| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de jeugdzorg
UITVOERINGSBESLUIT
WET OP DE JEUGDZORG
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 16 december 2004, houdende regels ter
uitvoering van de Wet op de jeugdzorg (Uitvoeringsbesluit Wet op de
jeugdzorg)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de
voordrachten van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport van 18 september 2003, kenmerk DJB/JZ-2408602, van 13 mei 2004,
kenmerk DJB/JZ-481048, van 18 september 2003, kenmerk DJB/JZ-2409926,
van 18 september 2003, kenmerk DJB/JZ-2408604, van 18 september 2003,
kenmerk DJB/JZ-2408605, van 13 november 2003, kenmerk DJB/JZ-2422233, en
van 6 mei 2004, kenmerk DJB/JZ-2481049, gedaan mede namens Onze Minister
van Justitie;
Gelet op artikel 3, eerste en vijfde, achtste
en negende lid, artikel 5, tweede lid, onderdeel b, artikel 6,
vijfde lid, artikel 13, zevende lid, artikel 38, vijfde lid, en artikel
57, derde lid, de artikelen 69, eerste en tweede lid, 70, tweede lid,
71, eerste lid, onderdeel e, en 112, derde lid, van de Wet op de
jeugdzorg, artikel 9b, tweede en vijfde lid, van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten, artikel 11a, eerste lid, derde en vierde
volzin, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, artikel 238,
vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 77ff,
tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;
De Raad van State gehoord (adviezen van 24
november 2003, nr. W13.03.0399/III, van 30 augustus 2004, nr.
W13.04.0213/III, van 24 november 2004, nr. W13.03.0396/III, van 24
november 2003, nr. W13.03.0398/III, van 24 november 2003, nr.
W13.03.0397/III, van 19 december 2003, nr. W13.03.0476/III, en van 3
augustus 2004, nr. W13.04.0210/III);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december
2004, DJB/JZ-2537954, uitgebracht mede namens Onze Minister van
Justitie;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepaling
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
aanvrager: degene die de aanvraag indient voor een
indicatiebesluit;
advies- en meldpunt kindermishandeling: de stichting bij de
uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder e,
van de wet;
de wet: de Wet op de jeugdzorg;
gekwalificeerde gedragswetenschapper: degene die lid is van het
Nederlands Instituut voor Psychologen en is opgenomen in het
Register Klinisch Psychologen of het register Kinder- en
Jeugdpsychologen en beschikt over de Basisaantekening
Psychodiagnostiek van dit instituut of degene die lid is van de
Nederlandse Vereniging van Orthopedagogen en Onderwijskundigen en
geregistreerd is als Orthopedagoog-Generalist dan wel een
BIG-geregistreerde gezondheidszorgpsycholoog;
gezinsvoogdijwerker: medewerker van de stichting die belast is
met de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onder b, van de wet;
indicatiebesluit: een besluit waarbij wordt vastgesteld of een
cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid,
van de wet;
inrichting: een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in
artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen;
jeugdbeschermings- en reclasseringstaken: de taken, bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de wet;
jeugdhulp: jeugdhulp als bedoeld in artikel 3;
jeugdreclassering: de stichting bij de uitvoering van de taken,
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet;
jeugdreclasseringswerker: medewerker van de stichting die belast
is met de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onder c en d, van de wet.
melding: een melding van kindermishandeling of van een vermoeden
daarvan;
observatiediagnostiek: observatiediagnostiek als bedoeld in
artikel 5;
verblijf: verblijf als bedoeld in artikel 4;
verwijsindex: verwijsindex als bedoeld in artikel 2d van de wet;
voogdijwerker: medewerker van de stichting die belast is met de
uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a,
van de wet;
vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de
Vreemdelingenwet 2000.
Hoofdstuk 1a. Landelijke verwijsindex
Paragraaf 1. Categorieën van instanties en functionarissen
Artikel 1a
Als categorieën van instanties als bedoeld in artikel 2b, eerste
lid, onder a, van de wet in het domein jeugdzorg worden aangewezen:
a. bureaus jeugdzorg als bedoeld in artikel 4 van de wet;
b. instanties die voor de stichting taken als bedoeld in artikel
10, eerste lid, onder a, b, c of d, uitoefenen;
c. instanties die, daartoe aanvaard door de Minister van Justitie
als rechtspersoon, bedoeld in de artikelen 254, tweede lid, en 302,
tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de voogdij of de
voorlopige voogdij uitoefenen met betrekking tot minderjarige
vreemdelingen.
Artikel 1b
Als categorieën van instanties als bedoeld in artikel 2b, eerste
lid, onder a, van de wet in het domein jeugdgezondheidszorg worden
aangewezen:
a. instanties die de in artikel 5, tweede lid, van de Wet
publieke gezondheid genoemde werkzaamheden in opdracht van het
college van burgemeester en wethouders uitvoeren;
b. aanbieders van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid,
onder b, van de wet.
Artikel 1c
1. Als categorieën van instanties als bedoeld in artikel 2b,
eerste lid, onder a, van de wet in het domein gezondheidszorg worden
aangewezen:
a. instanties voor verslavingszorg voor wie het op grond van
artikel 35 van de Wet marktordening gezondheidszorg niet verboden
is een tarief in rekening te brengen;
b. instanties voor gehandicaptenzorg, die zorg verlenen waarop
aanspraak bestaat op grond van de Zorgverzekeringswet of de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
c. instanties die integrale eerstelijns geneeskundige zorg
aanbieden, zoals die door huisartsen pleegt te geschieden;
d. ziekenhuizen die krachtens artikel 5 van de Wet toelating
zorginstellingen als zodanig zijn toegelaten, voor zover het
spoedeisende hulp betreft.
2. Als categorie van functionarissen als bedoeld in artikel 2b,
tweede lid, onder a, van de wet in het domein gezondheidszorg worden
artsen aangewezen die integrale eerstelijns geneeskundige zorg
aanbieden, zoals die door huisartsen pleegt te geschieden.
Artikel 1d
1. Als categorieën van instanties als bedoeld in artikel 2b,
eerste lid, onder a, van de wet in het domein onderwijs worden
aangewezen:
a. scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair
onderwijs;
b. scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
expertisecentra;
c. scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het
voortgezet onderwijs;
d. instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van
de Wet educatie en beroepsonderwijs;
e. instellingen voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel
1.2, onder a of b, van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek;
f. contactgemeenten als bedoeld in artikel 162b, derde lid, van
de Wet op de expertisecentra, artikel 118h, derde lid, van de Wet
op het voortgezet onderwijs en artikel 8.3.2, derde lid, van de
Wet educatie en beroepsonderwijs ten behoeve van de regionale
meld- en coördinatiefunctie.
2. Als categorie van functionarissen als bedoeld in artikel 2b,
tweede lid, onder a, van de wet in het domein onderwijs worden
ambtenaren als bedoeld in artikel 16 van de Leerplichtwet 1969
aangewezen.
Artikel 1e
1. Als categorieën van instanties als bedoeld in artikel 2b,
eerste lid, onder a, van de wet in het domein maatschappelijke
ondersteuning worden aangewezen de instanties voor maatschappelijke
ondersteuning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onder
2°, 3°, 6°, 7° en 9°, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
2. Een functionaris die werkzaam is voor een instantie als bedoeld
in het eerste lid, kan door die instantie slechts worden aangewezen
als meldingsbevoegde indien zijn beroep hoofdzakelijk bestaat uit het
verlenen van hulp, zorg of bijsturing aan jeugdigen.
3. Als categorie van instanties als bedoeld in artikel 2b, eerste
lid, onder a, van de wet in het domein maatschappelijke ondersteuning
worden tevens gemeenten voor zover het betreft de coördinatie van
doelgroepenbeleid voor jeugdigen aangewezen.
Artikel 1f
Als categorieën van instanties als bedoeld in artikel 2b, eerste
lid, onder a, van de wet in het domein werk en inkomen worden aangewezen
de gemeentelijke kredietbanken, bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht.
Artikel 1g
Als categorieën van instanties als bedoeld in artikel 2b, eerste
lid, onder a, van de wet in het domein politie en justitie worden
aangewezen:
a. de regionale politiekorpsen, bedoeld in artikel 21, derde lid,
van de Politiewet;
b. Halt-bureaus als bedoeld in artikel 48f, onder c, van de Wet
Justitie-subsidies;
c. de regionale locaties van de raad voor de kinderbescherming,
bedoeld in artikel 2 van het Organisatiebesluit raad voor de
kinderbescherming 2006.
Artikel 1h
Een instantie die behoort tot een van de categorieën als bedoeld in
de artikelen 1a tot en met 1g wijst uitsluitend functionarissen aan die
beschikken over een adequate opleiding en voldoende ervaring.
Paragraaf 2. Inrichting en beheer van de verwijsindex
Artikel 1i
1. Indien voor een melding aan de verwijsindex gebruik wordt
gemaakt van een gemeentelijk signaleringssysteem, draagt het college
van burgemeester en wethouders zorg voor een zorgvuldige en veilige
aansluiting daarvan op de verwijsindex.
2. Indien voor een melding aan de verwijsindex gebruik wordt
gemaakt van een ander digitaal systeem dan een gemeentelijk
signaleringssysteem, draagt de daarvoor verantwoordelijke in de zin
van de Wet bescherming persoonsgegevens zorg voor een zorgvuldige en
veilige aansluiting daarvan op de verwijsindex.
3. Een aansluiting als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt
vermoed voldoende zorgvuldig en veilig te zijn als het voldoet aan de
eisen zoals deze zijn uitgegeven door het Nederlands
Normalisatie-instituut in de NTA 8023, Maatschappelijke zorg –
Informatiearchitectuur in de jeugdsector – Deel 1 : Landelijke
verwijsindex risicojongeren.
Artikel 1j
1. Een instantie die behoort tot een van de categorieën als
bedoeld in deartikelen 1a tot en met 1g of een functionaris die
behoort tot een van de categorieën als bedoeld in artikel 1c, tweede
lid, of 1d, tweede lid, draagt zorg voor een veilig en zorgvuldig
gebruik van de verwijsindex.
2. Een instantie of een functionaris wordt vermoed te voldoen aan
het bepaalde in het eerste lid als voldaan wordt aan de eisen zoals
deze zijn uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut in de
NEN 7510, Medische informatica – Informatiebeveiliging in de zorg–
Algemeen.
Artikel 1k
Onze Minister voor Jeugd en Gezin doet van wijziging van een norm als
bedoeld in 1i, derde lid, of artikel 1j, tweede lid, mededeling in de
Staatscourant.
Paragraaf 3. Verwijsindexservicenummer
Artikel 1l
1. Indien een meldingsbevoegde een jeugdige die niet beschikt over
een burgerservicenummer meldt aan de verwijsindex, biedt hij daartoe
de volgende gegevens van de jeugdige aan in de verwijsindex:
a. de familienaam;
b. de geboortedatum;
c. het geslacht.
2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden in de
verwijsindex omgezet in een verwijsindexservicenummer, dat vervolgens
gebruikt wordt voor de melding in de verwijsindex.
Hoofdstuk 2. Aanspraken op jeugdzorg ingevolge de wet
Artikel 2
De aanspraak op jeugdzorg ingevolge de wet omvat: jeugdhulp, verblijf
en observatiediagnostiek.
Artikel 3
1.Jeugdhulp omvat behandeling of begeleiding van een:
a. jeugdige, gericht op het oplossen, verminderen of voorkomen
van verergering dan wel het omgaan met de gevolgen van zijn
psychosociale, psychische of gedragsproblemen;
b. cliënt, niet zijnde een jeugdige, gericht op het verkrijgen
van zodanige vaardigheden dat hij aan de onder a bedoelde
psychosociale, psychische of gedragsproblemen in het gezin het
hoofd kan bieden.
2.Geen aanspraak bestaat op jeugdhulp voor zover:
a. de jeugdige of zijn ouders, stiefouder, of anderen die hem
als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden de
psychosociale, psychische of gedragsproblemen van die jeugdige het
hoofd kunnen bieden, al dan niet met behulp van personen uit hun
directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp
bieden dan zorgaanbieders of
b. de psychosociale, psychische of gedragsproblemen hun oorzaak
vinden of mede vinden in een psychiatrische aandoening van een
jeugdige die zodanig van aard is dat een psychiatrische aanpak van
de problemen noodzakelijk is.
Artikel 4
1.Verblijf omvat het aan een jeugdige gedurende het etmaal of een
deel daarvan bieden van verblijf met een passend pedagogisch klimaat
bij een pleegouder of in een accommodatie van een zorgaanbieder.
2.Geen aanspraak bestaat op verblijf voor zover:
a. de jeugdige geen psychosociale, psychische of
gedragsproblemen heeft, dan wel de jeugdige of zijn ouders,
stiefouder, of anderen die hem als behorende tot hun gezin
verzorgen en opvoeden, de psychosociale, psychische of
gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan
niet met jeugdhulp als bedoeld in artikel 3, met behulp van
personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere
voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders,
b. het verblijf noodzakelijk is voor persoonlijke verzorging,
begeleiding of behandeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
van het Besluit zorgaanspraken AWBZ of zorg als bedoeld in artikel
2.4 van het Besluit zorgverzekering in verband met een
verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, dan wel een
psychiatrische of somatische aandoening of beperking of
c. het verblijf in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld
in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen betreft.
3.In afwijking van het tweede lid, onder a, bestaat aanspraak op
verblijf:
a. indien het een minderjarige betreft die onder voogdij van
een stichting staat;
b. als door verblijf bij een pleegouder het hoofd kan worden
geboden aan de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van
de jeugdige.
4.Aanspraak op verblijf gedurende een deel van het etmaal bestaat
slechts indien dit noodzakelijk is voor het tot gelding brengen van
een aanspraak op jeugdhulp als bedoeld in artikel 3.
Artikel 5
1.Observatiediagnostiek omvat het onderzoeken van een jeugdige
gericht op het verkrijgen van gegevens die een stichting nodig heeft
voor het nemen van een indicatiebesluit.
2.Geen aanspraak op observatiediagnostiek bestaat als aannemelijk
is dat een jeugdige is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5,
tweede lid, onder b, van de wet.
3.Aanspraak op observatiediagnostiek bestaat slechts indien voor
het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, observatie
tijdens verblijf gedurende het etmaal of een deel daarvan noodzakelijk
is.
4.Aanspraak op observatiediagnostiek bestaat voor een termijn van
ten hoogste zes weken. De aanspraak kan eenmaal met ten hoogste zes
weken worden verlengd.
Artikel 6
1.Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden
gesteld over de omvang van en de voorwaarden waaronder aanspraak op
jeugdhulp, verblijf of observatiediagnostiek bestaat.
2.Een regeling als bedoeld in het eerste lid, vervalt drie jaar na
haar inwerkingtreding.
Hoofdstuk 3. Aanspraken vreemdelingen
Artikel 7
Als categorie niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen
tot wie de aanspraken ingevolge de wet worden uitgebreid, wordt
aangemerkt de categorie vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf in
Nederland hebben en die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben
bereikt.
Artikel 8
1.Een vreemdeling als bedoeld in artikel 7, heeft, aanspraak op
jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek.
2.Deze vreemdeling heeft geen aanspraak op verblijf bij een
pleegouder tenzij verblijf bij een pleegouder in het belang van de
ontwikkeling van die vreemdeling geboden is. Indien een stichting voor
een vreemdeling verblijf bij een pleegouder geboden acht, wordt in het
indicatiebesluit aangegeven waarom zij verblijf in een accommodatie
van een zorgaanbieder niet aangewezen acht.
Hoofdstuk 4. Aanwijzing van vormen van geestelijke gezondheidszorg
voor jeugdigen ten aanzien waarvan de stichting tot taak heeft vast te
stellen op welke zorg een cliënt is aangewezen
Artikel 9
Als vormen van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b,
van de wet worden, voor zover deze zorg of het verblijf betrekking heeft
op een jeugdige en verband houdt met een psychiatrische aandoening,
aangewezen:
a. persoonlijke verzorging, begeleiding, verblijf, kortdurend
verblijf en voortgezet verblijf als bedoeld in de artikelen 4, 6, 9,
artikel 9a, 10 en 13, tweede lid, van het Besluit zorgaanspraken
AWBZ;
b. geneeskundige zorg en verblijf als bedoeld in de artikelen
2.4en 2.10 van het Besluit zorgverzekering.
Hoofdstuk 5. Rechtstreekse verwijzing naar de geestelijke
gezondheidszorg
Artikel 10
1.Als beroepsgroep als bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt aangewezen de beroepsgroep
huisarts.
2.Met een huisarts wordt gelijkgesteld de arts naar wie de huisarts
een jeugdige heeft verwezen, alsmede de andere behandelaar van een
jeugdige die in verband met een psychische stoornis een aanspraak
heeft op grond van die wet waaraan geen indicatiebesluit ten grondslag
ligt, omdat artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten toepassing heeft gevonden.
3.Met een huisarts wordt bovendien gelijkgesteld de arts, bedoeld
in artikel 47, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen, voor zover het betreft jeugdigen die anders dan met
toepassing van artikel 261 of 305, derde lid, van Boek 1 van het
Burgerlijk Wet boek in een inrichting zijn geplaatst.
Artikel 11
Als psychische stoornis als bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt aangewezen de psychische
stoornis, beschreven op as I of as II van het classificatiesysteem
Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders.
Artikel 12
Als ernst als bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten wordt aangegeven het functioneren van een
jeugdige op een psychisch niveau dat leidt tot een score van 40 of
minder op de Children’s Global Assessment Scale in de Nederlandse
vertaling van 1994 dan wel een score van 50 als het betreft een jeugdige
waarbij sprake is van een ernstig verminderd functioneren op één van
de in de schaal opgenomen terreinen, terwijl redelijkerwijs vermoed kan
worden dat dit verminderde functioneren samenhangt met de psychische
stoornis.
Artikel 13
Indien artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten toepassing heeft gevonden, geeft de betrokken huisarts,
arts of andere behandelaar, bedoeld in artikel 10, tweede lid, aan de
stichting, die werkzaam is in de provincie waar de betrokken jeugdige
duurzaam verblijft, gemotiveerd aan welke psychische stoornis hij
vermoedt aanwezig te zijn en op welk psychisch niveau de jeugdige
functioneert.
Hoofdstuk 6. Aanspraak in spoedeisende situaties
Artikel 14
1. Een cliënt heeft, in afwijking van artikel 3, derde lid, van de
wet, in situaties waarin naar het oordeel van de stichting die
werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft,
onmiddellijke verlening van jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede
lid, onder a, van de wet, geboden is, aanspraak op deze jeugdzorg
zonder dat die stichting een indicatiebesluit heeft genomen.
2. Een aanspraak als bedoeld in het eerste lid vervalt zodra met
betrekking tot de cliënt een indicatiebesluit is genomen, doch in
ieder geval na vier weken.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing bij
plaatsing van een jeugdige in een inrichting.
Hoofdstuk 7. De inhoud van het indicatiebesluit
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 15
Indien de stichting voorziet dat de zorg waarop een cliënt is
aangewezen niet tijdig beschikbaar is, kan zij vervangende zorg
aanduiden, waarop de cliënt alsdan is aangewezen. Een cliënt heeft
aanspraak op de vervangende zorg tot het moment waarop hij zijn
aanspraak op de eerst aangewezen zorg tot gelding heeft gebracht, of de
met betrekking tot de vervangende zorg genoemde termijn, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onder c, van de wet, is verstreken.
Artikel 16
Indien ten behoeve van één jeugdige meer dan één cliënt op zorg
is aangewezen geven de indicatiebesluiten de samenhang met de andere
besluiten aan.
Artikel 17
Bij regeling van Onze Ministers kan worden geregeld dat een
indicatiebesluit inhoudende dat de cliënt is aangewezen op zorg als
bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet wordt vastgelegd op een
formulier dat overeenkomt met een bij die regeling vast te stellen
model.
Paragraaf 2. Het indicatiebesluit aanspraken jeugdzorg
Artikel 18
Indien de stichting vaststelt dat een cliënt is aangewezen op
jeugdhulp, geeft zij in het indicatiebesluit aan of een cliënt is
aangewezen op jeugdhulp:
a. in de thuissituatie of in een accommodatie van een
zorgaanbieder;
b. individueel of in groepsverband.
Artikel 19
1. Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op
verblijf, geeft zij in het indicatiebesluit aan of de jeugdige is
aangewezen op verblijf bij een pleegouder, dan wel op verblijf in een
accommodatie van een zorgaanbieder.
2. Het indicatiebesluit vermeldt of het verblijf hele etmalen omvat
of een gedeelte van een etmaal.
Artikel 20
Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op
observatiediagnostiek, geeft zij in het indicatiebesluit aan welke
vragen met de observatiediagnostiek beantwoord moeten worden.
Paragraaf 3. Het indicatiebesluit geestelijke gezondheidszorg voor
jeugdigen
Artikel 21
1. Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op
een vorm van zorg als bedoeld in artikel 9, geeft zij in het
indicatiebesluit aan op welke van deze vormen de jeugdige is
aangewezen.
2. Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op
een vorm van zorg als bedoeld in de artikelen 4 of 6 van het Besluit
zorgaanspraken AWBZ, vermeldt het indicatiebesluit de omvang van de
benodigde zorg, uitgedrukt in een minimum en een maximum aantal
contacturen, waarbij de marge twintig procent ten opzichte van het
gemiddelde van het minimum en maximum bedraagt.
3. Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op
een vorm van zorg als bedoeld in de artikelen 9, 9a, onderscheidenlijk
13, tweede lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, vermeldt het
indicatiebesluit de omvang van het benodigde verblijf, uitgedrukt in
het benodigde aantal uren per etmaal en het aantal dagen waarover de
uren worden gespreid. Het aantal dagen waarover de uren worden
gespreid wordt uitgedrukt in een minimum en maximum aantal dagen,
waarbij de marge twintig procent ten opzichte van het gemiddelde van
het minimum en het maximum bedraagt.
4. Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op
een vorm van zorg als bedoeld in artikel 9, 9a of artikel 13, tweede
lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, is, artikel 13 van het
Zorgindicatiebesluit van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 4. Het indicatiebesluit verblijf in een inrichting op grond
van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen
Artikel 22
Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op
verblijf in een inrichting geeft zij in het indicatiebesluit aan of
sprake moet zijn van verblijf in een beperkt beveiligde of normaal
beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
Hoofdstuk 8. De termijn gedurende welke de aanspraak geldt
Artikel 23
1.De in het indicatiebesluit vast te leggen termijn gedurende welke
de aanspraak geldt, bedraagt ten hoogste een jaar na de datum waarop
de zorg waarin het indicatiebesluit voorziet, is aangevangen, tenzij
het betreft:
a. verblijf bij een pleegouder van een jeugdige die al langer
dan twee jaar bij eenzelfde pleegouder verblijft en voorzien wordt
dat van terugkeer naar het gezin van herkomst geen sprake kan
zijn;
b. een aanspraak op een vorm van zorg als bedoeld in artikel 5,
tweede lid, onder b, van de wet in verband met een aandoening die
maakt dat een jeugdige langer dan twee jaar is aangewezen op
eenzelfde vorm van zorg en voorzien wordt dat de jeugdige op deze
vorm van zorg aangewezen blijft.
2.De in het eerste lid bedoelde termijn is met betrekking tot
rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen wier verblijf
tijdelijk is als bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder
q, van het Vreemdelingenbesluit 2000, ten hoogste een half jaar.
3.De in het eerste lid bedoelde termijn is met betrekking tot
vreemdelingen, bedoeld in artikel 7, in overeenstemming met de
verwachte duur van het verblijf in Nederland, en ten hoogste een half
jaar.
Artikel 24 [Vervallen per 21-11-2007]
Hoofdstuk 9. Kwaliteit en werkwijze bureaus jeugdzorg
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 25
1.Medewerkers die zijn belast met de uitvoering van de taken,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, voogdijwerkers,
gezinsvoogdijwerkers, jeugdreclasseringswerkers en medewerkers die
taken uitvoeren van een advies- en meldpunt kindermishandeling,
alsmede medewerkers die belast zijn met de uitvoering van de taken,
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder f tot en met j, van de wet,
zijn werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst met de stichting of
op basis van een detacheringsovereenkomst tussen hun werkgever en de
stichting.
2.In afwijking van het eerste lid, kan een medewerker anders dan op
basis van een arbeidsovereenkomst of detacheringsovereenkomst bij de
stichting werkzaam zijn:
a. indien hij zodanig gespecialiseerd is dat een
arbeidsovereenkomst of een detacheringsovereenkomst een doelmatige
werkwijze van de stichting belemmert;
b. ten behoeve van een tijdelijke functievervulling.
3.Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld ten
aanzien van de detacheringsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 26
1.De stichting is zeven maal vierentwintig uur per week telefonisch
bereikbaar.
2.De stichting is zeven maal vierentwintig uur per week beschikbaar
voor situaties waarin onmiddellijke uitvoering van de taken, bedoeld
in artikel 3, vijfde lid, of artikel 10, eerste lid, onder a tot en
met f, van de wet, geboden is.
Artikel 27
1.De stichting informeert de cliënt over de taken en werkwijze van
het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. De informatie wordt in
begrijpelijke vorm verschaft.
2.De stichting maakt de cliënt duidelijk welke taak het bureau
jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent.
Artikel 28
De stichting stuurt, onverminderd artikel 51 van de wet, aan de
huisarts van de cliënt een afschrift van het indicatiebesluit of het
document waarin de zorg, bedoeld in artikel 8, van de wet, is
vastgelegd.
Paragraaf 2. Deskundigheden bureau jeugdzorg
Artikel 29
1.Ten behoeve van een verantwoorde uitvoering door de stichting van
de aan haar bij de wet opgedragen taken, beschikt de stichting over
deskundigheid met betrekking tot:
a. de beoordeling en aanpak van psychosociale, psychische of
gedragsproblemen, dan wel een psychiatrische aandoening van
jeugdigen;
b. de beoordeling en aanpak van opvoedingssituaties die het
onbedreigd opgroeien van jeugdigen kunnen belemmeren;
c. de herkenning van taal- en leerproblemen;
d. de herkenning van somatische aandoeningen;
e. de herkenning van lichamelijke of verstandelijke handicaps;
f. de beoordeling en aanpak van kindermishandeling;
g. de aanpak van jeugdige delinquenten;
h. de juridische aspecten van de haar opgedragen taken.
2.De stichting heeft kennis van het aanbod van zorg.
3.Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over
de opleidings- of deskundigheidseisen van medewerkers van de
stichting, van beroepskrachten werkzaam bij de stichting alsmede van
de deskundigen, bedoeld in artikel 35.
Paragraaf 3. De taak bezien of een cliënt zorg nodig heeft
Artikel 30
1.Ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van
de wet, beziet de stichting de problemen van een cliënt en de ernst
hiervan. Zij onderzoekt hiertoe de psychosociale, psychische of
gedragsproblemen, dan wel de psychiatrische aandoening van de
jeugdige, de problemen van de cliënt, niet zijnde de jeugdige, die
het onbedreigd opgroeien van de jeugdige belemmeren, en besteedt
bovendien aandacht aan de opvoedingssituatie.
2.De stichting betrekt in haar onderzoek tevens factoren die de
ontwikkeling van de jeugdige gunstig beïnvloeden of kunnen
beïnvloeden.
Artikel 31
De stichting beziet hoe de problemen met inzet van jeugdzorg of
andere zorg kunnen worden opgelost, verminderd, of hoe verergering kan
worden voorkomen dan wel op welke wijze de cliënt kan leren omgaan met
de gevolgen van deze problemen.
Artikel 32
Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid
en 10, eerste lid, onder a tot en met e, van de wet, vindt een
multidisciplinaire beoordeling van de problemen plaats, indien de aard
van de problematiek dit vergt.
Artikel 33
Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de werkwijze van de stichting bij de uitvoering van de in de
artikelen 5, eerste lid, en 10, eerste lid, van de wet, genoemde taken
indien het niveau van de uitvoering door de bureaus jeugdzorg dit
vereist.
Artikel 34
1.Het indicatiebesluit komt niet tot stand dan nadat over een
ontwerp daarvan in ieder geval overleg is gepleegd met de aanvrager en
met degene wiens instemming is vereist op grond van artikel 7, van de
wet.
2.In een geval als bedoeld in artikel 7, zesde lid, onder b, van de
wet neemt de stichting geen indicatiebesluit dan na overleg met het
openbaar ministerie of de raad voor de kinderbescherming.
Artikel 35
De stichting kan, alvorens het indicatiebesluit te nemen, een ontwerp
daarvan ter advisering aan een gekwalificeerde gedragswetenschapper
voorleggen.
Artikel 36
1.De stichting laat op verzoek van de cliënt de, bij het opstellen
van het indicatiebesluit gebruikte test- en onderzoeksgegevens van
gedragsdeskundig of psychiatrisch onderzoek, door een deskundige
interpreteren en van een advies voorzien, tenzij het belang van de
jeugdige zich daartegen verzet. Deze deskundige heeft geen
arbeidsovereenkomst met de stichting en is niet werkzaam bij de
stichting op basis van een detacheringsovereenkomst en is evenmin bij
de behandeling of begeleiding of bij onderzoek van de cliënt
betrokken geweest.
2.Uiterlijk veertien dagen nadat de deskundige zijn advies
schriftelijk ter kennis heeft gebracht aan de cliënt en de stichting,
neemt de stichting een indicatiebesluit.
3.Indien het indicatiebesluit afwijkt van het advies van de
deskundige, wordt in het besluit de reden van de afwijking vermeld.
Paragraaf 4. De justitiële taken algemeen
Artikel 37
Indien de stichting ten aanzien van een jeugdige meer dan één van
de jeugdbeschermings- en reclasseringstaken uitoefent, bevat het plan,
bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet, een beschrijving van de
wijze waarop de uitvoering van de verschillende taken op elkaar worden
afgestemd.
Artikel 38
Onverminderd artikel 10, eerste lid, onder i, van de wet stelt de
stichting bij beëindiging van de jeugdbeschermings- en
reclasseringstaken ten aanzien van de jeugdige een rapport op waarin
beschreven wordt op welke wijze zij haar taak heeft verricht. In het
rapport wordt aangegeven of de jeugdige naar het oordeel van de
stichting, behoefte heeft aan nazorg en op welke wijze hierin kan worden
voorzien.
Artikel 39
Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over het
verrichten of doen verrichten van een gedragsdeskundig of psychiatrisch
diagnostisch onderzoek ter voorbereiding van een besluit in het kader
van de uitvoering van de jeugdbeschermings- en reclasseringstaken, dat
een rechterlijke beslissing vereist.
Paragraaf 5. Het uitoefenen van de voogdij
Artikel 40
1.De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat de voogdij aan haar
is opgedragen en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan vast als
bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet.
2.Het plan bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de doelen die met de voogdij worden
nagestreefd, zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange
termijn,
b. de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd,
c. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met
betrekking tot de minderjarige,
d. een vermelding van de wijze waarop de ouders of anderen die
de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden,
alsmede zijn sociale omgeving zullen worden betrokken bij de
werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit
niet zal gebeuren en
e. een vermelding van de momenten waarop de voogdij
geëvalueerd wordt.
3.In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de minderjarige
dan wel anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin
verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze waarop
de doelen die met de voogdij worden nagestreefd, samenhangen met de
doelen van de zorg.
4.Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat
daarover in ieder geval overleg is gepleegd met:
a. de minderjarige, overeenkomstig zijn leeftijds- en
ontwikkelingsniveau, en
b. de ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot
hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk
schade zal toebrengen aan de minderjarige.
5.Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in
het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave
van redenen melding gemaakt.
6.Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste één maal per jaar
wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft.
Artikel 41
1.De stichting wijst binnen vijf dagen nadat de voogdij aan haar is
opgedragen en zij hiervan in kennis is gesteld, een voogdijwerker aan,
en doet hiervan mededeling aan de minderjarige en zijn ouders of
anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en
opvoeden.
2.In deze mededeling worden tevens opgenomen:
a. de datum van het eerste contact van de voogdijwerker met de
minderjarige en
b. de medewerker van de stichting die de voogdijwerker bij
afwezigheid vervangt.
Artikel 42
1.De stichting houdt zich op de hoogte van de ontwikkeling van de
minderjarige die onder haar voogdij staat, de aan hem bestede zorg en
diens vermogen.
2.Het contact tussen de minderjarige en zijn oorspronkelijk milieu
wordt bevorderd, tenzij dit contact kennelijk schade zal toebrengen
aan de minderjarige.
3.De stichting bevordert dat de minderjarige persoonlijk contact
heeft met een persoon buiten de stichting en dat dit contact
gecontinueerd wordt.
4.De stichting houdt rekening met het belang dat voor de
minderjarige kan zijn gelegen in een overgang van het gezag naar de
ouders dan wel, indien het belang van de minderjarige dit eist, naar
een pleegouder of een ander die in nauwe persoonlijke betrekking staat
tot de minderjarige.
Paragraaf 6. Het uitvoeren van de ondertoezichtstelling
Artikel 43
1.De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat de minderjarige
onder haar toezicht is gesteld en zij hiervan in kennis is gesteld,
een plan vast als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet.
2.Het plan bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de doelen die met de
ondertoezichtstelling worden nagestreefd, zo nodig uitgesplitst in
doelen op korte en lange termijn,
b. de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd,
c. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met
betrekking tot de minderjarige en de met het gezag belaste ouder
of voogd,
d. een vermelding van de wijze waarop de ouders of anderen die
de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden,
alsmede zijn sociale omgeving zullen worden betrokken bij de
werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit
niet zal gebeuren en
e. een vermelding van de momenten waarop de
ondertoezichtstelling geëvalueerd wordt.
3.In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de minderjarige,
voor de met het gezag belaste ouder, voogd of voor anderen die de
minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig
is, onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de
ondertoezichtstelling worden nagestreefd, samenhangen met de doelen
van de zorg.
4.Indien een minderjarige ten minste achttien maanden buiten het
ouderlijke gezin is verzorgd en opgevoed, bevat het plan een
beschrijving van de doelen van de ondertoezichtstelling op langere
termijn waarbij aandacht wordt besteed aan de continuïteit van de
verblijfplaats van de minderjarige.
5.Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat
daarover in ieder geval overleg is gepleegd met:
a. de minderjarige, overeenkomstig zijn leeftijds- en
ontwikkelingsniveau en
b. de met het gezag belaste ouder, voogd of anderen die de
minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden,
tenzij dit overleg kennelijk schade zou toebrengen aan de
minderjarige.
6.Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in
het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave
van redenen melding gemaakt.
7.Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste één maal per jaar
wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft.
Artikel 44
1.De stichting wijst binnen vijf dagen nadat de minderjarige onder
haar toezicht is gesteld en zij hiervan in kennis is gesteld, een
gezinsvoogdijwerker aan, en doet hiervan mededeling aan de
minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd.
2.In deze mededeling worden tevens opgenomen:
a. de datum van het eerste contact van de gezinsvoogdijwerker
met de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd,
b. de medewerker van de stichting die de gezinsvoogdijwerker
bij diens afwezigheid vervangt,
c. informatie over de bevoegdheden van de stichting bij de
uitoefening van de ondertoezichtstelling en
d. de wijze waarop een verzoek als bedoeld in artikel 259,
eerste lid, artikel 260, eerste lid, en artikel 263, tweede lid,
van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek moet worden gedaan.
3.De stichting kan, al dan niet op verzoek van de minderjarige, de
met het gezag belaste ouder of voogd, een andere medewerker als
gezinsvoogdijwerker aanwijzen.
Artikel 45
De stichting beziet bij de uitoefening van de ondertoezichtstelling
regelmatig of een ontheffing van de ouders als bedoeld in artikel 268
van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek overwogen moet worden. Zodra de
stichting tot het oordeel komt dat een ontheffing overwogen dient te
worden, stelt zij de raad voor de kinderbescherming hiervan in kennis.
Paragraaf 7. Het uitvoeren van de jeugdreclassering
Artikel 46
1.De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat zij een taak,
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c of d, van de wet heeft
gekregen en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan vast als
bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet.
2.Het plan bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de doelen die met de jeugdreclassering
worden nagestreefd , zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en
lange termijn,
b. de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd,
c. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met
betrekking tot de jeugdige,
d. een vermelding van de wijze waarop de ouders, voogd of
anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en
opvoeden, alsmede zijn sociale omgeving zal worden betrokken bij
de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit
niet zal gebeuren en
e. een vermelding van de momenten waarop de wijze waarop de
jeugdreclassering wordt uitgevoerd, geëvalueerd wordt.
3.In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de jeugdige,
voor de met het gezag belaste ouder, voogd of voor anderen die de
jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is,
onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de
jeugdreclassering worden nagestreefd, samenhangen met de doelen van de
zorg.
4.Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat
daarover in ieder geval overleg is gepleegd met:
a. de jeugdige;
b. de ouders, voogd of anderen die de jeugdige als behorend tot
hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk
schade zal toebrengen aan de jeugdige.
5.Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in
het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave
van redenen melding gemaakt.
6.Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste één maal per jaar
wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft.
Artikel 47
1.De stichting wijst binnen vijf dagen nadat zij een taak, bedoeld
in artikel 10, eerste lid, onder c of d van de wet heeft gekregen en
zij daarvan op de hoogte is gesteld, een jeugdreclasseringswerker aan,
en doet hiervan mededeling aan de jeugdige en de met het gezag belaste
ouder, voogd of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin
verzorgen en opvoeden.
2.In deze mededeling wordt tevens opgenomen:
a. de datum van het eerste contact van de jeugdige met de
jeugdreclasseringswerker dat uiterlijk vijf dagen nadat de
stichting de taak als bedoeld in eerste lid heeft gekregen, plaats
vindt en
b. de medewerker die de jeugdreclasseringswerker bij
afwezigheid vervangt.
Artikel 48
1.Onverminderd de aan de raad voor de kinderbescherming toekomende
taken en bevoegdheden, voldoet de jeugdreclassering aan verzoeken van
de rechter en het openbaar ministerie om advies omtrent een jeugdige
die wordt verdacht van een strafbaar feit of die op grond daarvan is
veroordeeld.
2.De jeugdreclassering brengt voor zover het de uitvoering betreft
van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, geregeld
verslag uit aan het openbaar ministerie dat is belast met het toezicht
op de naleving van de voorwaarden, over de wijze waarop de jeugdige
zich houdt aan de voorwaarden door de rechter of het openbaar
ministerie opgelegd.
3.Indien de jeugdige een opgelegde voorwaarde niet of niet geheel
nakomt, meldt de jeugdreclassering dit onverwijld aan het openbaar
ministerie.
4.De jeugdreclassering zendt de raad voor de kinderbescherming een
afschrift van het verslag, bedoeld in het tweede lid en de melding,
bedoeld in het derde lid.
Artikel 49
1.Onverminderd artikel 60, vierde lid, legt de stichting de wijze
van samenwerking van de jeugdreclassering met de politie, de rechter,
het openbaar ministerie, de volwassenenreclassering, inrichtingen en
de raad voor de kinderbescherming vast in een protocol.
2.In het protocol wordt in ieder geval vastgelegd:
a. een vermelding van welke functionaris het aanspreekpunt is
van de jeugdreclassering voor vragen die casuïstiek overstijgen;
b. een beschrijving van de wijze waarop taken van de
jeugdreclassering en die van de in het eerste lid bedoelde
instanties worden uitgeoefend voor zover deze samenhangen of
gelijktijdig plaatsvinden;
c. de wijze waarop en de termijn waarbinnen de instanties,
bedoeld in het eerste lid, over individuele zaken worden
geïnformeerd.
Paragraaf 8. De taak het fungeren als advies- en meldpunt
kindermishandeling
Artikel 50
1.De stichting legt de wijze waarop de herkenbaarheid en
toegankelijkheid van een advies- en meldpunt kindermishandeling binnen
het bureau jeugdzorg is georganiseerd, schriftelijk vast.
2.De stichting draagt er zorg voor dat het advies- en meldpunt
kindermishandeling is aangesloten op het daartoe bestemde landelijke
telefoonnummer.
Artikel 51
Een bij de stichting werkzame persoon die taken uitvoert van een
advies- en meldpunt kindermishandeling is niet belast met de uitvoering
van andere taken van de stichting betreffende een geval van
kindermishandeling waarbij deze rechtstreeks betrokken was.
Artikel 52
Bij een advies- en meldpunt kindermishandeling is in ieder geval een
arts werkzaam. Deze arts is deskundig op het gebied van
kindermishandeling.
Artikel 53
Onverminderd artikel 27, draagt de stichting er zorg voor dat aan
iedere betrokkene bij een advies, melding of onderzoek naar aanleiding
van een melding bij het eerste contact informatie wordt verschaft over
de procedure met betrekking tot een advies, melding of onderzoek, de
verwerking van persoonsgegevens, met inachtneming van de artikelen 43,
53 en 54 van de wet, het recht op inzage in of afschrift van de hem
betreffende bescheiden alsmede de wijze van behandeling van klachten.
Als betrokkenen worden aangemerkt degene die advies vraagt, degene die
een melding doet, degene op wie een melding betrekking heeft en degene
die om informatie in het kader van een onderzoek naar aanleiding van een
melding wordt verzocht.
Artikel 54
1.Een advies- en meldpunt kindermishandeling stelt binnen vijf
dagen na ontvangst van een melding vast of de melding in onderzoek
wordt genomen.
2.Een advies- en meldpunt kindermishandeling oordeelt binnen
dertien weken na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, of en zo
ja tot welke stappen de melding aanleiding geeft.
3.Onverminderd artikel 32 vindt besluitvorming omtrent een melding
plaats door ten minste twee bij de stichting werkzame personen die
taken uitvoeren van een advies- en meldpunt kindermishandeling.
Artikel 55
1.In dit artikel wordt onder persoonsgegeven verstaan hetgeen
daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens.
2.Een advies- en meldpunt kindermishandeling verstrekt aan degene
op de persoonsgegevens betrekking hebben, inlichtingen over de
herkomst van de persoonsgegevens die het naar aanleiding van een
melding verkrijgt.
3.In afwijking van het tweede lid verstrekt het advies- en meldpunt
kindermishandeling geen inlichtingen over de herkomst van
persoonsgegevens die het naar aanleiding van een melding heeft
verkregen indien:
a. een persoon die in een beroepsmatige, hulpverlenende of
pedagogische relatie tot de minderjarige of zijn gezin staat, de
persoonsgegevens naar aanleiding van een melding heeft verstrekt
en het verstrekken van die inlichtingen:
1°. een bedreiging vormt of kan vormen voor de
minderjarige of andere minderjarige leden van het gezin
waartoe de minderjarige behoort;
2°. een bedreiging vormt of kan vormen voor die persoon of
medewerkers van die persoon;
3°. leidt of kan leiden tot een verstoring van de
vertrouwensrelatie met het gezin waartoe de minderjarige
behoort;
b. het andere personen betreft dan die bedoeld onder a,
behoudens voor zover zij daarvoor toestemming hebben gegeven.
Hoofdstuk 9A. Klachtrecht gesloten jeugdzorg
Artikel 55a
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. klachtencommissie: klachtencommissie, bedoeld in artikel 68
van de wet, voor zover deze klachten behandelt over een beslissing
als bedoeld in artikel 29w, eerste lid, van de wet of over de
toepassing van artikel 29t van de wet;
b. klacht: klacht als bedoeld in artikel 29w, eerste lid, van de
wet.
c. klager: degene die een klacht als bedoeld in artikel 29w,
eerste lid van de wet, indient.
Artikel 55b
Indien de klager daarom verzoekt, wordt de klacht ter kennis gebracht
van één lid van de klachtencommissie teneinde terzake te bemiddelen.
Artikel 55c
1.De klager kan zich doen bijstaan door een vertrouwenspersoon.
2.Indien de klager de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, draagt
de voorzitter van de klachtencommissie zorg voor de bijstand van een
tolk.
Artikel 55d
Van de klachtencommissie maken in ieder geval deel uit:
a. een jurist,
b. een gekwalificeerde gedragswetenschapper, alsmede
c. een arts, indien het een klacht betreft tegen een
geneeskundige behandelingsmethode als bedoeld in artikel 29p, derde
lid, van de wet, niet zijnde een behandeling van een stoornis van de
geestvermogens of een psychiater, indien het een klacht betreft
tegen een geneeskundige behandelingsmethode als bedoeld in artikel
29p, derde lid, van de wet indien het gaat om een behandeling van
een stoornis van de geestvermogens.
Hoofdstuk 10. Samenwerking stichting en de raad voor de
kinderbescherming
Artikel 56
Indien sprake is van een acute en ernstig bedreigende situatie voor
de minderjarige stelt de stichting de raad voor de kinderbescherming
onverwijld in kennis van haar oordeel dat een maatregel met betrekking
tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden.
Artikel 57
1.De raad voor de kinderbescherming neemt een geval waarbij een
maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen
dient te worden, slechts in onderzoek indien de stichting hem van een
dergelijk geval in kennis heeft gesteld.
2.In afwijking van het eerste lid, neemt de raad voor de
kinderbescherming een geval als bedoeld in het eerste lid zonder
kennisgeving van de stichting in onderzoek, indien:
a. er sprake is van een acute en ernstig bedreigende situatie
voor de minderjarige of
b. bij de uitvoering van enige andere wettelijke taak blijkt
dat er sprake is van een geval waarbij een maatregel met
betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te
worden.
3.Indien een ander dan de stichting de raad voor de
kinderbescherming in kennis stelt van een geval waarbij naar diens
oordeel, een maatregel met betrekking tot het gezag over de
minderjarige overwogen dient te worden, zendt de raad de kennisgeving
onverwijld en onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de melder,
door aan de stichting die werkzaam is in de provincie waarin de
jeugdige duurzaam verblijft, tenzij de kennisgeving betrekking heeft
op een geval als bedoeld in het tweede lid, onder a.
Artikel 58
1.De raad voor de kinderbescherming doet van het in onderzoek nemen
van een geval waarbij een maatregel met betrekking tot het gezag over
een minderjarige overwogen wordt, onverwijld mededeling aan de
stichting die werkzaam is in de provincie waarin de minderjarige
duurzaam verblijft.
2.De raad voor de kinderbescherming informeert de stichting over de
resultaten van het onderzoek.
Artikel 59
1.De stichting informeert de minderjarige en de met het gezag
belaste ouder uiterlijk op het moment dat zij de raad voor de
kinderbescherming in kennis stelt van haar oordeel dat een maatregel
met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te
worden, tenzij dit kennelijk een bedreiging vormt voor de
minderjarige.
2.Indien de stichting de minderjarige en de met het gezag belaste
ouder niet informeert, wordt in de kennisgeving aan de raad voor de
kinderbescherming hiervan de reden vermeld.
Artikel 60
1.De stichting en de raad voor de kinderbescherming leggen de wijze
van samenwerken vast in een protocol.
2.In het protocol worden met betrekking tot de artikelen 56 tot en
met 59 in ieder geval vastgelegd:
a. de wijze waarop de stichting de kennisgeving van een geval
als bedoeld in artikel 56 doet,
b. een beschrijving van de gegevens die de stichting verstrekt
bij de kennisgeving op grond waarvan de raad voor de
kinderbescherming een beslissing kan nemen of hij het geval in
onderzoek neemt,
c. de wijze waarop de raad voor de kinderbescherming zijn
beslissing over het in onderzoek nemen van een geval aan de
stichting kenbaar maakt,
d. een beschrijving van de werkwijze van de stichting en de
raad voor de kinderbescherming voor zover de werkwijze samenhangt
of gelijktijdig plaatsvindt en
e. de wijze waarop de raad voor de kinderbescherming de
stichting informeert over de resultaten van zijn onderzoek.
3.In het protocol worden met betrekking tot het indicatiebesluit in
ieder geval vastgelegd:
a. de procedure die de stichting hanteert bij het nemen van een
indicatiebesluit ingeval de raad voor de kinderbescherming
voornemens is een machtiging als bedoeld in artikel 261, eerste
lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek te verzoeken en;
b. een beschrijving van de criteria op grond waarvan de raad
voor de kinderbescherming een indicatiebesluit in de gevallen,
bedoeld in artikel 7, zesde lid, onder b, van de wet, verzoekt.
4.In het protocol wordt met betrekking tot de jeugdreclassering in
ieder geval vastgelegd:
a. een omschrijving van de criteria op grond waarvan de raad
voor de kinderbescherming zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 10,
tweede lid, van de wet, gebruikt en;
b. de wijze van samenwerking in het kader van de taak, bedoeld
in artikel 77hh van het Wetboek van Strafrecht.
Hoofdstuk 11. Rechtspersonen aanvaard als bedoeld in de artikelen 254
en 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek
Artikel 61
1.Op een door Onze Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon,
bedoeld in de artikelen 254, tweede lid, en 302, tweede lid, van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek zijn de artikelen 26, 27, 29, eerste lid,
onder b en h, en 38 tot en met 45 van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat de wijze van uitvoering van de taken door de
rechtspersoon past bij de aard van het verblijf van de minderjarige en
zijn verwachte verblijfsduur.
2.De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, die de voogdij
uitoefent over een minderjarige zorgt dat die minderjarige wordt
ondergebracht:
a. bij meerderjarige familieleden;
b. in een pleeggezin;
c. in speciale centra voor minderjarigen, of
d. in andere voor minderjarige geschikte tehuizen.
Voorzover mogelijk is de verblijfplaats van de minderjarige
dezelfde als die van zijn broers of zussen. Veranderingen in de
verblijfplaats van de minderjarige worden tot het strikt noodzakelijke
minimum beperkt.
Hoofdstuk 12. De taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon en
de verplichtingen van stichtingen en zorgaanbieders
Artikel 62
Voor de toepassing van dit hoofdstuk is onder stichting mede begrepen
een rechtspersoon als bedoeld in de artikelen 254, tweede lid, en 302,
tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 63
Het verlenen door de vertrouwenspersoon van ondersteuning in
aangelegenheden samenhangend met de door de stichting uitgeoefende taken
onderscheidenlijk aangelegenheden samenhangend met de door de
zorgaanbieder geboden jeugdzorg, bedoeld in artikel 1, onder w, van de
wet, is met name gericht op de uitoefening door de cliënt van zijn
rechten.
Artikel 64
De stichting onderscheidenlijk de zorgaanbieder deelt aan cliënten
mee dat een vertrouwenspersoon aan hen op hun verzoek de in artikel 63
bedoelde ondersteuning kan verlenen, wat deze taak inhoudt, en op welke
plaats en tijdstippen de vertrouwenspersoon voor cliënten bereikbaar en
beschikbaar is.
Artikel 65
De vertrouwenspersoon heeft vrije toegang tot de gebouwen van de
stichting en de gebouwen, terreinen en ruimten van de zorgaanbieder waar
jeugdigen kunnen verblijven, een en ander voor zover dit voor een juiste
uitoefening van zijn taak nodig is. De vertrouwenspersoon behoeft geen
toestemming van derden om met een jeugdige te spreken.
Artikel 66
Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde worden aan de
vertrouwenspersoon alle inlichtingen verschaft en bescheiden getoond die
deze voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft.
Artikel 67
Aan de vertrouwenspersoon worden door de stichting of de
zorgaanbieder de faciliteiten verschaft die deze voor een juiste
uitoefening van zijn taak nodig heeft. Daartoe behoren in ieder geval
een eigen werkruimte met telefoon en computer en een voorziening
waardoor gegevens omtrent cliënten waaraan de vertrouwenspersoon
ondersteuning verleent op voor anderen niet toegankelijke wijze kunnen
worden bewaard.
Artikel 68
De vertrouwenspersoon die ondersteuning verleent aan een cliënt,
onthoudt zich van ondersteuning van anderen indien zulks een
onafhankelijke taakuitoefening jegens die cliënt in gevaar kan brengen.
Hoofdstuk 13. Bijdragen in de kosten van jeugdzorg
Artikel 69
Als vorm van zorg waarvoor een bijdrage als bedoeld in de artikelen
69 en 70 van de wet is verschuldigd, wordt aangewezen een tot gelding
gebrachte aanspraak op verblijf.
Artikel 70
De hoogte van de ouderbijdrage in de kosten van verblijf is:
a. indien het verblijf gedurende het etmaal betreft:
1°. van een jeugdige van 0 tot en met 5 jaar: € 71,68 per
maand;
2°. van een jeugdige van 6 tot en met 11 jaar: € 98,56 per
maand;
3°. van een jeugdige van 12 tot en met 20 jaar: € 125,43
per maand;
b. indien het verblijf gedurende een deel van een etmaal betreft:
de helft van het voor de jeugdige ingevolge in het eerste lid
geldende bedrag per maand.
Artikel 71
Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in artikel 70,
onder a, jaarlijks met ingang van 1 januari opnieuw vastgesteld aan de
hand van de consumentenprijsindex.
Artikel 71a
Het bedrag per maand, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onder e, van
de wet, wordt vastgesteld op€ 226,89.
Artikel 71b
Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen kan de verschuldigde
ouderbijdrage slechts buiten invordering stellen indien het betreft een
bijdrageplichtige die:
a. algemene bijstand ontvangt op grond van artikel 20, eerste
lid, of artikel 23, eerste lid, onder a, van de Wet werk en
bijstand;
b. een verstrekking ontvangt als bedoeld in artikel 9, eerste
lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere
categorieën vreemdelingen 2005 en geen ander inkomen heeft;
c. zak- en kleedgeld ontvangt op grond van artikel 41 van het
Reglement verpleging ter beschikking gestelden of;
d. rechtens zijn vrijheid is ontnomen en de tenuitvoerlegging van
de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt in een
penitentiaire inrichting, in een inrichting voor de verpleging van
ter beschikking gestelden, in een inrichting als bedoeld in artikel
1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen
of in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onder h, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische
ziekenhuizen en geen inkomen heeft.
Artikel 72
1.De hoogte van de eigen bijdrage in de kosten van verblijf
gedurende het etmaal van een jeugdige die over een inkomen beschikt of
die recht kan doen gelden op een inkomen, wordt vastgesteld op een
bedrag gelijk aan het netto-maandinkomen, verminderd met eenvierde van
het minimumloon dat geldt voor een vijftienjarige of indien de
jeugdige zestien jaar of ouder is, het voor die leeftijd geldende
minimumloon.
2.De eigen bijdrage berekend volgens het eerste lid, wordt voor een
jeugdige met een netto jaarinkomen uit tegenwoordige arbeid verminderd
met een vierde van deze bijdrage. Indien het inkomen uit tegenwoordige
arbeid minder is dan € 635,29 op jaarbasis wordt deze bijdrage
verminderd met dat inkomen.
3.Indien het inkomen, bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op
een uitkering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000, wordt de
bijdrage verminderd met:
a. het deel van de uitkering dat volgens de normen van het
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bedoeld is voor
boeken, leermiddelen of onderwijsbijdrage, en
b. de te betalen premie voor een door of ten behoeve van de
jeugdige gesloten zorgverzekering als bedoeld in artikel 1,
onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet.
4.De eigen bijdrage is niet hoger dan de kosten van het verblijf.
Artikel 73
1.De ouderbijdrage of eigen bijdrage is verschuldigd over elke dag
dat het verblijf heeft geduurd. De dag van aankomst wordt daarbij wel
en de dag van vertrek wordt daarbij niet meegerekend als dag van
verblijf. Wordt het verblijf beëindigd op de dag waarop deze is
aangevangen, dan is over deze dag de bijdrage verschuldigd.
2.Indien de bijdrage over een gedeelte van een maand is
verschuldigd, bedraagt zij het voor een maand geldende bedrag, gedeeld
door dertig en vermenigvuldigd met het aantal dagen dat het verblijf
heeft geduurd.
Hoofdstuk 13a. De uitkeringen
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 73a
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1. uitkering bureau jeugdzorg: de uitkering, bedoeld in artikel
37, eerste lid, onder a, van de wet;
2. uitkering zorgaanbod: de uitkering, bedoeld in artikel 37,
eerste lid, onder b, van de wet.
Paragraaf 2. De wijze waarop het bedrag van de uitkeringen wordt
bepaald
Artikel 73b
1. De uitkering bureau jeugdzorg bestaat uit de som van de volgende
bedragen:
a. een bedrag voor de uitvoering van de jeugdbeschermings- en
reclasseringstaken, op basis van het aantal minderjarigen voor wie
de stichting deze taken heeft uitgevoerd in het jaar voorafgaand
aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt en de daartoe
vastgestelde normbedragen, en
b. een bedrag voor de uitvoering van de overige wettelijke
taken, dat overeenkomt met het verschil tussen het bedrag dat de
provinciebesturen ontvingen in het jaar voorafgaande aan het jaar
waarin de uitkering wordt verstrekt en het bedrag bedoeld in
artikel 73e, vermeerderd met een door Onze Ministers vast te
stellen bedrag, dat is gerelateerd aan de uitvoering door de
stichting van de taak, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b,
van de wet, en de uitvoering door de stichting van de taak,
bedoeld in artikel 5 van de wet.
2. De normbedragen, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden per
onderscheiden taak vastgesteld bij regeling van Onze Ministers.
Artikel 73c
1. Onze Ministers stellen het bedrag voor de uitvoering van de
jeugdbeschermings- en reclasseringstaken, als volgt vast:
a. de voorlopige vaststelling door vermenigvuldiging van het
aantal minderjarigen voor wie de stichting in het tweede jaar
voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, de
jeugdbeschermings- en reclasseringstaken heeft uitgevoerd, met de
vastgestelde normbedragen, en
b. de definitieve vaststelling door vermenigvuldiging van het
aantal minderjarigen voor wie de stichting in het eerste jaar,
voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, de
jeugdbeschermings- en reclasseringstaken heeft uitgevoerd, met de
vastgestelde normbedragen.
2. Het aantal minderjarigen, bedoeld in het eerste lid, is het
gemiddelde van het aantal minderjarigen op de eerste dag van elke
kalendermaand met uitsluiting van het aantal minderjarigen voor wie
een persoon in dienst van een landelijke instelling als bedoeld in
artikel 104, eerste lid, van de wet, de taak uitoefent, met
uitzondering van de taken als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder
c en d, van de wet, waarvoor de regeling waarbij het normbedrag of de
normbedragen worden vastgesteld anders bepaalt.
Artikel 73d
1. De uitkering bureau jeugdzorg, kan, in afwijking van de
artikelen 73b en73c, voor zover in de begroting de benodigde gelden
ter beschikking zijn gesteld, worden verhoogd, indien aannemelijk is
dat de uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 73b, onvoldoende
is om te voorzien in de behoefte aan de uitvoering van de wettelijke
taken van het bureau jeugdzorg en de andere activiteiten, genoemd in
artikel 37, eerste lid, onder a, van de wet.
2. De uitkering bureau jeugdzorg kan, in afwijking van de artikelen
73b en73c, worden verminderd, indien aannemelijk is dat de behoefte
aan subsidie voor door de stichting te leveren activiteiten, in het
jaar waarop de uitkering betrekking heeft, substantieel lager zal zijn
dan die in het tweede jaar voorafgaand aan dat jaar.
3. Onze Ministers kunnen bij ministeriële regeling factoren
aanwijzen die in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de
behoefte en regels stellen omtrent de mate waarin de factoren, de
vaststelling van de behoefte beïnvloeden.
Artikel 73e
1. De uitkering zorgaanbod bestaat, onverminderd artikel 104,
tweede lid, van de wet, uit het bedrag dat het provinciebestuur in het
jaar voorafgaande aan het jaar waarin de uitkering wordt verstrekt
ontving voor jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet, voor
de vertrouwenspersoon voor de cliënten van zorgaanbieders, voor
experimenten, voor de steunfunctie met betrekking tot die jeugdzorg,
voor cliëntenorganisaties en voor het verwerken van gegevens, bedoeld
in de artikelen 43 en 44, eerste lid, van de wet.
2. De uitkering zorgaanbod wordt verhoogd met een bedrag uit de in
de begroting beschikbaar gestelde gelden voor extra aanbod, volgens
bij circulaire van Onze Ministers vast te stellen regels over de
verdeling van dit bedrag aan de hand van het aantal jeugdigen in de
provincie, het aantal allochtone jeugdigen en het aantal jeugdigen dat
behoort tot een eenoudergezin.
3. De uitkering zorgaanbod kan, in afwijking van het eerste lid, en
onverminderd het tweede lid, voor zover in de begroting de benodigde
gelden ter beschikking zijn gesteld, worden verhoogd, indien
aannemelijk is dat de uitkering, vastgesteld overeenkomstig het eerste
en tweede lid, onvoldoende is om te voorzien in de behoefte aan
jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet.
4. De uitkering zorgaanbod kan, in afwijking van het eerste lid,
worden verminderd, indien aannemelijk is dat de behoefte aan subsidie
voor door zorgaanbieders te leveren activiteiten in het jaar waarop de
uitkering betrekking heeft, substantieel lager zal zijn dan die in het
tweede jaar voorafgaand aan dat jaar.
5. Artikel 73d, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 73f
1. Een uitkering als bedoeld in artikel 73b en artikel 73d wordt
verminderd, indien de omvang van de egalisatiereserve, bedoeld in
artikel 73k, zodanig is dat van het provinciebestuur redelijkerwijs
mag worden verwacht dat zij te verlenen subsidies ten laste brengt van
die reserve.
2. De uitkeringen, bedoeld in de artikelen 73b en 73d, kunnen
worden bijgesteld in verband met de ontwikkeling van het prijspeil of
de ontwikkeling in de kosten van arbeidsvoorwaarden. Met het oog
hierop bepalen Onze Ministers per activiteit welk deel van de
uitkeringen, dan wel welk deel van de desbetreffende normbedragen
waaruit de uitkering is opgebouwd, in aanmerking zal worden genomen in
verband met de ontwikkeling van het prijspeil en welk deel in verband
met de ontwikkeling van de kosten van de arbeidsvoorwaarden en welk
deel ongevoelig is voor ontwikkeling van beide.
Paragraaf 3. De aanvraag van de uitkering
Artikel 73g
1. Een aanvraag van de uitkering bureau jeugdzorg en van de
uitkering zorgaanbod voor het eerstvolgende jaar wordt gedaan door de
toezending van het ontwerp van het uitvoeringsprogramma, bedoeld in
artikel 32, eerste lid, tweede volzin, van de wet.
2. Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de bij de aanvraag te voegen gegevens en de wijze
waarop deze worden verstrekt.
Artikel 73h
Gedeputeerde staten verstrekken ter verantwoording de informatie,
bedoeld in artikel 32, tweede lid, onder a, van de wet, op de wijze,
bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
Paragraaf 4. De vaststelling en de betaling van de uitkering
Artikel 73i
1. Onze Ministers stellen de uitkering bureau jeugdzorg, bedoeld in
artikel 73b, eerste lid, voorlopig vast uiterlijk dertien weken na
ontvangst van de aanvraag. De definitieve vaststelling van de
uitkering vindt plaats uiterlijk dertien weken nadat het
provinciebestuur de gegevens, bedoeld in artikel 73c, tweede lid,
heeft overgelegd. Het provinciebestuur overlegt de gegevens uiterlijk
vóór 1 juni van het uitvoeringsjaar.
2. Onze Ministers stellen de uitkering zorgaanbod, bedoeld in
artikel 73e, vast binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
3. De uitkeringen worden betaald in termijnen, volgens bij regeling
van Onze Ministers vast te stellen schema.
Paragraaf 5. Aan de uitkering verbonden verplichtingen
Artikel 73j
De artikelen 4:49, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 73k
1. Het provinciebestuur vormt een egalisatiereserve jeugdzorg.
2. Het verschil tussen de som van vastgestelde uitkeringen en de
vastgestelde subsidies in het jaar waarop de uitkeringen betrekking
hebben, komt ten gunste of ten laste van de egalisatiereserve.
3. De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de
egalisatiereserve toegevoegd.
4. In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, onder c, d,
en e, van de Algemene wet bestuursrecht, is het provinciebestuur
terzake van de egalisatiereserve vergoedingsplichtig naar
evenredigheid van de mate waarin de uitkering aan de egalisatiereserve
heeft bijgedragen.
5. De egalisatiereserve wordt uitsluitend besteed voor een van de
doeleinden waarvoor de uitkeringen zijn verstrekt.
Hoofdstuk 14. Wijziging van andere besluiten
Artikel 74
[Wijzigt het Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming]
Artikel 75
[Wijzigt het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994]
Artikel 76
[Wijzigt het Reglement justitiële jeugdinrichtingen]
Hoofdstuk 15. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 77
Tot het tijdstip, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de wet, kan
de stichting een medewerker van een instelling met een landelijk bereik,
die op het moment van inwerkingtreding van de Wet op de jeugdzorg als
voogdij-instelling op grond van artikel 60, eerste lid, onder a, van de
Wet op de jeugdhulpverlening of als gezinsvoogdij-instelling op grond
van artikel 60, eerste lid, onder b, van die wet aanvaard was, aanwijzen
als voogdij- onderscheidenlijk gezinsvoogdij- of
jeugdreclasseringswerker.
Artikel 78
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.
Artikel 79
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Wet op de
jeugdzorg.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 16 december 2004
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de achtentwintigste december 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|