|
BESLUIT van 17 mei 1965, houdende uitvoering van de
Wet op de loonbelasting 1964
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Financiën van 26 april 1965, nr.
B5/6210, Directie Wetgeving Directe Belastingen;
Gelet op de artikelen 4, 7, 33 en 34 van de Wet
op de loonbelasting 1964 (Stb. 1964 521);
De Raad van State gehoord (advies van 12 mei
1965, nr. 64);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Financiën van 14 mei 1965, nr. 135/7088, Directie Wetgeving Directe
belastingen;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepaling
Artikel 1
1. Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 4, 7, 11a, 13bis,
18a, 18g, 18h, 19a, 31a, 33, 34, 35, 35f, 35g en 35n van de Wet op de
loonbelasting 1964 en aan artikel 10a van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen.
2. Dit besluit verstaat onder:
a. wet: Wet op de loonbelasting 1964;
b. uitvoerder van aangenomen werk: degene, die, anders dan in
de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening
van een beroep, en anders dan als thuiswerker, ingevolge een
overeenkomst tot aanneming van werk als bedoeld in artikel 750 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek die niet rechtstreeks is
aangegaan met een natuurlijke persoon ten behoeve van diens
persoonlijke aangelegenheden, persoonlijk een werk tot stand
brengt;
c. loon in geld: het loon voor de loonbelasting, voor zover dit
in geld wordt verstrekt;
d. tabelloon: het loon waarop de loonbelastingtabel wordt
toegepast;
e. bruto-inkomen: het loon in de zin van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag;
f. belasting, ingeval artikel 27b, eerste lid, van de wet van
toepassing is: het gezamenlijke bedrag van de belasting en de
premie voor de volksverzekeringen;
g. gage: gage als bedoeld in artikel 35 van de wet;
h. gezelschap: een groep van natuurlijke personen of lichamen
waarbij de leden van de groep individueel of gezamenlijk ingevolge
een overeenkomst van korte duur als artiest in Nederland optreden
of als beroep een tak van sport in Nederland beoefenen.
Hoofdstuk 2. Belastingplicht (Hoofdstuk I van de wet)
Artikel 2
Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de
topsporter die op grond van het met instemming van Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport vastgestelde reglement van de
stichting Fonds voor de Topsporter een periodieke uitkering als
tegemoetkoming in de kosten van zijn levensonderhoud geniet of een
kostenvergoeding geniet.
Artikel 2a
Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene
die door tussenkomst van degene tot wie de arbeidsverhouding bestaat,
persoonlijk arbeid verricht ten behoeve van een derde, met uitzondering
van de arbeidsverhouding van degene die:
a. doorgaans op minder dan drie dagen per week werkzaam is voor
een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke
aangelegenheden, tenzij loon wordt verstrekt door degene door wiens
tussenkomst de arbeid wordt verricht;
b. bij wijze van arbeidstherapie werkzaam is.
Artikel 2b
1.Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de
thuiswerker of van de hulp van de thuiswerker, die persoonlijk arbeid
verricht tegen een bruto-inkomen, dat doorgaans over een maand ten
minste zal bedragen 2/5 maal het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste
lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag,
dan wel, voor degene, die de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft
bereikt en wiens bruto-inkomen uitsluitend in verband met zijn
leeftijd op een lager bedrag is vastgesteld, 2/5 maal het krachtens
genoemde wet voor een werknemer van dezelfde leeftijd geldende bedrag.
2.Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot een
arbeidsverhouding die is aangegaan voor korter dan een maand.
3.Indien binnen een maand na het einde van een arbeidsverhouding
met dezelfde opdrachtgever een nieuwe arbeidsverhouding wordt
aangegaan, geldt het bepaalde in het tweede lid niet ten aanzien van
die nieuwe arbeidsverhouding, tenzij de tijdvakken voor welke die
arbeidsverhoudingen zijn aangegaan te zamen korter zijn dan een maand.
4.Voor de toepassing van het eerste lid is met betrekking tot het
bruto-inkomen van een thuiswerker en van de hulp van een thuiswerker
artikel 5, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
5.Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot de
arbeidsverhouding van de thuiswerker die zich doorgaans laat bijstaan
door meer dan twee personen niet zijnde zijn echtgenoot of zijn tot
zijn huishouden behorende minderjarige kinderen.
Artikel 2c
1.Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van
degene, die persoonlijk arbeid verricht op doorgaans ten minste 2
dagen per week tegen een bruto-inkomen dat doorgaans over een week ten
minste zal bedragen 2/5 maal het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag,
dan wel, voor degene, die de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft
bereikt en wiens bruto-inkomen uitsluitend in verband met zijn
leeftijd op een lager bedrag is vastgesteld, 2/5 maal het krachtens
genoemde wet voor een werknemer van dezelfde leeftijd geldende bedrag.
2.Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot een
arbeidsverhouding die is aangegaan voor korter dan een maand.
3.Indien binnen een maand na het einde van een arbeidsverhouding
met dezelfde opdrachtgever een nieuwe arbeidsverhouding wordt
aangegaan, geldt het bepaalde in het tweede lid niet ten aanzien van
die nieuwe arbeidsverhouding, tenzij de tijdvakken voor welke die
arbeidsverhoudingen zijn aangegaan te zamen korter zijn dan een maand.
4.Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot de
arbeidsverhouding van degene die tegen beloning persoonlijk arbeid
verricht, indien:
a. zijn arbeidsverhouding tevens is een arbeidsverhouding als
bedoeld in artikel 2 of artikel 3 van de wet, ongeacht of hij
ingevolge het bij of krachtens die artikelen bepaalde al dan niet
werknemer is;
b. hij als bestuurder van een vereniging of stichting werkzaam
is voor die vereniging of stichting.
Artikel 2ca
1.Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van
degene, die als sekswerker persoonlijk arbeid verricht.
2.Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder sekswerker: degene die tegen betaling
seksuele handelingen met of voor een ander verricht.
Artikel 2d
Waar in de artikelen 2b en 2c wordt verwezen naar een in artikel 8,
eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag genoemd
bedrag, wordt, indien toepassing is gegeven aan artikel 14 van die wet,
als zodanig in aanmerking genomen het daarbij laatstelijk in de plaats
daarvan gestelde bedrag.
Artikel 2e
1.Artikel 2a is niet van toepassing met betrekking tot de
arbeidsverhouding van degene, die arbeid verricht in de uitoefening
van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep.
2.Artikel 2b, eerste lid, en artikel 2c, eerste lid, zijn niet van
toepassing met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene, die:
a. arbeid verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de
zelfstandige uitoefening van een beroep;
b. het verrichten van de arbeid rechtstreeks is overeengekomen
met een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke
aangelegenheden;
c. arbeid van overwegend geestelijke aard verricht;
d. werkzaam is in een arbeidsverhouding, die in overwegende
mate beheerst wordt door een familieverhouding;
e. anders dan bij wijze van beroep, als auteur of
redactiemedewerker werkzaam is voor een uitgever.
3.Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, wordt degene
die melkvervoer verricht krachtens een vervoersovereenkomst en die
daarvoor een eigen vervoermiddel pleegt te gebruiken, geacht dit
vervoer te verrichten in de uitoefening van een bedrijf.
4.Artikel 2ca is niet van toepassing:
a. met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene, die
arbeid verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de
zelfstandige uitoefening van een beroep;
b. met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene, die het
verrichten van de arbeid rechtstreeks is overeengekomen met een
natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke
aangelegenheden;
c. indien wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te
stellen regels.
Artikel 2f
1.Indien een arbeidsverhouding, beoordeeld uitsluitend aan de hand
van de eerste leden van de artikelen 2 tot en met 2c, op grond van
meer dan één van die leden als dienstbetrekking wordt beschouwd,
vindt alleen dat artikel toepassing in het eerste lid waarvan zulks
voor de eerste maal geschiedt.
2.Indien een arbeidsverhouding zowel op grond van artikel 2ca, als
op grond vanartikel 2, 2a, 2b of 2c als dienstbetrekking wordt
beschouwd, vindt alleen artikel 2ca toepassing. Voor de toepassing van
de eerste volzin wordt artikel 2e, vierde lid, buiten beschouwing
gelaten.
Artikel 2g
1.Als dienstbetrekking wordt voorts beschouwd, zo nodig in
afwijking van artikel 5 van de wet, de arbeidsverhouding welke niet
reeds op grond van de wet of de artikelen 2 tot en met 2ca, in
samenhang met artikel 2e, als dienstbetrekking wordt beschouwd, mits:
a. de werkzaamheden van degene die de arbeid verricht, geen
belastbare winst in zin van de Wet inkomstenbelasting 2001
genereren;
b. degene die de arbeid verricht, door middel van een
gezamenlijke verklaring van hemzelf en de beoogde
inhoudingsplichtige voor de eerste beoogde inhouding van
loonbelasting aan de inspecteur meldt dat zijn arbeidsverhouding
als dienstbetrekking moet worden beschouwd.
2.Zodra niet meer aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, wordt voldaan, meldt degene die de arbeid verricht, dit
aan de inspecteur.
Artikel 2h
1. Als dienstbetrekking wordt voorts beschouwd de arbeidsverhouding
van degene die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij
of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft ingeval die
arbeidsverhouding niet reeds op grond van de wet of de artikelen 2 tot
en met 2c, in samenhang met artikel 2e of artikel 2g, als
dienstbetrekking wordt beschouwd.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. partner: een in artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, onder
1°, van de Wet inkomstenbelasting 2001 aangeduide persoon;
b. een aanmerkelijk belang: een aanmerkelijk belang in de zin
van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 3
1.Als degene tot wie de dienstbetrekking bestaat, wordt in de
gevallen, bedoeld in de artikelen 2a, 2c, 2ca en 2g, beschouwd degene
op wie de verplichting rust het loon te betalen.
2.Ingeval van een sekswerker wordt degene met wie of voor wie de
seksuele handelingen worden verricht, niet beschouwd als degene tot
wie de dienstbetrekking bestaat.
Artikel 3a
Ingeval degene die ter voorziening in de algemeen noodzakelijke
kosten van het bestaan periodieke uitkeringen ingevolge de Wet werk en
bijstand of de Wet investeren in jongeren verstrekt, bij het vaststellen
van de hoogte van die uitkeringen rekening houdt met een rechtstreeks
uit het familierecht voortvloeiende uitkering of verstrekking in de zin
van artikel 3.101, eerste lid, onderdeel b, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, niet zijnde een termijn van lijfrente, als
bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, wordt deze geacht die
uit het familierecht voortvloeiende uitkering of verstrekking als loon
in geld ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in
jongeren te verstrekken.
Artikel 4
Degene tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat - of, indien
krachtens artikel 8, van de wet een ander als inhoudingsplichtige is
aangewezen, die ander - wordt geacht aan de werknemer het loon te
verstrekken, dat deze uit hoofde van zijn dienstbetrekking geniet van
een niet-inhoudingsplichtige.
Artikel 5
Als loon van een uitvoerder van aangenomen werk, en van een
thuiswerker wordt aangemerkt het gehele door de aanbesteder,
onderscheidenlijk de opdrachtgever verstrekte loon, verminderd met het
loon van de hulpen. Deze vermindering is slechts van toepassing voor
zover de uitvoerder van aangenomen werk en de thuiswerker aan de
aanbesteder, onderscheidenlijk de opdrachtgever een door hem en zijn
hulpen ondertekende verklaring doet toekomen waaruit het loon van ieder
van de hulpen blijkt.
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 7
1. De belasting naar het belastbare loon dat wordt genoten door de
in artikel 33, tweede lid, onderdeel c, van de wet bedoelde
werknemers, bedraagt het in de voor hen geldende loonbelastingtabel
aangewezen percentage van het tabelloon, met dien verstande dat dit
percentage wordt verhoogd tot 52 ingeval de werknemer zijn naam, adres
of woonplaats niet aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt dan wel,
ingeval de werknemer loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet,
zijn identiteit niet is vastgesteld overeenkomstig artikel 28,
onderdeel e, van de wet, alsmede ingeval de werknemer ter zake
onjuiste gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet
of redelijkerwijs moet weten.
2. Het tabelloon is:
a. in de gevallen, bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdeel
c, onder 1°, van de wet: het loon in geld, nadat dit is
verminderd met de door de inhoudingsplichtige voor zijn rekening
genomen belasting;
b. in de gevallen, bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdeel
c, onder 2°, van de wet: het loon vermeerderd met de bedragen,
bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel j, onder 2° en 3°,
van de wet, en verminderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46
van de Zorgverzekeringswet.
3. Het bepaalde in de vorige leden is niet van toepassing met
betrekking tot uitkeringen ingevolge sociale verzekeringswetten die
zonder tussenkomst van de inhoudingsplichtige worden genoten.
Hoofdstuk 2a. Voorwerp van de belasting (hoofdstuk II van de wet);
stamrechtspaarrekening of stamrechtbeleggingsrecht; toegelaten
aanbieders
Artikel 7a
1. Als een onderneming of instelling die bevoegd als bank of als
beheerder van een beleggingsinstelling optreedt als bedoeld in artikel
11a, tweede lid, onderdeel c, van de wet kan door Onze Minister worden
aangewezen een onderneming of instelling die op grond van de Wet op
het financieel toezicht bevoegd is diensten naar Nederland te
verrichten.
2. Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient de
onderneming of instelling zich tegenover Onze Minister, onder door hem
te stellen voorwaarden, te verplichten om met betrekking tot de bij
deze onderneming of instelling aangehouden stamrechtspaarrekeningen,
onderscheidenlijk met betrekking tot de door deze onderneming of
instelling beheerde stamrechtbeleggingsrechten, bedoeld in artikel 11a
van de wet, inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de
stamrechtovereenkomsten en een in Nederland uitwinbare zekerheid
jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting
die mocht worden verschuldigd door toepassing van artikel 19b, achtste
lid, van de wet. In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een
van de lidstaten van de Europese Unie of een in een bij ministeriële
regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming of
instelling jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid
te stellen indien deze onderneming of instelling, onder door Onze
Minister te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de
ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde
belasting.
3. De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het tweede
lid bedoelde zekerheid niet door de onderneming of instelling maar
door de werknemer of de gewezen werknemer wordt gesteld, waarbij deze
tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van
verpanding van het recht op het tegoed van een stamrechtspaarrekening,
onderscheidenlijk van het recht op de waarde van een
stamrechtbeleggingsrecht aan de ontvanger, mits de onderneming of
instelling instemt met deze verpanding.
4. De aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken wanneer
de bank of beheerder van een beleggingsinstelling niet meer aan de
verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of
het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van
uitvoering van een verpanding of van de in het tweede lid bedoelde
overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt.
5. Indien de aanwijzing wordt ingetrokken, worden de tegoeden
ingevolge een stamrechtspaarrekening, onderscheidenlijk de waarden van
een stamrechtbeleggingsrecht niet op het onmiddellijk daaraan
voorafgaande tijdstip aangemerkt als loon uit vroegere
dienstbetrekking van de werknemers of gewezen werknemers, dan wel
indien een werknemer of gewezen werknemer is overleden, van de
gerechtigden tot de tegoeden, onderscheidenlijk van de gerechtigden
tot de waarde van de rechten, indien deze onder door Onze Minister te
stellen voorwaarden alsnog overgaan op een bank of beheerder van een
beleggingsinstelling die voldoet aan de in artikel 11a van de wet
gestelde voorwaarden.
6. Onze Minister maakt het aanwijzen als een lichaam als bedoeld in
het eerste lid op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Indien
Onze Minister een aanwijzing intrekt, maakt hij die intrekking ook op
een daartoe geschikte wijze publiek bekend.
Hoofdstuk 3. Verklaringen gebruik auto
Artikel 8
1. De werknemer is gehouden voordat met de auto waarop de
verklaring geen privé-gebruik, bedoeld in artikel 13bis, twaalfde
lid, van de wet, betrekking heeft op kalenderjaarbasis meer dan 500
kilometer voor privédoeleinden wordt gereden, mede te delen dat hij
om intrekking van de verklaring verzoekt.
2. De mededeling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door het
duidelijk, stellig en zonder voorbehoud invullen van het daartoe langs
elektronische weg ter beschikking gestelde modelformulier en het
toezenden van het ingevulde modelformulier aan de inspecteur.
3. Het niet of niet tijdig doen van de mededeling, bedoeld in het
eerste lid, en het niet doen van die mededeling op de in het tweede
lid voorgeschreven wijze worden aangemerkt als een overtreding.
4. De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete in de
gevallen, bedoeld in het derde lid, vervalt door verloop van vijf
jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de verplichting tot het
doen van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, is ontstaan.
Artikel 9
1. Het afgeven van de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik
bestelauto, bedoeld in artikel 13bis, achttiende lid, van de wet,
geschiedt door het duidelijk, stellig en zonder voorbehoud invullen
van het daartoe langs elektronische weg ter beschikking gestelde
modelformulier en het toezenden van het ingevulde modelformulier aan
de inspecteur.
2. De werknemer is gehouden voordat met de bestelauto waarop de
verklaring, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft voor
privédoeleinden wordt gereden, door tussenkomst van de
inhoudingsplichtige mede te delen dat hij de verklaring intrekt.
3. De mededeling, bedoeld in het tweede lid, geschiedt door het
toezenden van het daartoe langs elektronische weg ter beschikking
gestelde modelformulier aan de inspecteur.
4. Indien de inhoudingsplichtige weet of vermoedt dat de werknemer
met de bestelauto waarop de verklaring, bedoeld in het eerste lid,
betrekking heeft voor privédoeleinden heeft gereden, is de
inhoudingsplichtige gehouden schriftelijk mededeling te doen van het
ten onrechte niet intrekken van de verklaring door de werknemer.
5. De mededeling, bedoeld in het vierde lid, bevat ten minste de
volgende gegevens:
a. de naam, het loonbelasting(sub)nummer van de
inhoudingsplichtige;
b. de naam, het adres en het burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, het sociaal fiscaalnummer van de werknemer;
c. het kenteken van de bestelauto.
6. Naar aanleiding van de mededeling, bedoeld in het vierde lid,
beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking, dat de
verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto geacht wordt te
zijn ingetrokken met ingang van de dag na die van de dagtekening van
die beschikking.
7. Het niet of niet tijdig doen van de mededeling, bedoeld in het
tweede en vierde lid, en het niet doen van die mededeling op de in het
derde en vierde lid voorgeschreven wijze worden aangemerkt als een
overtreding.
8. De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete in de
gevallen, bedoeld in het zevende lid, vervalt door verloop van vijf
jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de verplichting tot het
doen van de mededeling, bedoeld in het tweede en vierde lid, is
ontstaan.
Hoofdstuk 4. Pensioenregelingen (Hoofdstuk IIB van de wet)
Artikel 10
[Vervallen door vernummering.]
Artikel 10a
1. Als perioden die meetellen als dienstjaren dan wel als
diensttijd, als bedoeld in de artikelen 18a, 18b, 18c, 38c, 38d en 38f
van de wet, worden in aanmerking genomen:
a. de periode gedurende welke de dienstbetrekking heeft
geduurd, daaronder begrepen perioden van – al dan niet in
deeltijd –:
1°. ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de
Wet arbeid en zorg;
2°. sabbatsverlof krachtens een schriftelijk vastgelegde
regeling van de inhoudingsplichtige gedurende ten hoogste
twaalf maanden;
3°. studieverlof voor cursussen, voor opleidingen of
studie voor een beroep, voor het op peil houden van de
vakkennis en voor cursussen, opleidingen of studie die door de
inhoudingsplichtige worden gefinancierd;
met dien verstande dat bij dienstbetrekkingen in deeltijd de
aldus in aanmerking te nemen periode wordt verminderd
overeenkomstig de deeltijdfactor.
b. perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking
heeft gestaan tot een met de inhoudingsplichtige verbonden lichaam
als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969, dat niet in Nederland is gevestigd,
voorzover hij bij dat verbonden lichaam niet heeft deelgenomen aan
een pensioenregeling;
c. perioden gedurende welke, in aansluiting op de in de
onderdelen a en b bedoelde perioden, na onvrijwillig ontslag
loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen, of, onder door Onze
Minister te stellen voorwaarden, perioden na ontslag van ten
hoogste drie jaar, doch van ten hoogste tien jaar ingeval vanaf
het vierde kalenderjaar na het jaar van ontslag in het
kalenderjaar geen hoger bedrag als pensioengevend loon in
aanmerking wordt genomen dan het in het tweede kalenderjaar
voorafgaand aan dat kalenderjaar door de gewezen werknemer genoten
gezamenlijke bedrag van:
1°. de winst uit onderneming vóór toevoeging aan en
afneming van de oudedagsreserve en vóór de
ondernemersaftrek;
2°. het belastbare loon;
3°. het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden; en
4°. de belastbare periodieke uitkeringen en
verstrekkingen;
d. perioden gedurende welke, in aansluiting op de in onderdelen
a en b bedoelde perioden, uitkeringen worden ontvangen ingevolge
een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 38c
van de wet;
e. perioden gedurende welke, in aansluiting op de in onderdelen
a en b bedoelde perioden, uitkeringen worden ontvangen ingevolge
een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38d van de wet;
f. dienstjaren ten gevolge van waardeoverdracht van
pensioenkapitaal, als bedoeld in de artikelen 71, 74, 75, 85 tot
en met 88 en 91 van de Pensioenwet, naar de huidige
inhoudingsplichtige of de pensioenuitvoerder van de huidige
inhoudingsplichtige, voor zover deze jaren op basis van een
adequate diensttijdadministratie kunnen worden vastgesteld;
g. perioden waarin de werknemer een tot zijn huishouden
behorend kind heeft verzorgd dat de leeftijd van twaalf jaar niet
heeft bereikt, met dien verstande dat de perioden waarin de
kinderen die hij heeft verzorgd de leeftijd van zes jaar hebben
bereikt, meetellen voor de helft. Bij dienstbetrekkingen in
deeltijd wordt de aldus in aanmerking te nemen periode verminderd
overeenkomstig de deeltijdfactor.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is met betrekking
tot perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke de werknemer in
dienstbetrekking heeft gestaan tot vorige inhoudingsplichtigen, inkoop
van ontbrekende dienstjaren tot 8 juli 1994 toegestaan indien de
werknemer aannemelijk kan maken dat er, gerelateerd aan de
pensioenregeling bij de huidige inhoudingsplichtige, als gevolg van
het ontbreken van die dienstjaren sprake is van een pensioentekort,
daaronder begrepen perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke in het
buitenland werkzaamheden zijn verricht voor een met een vorige
inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a,
vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat niet in
Nederland is gevestigd.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is met betrekking
tot perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft
gestaan tot een vorige inhoudingsplichtige, inkoop van ontbrekende
dienstjaren toegestaan voor zover de werknemer aannemelijk kan maken
dat er, gerelateerd aan de pensioenregeling bij de huidige
inhoudingsplichtige, sprake is van een pensioentekort als gevolg van
het ontbreken van de mogelijkheid van waarde-overdracht van
pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 71, 74, 75, 85 tot en met
88 en 91 van de Pensioenwet.
4. Voor de toepassing van het eerste lid mag de aldaar genoemde
vermindering van de in aanmerking te nemen perioden bij
dienstbetrekkingen in deeltijd achterwege blijven, indien de
deeltijdfunctie is aanvaard in de periode die aanvangt 10 jaar direct
voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum.
De eerste volzin is uitsluitend van toepassing, voor zover de omvang
van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet
lager is dan 50% van de omvang van het dienstverband aan het eind van
de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de aan het slot van
de eerste volzin bedoelde periode.
Artikel 10aa
1.
|
Indien bij een
eindloonloonstelsel bij de toepassing van artikel 18a van de wet
een percentage per dienstjaar wordt toegepast van |
|
wordt het in
artikel 18a, achtste lid, onderdeel a, eerste volzin, bedoelde
bedrag vervangen door 70% van |
|
meer dan |
maar niet meer dan |
|
|
– |
1,8% |
€ 10 802 |
|
1,8% |
1,9% |
€ 11 953 |
2.
|
Indien bij een
middelloonstelsel bij de toepassing van artikel 18a van de wet een
percentage per dienstjaar wordt toegepast van |
|
wordt het in
artikel 18a, achtste lid, onderdeel a, eerste volzin, bedoelde
bedrag vervangen door 70% van |
|
meer dan |
maar niet meer dan |
|
|
– |
2,05% |
€ 10 802 |
|
2,05% |
2,15% |
€ 11 953 |
3. Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot een op een
beschikbare-premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen als bedoeld in
artikel 18a, derde lid, van de wet.
4. De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot partnerpensioen en wezenpensioen, met dien verstande dat daarbij de
in het eerste lid en het tweede lid opgenomen percentages naar
evenredigheid worden verlaagd overeenkomstig de verhouding tussen de in
artikel 18b, eerste en tweede lid, onderscheidenlijk artikel 18c, eerste
en tweede lid, van de wet genoemde percentages per dienstjaar en die in
artikel 18a van de wet.
5. Bij het begin van het kalenderjaar worden de in het eerste en
tweede lid bedoelde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door
andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te
vermenigvuldigen met de verhouding tussen het ingevolge artikel 18a,
achtste lid, onderdeel a, eerste volzin, van de wet in het kalenderjaar
in aanmerking te nemen bedrag en het ingevolge artikel 18a, achtste lid,
onderdeel a, eerste volzin, van de wet in het vorige kalenderjaar in
aanmerking te nemen bedrag.
Artikel 10ab
1.Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren, als bedoeld in
artikel 18 en 18e van de wet, worden in aanmerking genomen:
a. de perioden die ingevolge artikel 10a, eerste lid,
onderdelen a, b en g, als dienstjaren in aanmerking zijn genomen;
b. de perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking
heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige, indien ter zake
van het in die dienstbetrekking opgebouwde ouderdomspensioen
waardeoverdracht van pensioenkapitaal, als bedoeld in de artikelen
71, 74, 75, 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet, naar de
huidige inhoudingsplichtige of de pensioenuitvoerder van de
huidige inhoudingsplichtige heeft plaatsgevonden;
c. de perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking
heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige, indien ter zake
van deze perioden met toepassing van artikel 10a, tweede of derde
lid, inkoop van dienstjaren heeft plaatsgevonden;
voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat
deze perioden bij de opbouw van het ouderdomspensioen in
aanmerking zijn genomen.
2.Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren kunnen eveneens
in aanmerking worden genomen dienstjaren ten gevolge van een voor 1
januari 2005 gedane waardeoverdracht van pensioenkapitaal, als bedoeld
in de artikelen 32, vierde lid, 32a of 32b van de Pensioen- en
spaarfondsenwet, zoals deze artikelen luidden op 31 december 2006,
voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze
dienstjaren bij de opbouw van het ouderdomspensioen in aanmerking zijn
genomen.
3.Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren kunnen eveneens
in aanmerking worden genomen perioden gedurende welke de werknemer in
dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige of
een met de inhoudingsplichtige of een andere inhoudingsplichtige
verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969, dat niet in Nederland is gevestigd,
voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze
perioden door die andere inhoudingsplichtige of dat lichaam bij de
opbouw van het ouderdomspensioen of van een voorziening voor ouderdom
ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid,
onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001, in aanmerking zijn
genomen.
4.Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt het ingevolge artikel
18e van de wet geldende maximum verlaagd overeenkomstig de per
deelnemingsjaar geldende deeltijdfactor, met dien verstande dat
artikel 10b, derde lid, van overeenkomstige toepassing is.
5.Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel c, of derde lid,
wordt voor de toepassing van artikel 18e, eerste lid, onderdeel b, en
vierde lid, van de wet het 40-deelnemingsjarenpensioen opgevat met
inbegrip van de uit die andere dienstbetrekking voortvloeiende:
a. uitkeringen ingevolge een ouderdomspensioen;
b. uitkeringen ingevolge een 40-deelnemingsjarenpensioen;
c. uitkeringen ingevolge een overbruggingspensioen als bedoeld
in artikel 18e, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde;
d. uitkeringen ingevolge een regeling voor vervroegde
uittreding als bedoeld in artikel 18i, zoals dit artikel op 31
december 2004 luidde;
e. uitkeringen ingevolge een prepensioen als bedoeld in artikel
38a, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde.
6.Indien perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking
heeft gestaan tot een met de inhoudingsplichtige of een andere
inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a,
vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat niet in
Nederland is gevestigd, in aanmerking worden genomen als
deelnemingsjaren, wordt voor de toepassing van artikel 18e, eerste
lid, onderdeel b, en vierde lid, van de wet het
40-deelnemingsjarenpensioen opgevat met inbegrip van de uitkeringen
ingevolge de bij dat lichaam opgebouwde voorziening voor ouderdom in
een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel
c, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 10b
1.Als loonbestanddelen, als bedoeld in artikel 18g, tweede lid,
onderdeel a, van de wet komen in aanmerking alle loonbestanddelen, met
uitzondering van het genot van een ter beschikking gestelde auto.
Voorzover over loonbestanddelen pensioen wordt opgebouwd volgens een
eindloonstelsel komen loonstijgingen in de periode die aanvangt vijf
jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde
ingangsdatum in aanmerking tot ten hoogste 2 percent boven de
gemiddelde loonindex voor de CAO-lonen per maand, inclusief bijzondere
beloningen, zoals berekend door het Centraal Bureau voor de
Statistiek, met dien verstande dat in elk geval in aanmerking komen
loonstijgingen als gevolg van gangbare functiewijzigingen of gangbare
leeftijdsperiodieken.
2.Voor de toepassing van artikel 18g, tweede lid, onderdeel b, van
de wet komen niet tot het regelmatig genoten loon behorende
loonbestanddelen slechts in aanmerking voorzover de opbouw van het
pensioen volgens een ander stelsel dan het eindloonstelsel
plaatsvindt.
3.Voor de toepassing van artikel 18g, tweede lid, onderdeel c, van
de wet mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven, voorzover
deze het gevolg is van het terugtreden naar een lager gekwalificeerde
functie, in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de
in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum.
4.Voor de toepassing van artikel 18g, tweede lid, onderdeel d, van
de wet mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven, voor zover
deze het gevolg is van ziekte of arbeidsongeschiktheid.
Artikel 10c
Voor de toepassing van artikel 18h, tweede lid, van de wet is een
regeling een pensioenregeling indien zij voldoet aan hoofdstuk IIB of
hoofdstuk VIII van de wet, mits:
a. loonbestanddelen in natura niet tot het pensioengevend loon
worden gerekend;
b. de bedragen die op de voet van de regeling op het loon van de
werknemer worden ingehouden niet meer bedragen dan hetgeen door de
inhoudingsplichtige wordt bijgedragen;
c. de in te bouwen uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet
per dienstjaar worden gesteld op ten minste de voor dat jaar
geldende uitkeringen voor een ongehuwde persoon als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en zesde lid, onderdeel a, van
die wet, vermeerderd met de vakantie-uitkering;
d. indien de werknemer geen mogelijke partner of wees kan
aanwijzen als waarop artikel 18b onderscheidenlijk 18c, van de wet
betrekking heeft, de regeling geen partnerpensioen onderscheidenlijk
wezenpensioen omvat;
e. een overbruggingspensioen voorzover dat dient ter overbrugging
van een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet is afgestemd op
het op grond van artikel 18a, achtste lid, in de pensioenregeling in
aanmerking genomen bedrag.
Artikel 10ca
1. Als een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid,
onderdeel e, van de wet kan door de inspecteur worden aangewezen een
lichaam dat voldoet aan de in artikel 19a, tweede lid, van de wet
gestelde voorwaarden en dat is gevestigd in een andere lidstaat van de
Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte.
2. Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient het lichaam:
a. aannemelijk te maken dat de pensioenverplichting wordt
gerekend tot het binnenlandse ondernemingsvermogen van de in het
eerste lid bedoelde lidstaat onderscheidenlijk staat;
b. aannemelijk te maken dat het is onderworpen aan een
belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse
begrippen reële heffing;
c. zich tegenover de inspecteur, onder door Onze Minister te
stellen voorwaarden, te verplichten om met betrekking tot de bij
dit lichaam ondergebrachte of nog onder te brengen aanspraken
ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 18 van de
wet inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de
pensioenregeling en de winstbepaling van het lichaam;
d. in een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid te
aanvaarden voor de belasting die wordt verschuldigd door
toepassing van artikel 19b van de wet, ofwel artikel 3.83, eerste
of tweede lid, of artikel 3.136, derde, vierde of vijfde lid, of
artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
3. De aanwijzing kan door de inspecteur worden ingetrokken wanneer
het lichaam:
a. niet meer voldoet aan de in artikel 19a, tweede lid, van de
wet gestelde voorwaarden;
b. de pensioenverplichting niet meer rekent tot het
binnenlandse ondernemingsvermogen van de in het eerste lid
bedoelde lidstaat onderscheidenlijk staat;
c. niet meer is onderworpen aan een belasting naar de winst die
resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing;
d. niet meer voldoet aan de verplichtingen met betrekking tot
het verschaffen van inlichtingen, of
e. niet aan een juiste wijze van uitvoering van de in het
tweede lid, onderdeel d, bedoelde overeenkomst inzake
aansprakelijkheid meewerkt.
4. De aanwijzing wordt geacht te zijn ingetrokken wanneer het
lichaam zich in een andere staat vestigt, tenzij de inspecteur op
verzoek van het lichaam voor de verplaatsing heeft vastgesteld dat het
lichaam ook na de verplaatsing voldoet aan de voorwaarden bedoeld in
het tweede lid.
Artikel 10d
1. Als een verzekeraar van een pensioen als bedoeld in artikel 19a,
eerste lid, onderdeel f, van de wet kan door Onze Minister worden
aangewezen een verzekeraar die op grond van de Wet op het financieel
toezicht diensten naar Nederland mag verrichten.
2. Als een pensioenfonds als bedoeld in artikel 19a, eerste lid,
onderdeel f, van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een
lichaam dat naar het recht van de staat van diens zetel bevoegd gelden
beheert strekkende tot verzekering van aanspraken ingevolge een
pensioenregeling van tenminste 100 werknemers of gewezen werknemers en
dat met betrekking tot deze aanspraken vanuit een vestiging buiten
Nederland overeenkomsten sluit.
3. Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient de
verzekeraar, onderscheidenlijk het pensioenfonds zich tegenover Onze
Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, te verplichten om met
betrekking tot de bij deze verzekeraar of dit fonds verzekerde of nog
te verzekeren aanspraken ingevolge een pensioenregeling, bedoeld in
artikel 18 van de wet inlichtingen te verstrekken over de uitvoering
van de pensioenregelingen en een in Nederland uitwinbare zekerheid
jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting
die mocht worden verschuldigd door toepassing van artikel 19b van de
wet. In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de
lidstaten van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling
aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeraar of gevestigd
pensioenfonds jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare
zekerheid te stellen indien deze verzekeraar of dit pensioenfonds,
onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, ingevolge een
overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in
die volzin bedoelde belasting.
4. De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het derde
lid bedoelde zekerheid niet door de verzekeraar of het pensioenfonds
maar door de werknemer of de gewezen werknemer wordt gesteld, waarbij
deze tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van
verpanding van de aanspraken ingevolge een pensioenregeling aan de
ontvanger, mits de verzekeraar of het pensioenfonds instemt met deze
verpanding.
5. De aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken wanneer
de verzekeraar of het pensioenfonds niet meer aan de verplichtingen
met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of het stellen van
zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een
verpanding of van de in het derde lid bedoelde overeenkomst inzake
aansprakelijkheid meewerkt.
6. Indien de aanwijzing wordt ingetrokken, worden de aanspraken
ingevolge een pensioenregeling niet op het onmiddellijk daaraan
voorafgaande tijdstip aangemerkt als loon uit vroegere
dienstbetrekking van de werknemers of gewezen werknemers, dan wel
indien een werknemer of gewezen werknemer is overleden, van de
gerechtigden tot de aanspraken, indien de aanspraken onder door Onze
Minister te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een verzekeraar van
een pensioen die voldoet aan de in artikel 19a van de wet gestelde
voorwaarden.
7. Onze Minister maakt het aanwijzen als een verzekeraar als
bedoeld in het eerste lid, dan wel het aanwijzen als een pensioenfonds
als bedoeld in het tweede lid, op een daartoe geschikte wijze publiek
bekend. Indien Onze Minister een aanwijzing intrekt, maakt hij die
intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.
Hoofdstuk 4a. Heffing van de inhoudingsplichtige (hoofdstuk V van de
wet): extraterritoriale werknemers
Artikel 10e
1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende regelingen zijn de
volgende definities van toepassing.
2. Verstaan wordt onder:
a. extraterritoriale werknemers: ingekomen werknemers en
uitgezonden werknemers;
b. ingekomen werknemer: door een inhoudingsplichtige uit een
ander land aangeworven, of naar een inhoudingsplichtige gezonden
werknemer in de zin van artikel 2 van de wet:
1°. met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse
arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is; en
2°. die in meer dan twee derde van de periode van 24
maanden voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling in
Nederland woonachtig was op een afstand van meer dan 150
kilometer van de grens van Nederland exclusief de territoriale
zee van Nederland en de exclusieve economische zone van het
Koninkrijk, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling
exclusieve economische zone.
c. uitgezonden werknemer: werknemer in de zin van artikel 2 van
de wet, door een inhoudingsplichtige naar het buitenland gezonden
met het oog op:
1°. plaatsing als ambtenaar bij een vertegenwoordiging van
het Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland (post);
2°. tewerkstelling als ambtenaar, rechterlijk ambtenaar of
militair op Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
3°. tewerkstelling als militair buiten het Koninkrijk der
Nederlanden;
4°. tewerkstelling in een bij ministeriële regeling, in
overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken,
aangewezen regio;
5°. het beoefenen van wetenschap of het geven van
onderwijs.
d. looptijd: de periode gedurende welke dit hoofdstuk voor een
werknemer van toepassing is.
3. Indien de tewerkstelling van een werknemer met de titel van
doctor (gepromoveerde) plaatsvindt binnen een jaar na het behalen van
deze titel, blijven bij de beoordeling of deze werknemer door een
inhoudingsplichtige uit een ander land in dienstbetrekking wordt
aangeworven buiten beschouwing de periode van verblijf in het kader
van het behalen van deze titel in Nederland of in het gebied binnen
150 kilometer van de grens van Nederland exclusief de territoriale zee
van Nederland en de exclusieve economische zone van het Koninkrijk,
bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische
zone, alsmede de periode na de promotie.
4. Een werknemer wordt slechts als uitgezonden aangemerkt indien
hij in een periode van twaalf maanden ten minste 45 dagen ten behoeve
van zijn werkzaamheden verblijft in een of meer plaatsen waarnaar hij
is gezonden. Bij de bepaling of aan deze voorwaarde is voldaan worden
verblijfsperioden van minder dan 15 dagen niet in aanmerking genomen
en worden dagen waarop de werknemer zonder onderbreking naar de
desbetreffende plaatsen en terug reist – of zou reizen bij
gebruikmaking van het voor werknemers in het algemeen meest
gebruikelijke vervoermiddel – als dagen van verblijf in die plaatsen
aangemerkt. Indien aan de voorwaarde is voldaan, kan de werknemer
tevens als uitgezonden worden beschouwd gedurende alle overige
dienstreizen van ten minste 10 dagen naar de desbetreffende plaatsen.
5. Ambtenaren bij een post zijn:
a. overplaatsbare ambtenaren van de Dienst Buitenlandse Zaken
van het ministerie van Buitenlandse Zaken, zijnde ambtenaren die
zijn aangesteld om waar ook ter wereld werkzaam te zijn;
b. niet-overplaatsbare ambtenaren van die Dienst Buitenlandse
Zaken die tijdelijk aan een post zijn toegevoegd;
c. ambtenaren van andere ministeries die op een post zijn
tewerkgesteld;
d. militairen en burgerpersoneel van het ministerie van
Defensie die op een post zijn geplaatst, alsmede vlag- en
opperofficieren die zijn geplaatst op internationale staven in het
buitenland;
e. werknemers die op basis van een arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht na uitzending vanuit Nederland werkzaamheden
verrichten bij een post.
6. Onder het beoefenen van wetenschap of het geven van onderwijs
wordt verstaan:
a. het buiten Nederland verrichten van onderzoek op de
financiële basis van:
1°. een beurs of stipendium van de Nederlandse organisatie
voor wetenschappelijk onderzoek of de Stichting voor
wetenschappelijk onderzoek van de tropen;
2°. een NATO-fellowship;
3°. door Onze minister aan te wijzen vergelijkbare
beurzen, stipendia en fellowships;
b. het als leerkracht of beoefenaar van wetenschap door een
instelling op het gebied van onderwijs of wetenschap worden
uitgezonden dan wel op uitnodiging van een dergelijke in het
buitenland gevestigde instelling zich naar het buitenland begeven,
met het doel aldaar onderwijs te geven aan een instelling op het
gebied van onderwijs of wetenschap of wetenschappelijk onderzoek
te verrichten voor een dergelijke instelling.
7. Schoolgelden zijn uitgaven voor het door kinderen van de
extraterritoriale werknemer volgen van basisonderwijs of voortgezet
onderwijs aan internationale scholen en internationale afdelingen van
niet-internationale scholen, tot de bedragen die door de school
overeenkomstig haar tarieven voor onderwijs in rekening worden
gebracht, met uitzondering van kosten van kost en inwoning maar met
inbegrip van vervoerskosten.
Artikel 10ea
1. Vergoedingen en verstrekkingen aan extraterritoriale werknemers
van kosten, respectievelijk ter voorkoming van kosten van verblijf
buiten het land van herkomst worden, ten aanzien van ingekomen
werknemers op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de
inhoudingsplichtige, in elk geval beschouwd als vergoeding voor
extraterritoriale kosten tot (bewijsregel):
a. 30% van de grondslag, waarbij de grondslag de som is van:
1°. het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ter zake
van het verblijf buiten het land van herkomst dat is genoten
tijdens de looptijd van de bewijsregel en waarover met
toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b belasting
wordt geheven, voor zover de ingekomen of uitgezonden
werknemer ter zake geen recht heeft op voorkoming van dubbele
belasting;
2°. de vergoeding voor extraterritoriale kosten, bedoeld
in artikel 31a, tweede lid, onderdeel e, van de wet;
b. het bedrag van de schoolgelden.
2. In geval van verstrekkingen zijn de waarderingsregels krachtens
artikel 13 van de wet van toepassing.
Artikel 10eb
1. Een werknemer bezit specifieke deskundigheid indien het loon,
bedoeld in paragraaf 3.3.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, op
jaarbasis meer bedraagt dan € 35 000.
2. In afwijking van het eerste lid bezit een werknemer die de titel
van master heeft behaald aan een instelling voor wetenschappelijk
onderwijs en die de leeftijd van 30 jaar nog niet heeft bereikt,
specifieke deskundigheid indien het loon, bedoeld in paragraaf 3.3.1
van de Wet inkomstenbelasting 2001, op jaarbasis meer bedraagt dan €
26 605.
3. In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid bezit een
werknemer ook specifieke deskundigheid indien de werknemer:
a. in het kader van wetenschappelijk onderzoek of
wetenschappelijk onderwijs in Nederland wordt tewerkgesteld bij
een onderzoeksinstelling die is aangewezen op grond van artikel
3.18b, onderdelen a of b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000,
of
b. in Nederland wordt tewerkgesteld als arts in opleiding tot
specialist aan een door de Medisch Specialisten Registratie
Commissie, de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie of de
Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie aangewezen
opleidingsinstituut.
4. Bij de beoordeling of de specifieke deskundigheid die een
ingekomen werknemer bezit niet of schaars aanwezig is op de
Nederlandse arbeidsmarkt, wordt in onderlinge samenhang rekening
gehouden met de volgende factoren, voor zover relevant:
a. het niveau van de door de werknemer gevolgde opleiding;
b. de voor de functie relevante ervaring van de werknemer;
c. het beloningsniveau van de onderhavige functie in Nederland
in verhouding tot het beloningsniveau in het land van herkomst van
de werknemer.
5. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
ter zake van de toepassing van dit artikel.
Artikel 10ec
1. Voor ingekomen werknemers bedraagt de looptijd van de
bewijsregel maximaal acht jaar, ingaande op de eerste dag van de
tewerkstelling door de inhoudingsplichtige.
2. Voor uitgezonden werknemers is de looptijd van de bewijsregel
gelijk aan de duur van de uitzending.
Artikel 10ed
1. Indien een ingekomen werknemer tijdens de looptijd een andere
inhoudingsplichtige krijgt, blijft op gezamenlijk verzoek van de
werknemer en de nieuwe inhoudingsplichtige de bewijsregel gedurende de
resterende looptijd van toepassing, mits de periode tussen het einde
van de tewerkstelling door de oude inhoudingsplichtige en de
totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de nieuwe
inhoudingsplichtige niet langer is dan drie maanden.
2. Bij een dergelijk verzoek moet door de nieuwe
inhoudingsplichtige opnieuw aannemelijk worden gemaakt dat de
werknemer behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer.
Artikel 10ee
Indien de ingekomen werknemer niet langer specifieke deskundigheid
bezit die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is,
wordt de looptijd verminderd tot op het moment waarop deze situatie zich
voordoet.
Artikel 10ef
1. Indien de ingekomen werknemer voorafgaand aan de aanvang van de
tewerkstelling als ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige, in
Nederland is tewerkgesteld of is verbleven, wordt de looptijd
verminderd met de perioden van eerdere tewerkstelling en eerder
verblijf.
2. Perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf die meer
dan vijfentwintig jaar voorafgaand aan de tewerkstelling zijn
geëindigd, worden niet in aanmerking genomen.
3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid is de ingekomen
werknemer niet in Nederland tewerkgesteld indien hij in elk
kalenderjaar van de periode van vijfentwintig jaar maximaal 20 dagen
hier te lande heeft gewerkt.
4. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid is de ingekomen
werknemer niet in Nederland verbleven indien hij in elk kalenderjaar
van de periode van vijfentwintig jaar in totaal niet langer dan zes
weken in Nederland is verbleven wegens vakantie, familiebezoek of
andere persoonlijke omstandigheden, waarbij in de periode van
vijfentwintig jaar eenmalig een periode van maximaal drie
aaneengesloten maanden in Nederland wegens vakantie, familiebezoek of
andere persoonlijke omstandigheden niet in aanmerking wordt genomen.
5. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt een
werknemer geacht in Nederland te zijn tewerkgesteld gedurende de
gehele periode dat hij een door een inhoudingsplichtige uit een ander
land aangeworven, of naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer
in de zin van artikel 2 van de wet is.
Artikel 10eg
Indien een verzoek om toepassing van de bewijsregel als bedoeld in
artikel 10ei niet is gedaan binnen vier maanden na aanvang van de
tewerkstelling als ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige,
wordt de looptijd verminderd met de periode tussen het tijdstip waarop
de ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige is tewerkgesteld en
het tijdstip waarop de beschikking, bedoeld in artikel 10ei, voor het
eerst van toepassing is.
Artikel 10eh
Bij vermindering van de looptijd volgens dit hoofdstuk wordt elke
periode waarmee de looptijd wordt verminderd naar boven afgerond op
gehele kalendermaanden.
Artikel 10ei
1. Een verzoek om toepassing of voortgezette toepassing van de
bewijsregel ten aanzien van een ingekomen werknemer wordt gedaan aan
de inspecteur. Deze beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare
beschikking.
2. Indien het verzoek is gedaan binnen vier maanden na aanvang van
de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer door de
inhoudingsplichtige, werkt de beschikking terug tot en met de aanvang
van de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer. Indien het
verzoek later is gedaan, is de beschikking van toepassing met ingang
van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het verzoek
is gedaan.
Artikel 10ej
De inhoudingsplichtige wordt voor de toepassing van de bepalingen van
dit hoofdstuk ten aanzien van een ingekomen werknemer geacht dezelfde
inhoudingsplichtige te zijn als de zonder onderbreking voorafgaande
inhoudingsplichtigen van de werknemer mits:
a. de inhoudingsplichtige en de zonder onderbreking voorafgaande
inhoudingsplichtige behoren tot een zelfde samenhangende groep
inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet, en
b. aannemelijk is dat de werknemer opnieuw zou worden aangemerkt
als ingekomen werknemer indien artikel 10edzou worden toegepast.
Hoofdstuk 5. Aanvullende regelingen (Hoofdstuk VI van de wet)
Artikel 10f [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 10g [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 11
1. De loonbelasting wordt mede geheven van natuurlijke personen die
de navolgende tot het belastbare inkomen uit werk en woning dan wel
het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland in de zin van
de Wet inkomstenbelasting 2001 behorende inkomsten genieten:
a. de navolgende termijnen van lijfrenten en andere periodieke
uitkeringen en verstrekkingen, negatieve uitgaven voor
inkomensvoorzieningen en afkoopsommen:
1°. termijnen van lijfrenten verstrekt door een
verzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht, alsmede termijnen als bedoeld in artikel
3.126a, vierde, vijfde en zesde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 verstrekt door een bank of beheerder
als bedoeld in artikel 3.126a van die wet;
2°. periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van
invaliditeit, ziekte of ongeval als bedoeld in artikel 3.100,
eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001,
verstrekt door een verzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van
de Wet op het financieel toezicht;
3°. negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen ter zake
van een afkoop als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid,
onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001, indien de
afkoopsom is verstrekt door een verzekeraar als bedoeld in
artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht; daarbij
wordt de loonbelasting geheven over de afkoopsom;
4°. uitkeringen die worden verstrekt door een bank of
beheerder als bedoeld in artikel 3.126a van de Wet
inkomstenbelasting 2001 en die ingevolge artikel 3.133,
achtste lid, van die wet worden aangemerkt als negatieve
uitgaven voor inkomensvoorzieningen;
5°. afkoopsommen ter zake van lijfrenten verstrekt door
een verzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht, voor zover met betrekking tot die
afkoopsommen ingevolge hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O,
eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Invoeringswet Wet
inkomstenbelasting 2001 en artikel 75 van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 de regels die daarvoor golden op 31
december 1991 van toepassing blijven;
6°. periodieke uitkeringen en verstrekkingen en
afkoopsommen daarvan verstrekt door een verzekeraar als
bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht,
voor zover met betrekking tot die uitkeringen of
verstrekkingen ingevolge hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O,
eerste lid, aanhef en onderdeel b of d, van de Invoeringswet
Wet inkomstenbelasting 2001 de regels die daarvoor golden op
31 december 2000 op grond van de Wet op de inkomstenbelasting
1964 van toepassing blijven;
b. uitkeringen ingevolge de Ziektewet en ingevolge de
Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en de
Zeeongevallenwet 1919 in verbinding met de Liquidatiewet
ongevallenwetten;
c. uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, van de Wet
arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en uitkeringen of
inkomensvoorzieningen ingevolge de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
d. uitkeringen ingevolge de Wet buitengewoon pensioen
1940-1945, ingevolge de Wet buitengewoon pensioen
zeelieden-oorlogsslachtoffers en ingevolge de Wet buitengewoon
pensioen Indisch verzet;
e. uitkeringen ingevolge artikel 10 van de Wet tegemoetkoming
chronisch zieken en gehandicapten;
f. uitkeringen ingevolge de Algemene Oorlogsongevallenregeling
(Staatsblad van Nederlandsch-Indië 1946 (nr. 48) en de
beschikking van de Luitenant-Gouverneur-Generaal van
Nederlandsch-Indië van 5 november 1946, nr. 6 (Staatsblad van
Nederlandsch-Indië 1946, nr. 118), alsmede op deze uitkeringen
betrekking hebbende toe- en bijslagen;
g. uitkeringen ingevolge de Wet werk en bijstand en de Wet
investeren in jongeren alsmede de in artikel 3a bedoelde uit het
familierecht voortvloeiende periodieke uitkeringen of
verstrekkingen;
h. uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet;
i. uitkeringen uit de Stichting 1940-1945, de Stichting
Friesland 1940-1945 en de Stichting Hulp voor nagelaten
betrekkingen voor illegale strijders (Stichting Sneek 1940-1945);
j. uitkeringen ingevolge een pensioenregeling waaraan
deelneming verplicht is op grond van de Wet op het notarisambt;
k. uitkeringen ingevolge een pensioenregeling waaraan
deelneming verplicht is op grond van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling;
l. uitkeringen ingevolge de Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en ingevolge de Wet uitkeringen
burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945;
m. uitkeringen ingevolge de Remigratiewet en de
Remigratieregeling 1985;
n. uitkeringen ingevolge de Toeslagenwet;
o. uitkeringen ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en ingevolge
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
p. uitkeringen ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
en ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars;
q. [vervallen;]
r. uitkeringen als bedoeld in de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten;
s. inkomensondersteunende uitkeringen ingevolge artikel 108,
eerste lid, van de Gemeentewet;
t. uitkeringen ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
werklozen;
u. uitkeringen ingevolge een pensioenregeling waaraan
deelneming verplicht is op grond van de Wet verplichte deelneming
in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;
v. tegemoetkomingen ingevolge de Wet mogelijkheid
koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen.
2. De in het eerste lid bedoelde inkomsten worden aangemerkt als
loon uit vroegere arbeid.
Artikel 11a [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 12
Ten aanzien van de in artikel 33, tweede lid, onderdeel c, onder 1°,
van de wet bedoelde werknemers, met uitzondering van degenen die een
uitkering ontvangen op grond van het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen 2004, herrekent de inhoudingsplichtige bij het einde van
het kalenderjaar volgens bij ministeriële regeling te stellen regels de
op de voet van de in die bepaling bedoelde tabel geheven belasting
zodanig dat uiteindelijk de belasting zoveel mogelijk wordt geheven als
hadden de werknemers loon uit vroegere arbeid genoten niet zijnde
uitkeringen ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in
jongeren. Bij de in de vorige volzin bedoelde herrekening wordt het
bedrag van de in aanmerking te nemen heffingskorting, in afwijking in
zoverre van artikel 23, tweede lid, van de wet, verminderd met het
volgens bij ministeriële regeling te stellen regels te bepalen bedrag
aan heffingskorting voor de loonbelasting, met uitzondering van de
arbeidskorting, waarmee ten aanzien van de werknemer reeds rekening is
gehouden bij de inhouding van belasting op ander loon.
Hoofdstuk 6. Belastingheffing van artiesten, beroepssporters en
buitenlandse gezelschappen (hoofdstuk VII en VIIA van de wet)
Artikel 12a
1. De in artikel 35, vierde lid, van de wet bedoelde
kostenvergoedingsbeschikking kan betrekking hebben op een artiest of
beroepssporter (individuele kostenvergoedingsbeschikking), dan wel op
een gezelschap (gezelschapskostenvergoedingsbeschikking). De in
artikel 35g, vierde lid, van de wet bedoelde
kostenvergoedingsbeschikking is een
gezelschapskostenvergoedingsbeschikking.
2. De individuele kostenvergoedingsbeschikking heeft betrekking op
hetgeen geacht kan worden te strekken tot bestrijding van kosten,
lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van het optreden
of de sportbeoefening, dan wel een reeks van optredens of
sportbeoefeningen, door de artiest of de beroepssporter.
3. De gezelschapskostenvergoedingsbeschikking heeft betrekking op
hetgeen geacht kan worden te strekken tot bestrijding van kosten,
lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van het optreden
of de sportbeoefening, dan wel een reeks van optredens of
sportbeoefeningen, door het gezelschap of de leden van het gezelschap.
4. Een verzoek om een kostenvergoedingsbeschikking kan bij de
inspecteur worden ingediend door:
a. voorafgaande aan een optreden of sportbeoefening dan wel een
reeks van optredens of sportbeoefeningen: de artiest, de
beroepssporter, de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap
dan wel de inhoudingsplichtige;
b. uiterlijk een maand na afloop van een optreden of
sportbeoefening dan wel een reeks van optredens of
sportbeoefeningen: de inhoudingsplichtige.
5. De inspecteur kan op eigen initiatief dan wel op initiatief van
degene die heeft verzocht om de kostenvergoedingsbeschikking, deze
intrekken of vervangen door een andere kostenvergoedingsbeschikking.
6. De inhoudingsplichtige neemt een kostenvergoedingsbeschikking
slechts in aanmerking indien hij beschikt over een kopie daarvan en
deze bij de loonadministratie bewaart. De inhoudingsplichtige neemt
een individuele kostenvergoedingsbeschikking niet in aanmerking indien
hij met betrekking tot het optreden of de sportbeoefening beschikt
over een kopie van een gezelschapskostenvergoedingsbeschikking voor
een gezelschap waartoe de artiest of beroepssporter behoort.
7. Indien zulks door of namens de artiest of beroepssporter dan wel
het gezelschap wordt aangegeven, wordt de inhoudingsplichtige die met
betrekking tot het optreden of de sportbeoefening niet beschikt over
een kopie van een kostenvergoedingsbeschikking, geacht te beschikken
over:
a. ingeval de artiest of beroepssporter geen deel uitmaakt van
een gezelschap: een individuele kostenvergoedingsbeschikking tot
het door de artiest of beroepssporter aangegeven bedrag met een
maximum van € 163 per optreden of sportbeoefening;
b. in het geval van een gezelschap: een
gezelschapskostenvergoedingsbeschikking tot het door het
gezelschap aangegeven bedrag, met per optreden of sportbeoefening
een maximum van € 163 vermenigvuldigd met het aantal leden van
het gezelschap.
8. Een verzoek als bedoeld in het vierde lid bevat ten minste:
a. indien het wordt ingediend door een in Nederland wonende
artiest of leider dan wel vertegenwoordiger van een gezelschap:
zijn naam, adres, woonplaats en burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, sociaal-fiscaalnummer;
b. indien het wordt ingediend door een niet in Nederland
wonende artiest, beroepssporter of leider dan wel
vertegenwoordiger van een gezelschap: zijn naam, adres,
woonplaats, woonland en geboortedatum;
c. indien het wordt ingediend door een inhoudingsplichtige:
zijn naam, adres, woonplaats en het loonheffingennummer, alsmede
– bij een verzoek voor een artiest of beroepssporter – de
naam, adres, woonplaats van de artiest onderscheidenlijk
beroepssporter en, indien de artiest in Nederland woont, het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer van de artiest, en – bij een verzoek voor
een gezelschap – de naam, adres, woonplaats en, indien deze in
Nederland woont, het burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van de leider dan wel
vertegenwoordiger van het gezelschap, en voorts
d. bij een gezelschap: de naam van het gezelschap en het aantal
leden van het gezelschap;
e. de datum van het optreden of de sportbeoefening dan wel, in
geval van een reeks van optredens of sportbeoefeningen, de periode
waarin die optredens of sportbeoefeningen plaatsvinden;
f. een opgave van de gage, de gemaakte en nog te maken kosten,
alsmede een toelichting op deze kosten.
Artikel 12b
1. Als gage van de artiest of de beroepssporter die deel uitmaakt
van een gezelschap, wordt aangemerkt het deel van de met het
gezelschap overeengekomen gage dat volgens de leider of
vertegenwoordiger van het gezelschap aan zijn optreden dan wel
sportbeoefening kan worden toegerekend. De leider of vertegenwoordiger
van het gezelschap geeft aan de inhoudingsplichtige ter zake een
ondertekende verklaring af (gageverdelingsverklaring). Indien geen
verklaring wordt afgegeven of de leider of vertegenwoordiger van het
gezelschap de met het gezelschap overeengekomen gage niet geheel over
de artiesten of beroepssporters heeft verdeeld, wordt de voor het
optreden van het gezelschap overeengekomen gage geacht door ieder lid
van het gezelschap voor een gelijk deel te zijn genoten.
2. De in het eerste lid bedoelde gageverdelingsverklaring bevat ten
minste de volgende gegevens:
a. van de inhoudingsplichtige: naam, adres, woon- of
vestigingsplaats en loonheffingennummer;
b. van het gezelschap, niet zijnde een gezelschap als bedoeld
in artikel 5b van de wet: naam, adres en woonplaats van de leden
van het gezelschap, alsmede van de in Nederland wonende leden van
het gezelschap het burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, het sociaal-fiscaalnummer;
c. van het gezelschap, bedoeld in artikel 5b van de wet: naam,
adres, woonplaats en geboortedatum van de leider of
vertegenwoordiger van het gezelschap, alsmede de namen van de
leden van het gezelschap en het burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van de in Nederland
wonende leden van het gezelschap;
d. de naam van het gezelschap;
e. datum, plaats en naam van de locatie van het optreden of de
sportbeoefening;
f. het bedrag van de brutogage, waaronder begrepen gage anders
dan in geld en kostenvergoedingen;
g. het deel van de brutogage, bedoeld in onderdeel f, dat op
grond van het eerste lid volgens de leider of vertegenwoordiger
van het gezelschap aan het optreden van de artiest dan wel de
sportbeoefening van de beroepssporter kan worden toegerekend;
h. het bedrag dat elk lid van het gezelschap als kosten in
aanmerking kan nemen op grond van een kostenvergoedingsbeschikking.
Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen (Hoofdstuk VIII van de wet)
Artikel 12c [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 12d [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 12e [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 13
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1965.
2. Dit besluit kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbesluit
loonbelasting 1965.
Onze
Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit,
dat in het Staatsblad zal worden geplaatst
en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Soestdijk, 17 mei 1965
JULIANA
De Minister van Financiën,
A. Vondeling
Uitgegeven de vijfentwintigste
mei 1965
De Minister van Justitie,
Samkalden
|