| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de
expertisecentra (WEC)
ONDERWIJSKUNDIG
BESLUIT WEC
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 18 september 1985, houdende voorschriften
van onderwijskundige aard voor het speciaal onderwijs en het voortgezet
speciaal onderwijs
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs.
G. van Leijenhorst, van 18 juli 1985, nr. 6400/2271B, centrale directie
Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 9, derde lid, 16, eerste
lid, 19a, eerste lid, 33, tweede en derde lid, en 111, derde,
vierde en zesde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het
voortgezet speciaal onderwijs (Stb. 1984, 654);
Gehoord de Onderwijsraad (advies van 6 februari
1985, nr. O.R. III/100189LO);
De Raad van State gehoord (advies van 23
augustus 1985, nr. W05.85.0412/12.5.34);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs. G. van Leijenhorst,
van 16 september 1985, nr. 6713/2271B, centrale directie Wetgeving en
Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Titel I. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
wet: Wet op de expertisecentra;
Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
school: een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal
onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld
in artikel 2, tweede lid, onder a, b, c, f, g, h, j, k, m of n, van de
wet, dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, tweede volzin, van de
wet, tenzij het tegendeel blijkt;
instelling: instelling als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de
wet;
bevoegd gezag voor wat betreft:
a. een openbare school: het college van burgemeester en
wethouders voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de
raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te
stellen regelen, dan wel het krachtens een gemeenschappelijke
regeling bevoegde orgaan;
b. een bijzondere school: de rechtspersoon bedoeld in artikel 44
van de wet;
ouders: ouders, voogden of verzorgers;
schooljaar: het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli
daaraanvolgend;
afdelingen: de afdelingen bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de
wet, tenzij het tegendeel blijkt;
meervoudig gehandicapte kinderen: kinderen met combinaties van
handicaps als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de wet;
stage: de stage bedoeld in artikel 17 van de wet;
stagegever: de rechtspersoon of de natuurlijke persoon bij wie de
stage wordt doorlopen;
stageleraar: leraar van de school waarop de leerling is ingeschreven,
belast met de begeleiding van de leerling tijdens de stage;
stagebegeleider: degene die is belast met de begeleiding van de
leerling en werkzaam is bij de stagegever;
symbiose: onderwijs waarbij een leerling of leerlingen, ter
uitvoering van een deel van het schoolplan voor zover het betrekking
heeft op speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, onderwijs
ontvangt onderscheidenlijk ontvangen op een basisschool, een speciale
school voor basisonderwijs, een school voor voortgezet onderwijs of een
instelling voor educatie en beroepsonderwijs;
ambulante begeleiding: de begeleiding, bedoeld in artikel 8a, derde
lid onder b, van de wet;
teldatum: een van de data, bedoeld in artikel 93b van de wet.
Titel II. Afdelingen
Artikel 2. Afdelingen voor meervoudig gehandicapte kinderen
1. Aan een school voor speciaal onderwijs en voor speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs waar onderwijs wordt gegeven als bedoeld
in artikel 2, tweede lid onderdeel a tot en met c, f, en h tot en met
m van de wet, kan een afdeling worden verbonden voor speciaal
onderwijs aan meervoudig gehandicapte kinderen.
2. De afdeling bedoeld in het eerste lid, is bestemd voor kinderen
met eenzelfde meervoudige handicap, met dien verstande dat een van de
handicaps de handicap is op grond waarvan zij tot de school waaraan de
afdeling is verbonden, kunnen worden toegelaten.
3. Onze Minister geeft voorschriften voor de toelating tot een
afdeling als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3. Afdelingen voor kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden
Aan scholen voor speciaal onderwijs en voor speciaal en voortgezet
speciaal onderwijs aan slechthorende kinderen kan een afdeling voor
speciaal onderwijs aan kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden worden
verbonden.
Artikel 4 [Vervallen per 01-11-1996]
Artikel 5 [Vervallen per 01-08-1998]
Titel IIA. Vakken in het voortgezet speciaal onderwijs aan zeer
moeilijk lerende kinderen
Artikel 5a. Vakken in het voortgezet speciaal onderwijs aan zeer
moeilijk lerende kinderen
1. Voortgezet speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen
omvat, waar mogelijk in samenhang, ten minste:
a. Nederlandse taal, waaronder in elk geval wordt verstaan een
functionele communicatievaardigheid in de Nederlandse taal voor
wat betreft het mondelinge taalgebruik en, afhankelijk van de
ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling, het schriftelijke
taalgebruik, gericht op de huidige en de te verwachten leef- en
werksituatie van de leerling;
b. kennisgebieden bestaande uit, in samenhang, aardrijkskunde,
geschiedenis, maatschappijleer en kennis der natuur, waaronder in
elk geval wordt verstaan een functioneel aanbod van deze gebieden,
leidende tot fundamentele vaardigheden welke zinvolle toepassingen
mogelijk maken als het zich oriλnteren in ruimte en tijd, het
omgaan met mensen in verschillende situaties en in verschillende
maatschappelijke rollen, het omgaan met dieren en planten en het
omgaan met voorwerpen en verschijnselen uit de natuur;
c. rekenen en wiskunde, waaronder in elk geval wordt verstaan
de vaardigheid van het praktisch omgaan met rekenkundige
grootheden en het toepassen van eenvoudige rekenvaardigheden;
d. bevordering van sociale redzaamheid, waaronder in elk geval
worden verstaan de vaardigheden die van wezenlijk belang zijn voor
het leggen van sociale contacten en deelname aan het
maatschappelijk verkeer, daaronder begrepen aspecten van sanitaire
en cosmetische zorg, zorg voor de woning, de voeding en de
kleding, vormen van sociale omgang in de huidige en de te
verwachten leef- en werksituatie van de leerling en gedrag in het
verkeer;
e. muziek, waaronder in elk geval wordt verstaan een
systematische muzikale vorming, gericht op het leren luisteren
naar muziek, het leren uiten van de eigen belevingswereld van de
leerling met behulp van stem en instrument en het leren omgaan met
ritmische elementen;
f. tekenen, waaronder in elk geval wordt verstaan de
vaardigheid van het hanteren van teken- en schildermaterialen, van
eenvoudige plattevlak-technieken en van het creatief vormgeven op
papier van de eigen belevingswereld van de leerling;
g. handvaardigheid, waaronder in elk geval wordt verstaan het
leren omgaan met verschillende materialen, de beheersing van
daarbij passende eenvoudige technieken en het door middel daarvan
creatief vormgeven aan de eigen belevingswereld van de leerling;
h. lichamelijke oefening, waaronder in elk geval wordt verstaan
een systematische bewegingsopvoeding, gericht op beheersing van
motorische, sociale en cognitieve vaardigheden met betrekking tot
verschillende spel- en bewegingsvormen, zwemmen daaronder
begrepen, de ontwikkeling van een goede lichamelijke conditie en
een positieve bewegingsbeleving.
2. Voortgezet speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen
omvat voorts ten minste 2 van de vakken die gegeven worden in het
lager beroepsonderwijs, het algemeen voortgezet onderwijs en het
voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, anders dan de vakken bedoeld
in het eerste lid.
Titel III. Stage
Artikel 6. Stage in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal
onderwijs
1. Voor leerlingen die voortgezet speciaal onderwijs ontvangen, kan
het onderwijs een stage omvatten die wordt doorlopen op een of meer
stageplaatsen, ter beschikking gesteld door een of meer stagegevers.
2. Voor leerlingen die speciaal onderwijs ontvangen kan het
onderwijs de in het eerste lid bedoelde stage omvatten indien dit in
het belang van de leerlingen is en deze de leeftijd hebben bereikt
waarop zij stage mogen lopen.
Artikel 7. Stageplan
Indien het onderwijs een stage omvat, worden het doel, de inhoud, de
omvang, de opbouw en de organisatie van de stage beschreven in een
stageplan.
Artikel 8. Duur van de stage
1. De duur van de stage bedraagt ten hoogste twintig weken per
schooljaar, gedurende ten hoogste 3 schooljaren.
2. Ten behoeve van het voorzien in of de voltooiing van een stage
kan de inspecteur op verzoek van het bevoegd gezag ontheffing verlenen
van het bepaalde in het eerste lid. Hij kan daarbij voorschriften
geven.
Artikel 9. Stage-overeenkomst
1. Het bevoegd gezag sluit met de leerling of diens wettelijke
vertegenwoordiger en de stagegever te zamen een schriftelijke
stage-overeenkomst waaruit blijkt dat de leerling leeractiviteiten
ontplooit in het kader van het stageplan.
2. De stage-overeenkomst bevat in elk geval:
a. de leeractiviteiten die de leerling moet ontplooien en de
werkzaamheden die hij bij de stagegever moet verrichten;
b. de aanvangsdatum, de einddatum en de tijden van de stage;
c. een regeling voor de begeleiding van de leerling bij de
stagegever waarin in elk geval duidelijk wordt gemaakt welk
aandeel in de begeleiding door de stageleraar van de school waarop
de leerling is ingeschreven, alsmede door de stagebegeleider, aan
te wijzen door of namens het bevoegd gezag onderscheidenlijk de
stagegever, wordt verzorgd;
d. de wijze waarop de stagegever bij de beoordeling van de
leeractiviteiten van de leerling wordt betrokken;
e. een regeling die de inspecteur in staat stelt zich op de
hoogte te stellen van de leeractiviteiten die de leerling bij de
stagegever ontplooit.
Artikel 10. Verzekering
Het bevoegd gezag draagt zorg dat de leerling gedurende de stage en
gedurende de reis van de school naar het terrein van de stagegever en
omgekeerd, alsmede de stageleraar gedurende de tijd dat hij zich bevindt
op het terrein van de stagegever, zijn verzekerd tegen het risico van
ongevallen en wettelijke aansprakelijkheid. Van de verplichting bedoeld
in de vorige volzin, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag
ontheffing verlenen, indien het godsdienstige of levensbeschouwelijke
bezwaren heeft tegen verzekering. Onze Minister verleent de ontheffing
slechts indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere
voorziening is getroffen waaruit de gevolgen van een ongeval of van
aansprakelijkheid in geval van schade aan derden kunnen worden gedekt.
Titel IIIA
Artikel 10a [Vervallen per 01-08-1998]
Titel IV. Symbiose
Artikel 11. Symbiose
Indien symbiose plaatsheeft, volgt de leerling, dan wel volgen de
leerlingen aan de basisschool, de speciale school voor basisonderwijs,
de school voor voortgezet onderwijs of de instelling voor educatie en
beroepsonderwijs gedurende ten minste 180 minuten per week onderwijs.
Artikel 12. Symbiose-overeenkomst
1. Voor symbiose is vereist dat tussen het bevoegd gezag van een
school en het bevoegd gezag van een basisschool, een speciale school
voor basisonderwijs, een school voor voortgezet onderwijs of een
instelling voor educatie en beroepsonderwijs een schriftelijke
overeenkomst inzake de uitvoering daarvan wordt gesloten.
2. De overeenkomst bedoeld in het eerste lid, wordt aangegaan voor
een termijn van ten minste 2 aaneengesloten schooljaren en bevat in
elk geval:
a. de termijn waarvoor de overeenkomst is aangegaan;
b. de vakken waarin de leerling, dan wel de leerlingen van de
school onderwijs zullen ontvangen op de basisschool, de speciale
school voor basisonderwijs, de school voor voortgezet onderwijs of
de instelling voor educatie en beroepsonderwijs;
c. het aantal lesuren per week dat per vak als bedoeld in
onderdeel b, ten minste zal kunnen worden geboden;
d. de afspraken welke worden gemaakt inzake de aanwezigheid bij
de lessen van een leraar van de school;
e. of en zo ja, welk bedrag voor door de leerling, dan wel de
leerlingen van de school verbruikte materialen jaarlijks aan het
bevoegd gezag van de basisschool, de speciale school voor
basisonderwijs, de school voor voortgezet onderwijs of de
instelling voor educatie en beroepsonderwijs zal worden betaald;
f. of en zo ja, welk bedrag voor het gebruik van de lokalen van
de basisschool, de speciale school voor basisonderwijs, de school
voor voortgezet onderwijs of de instelling voor educatie en
beroepsonderwijs jaarlijks aan het bevoegd gezag van die school of
inrichting zal worden betaald.
Artikel 13 [Vervallen per 02-05-1998]
Titel V. Ambulante begeleiding, partieel en tijdelijk meetellen van
leerlingen
Artikel 14 [Vervallen per 01-08-2003]
Artikel 15 [Vervallen per 01-08-2003]
Artikel 16 [Vervallen per 01-08-2003]
Titel VI
Artikel 17 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 18 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 19 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 20 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 21 [Vervallen per 01-08-1998]
Titel VII. Bewijzen van bekwaamheid
Artikel 22 [Vervallen per 29-04-2005]
Titel VIII. Slotbepalingen
Artikel 23 [Vervallen per 15-04-1994]
Artikel 24 [Vervallen per 15-04-1994]
Artikel 25 [Vervallen per 15-04-1994]
Artikel 26 [Vervallen per 15-04-1994]
Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 1985.
2. Dit besluit kan worden aangehaald als: Onderwijskundig besluit
WEC.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 18 september 1985
BEATRIX
De Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,
G. van Leijenhorst
Uitgegeven de tiende oktober 1985
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Bijlage
[Vervallen]
|
|
|