| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de
loonbelasting 1964 (Wet LB)
UITVOERINGSREGELING
WERKNEMERSSPAARREGELINGEN EN WINSTDELINGSREGELINGEN
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
De
Staatssecretaris van Financiën en de Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 11 en 34a van de Wet op
de loonbelasting 1964, artikel 6 van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering en artikel IX van de Wet van 1 november 1993 tot wijziging
van een aantal wetten inzake belastingen, alsmede van een aantal andere
wetten met het oog op het bevorderen van werknemersparticipaties en
winstdelings- en spaarregelingen voor werknemers (Stb. 1993, 573);
Besluiten:
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
Deze regeling geeft uitvoering aan artikel 32 van
de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel IX van de Wet van 1 november
1993 tot wijziging van een aantal wetten inzake belastingen, alsmede van
een aantal andere wetten met het oog op het bevorderen van
werknemersparticipaties en winstdelings- en spaarregelingen voor
werknemers (Stb. 573).
Hoofdstuk II [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 8a [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 8b [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 8c [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2003]
Hoofdstuk III. Spaarloonregelingen
Artikel 14
1. Het spaarloon mag in ieder kalenderjaar
waarin de werknemer overeenkomstig de spaarloonregeling heeft
gespaard, niet meer bedragen dan het in artikel 31, eerste lid,
onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1964 vermelde bedrag.
2. Deelname aan een spaarloonregeling mag
slechts open staan voor werknemers die tot de werkgever in
dienstbetrekking staan of geacht worden te staan.
Artikel 15
1.Het spaarloon moet door de werkgever of een in
de spaarloonregeling aangewezen instelling die het spaarloon beheert,
voor iedere werknemer - onder vermelding van het jaar van storting -
per kalenderjaar afzonderlijk worden geadministreerd op een bijzondere
rekening - hierna te noemen: spaarloonrekening.
2.Als instelling bedoeld in het eerste lid,
kunnen worden aangewezen spaarbanken, handelsbanken,
landbouwkredietinstellingen, bouwkassen, spaarfondsen,
verzekeringsmaatschappijen en daarmee vergelijkbare rechtspersonen met
volledige rechtsbevoegdheid.
3.Het spaarloon mag door de werknemer niet
worden vervreemd of bezwaard.
Artikel 16
1.Het aan de werknemer toekomende spaarloon mag
worden omgezet in effecten. Met betrekking tot ten laste van de
spaarloonrekening gekochte effecten mag:
a. het in de aankoopprijs begrepen bedrag
aan spaarloon wordt gelijkgesteld met spaarloon op de
spaarloonrekening, zolang de effecten onbezwaard deel uitmaken van
het vermogen van de werknemer;
b. bij verkoop van de effecten het onder a
bedoelde bedrag, voor zover dit onverwijld wordt teruggestort op
de spaarloonrekening, worden gelijkgesteld met spaarloon.
2.Met betrekking tot de omzetting in effecten
moet:
a. de aankoop en de verkoop geschieden door
bemiddeling van de werkgever of van de in de spaarloonregeling
aangewezen instelling;
b. de bewaring geschieden door of onder
verantwoordelijkheid van de werkgever, dan wel door of onder
verantwoordelijkheid van die instelling.
Artikel 17
Het tegoed op een spaarloonrekening mag
uitsluitend bestaan uit:
a. spaarloon;
b. op het tegoed gekweekte inkomsten.
Artikel 18
Het verloop van het tegoed op een
spaarloonrekening moet voor iedere werknemer per kalenderjaar waarin hij
overeenkomstig de spaarloonregeling heeft gespaard, afzonderlijk worden
geadministreerd voor zoveel betreft:
a. spaarloon;
b. op het tegoed gekweekte inkomsten over de
periode waarin het spaarloon ingevolge de spaarloonregeling niet ter
beschikking van de werknemer komt.
Artikel 19
Spaarloon mag niet eerder ter beschikking van de
werknemer komen, dan nadat het gedurende tenminste de termijn genoemd in
artikel 32, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 op de
spaarloonrekening heeft gestaan.
Artikel 19a
1.In afwijking van artikel 19 mag de werknemer
over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken ter zake van de
verwerving van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste
lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 door de werknemer of zijn
partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
2.Rechtstreekse betalingen door de werkgever,
als bedoeld in het eerste lid, mogen voor toepassing van dit artikel
worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de
spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 19b
1.In afwijking van artikel 19 mag de werknemer
mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken ter
voldoening van:
a. door de werknemer te betalen premies,
andere dan bijdragen ingevolge een pensioenregeling, welke
verschuldigd zijn ingevolge een overeenkomst van levensverzekering
waarbij een lijfrente als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid,
onderdeel b, en artikel 3.125, eerste lid, onderdelen a en c, van
de Wet inkomstenbelasting 2001 is verzekerd bij een verzekeraar
als bedoeld in artikel 3.126 van de Wet inkomstenbelasting 2001,
mits de polis deel uitmaakt van het vermogen van de werknemer of
dat van zijn partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 en de termijnen voor de lijfrente,
behoudens in geval van overlijden, niet eerder kunnen ingaan dan
in het vijfde jaar nadat de premies zijn voldaan;
b. premies, andere dan bijdragen ingevolge
een pensioenregeling, welke verschuldigd zijn ingevolge een
overeenkomst van levensverzekering waarbij een kapitaalsuitkering
bij in leven zijn is verzekerd, en de voldane premies voor bij
dezelfde overeenkomst overeengekomen vrijstelling van
premiebetaling bij invaliditeit, ziekte of ongeval, mits de polis
deel uitmaakt van het vermogen van de werknemer of dat van zijn
partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting
2001;
c. door de werknemer vrijwillig te betalen
premies ingevolge een pensioenregeling.
2.De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde
overeenkomst van levensverzekering moet:
a. een levensverzekering als bedoeld in
artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht zijn, die is
afgesloten bij een levensverzekeraar als bedoeld in dat artikel;
b. door de werknemer of zijn partner in de
zin van artikel 1.2, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zijn
gesloten op het leven van de werknemer, diens partner in de zin
van artikel 1.2, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of kinderen
voor wie de werknemer, of zijn partner in de zin van artikel 1.2,
van de Wet inkomstenbelasting 2001 op 1 januari van het jaar
waarin de premie is voldaan recht had op kinderbijslag ingevolge
de Algemene Kinderbijslagwet of die zelf recht hadden op
studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van de Wet op de
studiefinanciering;
c. voor zover het tijdstip van de uitkering
niet wordt bepaald door het overlijden van de verzekerde, voorzien
in een looptijd van ten minste vier jaren.
3.Voor de toepassing van dit artikel worden mede
aangemerkt als ingevolge een overeenkomst van levensverzekering
verschuldigde premies: regelmatige inleggingen bij een instelling als
bedoeld in artikel 15, tweede lid, waartoe de werknemer of zijn
partner in de zin van artikel 1.2, van de Wet inkomstenbelasting 2001,
zich ingevolge een overeenkomst tot sparen met levensverzekering heeft
verplicht. Het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid van dit
artikel zijn van overeenkomstige toepassing.
4.Rechtstreekse betalingen door de werkgever van
premies als bedoeld in het eerste lid en van inleggingen voor een
spaarovereenkomst als bedoeld in het derde lid, mogen voor de
toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het beschikken
over het tegoed van de spaarloonrekening als bedoeld in de aanhef van
het eerste lid.
5.Bedragen die worden ingehouden op het loon als
vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling mogen
voor de toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met
bestedingen ten laste van de spaarloonrekening.
6.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing
op naar een spaarrekening eigen woning, bedoeld in artikel 3.116a van
de Wet inkomstenbelasting 2001, of een lijfrentespaarrekening, bedoeld
in artikel 3.126a van die wet, overgemaakte bedragen alsmede op naar
een beheerder van een beleggingsrecht eigen woning, bedoeld in artikel
3.116a van die wet, of een lijfrentebeleggingsrecht, bedoeld in
artikel 3.126a van die wet, overgemaakte bedragen ter verkrijging van
rechten van deelneming.
Artikel 19c
1.In afwijking van artikel 19 mag de werknemer
mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken binnen zes
maanden na de start van activiteiten uit welke de werknemer
vermoedelijk, als ondernemer in de zin van artikel 3.4 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, winst uit onderneming als bedoeld in artikel
3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zal gaan genieten. De periode
van zes maanden wordt verlengd met de periode welke ligt tussen het
moment waarop door de werknemer een beschikking als bedoeld in het
tweede lid wordt aangevraagd en het moment waarop die beschikking
wordt afgegeven door de inspecteur.
2.De aanwezigheid van activiteiten als bedoeld
in het eerste lid moet blijken uit een voor bezwaar vatbare
beschikking die, op verzoek van de werknemer, door de inspecteur is
afgegeven. In die beschikking moet zijn opgenomen, de datum waarop de
activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid zijn gestart en de datum
waarop de periode van zes maanden zoals bedoeld in het eerste lid
eindigt.
3.Voor de toepassing van dit artikel wordt
aangenomen dat de activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid zijn
gestart op het moment waarop de inschrijving in het register van de
Kamer van Koophandel heeft plaatsgevonden, dan wel had moeten
plaatsvinden. Voor ondernemingen die niet kunnen worden ingeschreven
in het register van de Kamer van Koophandel moet de datum waarop de
activiteiten zijn gestart worden bepaald aan de hand van de feiten en
omstandigheden.
4.Rechtstreekse betalingen door de werkgever,
als bedoeld in het eerste lid, mogen voor toepassing van dit artikel
worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de
spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 19d
1.In afwijking van artikel 19 mag de werknemer
mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken ter zake
van compensatie van loon dat niet is genoten door de werknemer, als
gevolg van de opname van onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald
verlof door de werknemer, mits de dienstbetrekking ten tijde van het
onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald verlof ongewijzigd blijft
voortbestaan.
2.Voor de toepassing van dit artikel kan ten
hoogste worden aangemerkt als opgenomen ter compensatie van het loon
dat niet is genoten door de werknemer als gevolg van de opname van
onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald verlof door de werknemer,
50% van het bedrag waarmee het door de werknemer genoten loon is
verminderd als gevolg van de opname van onbetaald verlof of
gedeeltelijk onbetaald verlof door de werknemer.
3.Voor de toepassing van dit artikel wordt het
door de werknemer genoten loon in aanmerking genomen met inachtneming
van het volgende:
a. artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van
de Wet op de loonbelasting 1964 vindt geen toepassing;
b. tantièmes en toevallige bijzondere
beloningen, alsmede tot het loon behorende aanspraken worden niet
in aanmerking genomen.
4.Rechtstreekse betalingen als bedoeld in het
eerste lid mogen voor de toepassing van dit artikel worden
gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de
spaarloonrekening als bedoeld van het eerste lid.
Artikel 19e
1. In afwijking van artikel 19 mag de werknemer
mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken:
a. ter zake van de kosten van het volgen van
een opleiding of studie door de werknemer, met het oog op het
verwerven van inkomen uit werk en woning, met uitzondering van
kosten:
1°. die verband houden met een werk of
studeerruimte, daaronder begrepen de inrichting;
2°. van binnenlandse reizen voor zover
de kosten meer bedragen dan het bedrag dat wordt bepaald met
overeenkomstige toepassing van artikel 31a, tweede lid,
onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964;
b. ter zake van cursussen, congressen,
seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke gevolgd
door de werknemer ter behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking;
c. ter zake van de kosten van het volgen van
een procedure erkenning verworven competenties waarvoor een
verklaring is afgegeven door een in of krachtens artikel 40a van
de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 aangewezen
instantie.
2. Rechtstreekse betalingen door de werkgever,
als bedoeld in het eerste lid mogen voor de toepassing van dit artikel
worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de
spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 19f
1. In afwijking van artikel 19 mag de werknemer
mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken ter zake
van eenzesde deel van de aan de werknemer of zijn partner in rekening
gebrachte kosten voor kinderopvang waarvoor aanspraak op een
kinderopvangtoeslag onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming
kan ontstaan op de voet van artikel 1.5 van de Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
2. Rechtstreekse betalingen door de werkgever,
als bedoeld in het eerste lid, mogen voor de toepassing van dit
artikel worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de
spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 20
In geval van overlijden van de werknemer eindigt
de deelname van de werknemer aan de spaarloonregeling. Het gehele tegoed
van zijn spaarloonrekening mag ter beschikking van de erfgenamen van de
werknemer worden gesteld.
Artikel 21
In afwijking van artikel 19 mag de werknemer over
het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken bij beëindiging van de
dienstbetrekking.
Artikel 22
1.Ingeval het spaarloon door de werknemer of
zijn erfgenamen is opgenomen bij beëindiging van de dienstbetrekking
van de werknemer, daaronder begrepen het overlijden van de werknemer,
wordt voor elke volle maand gedurende welke het spaarloon is opgenomen
binnen de in artikel 32, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting
1964 genoemde termijn, of binnen de in de spaarloonregeling
overeengekomen termijn een evenredig deel van het spaarloon aangemerkt
als loon verstrekt door de werkgever, niet zijnde spaarloon.
2.Spaarloon waarover door een werknemer in
strijd met een spaarloonregeling wordt beschikt, wordt aangemerkt als
loon verstrekt door de werkgever, niet zijnde spaarloon.
3.Het in het eerste en tweede lid bedoelde loon
wordt geacht te zijn genoten ten tijde van het beschikken.
Hoofdstuk IV. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 23
Als spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32
van de Wet op de loonbelasting 1964 zijn uitgesloten, regelingen waaraan
de deelname uitsluitend is opengesteld voor:
a. een werknemer die enig werknemer is van een
vennootschap waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen
is verdeeld en waarin hij, al dan niet tezamen met zijn partner in
de zin van artikel 1.2. van de Wet inkomstenbelasting 2001 en zijn
bloed- of aanverwanten in de rechte lijn direct of indirect, voor
ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal
aandeelhouder is;
b. een werknemer die tezamen met zijn partner
in de zin van artikel 1.2. van de Wet inkomstenbelasting 2001, enig
werknemer is van een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of
gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en waarin hij, al dan niet
tezamen met zijn partner in de zin van artikel 1.2. van de Wet
inkomstenbelasting 2001 en zijn bloed- of aanverwanten in de rechte
lijn direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte van
het geplaatste kapitaal aandeelhouder is.
Artikel 24
Deze regeling verstaat, voor zoveel de
belastingheffing betreft, onder werkgever, de inhoudingsplichtige.
Artikel 25
1.Indien bij of krachtens een op 31 december
1993 bestaande arbeidsovereenkomst dan wel publiekrechtelijke regeling
een bedrijfsspaarregeling in de zin van het Besluit
bedrijfsspaarregelingen (Stb. 1965, 261) is vastgelegd, blijven hetzij
tot en met 31 december 1994, hetzij tot en met 31 december 1995,
hetzij tot en met 31 december 1996, de op 31 december 1993 bestaande
wettelijke bepalingen met betrekking tot die bedrijfsspaarregeling van
kracht indien de werkgever in onderscheidenlijk het kalenderjaar 1994,
de kalenderjaren 1994 en 1995 of de kalenderjaren 1994, 1995 en 1996
afziet van het treffen van regelingen, bedoeld in artikel 11, eerste
lid, onderdeel h, en artikel 34a van de Wet op de loonbelasting 1964
zoals deze luiden van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1996.
2.Indien met betrekking tot een
bedrijfsspaarregeling het eerste lid toepassing vindt in het
kalenderjaar 1994, in de kalenderjaren 1994 en 1995, dan wel in de
kalenderjaren 1994, 1995 en 1996, wordt met betrekking tot die
bedrijfsspaarregeling in artikel IX van de Wet van 1 november 1993 tot
wijziging van een aantal wetten inzake belastingen, alsmede van een
aantal andere wetten met het oog op het bevorderen van
werknemersparticipaties en winstdelings- en spaarregelingen voor
werknemers in plaats van “op 31 december 1993 bestaande aanspraken”
gelezen onderscheidenlijk “op 31 december 1994 bestaande aanspraken”,
“op 31 december 1995 bestaande aanspraken” of “op 31 december
1996 bestaande aanspraken”.
Artikel 25a
1.Op een bedrag aan ingehouden spaargelden dat
met toepassing van artikel 8, zoals dit artikel luidde op 31 december
2000, is gelijkgesteld met ingehouden spaargelden op een
premiespaarrekening, blijft deze gelijkstelling van kracht tot
uiterlijk 1 januari 2006. In afwijking hiervan mag de spaarpremie ter
zake van deze spaargelden worden toegekend voordat een spaartermijn
van vier jaren is vervuld.
2.Een bedrag aan spaarloon dat met toepassing
van artikel 16, tweede lid, zoals dit artikel luidde op 31 december
2000, is gelijkgesteld met spaarloon op een spaarloonrekening, wordt
met ingang van 1 januari 2001 niet langer als spaarloon aangemerkt.
Artikel 25b [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 25c
Artikel 22, tweede lid, is niet van toepassing op
spaarloon dat in de kalenderjaren 1999 en 2000 is gespaard en waarover
wordt beschikt na 31 december 2002.
Artikel 26
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1994.
2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsregeling
werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen.
|
|
|