1. Ten aanzien van de rechterlijke
ambtenaren, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de rechterlijke
organisatie, die zijn aangesteld of aangewezen voor het vervullen van
een volledige of gedeeltelijke taak, de rechterlijke ambtenaren in
opleiding, bedoeld in artikel 145 van de Wet op de rechterlijke
organisatie, de leden met rechtspraak belast, werkzaam bij het College
van Beroep voor het bedrijfsleven of bij de Centrale Raad van Beroep,
die zijn aangesteld of aangewezen voor het vervullen van een volledige
of gedeeltelijke taak, en de gerechtsauditeurs, werkzaam bij het College
van Beroep voor het bedrijfsleven of bij de Centrale Raad van Beroep, is
de Spaarloonregeling rijkspersoneel van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat:
a. onder personeelslid wordt verstaan: degene op wiens bezoldiging
artikel 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren van
toepassing of van overeenkomstige toepassing is; en
b. onder bevoegd gezag wordt verstaan: de Minister van Justitie
onderscheidenlijk, indien het een personeelslid betreft dat werkzaam
is bij een rechtbank, een gerechtshof, het College van Beroep voor het
bedrijfsleven of de Centrale Raad van Beroep, het bestuur van het
gerecht.
2. In afwijking van het eerste lid zijn artikel 2, tweede lid, en
artikel 5, derde lid, van de Spaarloonregeling rijkspersoneel niet van
overeenkomstige toepassing.