke aan het regionaal expertisecentrum deelnemende
school en vermeerderd met € 155 [Red: per 10 november 2011: € 183]
voor elke leerling die in de periode van 12 maanden direct voorafgaand
aan 1 oktober van het voorafgaande schooljaar een bevestigende
beoordeling van de commissie, bedoeld in artikel 28c, eerste lid, van
de wet, heeft ontvangen, welk aantal leerlingen wordt verhoogd met
15%.
2. Het Rijk verstrekt elke maand van
het schooljaar een twaalfde gedeelte van de vergoeding, bedoeld in het
eerste lid.
3. De bedragen, bedoeld in het eerste
lid, worden jaarlijks per 1 augustus, telkens te rekenen met het
laatstelijk aangepaste bedrag, bij ministeriële regeling aangepast en
wel voor 90% van het bedrag aan de ontwikkeling van de gemiddelde
personeelslasten in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal
onderwijs in het voorafgaande kalenderjaar en voor 10% van het bedrag
aan de prijsontwikkeling, overeenkomstig de prijsmutatie van de netto
materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische
Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau
in het jaar voorafgaande aan het jaar waarin het bedrag wordt
aangepast, en het jaar waarin het bedrag wordt aangepast.
Artikel 56b. Verstrekken gegevens
1.Het regionaal expertisecentrum brengt
desgevraagd aan Onze Minister verslag uit over zijn werkzaamheden in
het voorafgaande kalenderjaar.
2.Het regionaal expertisecentrum legt
jaarlijks voor 1 juli over het voorafgaande kalenderjaar rekening en
verantwoording af van het geldelijk beheer en in voorkomend geval van
de besteding van formatierekeneenheden, waarbij tevens een verklaring
van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek wordt overgelegd, waaruit blijkt dat de
vergoeding is besteed in overeenstemming met de bepalingen van de wet.
HOOFDSTUK X. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 57. Overgangsartikel met
betrekking tot artikel 23, tweede lid
Met besluiten als bedoeld in artikel 23,
tweede lid, worden Onze besluiten inzake de vergoeding, bedoeld in
artikel 23, die zijn genomen voor 1 januari 1989, gelijkgesteld.
Artikel 58. Overgangsartikel met
betrekking tot artikel 42
1
Voor zover het betreft de gegevens ten
behoeve van de afrekeningen van de vergoedingen voor de personele kosten
over de jaren voor 1987 wordt artikel 42 vervangen door de artikelen 42
en 42a, luidende als volgt:
Artikel 42
1.Het bevoegd gezag van een school,
bedoeld in artikel 33, onderdeel a, verstrekt jaarlijks voor een bij
ministeriële regeling te bepalen tijdstip ten behoeve van de
vaststelling van de vergoeding, bedoeld in artikel 101 van de wet,
zoals luidend op 31 juli 1992, over het voorafgaande jaar aan Onze
Minister de gegevens betreffende het personeel.
2.Bij ministeriële regeling wordt
voor het verstrekken van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, een
formulier vastgesteld.
Artikel 42a
1.Het bevoegd gezag van een school,
bedoeld in artikel 33 onderdeel b, verstrekt jaarlijks voor 1 maart
ten behoeve van de vaststelling van de vergoeding, bedoeld in
artikel 101 van de wet, zoals luidend op 31 juli 1992, over het
voorafgaande jaar aan Onze Minister de gegevens betreffende het
personeel.
2.Bij ministeriële regeling wordt
voor het verstrekken van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, een
formulier vastgesteld.
2.Tot 1 januari 1989 wordt artikel
42, eerste lid onderdeel c, vervangen door:
c. een verklaring van een accountant
van de juistheid van de gegevens waarop de vergoedingsbedragen
worden gebaseerd.
Artikel 58a. Aanleveren gegevens volgens
de leerlingentellingprocedure
1. Indien Onze Minister van oordeel is
dat een bevoegd gezag voor een of meer van zijn scholen als gevolg van
factoren buiten de invloedssfeer van de school niet in staat is om de
leerlinggegevens te leveren op de in artikel 164a van de wet bedoelde
wijze, kan hij bepalen dat in de periode tot 1 augustus volgend op de
datum van inwerkingtreding van dit artikel de levering van gegevens
over het aantal leerlingen van de desbetreffende school of scholen ten
behoeve van de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in de
artikelen 12a, eerste en tweede lid, 29, eerste lid en 37, eerste lid,
plaatsvindt op de in het vierde tot en met zevende lid bedoelde wijze.
2. De verplichting van het bevoegd
gezag tot levering van de gegevens over het aantal leerlingen op de in
het vierde tot en met zevende lid bedoelde wijze vervalt zodra Onze
Minister heeft bepaald dat het bevoegd gezag heeft aangetoond in staat
te zijn de leerlinggegevens te leveren op de in artikel 164a van de
wet bedoelde wijze.
3. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat het eerste en tweede lid van overeenkomstige
toepassing zijn op de levering van gegevens over het aantal leerlingen
in een of meer schooljaren vanaf 1 augustus volgend op de datum van
inwerkingtreding van dit artikel.
4. Indien het eerste lid van toepassing
is, doet het bevoegd gezag ten behoeve van de bekostiging, bedoeld in
de artikelen 12a, eerste en tweede lid,29, eerste lid, en 37, eerste
lid, voor de vijftiende dag van elke maand aan Onze Minister een
opgave van het aantal leerlingen van de school op de eerste dag van
die maand toekomen overeenkomstig het vijfde tot en met zevende lid.
5. De opgave, bedoeld in het vierde
lid, is onderverdeeld in leerlingen met een niet-Nederlandse culturele
achtergrond en overige leerlingen.
6. Indien de school een nevenvestiging
heeft, is de opgave, bedoeld in het vierde lid, tevens onderverdeeld
in de leerlingen van de hoofdvestiging en de leerlingen van elk van de
nevenvestigingen.
7. Bij ministeriële regeling wordt
vastgesteld op welke wijze de opgave, bedoeld in het vierde lid, wordt
gedaan.
Artikel 59. Intrekking
Bekostigingsbesluit ISOVSO
Het Bekostigingsbesluit ISOVSO (Stb.
1985,728) wordt ingetrokken.
Artikel 60. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
bekostiging WEC.
Artikel 61 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 62 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 63 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 64 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 65 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 66 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 67 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 67a [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 68 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 69 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 70 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 71 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 71a [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 72 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 73 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 73a [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 74 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 75 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 76 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 77 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 77a [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 77b [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 77c [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 77d [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 77e [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 78 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 79 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 80 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 81 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 82 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 83 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 83a [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 83b [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 84 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 85 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 86 [Vervallen per 20-06-1997]
Artikel 87 [Vervallen per 20-06-1997]
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad
van State en aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 23 december 1987
BEATRIX
De Staatssecretaris van Onderwijs
en Wetenschappen,
N.J. Ginjaar-Maas
Uitgegeven de dertigste
december 1987
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Voetnoten:
1. Tenzij bij beschikking van Onze
Minister anders is vastgesteld.
2. Tenzij bij beschikking van Onze Minister anders is vastgesteld.
Bijlagen
I tot en met V vervallen
|