| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv)
REGELING
AANWIJZING RISICOLANDEN
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie, mede namens de
Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 4 juli 2003, nr.
2024243/01, houdende de aanwijzing van risicolanden op grond van artikel
10, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten 2002 (Regeling aanwijzing risicolanden)
De Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van
Defensie, mede namens de Minister-President, Minister van Algemene
Zaken;
Gelet op artikel 10, eerste lid, onderdeel b,
van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002;
Besluiten:
Artikel 1
Als landen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op
de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 worden aangewezen:
Afghanistan, Irak, Iran, Noord-Korea, Pakistan, Turkmenistan en
Wit-Rusland.
Artikel 2
Als landen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van de Wet op
de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 worden voorts aangewezen
landen waarin het verblijf door een ambtenaar van een dienst uit hoofde
van diens specifieke taak een bijzonder risico voor de nationale
veiligheid kan opleveren. Deze landen zijn opgenomen in een bijlage die
Stg. Geheim is gerubriceerd.
Artikel 3
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst
Artikel 4
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing risicolanden.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.W. Remkes.
De Minister van Defensie,
H.G.J. Kamp.
|
|
|