|
De
Minister van Financiën;
Handelende wat betreft de artikelen 8, 8a,
11, tweede lid, 12, 13 en 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 in
overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Handelende wat betreft artikel 8 van het
Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 in overeenstemming met de Minister
van Ontwikkelingssamenwerking;
Gelet op de artikelen 5b, 6, 8, 8a,
11, 11a, 12, 13, 13bis, 18, 19a, 19f, 19g,
25, vierde lid, 26, zesde lid, 28, 28a, 29, 31, eerste lid,
onderdeel c, 31a, 32ab, 32ba, 33, 35d,
35e, 35k, 35l en 35m van de Wet op de
loonbelasting 1964 en de artikelen 2e en 8 van het
Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1.1. Reikwijdte
Deze regeling geeft uitvoering aan de
artikelen 5b, 6, 8, 8a, 11, 11a, 11b, 12, 13, 13bis, 18, 19a, 19f, 25,
vierde lid, 26, zesde lid, 27, 28, 28a, 29, 31, eerste lid, onderdeel c,
31a, 32ab, 32ba, 33, 35, 35d, 35e, 35g, 35k, 35l, 35m en 39c, eerste
lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en de artikelen 2e en 10e van
het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.
Artikel 1.2. Definities
1. Deze regeling verstaat onder:
a. wet: de Wet op de loonbelasting
1964;
b. besluit: het Uitvoeringsbesluit
loonbelasting 1965;
c. belasting: ingeval artikel 27b,
eerste lid, van de wet van toepassing is: het gezamenlijke bedrag
van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen;
d. inhoudingsplichtigenverklaring:
de verklaring dat degene aan wie die verklaring is afgegeven ten
aanzien van artiesten of beroepssporters als inhoudingsplichtige
is aangewezen;
e. Minister: de Minister van
Financiën
f. werkplek: iedere plaats die in
verband met het verrichten van arbeid wordt gebruikt en waarvoor
voor de inhoudingsplichtige de Arbeidsomstandighedenwet van
toepassing is, met dien verstande dat niet als werkplek wordt
aangemerkt een werkruimte gelegen in een woning, een duurzaam aan
een plaats gebonden schip of een woonwagen in de zin van artikel 1
van de Huisvestingswet, de aanhorigheden daaronder begrepen, van
de werknemer;
g. verbonden vennootschap: een
verbonden vennootschap als bedoeld in artikel 10a, zevende lid,
van de wet;
h. jaaropgaaf: de opgave van het in
het kalenderjaar genoten loon, de ingehouden belasting en andere
gegevens die van belang kunnen zijn voor de heffing van de
inkomstenbelasting;
i. heffingskorting: de
standaardloonheffingskorting, bedoeld in artikel 21c van de wet.
2. In deze regeling wordt onder een
uitkering ingevolge een sociale verzekeringswet mede verstaan de
toeslag die ingevolge de Toeslagenwet wordt verleend op die uitkering.
Hoofdstuk 2. Belastingplicht (hoofdstuk I
van de wet)
Artikel 2.1. Gezelschappen met
hoofdzakelijk leden uit verdragslanden, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of
de BES eilanden
1. Aan het in artikel 5b, eerste lid,
onder 2°, van de wet bedoelde aannemelijk maken wordt voldaan, indien
degene met wie het gezelschap het optreden in Nederland of de
sportbeoefening in Nederland is overeengekomen of degene van wie het
gezelschap de gage ontvangt:
a. voor aanvang van het optreden of
de sportbeoefening aan de hand van een document – waarvan hij
een afschrift voor controle beschikbaar houdt – als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de
identificatieplicht, van ten minste het merendeel van de leden
heeft vastgesteld dat zij inwoner zijn van dan wel gevestigd zijn
in een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter
voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, Aruba, Curaçao,
Sint Maarten of de BES eilanden;
b. beschikt over de volgende
documenten:
1°. een afschrift van een
document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot
en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht dat
betrekking heeft op de leider of vertegenwoordiger van het
gezelschap;
2°. een schriftelijke
verklaring van de leider of vertegenwoordiger van het
gezelschap dat het gezelschap hoofdzakelijk bestaat uit leden
die inwoner zijn van of gevestigd zijn in een land waarmee de
Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele
belasting heeft gesloten, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de
BES eilanden;
3°. een schriftelijke
overeenkomst betreffende het optreden in Nederland of de
sportbeoefening in Nederland, of een afschrift van die
overeenkomst, waarin het gezelschap als vestigingsland
vermeldt een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag
ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, Aruba,
Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden, en
4°. een afschrift van een
bank-of girorekening waaruit blijkt dat de gage van het
gezelschap is overgemaakt naar een rekeninghouder die woont of
is gevestigd in het in onderdeel c bedoelde vestigingsland.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien aan degene met wie het gezelschap het optreden in
Nederland of de sportbeoefening in Nederland is overeengekomen of aan
degene van wie het gezelschap de gage ontvangt, onjuiste verklaringen,
documenten of gegevens zijn verstrekt en deze dit weet of
redelijkerwijs had moeten weten.
Artikel 2.2. Uitzondering op fictieve
dienstbetrekking sekswerkers
1. De arbeidsverhouding van degene die
als sekswerker persoonlijk arbeid verricht, wordt niet als
dienstbetrekking beschouwd, indien aan de volgende voorwaarden wordt
voldaan:
a. met betrekking tot de
arbeidsverhouding van de sekswerker wordt voldaan aan de in het
tweede lid bedoelde voorwaarden;
b. met betrekking tot de inkomsten
van de sekswerker wordt voldaan aan de in het derde lid bedoelde
voorwaarden;
c. de exploitant leeft de
bepalingen van de Wet bescherming persoonsgegevens alsmede artikel
67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen na;
d. artikel 2g van het besluit wordt
toegepast;
e. de exploitant verstrekt het
voorlichtingsmateriaal van de Belastingdienst over de
arbeidsverhouding van degene die als sekswerker persoonlijk arbeid
verricht, aan de sekswerker;
f. de exploitant heeft met de
sekswerker een schriftelijke overeenkomst gesloten waarin wordt
verklaard dat aan de onderdelen a tot en met e zal worden voldaan;
g. de exploitant voldoet met
betrekking tot al zijn arbeidsverhoudingen met degenen die als
sekswerker persoonlijk arbeid verrichten, aan de onderdelen a tot
en met f;
h. de exploitant draagt, binnen de
geldende betalingstermijnen, de verschuldigde loonbelasting,
premie volksverzekeringen, omzetbelasting en inkomensafhankelijke
bijdrage Zorgverzekeringswet af en leeft hoofdstuk 7 na;
i. de administratie van de
exploitant is duidelijk en inzichtelijk en de exploitant voldoet
aan artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
j. de exploitant heeft een
vergunning voor het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het
verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen
betaling indien dat vereist is op grond van de daarvoor geldende
regels;
k. de exploitant is met de
Belastingdienst schriftelijk overeengekomen dat hij zal voldoen
aan de voorwaarden in dit lid.
2. De in het eerste lid, onderdeel a,
bedoelde voorwaarden met betrekking tot de arbeidsverhouding van de
sekswerker zijn dat:
a. de sekswerker werkzaamheden kan
weigeren en de eigen werktijden bepaalt;
b. de sekswerker vrij is in de
kledingkeuze, mits de gekozen kleding gangbaar is in de branche;
c. de sekswerker mag weigeren om
alcohol te drinken, en
d. de sekswerker vrij is in de
keuze van een medische begeleider.
3. De in het eerste lid, onderdeel b,
bedoelde voorwaarden met betrekking tot de inkomsten van de sekswerker
zijn dat:
a. de afspraken met betrekking tot
de inkomsten schriftelijk zijn vastgelegd en worden nageleefd, en
door de werkgever bij de administratie worden bewaard;
b. de exploitant bij iedere
uitbetaling van inkomsten een overzicht aan de sekswerker
verstrekt en aan het eind van het jaar een jaaroverzicht van de
inkomsten verstrekt;
c. de inkomsten direct opeisbaar
zijn;
d. de exploitant de sekswerker geen
boeten volgens een boetesysteem of vergelijkbaar systeem in
rekening brengt, en
e. de vergoeding voor extra
werkzaamheden, die niet vooraf zijn overeengekomen met een
cliënt, volledig toekomt aan de sekswerker.
4. Voor de toepassing van dit artikel
wordt verstaan onder:
a. inkomsten van de sekswerker: al
hetgeen door de sekswerker uit de arbeidsverhouding met de
exploitant wordt genoten;
b. exploitant: degene op wie de
verplichting rust het loon van de sekswerker te betalen.
Artikel 2.3. Niet-inhoudingsplichtigen
1. Niet als inhoudingsplichtige worden
beschouwd:
a. United Nations:
1°. International Criminal
Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY);
2°. International Criminal
Tribunal for Rwanda (ICTR);
3°. International Court of
Justice (ICJ);
4°. United Nations High
Commissioner for Refugees (UNHCR);
5°. Maastricht Economic and
social Research and training centre on Innovation and
Technology (UNU-MERIT);
6°. International institute
for Infrastructural, Hydraulic and Environmental Engineering,
Institute for Water Education (UNESCO-IHE);
7°. Special Tribunal for
Lebanon;
8°. Special Court for Sierra
Leone;
b. International Criminal Court (ICC);
c. Permanent Court of Arbitration;
d. Hague Conference on Private
International Law;
e. North Atlantic Treaty
Organization (NATO):
1°. NATO C3 Agency;
2°. Joint Force Command
Headquarters Brunssum (JFC HQ Brunssum);
3°. NATO AEW&C Programme
Management Agency (NAPMA);
f. European Union:
1°. Vertegenwoordiging van de
Europese Commissie;
2°. Voorlichtingsbureau van
het Europese Parlement;
3°. European Police Office
(Europol);
4°. European Union’s
Judicial Cooperation Unit (Eurojust);
g. Office of the High Commissioner
on National Minorities of the Organisation for Security and
Cooperation in Europe (HCNM/OSCE);
h. Eurocontrol;
i. European Space Agency / European
Space Research and Technology Center (ESA/ESTEC);
j. European Patent Organisation;
k. Technical Centre for Agriculture
and Rural Cooperation (CTA);
l. Iran-United States Claims
Tribunal;
m. African Management Services
Company BV (AMSCO);
n. International Organisation for
Migration (IOM);
o. Common Fund for Commodities (CFC);
p. Organisation for the Prohibition
of Chemical Weapons (OPCW);
q. [Vervallen;]
r. Institute for Energy and
Transport;
s. Centre for Integrated Surveys:
International Institute for Aerial Survey and Earth Sciences (ITC-UNESCO).
2. De leden en functionarissen van de
in het eerste lid genoemde volkenrechtelijke organisaties die
diplomatieke voorrechten genieten en geen Nederlander zijn, worden
niet als inhoudingsplichtige beschouwd ten aanzien van degenen die in
hun persoonlijke dienst werkzaam zijn.
Artikel 2.4. Aangewezen
inhoudingsplichtige bij de hulp van een thuiswerker
In afwijking van de artikelen 6 en 7 van
de wet wordt ten aanzien van de hulp van de thuiswerker die doorgaans
voor een opdrachtgever arbeid verricht, de opdrachtgever van die
thuiswerker als inhoudingsplichtige aangewezen.
Artikel 2.5. Aangewezen
inhoudingsplichtige bij een artiest of een beroepssporter
1. In afwijking van artikel 8a, eerste
en tweede lid, van de wet wordt, voor zover de voor het optreden van
een artiest of de sportbeoefening van een beroepssporter
overeengekomen gage, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de wet,
wordt verstrekt aan degene die in het bezit is van een
inhoudingsplichtigenverklaring, als inhoudingsplichtige aangewezen:
degene aan wie die verklaring is afgegeven.
2. Voor zover degene aan wie een
inhoudingsplichtigenverklaring is afgegeven gage van artiesten of
beroepssporters verstrekt aan een ander aan wie een zodanige
verklaring is afgegeven, wordt in zijn plaats die ander als
inhoudingsplichtige aangewezen.
3. Een inhoudingsplichtigenverklaring
kan op verzoek door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking
worden afgegeven aan:
a. de artiest of beroepssporter die
als leider van een gezelschap optreedt;
b. de leider van een gezelschap
die, of het lichaam in de zin van artikel 2, eerste lid, onderdeel
b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat het optreden
van artiesten of de sportbeoefening van beroepssporters
overeenkomt;
c. degene met wie of degene door
wiens bemiddeling het optreden van artiesten of de sportbeoefening
van beroepssporters wordt overeengekomen;
d. degene die als onderneming
uitoefent het verrichten van administratieve werkzaamheden voor
derden, en de inhoudingsplicht en de daarmee samenhangende
verplichtingen overneemt van degene met wie de artiest of de
beroepssporter het optreden respectievelijk de sportbeoefening is
overeengekomen.
4. De inspecteur geeft geen
inhoudingsplichtigenverklaring af indien de persoon of het lichaam,
bedoeld in het derde lid, niet in Nederland woont of is gevestigd.
5. De inhoudingsplichtigenverklaring is
van toepassing gedurende een termijn van ten hoogste vijf jaren, te
rekenen vanaf de datum van afgifte.
6. Degene aan wie de
inhoudingsplichtigenverklaring is afgegeven, bewaart het origineel van
deze verklaring bij zijn loonadministratie en verstrekt een kopie van
deze verklaring aan degene die op grond van artikel 8a, eerste en
tweede lid, van de wet inhoudingsplichtige zou zijn, ter bewaring bij
diens loonadministratie.
7. De inspecteur trekt bij voor bezwaar
vatbare beschikking de inhoudingsplichtigenverklaring in, indien:
a. de verklaring haar belang heeft
verloren;
b. de op de verklaring vermelde
gegevens niet juist zijn of niet meer juist zijn;
c. degene die in het bezit is van
een inhoudingsplichtigenverklaring niet meer in Nederland woont of
is gevestigd;
d. degene die in het bezit is van
een inhoudingsplichtigenverklaring bij herhaling de
inhoudingsplicht of de daarmee samenhangende verplichtingen niet
nakomt;
e. degene die in het bezit is van
een inhoudingsplichtigenverklaring geen kopie van die verklaring
verstrekt aan degene die op grond van artikel 8a, eerste en tweede
lid, van de wet inhoudingsplichtige zou zijn.
Artikel 2.6. Bij overeenkomst aangewezen
inhoudingsplichtige bij een beroepssporter
Indienartikel 2.5 niet van toepassing is
en met de Minister is overeengekomen dat de belasting zal worden
ingehouden door een ander dan degene met wie de sportbeoefening is
overeengekomen ten aanzien van de beroepssporter, wordt in afwijking van
artikel 8a, eerste en tweede lid, van de wet als inhoudingsplichtige
aangewezen: degene die op grond van de overeenkomst de inhouding
overneemt.
Hoofdstuk 3. Voorwerp van de belasting
(hoofdstuk II van de wet)
Artikel 3.1. Loon voor de toepassing van
enkele regelingen
Voor de toepassing van artikel 11, eerste
lid, onderdelen m en o, van de wet, en van artikel 3.2, onderdeel b,
wordt het loon in aanmerking genomen met inachtneming van het volgende:
a. artikel 11, eerste lid, onderdeel
j, van de wet vindt geen toepassing;
b. tantièmes en toevallige
bijzondere beloningen, alsmede tot het loon behorende aanspraken
worden niet in aanmerking genomen.
Artikel 3.1a. Niet tot het loon behorende
voorzieningen
Als niet tot het loon behorende
voorzieningen voor militaire oorlogs- of dienstslachtoffers die verband
houden met invaliditeit als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel
l, van de wet worden aangewezen: voorzieningen in de zin van de
Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers.
Artikel 3.2 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 3.3. Geclausuleerd verlof
Voor de toepassing van artikel 11, eerste
lid, onderdeel r, onder 2°, van de wet wordt als geclausuleerd verlof
aangewezen: verlof dat voor specifieke doeleinden wordt toegekend, zoals
buitengewoon verlof, zwangerschapsverlof, bevallingsverlof, kraamverlof,
ouderschapsverlof, adoptieverlof, verlof in verband met pleegzorg,
calamiteiten- en ander kort verzuimverlof, kort- en langdurend
zorgverlof, educatief verlof, politiek verlof en palliatief verlof.
Artikel 3.3a. Niet tot het loon behorende
aanspraken
Tot het loon behoren niet:
a. aanspraken op een eenmalige
uitkering bij het beëindigen van de dienstbetrekking anders dan
vanwege arbeidsongeschiktheid of overlijden van de werknemer,
vervroegd uittreden of het bereiken van de pensioengerechtigde
leeftijd;
b. aanspraken op een eenmalige
uitkering bij het beëindigen van de dienstbetrekking wegens
arbeidsongeschiktheid of het bereiken van de pensioengerechtigde
leeftijd, indien deze uitkering driemaal het loon van een maand niet
overtreft;
c. aanspraken op uitkeringen en
verstrekkingen in door de Minister aan te wijzen gevallen.
Artikel 3.4. Minimale periode
uitkeringstermijnen bij stamrechtspaarrekening en
stamrechtbeleggingsrecht
1. De minimale periode tussen de eerste
en de laatste uitkering, bedoeld in artikel 11a, derde lid, onderdeel
a, onder 2°, en onderdeel b, onder 2°, van de wet, wordt bepaald aan
de hand van de volgende tabel.
|
Ingeval de
gerechtigde tot de uitkeringen, bedoeld in artikel 11a, derde lid,
van de wet bij ingang van de uitkeringen, een leeftijd heeft
bereikt van |
|
maar nog niet de
leeftijd heeft bereikt van |
|
bedraagt de minimale
periode tussen de eerste en de laatste uitkering het in deze kolom
vermelde aantal jaren |
|
| |
I |
|
II |
|
III |
| |
– |
|
25 |
|
18 |
| |
25 |
|
30 |
|
15 |
| |
30 |
|
35 |
|
12 |
| |
35 |
|
40 |
|
9 |
| |
40 |
|
45 |
|
6 |
| |
45 |
|
50 |
|
4 |
| |
50 |
|
55 |
|
3 |
| |
55 |
|
60 |
|
2 |
| |
60 |
|
– |
|
1 |
2. Ingeval de uitkeringen toekomen
aan kinderen of pleegkinderen van de werknemer die ten tijde van het
ontvangen van de eerste uitkering jonger zijn dan 30 jaar, bedraagt
het aantal jaren tussen de eerste en de laatste uitkering, in
afwijking van het eerste lid, nimmer meer dan het aantal jaren dat
de gerechtigde jonger is dan 30 jaar.
Artikel 3.5. Niet tot het loon gerekende
premie
Tot het loon behoort niet de krachtens de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen verstrekte premie, bedoeld in
artikel 2.8, eerste lid, onderdeel b, van het Inkomensbesluit
volksverzekeringen en sociale voorzieningen, mits in het jaar waarin de
premie is verstrekt geen vergoeding is genoten als bedoeld in artikel
2.8, eerste lid, onderdeel c, van dat besluit.
Artikel 3.6. Fooien en dergelijke
prestaties van derden
1. Fooien en dergelijke prestaties van
derden worden niet tot het loon gerekend, voor zover bij het bepalen
van het voor de werknemer rechtens geldende loon met het ontvangen van
deze fooien of dergelijke prestaties van derden geen rekening is
gehouden.
2. De werknemer die werkzaam is bij een
onderneming waarin horeca-activiteiten worden verricht en die van zijn
werkgever niet ten minste het voor hem rechtens geldende loon
ontvangt, wordt geacht fooien en dergelijke prestaties van derden te
genieten tot een bedrag ter grootte van dat rechtens geldende loon
verminderd met het rechtstreeks van de werkgever ontvangen loon.
Indien de werkgever in overeenstemming met de werknemer het bedrag aan
fooien en dergelijke prestaties van derden op een hoger bedrag schat,
wordt van dat geschatte bedrag uitgegaan.
Artikel 3.7. Bepaling waarde
voorzieningen op de werkplek (waarde nihil)
1. De waarde van de volgende
voorzieningen, in redelijkheid, wordt gesteld op nihil, ingeval deze
geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikt of verbruikt worden:
a. voorzieningen waarvan het niet
gebruikelijk is deze elders te gebruiken of verbruiken;
b. voorzieningen die rechtstreeks
voortvloeien uit het arbeidsomstandighedenbeleid dat de
inhoudingsplichtige voert op grond van de
Arbeidsomstandighedenwet;
c. ter beschikking gestelde kleding
die:
1°. uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de
dienstbetrekking te worden gedragen;
2°. per kledingstuk is
voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de
inhoudingsplichtige gebonden beeldmerken met een oppervlakte
van tezamen ten minste 70cm²,of
3°. achterblijft op de
werkplek;
d. consumpties die geen deel
uitmaken van een maaltijd;
e. ter beschikking gestelde
hulpmiddelen, waaronder computers en dergelijke apparatuur,
gereedschappen en toebehoren, die ook elders gebruikt kunnen
worden en die geheel of nagenoeg geheel zakelijk gebruikt worden;
f. ter beschikking gestelde mobiele
communicatiemiddelen – niet zijnde computers en dergelijke
apparatuur – waarvan het zakelijke gebruik van meer dan
bijkomstig belang is;
g. huisvesting en inwoning, met
inbegrip van – indien mede verstrekt –het genot van energie,
water en bewassing, ter vervulling van de dienstbetrekking, indien
de werknemer niet op de werkplek woont en zich redelijkerwijs niet
aan deze voorziening kan onttrekken.
2. In afwijking in zoverre van artikel
1.2, eerste lid, onderdeel f, wordt voor de toepassing van het eerste
lid, onderdeel b, in geval van thuiswerk in de zin van de
Arbeidsomstandighedenwet onder werkplek tevens verstaan een werkruimte
gelegen in een woning, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of
een woonwagen in de zin van artikel 1 van de Huisvestingswet, de
aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer.
Artikel 3.8. Bepaling waarde
voorzieningen op de werkplek (lager dan waarde in het economische
verkeer of factuurwaarde)
De waarde van de volgende voorzieningen
die op de werkplek gebruikt of verbruikt worden, wordt gesteld op de
daarbij vermelde bedragen:
a. maaltijden: de waarde wordt
gesteld op€ 2,95;
b. huisvesting en inwoning, anders
dan de ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking ter
beschikking gestelde woning, met inbegrip van– indien mede
verstrekt – het genot van energie, water en bewassing: de waarde
wordt gesteld € 5,10 per dag;
c. door de inhoudingsplichtige
verrichte kinderopvang waarvoor aanspraak op een kinderopvangtoeslag
onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming kan ontstaan op de
voet van artikel 1.5 van de Wet kinderopvangen kwaliteitseisen
peuterspeelzalen: de waarde wordt gesteld op het aantal uren genoten
kinderopvang maal de uurprijs vastgesteld krachtens artikel 1.7,
tweede lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen.
Artikel 3.9. Bepaling waarde
privégebruik van openbaar vervoerkaart en voordeelurenkaart
De waarde van het genot van een in het
kader van de dienstbetrekking ter beschikking gestelde
openbaarvervoerkaart of voordeelurenkaart, bedoeld in artikel 13, derde
lid, onderdeel b, van de wet, wordt, indien aannemelijk is dat deze
kaart mede dient voor zakelijke reizen, waaronder woon-werkverkeer,
gesteld op nihil.
Artikel 3.10. Bepaling waarde
rentevoordeel personeelsleningen
1. De waarde van het rentevoordeel van
een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de
inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte
geldlening, daaronder begrepen een gedeelte van een geldlening, wordt
gesteld op nihil, indien het rentevoordeel– indien tot het loon
gerekend – als aftrekbare kosten in de zin van de artikelen 3.120
tot en met 3.123 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking zou
worden genomen, en:
a. de werknemer schriftelijk aan de
inhoudingsplichtige verklaart, onder vermelding van het
bestedingsdoel en onderbouwing met schriftelijke bescheiden, dat
de geldlening kan worden aangemerkt als een geldlening waarvan de
rente aftrekbare kosten zijn in de zin van de artikelen 3.120 tot
en met 3.123 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
b. de inhoudingsplichtige de
verklaring en bescheiden, bedoeld in onderdeel a, bij de
loonadministratie bewaart, tenzij daarvan met overeenkomstige
toepassing van artikel 7.3, tweede lid, wordt afgeweken, en
c. de inhoudingsplichtige de
toepassing van dit lid in de aangifte loonheffingen vermeldt.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op aan een geldlening als bedoeld in het
eerste lid verbonden kosten.
3. Het rentevoordeel van een door de
inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige
verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening ter zake
van de aanschaf van een fiets, elektrische fiets of elektrische
scooter wordt gesteld op nihil.
Artikel 3.11. Bepaling waarde genot van
de dienstwoning
1. De waarde van het genot van een ter
beschikking gestelde woning waarvan het gebruik voor de behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking is vereist, wordt gesteld op de
waarde in het economische verkeer van dat genot met een maximum van
18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon bij een
overeengekomen arbeidsduur van 36 uur per kalenderweek.
2. Voor de toepassing van het eerste
lid wordt de waarde van het genot van de woning waarvan het gebruik
voor de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking is vereist,
aangemerkt als niet behorend tot het voor de werknemer op jaarbasis
geldende loon.
Artikel 3.12. Bepaling waarde aanspraken,
waaronder aanspraken op ziektekostenregelingen
1. De waarde van een aanspraak om na
verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of
verstrekkingen te ontvangen, wordt gesteld op de bedragen die bij een
derde worden gestort of, voor zover geen stortingen worden verricht,
zouden moeten worden gestort teneinde de aanspraak te dekken.
2. In afwijking in zoverre van het
eerste lid wordt per kalenderjaar de waarde van een aanspraak
ingevolge een ziektekostenregeling ten behoeve van ten minste 25
werknemers of gewezen werknemers die gedurende het gehele voorafgaande
kalenderjaar heeft bestaan, voor zover geen stortingen bij derden
worden verricht, gesteld op het bedrag van de gemiddelde uitkering. De
gemiddelde uitkering is het rekenkundige gemiddelde van de
jaargemiddelden van de afgelopen vijf kalenderjaren. Het
jaargemiddelde is het gezamenlijke bedrag van de ter zake door of
namens de inhoudingsplichtige gedane uitkeringen en verstrekkingen
naar de waarde in het economische verkeer, gedeeld door het aantal
personen dat in het desbetreffende jaar gedurende ten minste zes
maanden gerechtigd is geweest. Indien zulks tot een lagere gemiddelde
uitkering leidt, worden het hoogste en het laagste jaargemiddelde
buiten beschouwing gelaten en is de gemiddelde uitkering het
rekenkundige gemiddelde van de jaargemiddelden van de andere drie
kalenderjaren.
3. Indien de in het tweede lid bedoelde
regeling minder dan vijf gehele kalenderjaren heeft bestaan, is dat
lid van overeenkomstige toepassing op het mindere aantal gehele
kalenderjaren, met dien verstande dat bij een bestaansduur van de
regeling van een of twee gehele kalenderjaren de laatste volzin van
dat lid niet van toepassing is.
4. De waarde van een aanspraak
ingevolge een wettelijke Belgische ziektekostenverzekering bedraagt
maximaal het gezamenlijke bedrag van de voor dat jaar geldende
standaardpremie, bedoeld in artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag,
welke standaardpremie tweemaal in aanmerking wordt genomen ingeval
sprake is van een op grond van verordening (EU) 883/2004 (Pb EU L314)
meeverzekerde echtgenoot als bedoeld in die verordening, en het voor
dat jaar geldende maximumbedrag van de inkomensafhankelijke bijdrage
volgens hoofdstuk 5 van de Zorgverzekeringswet.
5. In afwijking van de vorige leden
wordt de waarde van een aanspraak op een ziektekostenregeling met een
waarde van ten hoogste € 27 per jaar op nihil gesteld.
Artikel 3.13. Privégebruik auto;
rittenregistratie, loontijdvakken en verklaring geen privégebruik
1. De rittenregistratie, bedoeld in
artikel 13bis, vierde lid, van de wet, bevat ten minste de volgende
gegevens:
a. merk, type en kenteken van de
auto;
b. periode van
terbeschikkingstelling van de auto;
c. per rit:
1°. datum;
2°. beginstand en eindstand
van de kilometerteller;
3°. beginadres en eindadres;
4°. de gereden route indien
deze afwijkt van de meest gebruikelijke;
5°. het karakter van de rit.
2. Indien in een loontijdvak de
vergoeding die de werknemer voor het gebruik voor privédoeleinden
verschuldigd is, uitgaat boven het voor dat loontijdvak op grond van
artikel 13bis, eerste tot en met derde lid, van de wet berekende
voordeel, wordt in dat loontijdvak een negatief bedrag ter grootte van
het verschil tussen het berekende voordeel en de verschuldigde
vergoeding als voordeel in aanmerking genomen, voor zover op
kalenderjaarbasis het berekende voordeel ten minste gelijk is aan de
vergoeding voor het gebruik voor privédoeleinden.
3. Een verzoek om een verklaring geen
privégebruik als bedoeld in artikel 13bis, dertiende lid, van de wet
bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de naam, het adres en het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer van de werknemer;
b. het kenteken van de auto, indien
dit bekend is en het verzoek betrekking heeft op één auto;
c. het jaar van ingang van de
verklaring.
Hoofdstuk 4. Pensioenregelingen
(hoofdstuk IIb van de wet)
Artikel 4.1. Splitsing pensioenregeling
1. Bij overschrijding van de in of
krachtens hoofdstuk IIB van de wet opgenomen begrenzingen, bedoeld in
artikel 18, derde lid, van de wet, kan de inhoudingsplichtige de
inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de
begrenzingen verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te
stellen welk deel van de aanspraak binnen de begrenzingen blijft en
welk deel de begrenzingen te boven gaat.
2. Met inachtneming van de in het
eerste lid bedoelde beschikking administreert de inhoudingsplichtige
bij de loonadministratie afzonderlijk jaarlijks welk deel van de
aanspraak tot het loon behoort en welk deel niet, alsmede de waarde
van het deel dat jaarlijks in aanmerking wordt genomen voor de
grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Tevens
administreert de inhoudingsplichtige naar rato van deze verdeling welk
deel van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen als loon
uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking zal worden genomen en welk
deel als voordeel uit sparen en beleggen wordt behandeld.
3. Van de ingevolge het tweede lid
geadministreerde verdeling van de aanspraak en waarde van het deel dat
in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare
inkomen uit sparen en beleggen, alsmede de verdeling van de te zijner
tijd te verstrekken pensioenuitkeringen, verstrekt de
inhoudingsplichtige jaarlijks een opgave aan de inspecteur.
Artikel 4.2. Aanwijzing van een aantal
van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte
Voor de toepassing van artikel 19a van de
wet worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte aangewezen: IJsland, Noorwegen en
Liechtenstein.
Artikel 4.3. Samenloop verschillende
pensioenstelsels
1. Bij samenloop van verschillende
pensioenstelsels in een pensioenregeling worden alle elementen van de
pensioenregeling tezamen in acht genomen en in onderlinge samenhang
bezien voor de vaststelling of de pensioenregeling moet worden
aangemerkt als een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel,
een middelloonstelsel of een beschikbare-premiestelsel.
2. In afwijking van het eerste lid
dient voor elk onderdeel van de pensioenregeling dat niet past binnen
het op grond van het eerste lid vastgestelde pensioenstelsel
afzonderlijk te worden beoordeeld op welk van de drie aldaar genoemde
stelsels dat onderdeel is gebaseerd.
3. Voor de toepassing van het eerste en
tweede lid kan de inhoudingsplichtige de inspecteur verzoeken bij voor
bezwaar vatbare beschikking vast te stellen op welk stelsel de
pensioenregeling of een onderdeel daarvan is gebaseerd.
4. Bij wijziging van een op een
beschikbare-premiestelsel gebaseerd pensioen in een pensioen dat is
gebaseerd op een eindloonstelsel of een middelloonstelsel blijven op
de tot het moment van die stelselwijziging opgebouwde
pensioenaanspraken de voorwaarden van toepassing die gelden voor een
beschikbare-premiestelsel.
Hoofdstuk 5 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 5.1 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 5.2 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 5.3 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 5.4 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 5.5 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 5.6 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 5.7 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 5.8 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 5.9 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 5.10 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 5.11 [Vervallen per 01-01-2012]
Hoofdstuk 6. Tarief (hoofdstuk III van de
wet)
Artikel 6.1. Afwijkend loontijdvak bij
een werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is
Ten aanzien van de werknemer die
doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaam is, wordt in
afwijking in zoverre van artikel 25, eerste lid, van de wet, als
loontijdvak aangemerkt:
a. indien het loon per week wordt
uitbetaald: de week;
b. indien het loon per vier weken
wordt uitbetaald: het tijdvak van vier weken;
c. indien het loon per maand wordt
uitbetaald: de maand.
Artikel 6.2. Afwijkend loontijdvak bij
een werknemer met vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee
overeenkomende aanspraken
1. Ten aanzien van de werknemer wiens
loon mede omvat de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon
verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee
overeenkomende aanspraken, wordt in afwijking in zoverre van artikel
25, eerste lid, van de wet, als loontijdvak aangemerkt:
a. ingeval op jaarbasis aanspraken
worden verleend voor 20 of meer vakantiedagen: een door
vermenigvuldiging met de factor 261/229 verlengd loontijdvak;
b ingeval op jaarbasis aanspraken
worden verleend voor 19 of minder vakantiedagen: een door
vermenigvuldiging met de factor 260/245 verlengd loontijdvak.
2. Voor de toepassing van het eerste
lid wordt het aantal vakantiedagen in aanmerking genomen tot het
krachtens de publiekrechtelijke regeling of de collectieve
arbeidovereenkomst voor een volwassen werknemer geldende aantal zonder
rekening te houden met feestdagen en met extra vakantiedagen die aan
de werknemer worden toegekend in verband met zijn leeftijd of de duur
van zijn dienstverband.
Artikel 6.3. Afwijkend loontijdvak bij
sommige studenten en scholieren
1. Ten aanzien van de loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer die met betrekking
tot een kalenderkwartaal als student of scholier wordt aangemerkt en
die schriftelijk, gedagtekend en ondertekend te kennen heeft gegeven
dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak wordt aangemerkt,
kan, in afwijking in zoverre van artikel 25, eerste lid, van de wet,
voor loonbetalingen waarvan het inhoudingstijdstip in dat kwartaal is
gelegen, dat kwartaal als loontijdvak worden aangemerkt.
2. Voor de toepassing van het eerste
lid wordt met betrekking tot een kalenderkwartaal als student of
scholier aangemerkt:
a. de werknemer die bij het begin
van het kalenderkwartaal recht heeft op een gift, een
voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs op grond van de Wet
studiefinanciering 2000 of de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek;
b. de werknemer die bij het begin
van het kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming op
grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage
en schoolkosten;
c. de werknemer voor wie bij het
begin van het kalenderkwartaal recht bestaat op kinderbijslag
ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet;
d. de werknemer die bij het begin
van het kalenderkwartaal staat ingeschreven bij een
onderwijsinstelling waar hij een voltijdse opleiding volgt en die
inwoner is van een lidstaat van de Europese Unie, van een andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of van Zwitserland en die in het bezit is van
een door de Minister aangewezen internationale studentenkaart.
3. Voor de toepassing van het eerste
lid bewaart de inhoudingsplichtige bij zijn loonadministratie een
schriftelijke door de werknemer gedagtekende en ondertekende
verklaring dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak kan
worden aangemerkt, alsmede:
a. ingeval het tweede lid,
onderdeel a of b, van toepassing is: het correspondentienummer;
b. ingeval het tweede lid,
onderdeel c, van toepassing is: het registratienummer;
c. ingeval het tweede lid,
onderdeel d, van toepassing is: een kopie van de internationale
studentenkaart.
4. Indien in het kwartaal meer dan eens
loon wordt verstrekt, wordt de op een inhoudingstijdstip verschuldigde
belasting bepaald op de belasting die is verschuldigd over het in dat
kwartaal in totaal verstrekte loon, verminderd met de reeds ingehouden
belasting.
5. Bij toepassing van dit artikel is in
geval van twee opeenvolgende dienstbetrekkingen artikel 23 van de wet
niet van toepassing.
Artikel 6.4. Toepassing tabel bijzondere
beloningen bij wisseling van werkgever binnen een samenhangende groep
inhoudingsplichtigen
Ingeval de inhoudingsplichtige van de
werknemer en de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige van
de werknemer behoren tot een samenhangende groep inhoudingsplichtigen in
de zin van artikel 27e van de wet, wordt de werknemer voor de toepassing
van artikel 26, vierde lid, van de wet geacht het van deze
inhoudingsplichtigen genoten loon van één inhoudingsplichtige te
hebben genoten.
Hoofdstuk 7. Wijze van heffing (hoofdstuk
IV van de wet)
Artikel 7.1. In de onderneming van de
ouder werkzame kinderen
1. Ten aanzien van een in artikel 27,
zesde lid, van de wet bedoeld kind, kan de inspecteur onder door hem
te stellen voorwaarden toestaan dat de belasting wordt ingehouden op
de eerste werkdag van het volgende kalenderjaar, met toepassing van de
loonbelastingtabellen voor het kalenderjaar waarin het loon is
verstrekt. Alsdan wordt het in dat kalenderjaar verstrekte loon geacht
in gelijke delen te zijn verstrekt over de kalenderkwartalen waarin
het kind werkzaam is geweest, en vinden artikel 26 van de wet en de
krachtens dat artikel vastgestelde loonbelastingtabellen voor
bijzondere beloningen geen toepassing.
2. Voor de toepassing van artikel 19,
eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de
belasting, bedoeld in het eerste lid, geacht te zijn ingehouden in het
kalenderjaar waarin het loon is verstrekt.
3. Indien de belasting wordt ingehouden
op de voet van het eerste lid, zijn ten aanzien van het in dat lid
bedoelde kind de artikelen 7.2 en 7.9 niet van toepassing.
Artikel 7.2. Loonstaat
1. De inhoudingsplichtige legt voor
iedere werknemer voor de eerste loonverstrekking in het kalenderjaar
een loonstaat aan en houdt deze vervolgens bij. De loonstaat wordt
opgemaakt overeenkomstig het door de inspecteur verstrekte model. De
inhoudingsplichtige mag een van het model afwijkende loonstaat
gebruiken, mits deze ten minste de mogelijkheid biedt op duidelijke
wijze dezelfde gegevens te administreren als het model.
2. De inhoudingsplichtige wordt geacht
aan het eerste lid te voldoen ingeval hij met behulp van elektronische
apparatuur alle van belang zijnde gegevens vastlegt en hij die
gegevens op elk gewenst tijdstip op schrift in de vorm van een van de
in het eerste lid bedoelde loonstaten ter inzage kan verstrekken.
3. De inspecteur kan onder door hem te
stellen voorwaarden ermee instemmen dat de inhoudingsplichtige de op
de loonstaat te vermelden gegevens op een andere dan de in het eerste
of het tweede lid bedoelde wijze administreert. De instemming kan te
allen tijde worden ingetrokken indien de administratie niet zodanig is
ingericht dat een deugdelijke controle gewaarborgd is.
4. De inhoudingsplichtige ontleent de
in het hoofd van de loonstaat te vermelden gegevens aan:
a. de laatstelijk door de werknemer
op grond van artikel 7.9 verstrekte informatie;
b. de door de werknemer of de
Belastingdienst verstrekte opgave van het burgerservicenummer of,
bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.
5. In afwijking in zoverre van het
vierde lid, aanhef en onderdeel a, vermeldt de inhoudingsplichtige in
het hoofd van de loonstaat de gegevens die hem bekend zijn:
a. indien hij weet dat de
laatstelijk door de werknemer op grond vanartikel 7.9 verstrekte
informatie onjuist is;
b. zolang de werknemer geen
informatie als bedoeld in artikel 7.9 heeft verstrekt;
c. indien de werknemer geen
informatie als bedoeld in artikel 7.9 hoeft te verstrekken.
6. De inhoudingsplichtige houdt,
behalve in de gevallen, bedoeld in artikel 26b van de wet, de
belasting in aan de hand van de gegevens, vermeld in het hoofd van de
loonstaat.
7. De inhoudingsplichtige houdt de
loonadministratie op de plaats waar hij in Nederland kantoor houdt of,
indien zodanig kantoor niet wordt gehouden, op de plaats waar hij in
Nederland woont of gevestigd is, of op de plaats waar hij in Nederland
een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of
een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft.
Bij gebreke daarvan houdt hij de loonadministratie onder zijn
berusting. De inspecteur kan een andere plaats aanwijzen.
8. Ingeval de loonberekening door
derden wordt uitgevoerd met behulp van mechanische of elektronische
apparatuur, kan de Minister, onder door hem te stellen voorwaarden,
bepalen dat de loonadministratie op een andere plaats wordt bewaard.
9. Dit artikel is niet van toepassing
ten aanzien van de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Wet
werk en bijstand, de Wet investeren in jongeren, zoals deze luidde op
de dag voor inwerkingtreding van artikel II van de Wet van 22 december
2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die
wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van
deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen
verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650), of de Wet
werk en inkomen kunstenaars, zoals deze op 31 december 2011 luidde.
Artikel 7.3. Administratie uitkeringen en
verstrekkingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdelen m en o,
van de wet
1. De inhoudingsplichtige administreert
bij de loonadministratie de gegevens met betrekking tot uitkeringen en
verstrekkingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdelen m en
o, van de wet.
2. De inhoudingsplichtige kan de in het
eerste lid bedoelde gegevens op een andere plaats administreren dan
bij de loonadministratie, mits:
a. hij dit onder vermelding van de
nieuwe bewaarplaats vooraf meldt aan de inspecteur, en
b. de gegevens op verzoek van de
inspecteur voor controle beschikbaar komen op de plaats waar de
loonadministratie wordt gevoerd.
Artikel 7.4. Jaaropgaaf
1. De inhoudingsplichtige verstrekt aan
de werknemer een jaaropgaaf.
2. Ten aanzien van de werknemer van wie
in verband met gemoedsbezwaren geen premie voor de volksverzekeringen
is geheven, bevat de jaaropgaaf de mededeling dat in plaats van premie
voor de volksverzekeringen tot eenzelfde bedrag premievervangende
belasting is ingehouden.
Artikel 7.5. Identificatieplicht
1. De inhoudingsplichtige stelt voor de
datum van aanvang van de werkzaamheden van de werknemer, of voor de
aanvang van de werkzaamheden indien de dienstbetrekking is
overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen, de
identiteit van de werknemer vast aan de hand van een document als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet
op de identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor
controle beschikbaar bij de loonadministratie.
2. Indien uit het afschrift van het in
het eerste lid bedoelde document niet de aard en het nummer van dat
document blijkt, administreert de inhoudingsplichtige de aard en het
nummer van dat document bij de loonadministratie.
3. De inspecteur kan, al dan niet onder
door hem te stellen voorwaarden, bepalen dat de in dit artikel
bedoelde gegevens en afschriften op een andere plaats worden bewaard.
4. De inhoudingsplichtige bewaart de in
dit artikel bedoelde gegevens en afschriften ten minste vijf jaren na
het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is
geëindigd.
Artikel 7.6. Eerstedagsmelding
1. De eerstedagsmelding, bedoeld in
artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de wet, wordt langs
elektronische weg gedaan.
2. Ingeval met toepassing van artikel
20, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake
rijksbelastingen 1994 voor de loonbelasting ontheffing is verleend van
de in het tweede lid van dat artikel genoemde verplichting tot het
doen van aangifte langs elektronische weg, wordt, in afwijking van het
eerste lid, de eerstedagsmelding gedaan door het invullen,
ondertekenen en inleveren of toezenden van het door de inspecteur
uitgereikte of toegezonden meldingsformulier.
3. De eerstedagsmelding bevat:
a. het loonheffingennummer van de
inhoudingsplichtige;
b. het burgerservicenummer van de
werknemer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer
of, bij het ontbreken van deze nummers, een uniek
personeelsnummer;
c. de naam van de werknemer;
d. de geboortedatum van de
werknemer;
e. de datum van aanvang van de
werkzaamheden.
Ingeval de eerstedagsmelding
ingevolge het tweede lid met een meldingsformulier wordt gedaan,
bevat de eerstedagsmelding tevens de naam van de
inhoudingsplichtige.
4. De vorige leden zijn niet van
toepassing ingeval de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt bij een
inhoudingsplichtige die met de zonder onderbreking voorafgaande
inhoudingsplichtige van de werknemer behoort tot dezelfde
samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van
de wet.
Artikel 7.7. Einde inhoudingsplicht
Indien een inhoudingsplichtige in enig
tijdvak voorziet dat hij gerekend vanaf het einde van dat tijdvak ten
minste 12 maanden geen inhoudingsplichtige zal zijn, doet hij daarvan
binnen een maand na afloop van dat tijdvak mededeling aan de inspecteur.
Artikel 7.8. Afwijkende regels met
betrekking tot de verplichting tot het indienen van een correctiebericht
1. Indien degene die is opgehouden
inhoudingsplichtige te zijn binnen de in artikel 28a, eerste lid, van
de wet bedoelde termijn van vijf jaren constateert dat hij een
onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan, is hij verplicht binnen
acht weken na deze constatering door middel van een correctiebericht
alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken.
2. Indien de inspecteur ten aanzien van
degene die is opgehouden inhoudingsplichtige te zijn binnen de in
artikel 28a, tweede lid, van de wet bedoelde termijn van vijf jaren
constateert dat deze een onjuiste of onvolledige aangifte heeft
gedaan, kan hij deze verplichten binnen een door hem te stellen
termijn door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en
volledige gegevens te verstrekken.
3. Voor de inhoudingsplichtige voor wie
het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald een
kalenderhalfjaar of kalenderjaar is, geldt in afwijking in zoverre van
artikel 28a, eerste lid, van de wet dat het correctiebericht met de
juiste en volledige gegevens binnen acht weken na de constatering van
de onjuistheid of onvolledigheid moet worden verstrekt.
4. Ten aanzien van de
inhoudingsplichtige voor wie het tijdvak waarover de loonbelasting
moet worden betaald een kalenderhalfjaar of kalenderjaar is, geldt in
afwijking in zoverre van artikel 28a, tweede lid, van de wet dat het
correctiebericht met de juiste en volledige gegevens binnen een door
de inspecteur te stellen termijn moet worden verstrekt.
5. Indien een correctiebericht
betrekking heeft op een aangifte over een tijdvak in een verstreken
kalenderjaar kan:
a. de inhoudingsplichtige, in
afwijking van artikel 28a, eerste lid, van de wet, dat
correctiebericht binnen acht weken na de constatering van de
onjuistheid of onvolledigheid los van een aangifte aan de
inspecteur toezenden;
b. de inspecteur, in afwijking van
artikel 28a, tweede lid, van de wet, de inhoudingsplichtige
verplichten dat correctiebericht al dan niet gelijktijdig met een
aangifte binnen een door hem te stellen termijn aan hem toe te
zenden.
Artikel 7.9. Opgave van gegevens door de
werknemer
1. De werknemer verstrekt voor de datum
van aanvang van de werkzaamheden, of voor de aanvang van de
werkzaamheden indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum
waarop de werkzaamheden aanvangen, aan de inhoudingsplichtige
schriftelijk, gedagtekend en ondertekend:
a. zijn naam met voorletters;
b. zijn geboortedatum;
c. zijn burgerservicenummer of, bij
het ontbreken daarvan, zijn sociaal-fiscaalnummer;
d. zijn adres met postcode;
e. zijn woonplaats en, ingeval hij
niet in Nederland woont, zijn woonland en regio.
Ingeval de werknemer geen
werkzaamheden verricht, wordt de in de vorige volzin bedoelde
opgave gedaan voordat de werknemer loon van de inhoudingsplichtige
geniet.
2. De inhoudingsplichtige bewaart de in
het eerste lid bedoelde gegevens ten minste vijf jaren na het einde
van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd.
3. De vorige leden zijn niet van
toepassing ten aanzien van:
a. de werknemer die uitkeringen
geniet ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in
jongeren, zoals deze luidde op de dag voor inwerkingtreding van
artikel II van de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet
investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de
arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van
uitkeringsgerechtigden (Stb. 650);
b. de werknemer die uitkeringen
geniet ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars, zoals deze op
31 december 2011 luidde;
c. de werknemer die uitkeringen
geniet wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid of uitkeringen
ingevolge de Werkloosheidswet, indien degene tot wie de werknemer
in dienstbetrekking staat of laatstelijk heeft gestaan, de voor de
heffing van de belasting vereiste gegevens, daaronder begrepen het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer, schriftelijk mededeelt aan de
inhoudingsplichtige;
d. de in Nederland wonende
werknemer die de leeftijd van 65 jaar niet heeft bereikt en loon
uit vroegere dienstbetrekking geniet indien de inhoudingsplichtige
weet dat de werknemer tevens een uitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen of een uitkering of een inkomensvoorziening
ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
geniet;
e. de in Nederland wonende
werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking geniet, of loon uit vroegere
dienstbetrekking geniet waarin niet zijn begrepen de uitkeringen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet;
f. de in Nederland wonende
werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en loon geniet
in de vorm van uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet of
loon uit vroegere dienstbetrekking geniet waarin zijn begrepen de
uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet;
g. de werknemer die loon geniet in
de vorm van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 10 van de
Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.
4. Indien de inhoudingsplichtige niet
bekend is met het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan,
het sociaal-fiscaalnummer van de in het vierde lid bedoelde werknemer,
verzoekt de inhoudingsplichtige voor de eerste loonverstrekking de
werknemer om opgave van zijn burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, zijn sociaal-fiscaalnummer. De werknemer doet deze opgave
voor de eerste loonverstrekking toekomen aan de inhoudingsplichtige.
Artikel 7.10. Uitzonderingen bij
samenhangende groep inhoudingsplichtigen
1. Deartikelen 7.5 en 7.9 zijn niet van
toepassing ingeval de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt bij een
inhoudingsplichtige die met de zonder onderbreking voorafgaande
inhoudingsplichtige van de werknemer behoort tot dezelfde
samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van
de wet.
2. Zodra de inhoudingsplichtige en de
zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtigen van de werknemer
niet langer tot dezelfde samenhangende groep inhoudingsplichtigen
behoren, zijn deartikelen 7.5 en 7.9 alsnog van toepassing alsof de
inhoudingsplichtige op dat moment ten aanzien van de werknemer
inhoudingsplichtige wordt en de werknemer op dat moment zijn
werkzaamheden aanvangt.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing indien de ten aanzien van de werknemer van belang zijnde
stukken, bedoeld in de artikelen 7.5 en 7.9, aan de
inhoudingsplichtige zijn overgedragen. Artikel 7.5, vierde lid, en
artikel 7.9, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 8. Heffing van de
inhoudingsplichtige (hoofdstuk V van de wet)
Artikel 8.1. Uitkeringen van
publiekrechtelijke aard
Als uitkeringen van publiekrechtelijke
aard die buiten aanmerking worden gelaten in het kader van de heffing
van andere belastingen of in het kader van andere wettelijke regelingen
als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel c, van de wet worden
aangewezen:
a. uitkeringen ingevolge de
Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd
veteranen;
b. tegemoetkomingen ingevolge artikel
10 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.
Artikel 8.2. Afgifte EVC-verklaringen
De verklaring, bedoeld in artikel 31a,
tweede lid, onderdeel d, van de wet, wordt afgegeven door de Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Artikel 8.2a. Uitvoering looncriterium
30%-regeling
Ingeval het loon, bedoeld in artikel
10eb, eerste en tweede lid, van het besluit, van een werknemer als
gevolg van het opnemen van ouderschapsverlof of zwangerschapsverlof in
een tijdvak op jaarbasis lager is dan het bedrag, genoemd in artikel
10eb, eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, van het besluit, wordt
in dat loontijdvak bij de toepassing van dat artikel ten aanzien van de
werknemer uitgegaan van het loon, bedoeld in dat artikel, dat de
werknemer zou hebben genoten indien hij geen ouderschapsverlof of
zwangerschapsverlof zou hebben opgenomen.
Artikel 8.3. Aangewezen regio’s
uitgezonden werknemers
1. Als regio als bedoeld in artikel
10e, tweede lid, onderdeel c, onder 4°, van het besluit worden
aangewezen:
a. de landen in Azië (waaronder
Hong Kong en het gedeelte van Turkije dat ten oosten van de
Bosporus is gelegen);
b. de landen in Afrika;
c. de landen in Latijns Amerika
(waaronder Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES eilanden);
d. de volgende landen in Europa:
Albanië, Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Bosnië en Herzegovina,
Bulgarije, Estland, Georgië, Hongarije, Kosovo, Kroatië,
Letland, Litouwen, Macedonië, Moldavië, Montenegro, Oekraïne,
Polen, Roemenië, Rusland, Servië, Slovenië, Slowakije en
Tsjechië.
2. Onder de in het eerste lid genoemde
landen worden begrepen gebieden gelegen buiten de territoriale wateren
van die landen waar deze in overeenstemming met het internationale
recht soevereine rechten kunnen uitoefenen.
Artikel 8.4. Verhuizing in het kader van
de dienstbetrekking
1. Voor de toepassing van artikel 31a,
tweede lid, onderdeel f, van de wet verhuist de werknemer in ieder
geval in het kader van de dienstbetrekking ingeval hij binnen twee
jaar na de aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking of na
overplaatsing binnen de bestaande dienstbetrekking door de verhuizing
de afstand tussen zijn woning en de plaats van zijn dienstbetrekking
met ten minste 60% verkleint terwijl tot die verhuizing de afstand
tussen zijn woning en de plaats van zijn dienstbetrekking ten minste
25 kilometer bedroeg.
2. Onder afstand als bedoeld in het
eerste lid wordt verstaan de afstand gemeten langs de meest
gebruikelijke weg.
Artikel 8.5. Verstrekkingen aan anderen
dan eigen werknemers
Als eindheffingsbestanddelen als bedoeld
in artikel 32ab, eerste lid, van de wet worden aangewezen:
a. voordelen uit spaarsystemen en
goederen of diensten, in de promotionele sfeer;
b. verstrekkingen die tegelijkertijd
en voor dezelfde gelegenheid aan de eigen werknemers zijn verstrekt.
Artikel 8.6. Niet-drukkende uitkering,
bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding
1. Voor de toepassing van artikel 32ba
van de wet wordt een uitkering, een bijdrage of een premie eveneens
beschouwd niet te drukken op een inhoudingsplichtige voor zover de
inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat hij ter zake op een later
moment bedragen van werknemers gaat inhouden of van andere
inhoudingsplichtigen bijdragen of premies voldaan gaat krijgen.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde
inhouding of voldoening niet binnen een jaar na het in artikel 32ba,
tweede lid, van de wet bedoelde tijdstip heeft plaatsgevonden, wordt
de uitkering, de bijdrage of de premie op dat moment geacht op de
inhoudingsplichtige te drukken.
Artikel 8.7. Geen regeling voor
vervroegde uittreding
1. Een regeling ingevolge welke de
jaarlijkse arbeidsduur ten opzichte van de jaarlijkse arbeidsduur in
het voorafgaande kalenderjaar met ten hoogste 50% wordt verminderd,
wordt niet aangemerkt als een regeling voor vervroegde uittreding in
de zin van artikel 32ba van de wet. De eerste volzin is niet van
toepassing indien:
a. de arbeidsduur meer dan 50%
lager is dan de arbeidsduur in het laatste kalenderjaar
voorafgaand aan het begin van de periode die aanvangt 10 jaar
direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde
ingangsdatum, of
b. anders dan als gevolg van
ziekte, arbeidsongeschiktheid of jaarlijks vakantieverlof, per
week minder dan 50% van de arbeidsduur per week zoals die gold in
het laatste kalenderjaar, bedoeld in onderdeel a, feitelijk pleegt
te worden gewerkt.
2. Een regeling die uitsluitend
voorziet in uitkeringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
onderdeel f, van de wet, wordt niet aangemerkt als een regeling voor
vervroegde uittreding in de zin van artikel 32ba van de wet, indien:
a. deze uitkeringen naar aard,
strekking, omvang en uitkeringsduur overeenkomen met de
uitkeringen ingevolge aanspraken als bedoeld in artikel 11, eerste
lid, onderdeel e, van de wet, en
b. werknemers die deze uitkeringen
genieten in de periode van de uitkeringen geen uitkeringen ter
zake van dezelfde dienstbetrekking genieten ingevolge artikel 11,
eerste lid, onderdeel e, van de wet.
Hoofdstuk 9. Aanvullende regelingen
(hoofdstuk VI van de wet)
Artikel 9.1. Door tussenkomst van de
inhoudingsplichtige uitbetaalde uitkeringen ingevolge de sociale
verzekeringswetten
Degene tot wie een werknemer in
dienstbetrekking staat – of, indien krachtens artikel 8 van de wet een
ander als inhoudingsplichtige is aangewezen, die ander – wordt geacht
de uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten te verstrekken
die door zijn tussenkomst worden uitbetaald.
Artikel 9.2. Berekening van de belasting
bij aanvullingen op uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten
Degene tot wie een werknemer in
dienstbetrekking staat – of, indien krachtens artikel 8 van de wet een
ander als inhoudingsplichtige is aangewezen, die ander – berekent de
belasting over de door hem verstrekte aanvullingen op uitkeringen
ingevolge de sociale verzekeringwetten over het gezamenlijk bedrag en
brengt op de aldus berekende belasting in mindering de op de uitkeringen
ingehouden belasting.
Artikel 9.3. Meerdere gevallen van loon
uit vroegere dienstbetrekking
Een inhoudingsplichtige die aan een of
meer werknemers loon uit een vroegere dienstbetrekking – niet zijnde
uitkeringen ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in
jongeren, zoals deze luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel
II van de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en
bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren
gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting
van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 650)
– verstrekt, wordt ook geacht te verstrekken:
a. het loon uit een vroegere
dienstbetrekking dat door zijn tussenkomst wordt uitbetaald;
b. de uit de vroegere
dienstbetrekking genoten aanspraak op uitkeringen ingevolge een
ziektekostenregeling.
Artikel 9.4. Samenvoeging van loon
1. Een inhoudingsplichtige wordt in de
gevallen, bedoeld in deartikelen 9.1 en 9.3, alsmede indien hij loon
uit meer dan een vroegere dienstbetrekking verstrekt, geacht het
totale bedrag aan loon te verstrekken uit een dienstbetrekking of
vroegere dienstbetrekking.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op de samenloop van:
a. een tegemoetkoming als bedoeld
in artikel 10 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en
gehandicapten en ander loon uit vroegere dienstbetrekking dat de
inhoudingsplichtige verstrekt;
b. een uitkering ter zake van een
afkoop als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van
de Wet inkomstenbelasting 2001 en ander loon uit vroegere
dienstbetrekking dat de inhoudingsplichtige verstrekt.
Artikel 9.5. Loon over een ander tijdvak
dan het regelmatig wederkerende loon
1. Indien een inhoudingsplichtige aan
de werknemer loon verstrekt over een ander tijdvak dan dat waarover
hij het regelmatig wederkerende loon verstrekt, wordt naar het loon
over dat andere tijdvak verschuldigde belasting, ter keuze van de
inhoudingsplichtige, berekend hetzij door toepassing van de tabel voor
bijzondere beloningen, hetzij volgens het tweede en het derde lid.
2. De belasting naar het loon over het
andere tijdvak is gelijk aan het verschil van:
a. de belasting die op het tijdstip
waarop het loon over het andere tijdvak wordt verstrekt,
verschuldigd zou zijn indien op dat tijdstip tevens werd verstrekt
het loon over de met dat andere tijdvak geheel of gedeeltelijk
samenvallende tijdvakken van het regelmatig wederkerende loon, en
b. de belasting die op het tijdstip
waarop het loon over het andere tijdvak wordt verstrekt,
verschuldigd zou zijn indien op dat tijdstip uitsluitend werd
verstrekt het loon over de met dat andere tijdvak geheel of
gedeeltelijk samenvallende tijdvakken van het regelmatig
wederkerende loon.
3. Voor de toepassing van het tweede
lid, onderdelen a en b, wordt als loontijdvak aangemerkt een tijdvak
dat even groot is als de gezamenlijke met het andere tijdvak geheel of
gedeeltelijk samenvallende tijdvakken van het regelmatig wederkerende
loon.
4. Ingeval regelmatig wederkerend loon
wordt verstrekt over tijdvakken van verschillende duur die
gedeeltelijk samenvallen, wordt slechts het loon over het kortste van
die tijdvakken als regelmatig wederkerend loon beschouwd.
5. Ingeval een inhoudingsplichtige loon
uit meer dan een vroegere dienstbetrekking verstrekt of geacht wordt
te verstrekken, wordt de belasting naar het loon over het andere
tijdvak – indien dit, afgezien van het vierde lid, regelmatig
wederkerend loon is – steeds berekend volgens het tweede en het
derde lid.
Artikel 9.6. Informatieplicht bij loon
van derde
Ingeval de in te houden belasting mede
afhankelijk is van loon dat is verstrekt of geacht wordt te zijn
verstrekt door een derde, of van loon van een derde dat door de
inhoudingsplichtige geacht wordt te zijn verstrekt, deelt die derde de
van belang zijnde gegevens alsmede het burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van de werknemer,
schriftelijk mede aan de inhoudingsplichtige.
Artikel 9.7. Nettoloon, gevolgd door
periodieke afrekening
1. De inspecteur kan onder door hem te
stellen voorwaarden ermee instemmen dat de inhoudingsplichtige met
betrekking tot bepaalde categorieën werknemers voorlopig volstaat met
uitbetaling van een geschat nettoloon, gevolgd door periodieke
afrekening.
2. De inhoudingsplichtige rekent bij de
laatste loonverstrekking in een tijdvak van ten hoogste drie maanden
met de werknemer de belasting af die is verschuldigd ter zake van het
in dat tijdvak aan de werknemer toekomende loon waarop de instemming
betrekking heeft, met dien verstande dat bij de laatste
loonverstrekking in een kalenderjaar steeds afrekening plaatsvindt.
Daarbij wordt de verschuldigde belasting bepaald als ware het loon
verstrekt op het tijdstip waarop de afrekening plaatsvindt en over het
tijdvak waarop de afrekening betrekking heeft.
Hoofdstuk 10. Belastingheffing van
artiesten en beroepssporters (hoofdstuk VII van de wet)
Artikel 10.1. Consumpties tijdens
werktijd
1. Vergoedingen ter zake van
consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een
maaltijd, behoren in ieder geval niet tot de gage, bedoeld in artikel
35 van de wet, indien deze vergoedingen € 0,55 per gewerkte dag niet
te boven gaan.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien tijdens de werktijd consumpties die geen deel
uitmaken van een maaltijd, worden verstrekt.
Artikel 10.2. Gageverklaring
1. De Belastingdienst verstrekt aan de
inhoudingsplichtige het model van de gageverklaring met de daarbij
behorende toelichting. De inhoudingsplichtige reikt dienovereenkomstig
een gageverklaring met toelichting aan de artiest of beroepssporter
uit:
a. zodra hij ten aanzien van de
artiest of beroepssporter inhoudingsplichtige wordt;
b. op verzoek van de artiest of
beroepssporter;
c. zodra hij weet dat zich een
wijziging heeft voorgedaan in de gegevens die de artiest of
beroepssporter in de laatstelijk ingeleverde gageverklaring heeft
verstrekt en die wijziging tot gevolg heeft dat de artiest of
beroepssporter een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd.
2. De inhoudingsplichtige mag in plaats
van het door de Belastingdienst verstrekte model van de gageverklaring
gebruikmaken van een eigen model gageverklaring, mits dat model ten
minste de gegevens bevat van het door de Belastingdienst verstrekte
model, inclusief de gebruiksaanwijzing en de toelichting op de vragen.
3. De artiest of beroepssporter
verzoekt de inhoudingsplichtige om uitreiking van een gageverklaring
indien zich een wijziging voordoet in de eerder door hem verstrekte
gegevens en die wijziging tot gevolg heeft dat een hoger bedrag aan
belasting wordt verschuldigd.
4. De artiest of beroepssporter aan wie
een gageverklaring is uitgereikt, is gehouden de daarbij gevraagde
gegevens te verstrekken door de gageverklaring duidelijk, stellig en
zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend, in te leveren bij de
inhoudingsplichtige. De artiest of beroepssporter levert de ingevulde
en ondertekende gageverklaring in voor de eerste gageverstrekking.
5. De inhoudingsplichtige bewaart de
gageverklaring tot ten minste vijf jaren na het einde van het
kalenderjaar waarin het optreden of de sportbeoefening heeft
plaatsgevonden bij de loonadministratie. Desgevraagd doet de
inhoudingsplichtige de gageverklaring aan de inspecteur toekomen
binnen een door deze gestelde termijn.
Artikel 10.3. Loonstaat
1. De inhoudingsplichtige legt voor
iedere artiest of beroepssporter voor de eerste gageverstrekking in
het kalenderjaar een loonstaat aan en houdt deze vervolgens bij. De
loonstaat wordt opgemaakt overeenkomstig het door de inspecteur
verstrekte model. De inhoudingsplichtige mag een van het model
afwijkende loonstaat gebruiken, mits deze ten minste de mogelijkheid
biedt op duidelijke wijze dezelfde gegevens te administreren als het
model.
2. De inhoudingsplichtige ontleent de
in het hoofd van de loonstaat te vermelden gegevens aan:
a. de laatstelijk van de artiest of
beroepssporter terugontvangen gageverklaring;
b. de door de in Nederland wonende
artiest of beroepssporter verstrekte opgaaf van zijn
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, zijn
sociaal-fiscaalnummer, of de door de inspecteur verstrekte opgaaf
van dat nummer.
3. In afwijking in zoverre van het
tweede lid, aanhef en onderdeel a, vermeldt de inhoudingsplichtige in
het hoofd van de loonstaat de gegevens die hem bekend zijn:
a. indien hij weet dat de
laatstelijk van de artiest of beroepssporter terugontvangen
gageverklaring onjuiste gegevens bevat;
b. zolang hij niet de laatstelijk
uitgereikte gageverklaring ingevuld van de artiest of
beroepssporter heeft terugontvangen.
4. Artikel 7.2, tweede, derde, zevende
en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. De inhoudingsplichtige houdt,
behalve in de gevallen, bedoeld in artikel 35a, derde lid, van de wet,
de belasting in aan de hand van de gegevens, vermeld in het hoofd van
de loonstaat.
Artikel 10.4. Administratie
kostenvergoedingen, verstrekkingen en aanspraken
1. De inhoudingsplichtige administreert
bij de loonadministratie de gegevens met betrekking tot de aan de
artiest of beroepssporter verstrekte kostenvergoedingen en
verstrekkingen, voor zover deze niet tot de gage, bedoeld in artikel
35 van de wet, behoren, alsmede aanspraken om na verloop van tijd of
onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te
ontvangen.
2. De inhoudingsplichtige kan de in het
eerste lid bedoelde gegevens op een andere plaats administreren, mits:
a. hij dit onder vermelding van de
nieuwe bewaarplaats vooraf meldt aan de inspecteur, en
b. de gegevens op verzoek van de
inspecteur voor controle beschikbaar komen op de plaats waar de
administratie wordt gevoerd.
Artikel 10.5. Jaaropgaaf
De inhoudingsplichtige verstrekt aan de
artiest of beroepssporter een jaaropgaaf. Aan de niet in Nederland
wonende artiest of beroepssporter verstrekt de inhoudingsplichtige een
jaaropgaaf slechts op diens verzoek.
Artikel 10.6. Identificatieplicht
1. De inhoudingsplichtige stelt zodra
de artiest of beroepssporter zijn werkzaamheden aanvangt diens
identiteit vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de
identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor
controle beschikbaar bij de loonadministratie.
2. Artikel 7.5, tweede, derde en vierde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.7. Uitzonderingen op de
toepassing van artikel 10.3
1. Artikel 10.3 is niet van
toepassing indien de in te houden belasting nihil bedraagt doordat:
a. de artiest of beroepssporter
slechts vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel
35, derde lid, onderdelen a, b en c, van de wet geniet, of
b. met betrekking tot het
optreden of de sportbeoefening de individuele
kostenvergoedingsbeschikking of de
gezelschapskostenvergoedingsbeschikking, bedoeld in artikel 12a,
zevende lid, van het besluit, wordt toegepast.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing voor zover de inspecteur zulks ten aanzien van de
inhoudingsplichtige bij voor bezwaar vatbare beschikking verklaart.
Hoofdstuk 11. Belastingheffing van
buitenlandse gezelschappen (hoofdstuk VIIa van de wet)
Artikel 11.1. In Nederland wonende leden
van het buitenlandse gezelschap
Indien tot een buitenlands gezelschap een
lid behoort dat in Nederland woont, is met betrekking tot dat lid niet
dit hoofdstuk, maarhoofdstuk 10 van toepassing.
Artikel 11.2. Consumpties tijdens
werktijd
1. Vergoedingen ter zake van
consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een
maaltijd, behoren in ieder geval niet tot de gage, bedoeld in artikel
35g van de wet, indien deze vergoedingen€ 0,55 per gewerkte dag niet
te boven gaan.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien tijdens de werktijd consumpties die geen deel
uitmaken van een maaltijd, worden verstrekt.
Artikel 11.3. Gageverklaring
1. De Belastingdienst verstrekt aan de
inhoudingsplichtige het model van de gageverklaring met de daarbij
behorende toelichting. De inhoudingsplichtige reikt dienovereenkomstig
een gageverklaring met toelichting aan de leider of vertegenwoordiger
van een buitenlands gezelschap uit:
a. zodra hij ten aanzien van het
gezelschap inhoudingsplichtige wordt;
b. op verzoek van de leider of
vertegenwoordiger van het gezelschap;
c. zodra hij weet dat zich een
wijziging heeft voorgedaan in de gegevens die de leider of
vertegenwoordiger van het gezelschap in de laatstelijk ingeleverde
gageverklaring heeft verstrekt en die wijziging tot gevolg heeft
dat het gezelschap een hoger bedrag aan belasting wordt
verschuldigd.
2. De inhoudingsplichtige mag in plaats
van het door de Belastingdienst verstrekte model van de gageverklaring
gebruikmaken van een eigen model gageverklaring, mits dat model ten
minste de gegevens bevat van het door de Belastingdienst verstrekte
model, inclusief de gebruiksaanwijzing en de toelichting op de vragen.
3. De leider of vertegenwoordiger van
het gezelschap verzoekt de inhoudingsplichtige om uitreiking van een
gageverklaring indien zich een wijziging voordoet in de eerder door
hem verstrekte gegevens en die wijziging tot gevolg heeft dat een
hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd.
4. De leider of vertegenwoordiger van
het gezelschap aan wie een gageverklaring is uitgereikt, is gehouden
de daarbij gevraagde gegevens te verstrekken door de gageverklaring
duidelijk, stellig en zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend, in te
leveren bij de inhoudingsplichtige voor de eerste gageverstrekking.
5. De inhoudingsplichtige bewaart de
gageverklaring ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar
waarin het optreden of de sportbeoefening heeft plaatsgevonden bij de
loonadministratie. Desgevraagd doet de inhoudingsplichtige de
gageverklaring aan de inspecteur toekomen binnen een door deze
gestelde termijn.
Artikel 11.4. Loonstaat
1. De inhoudingsplichtige legt voor
ieder buitenlands gezelschap voor de eerste gageverstrekking in het
kalenderjaar een loonstaat aan en houdt deze vervolgens bij.
2. De loonstaat wordt opgemaakt
overeenkomstig het door de inspecteur verstrekte model. De
inhoudingsplichtige mag een van het model afwijkende loonstaat
gebruiken, mits deze ten minste de mogelijkheid biedt op duidelijke
wijze dezelfde gegevens te administreren als het model.
3. De inhoudingsplichtige ontleent de
in het hoofd van de loonstaat te vermelden gegevens aan de laatstelijk
van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap terugontvangen
gageverklaring.
4. In afwijking in zoverre van het
derde lid vermeldt de inhoudingsplichtige in het hoofd van de
loonstaat de gegevens die hem bekend zijn:
a. indien hij weet dat de
laatstelijk van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap
terugontvangen gageverklaring onjuiste gegevens bevat;
b. zolang hij niet de laatstelijk
uitgereikte gageverklaring ingevuld van de leider of
vertegenwoordiger van het gezelschap heeft terugontvangen.
5. Artikel 7.2, tweede, derde, zevende
en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. De inhoudingsplichtige houdt,
behalve in de gevallen, bedoeld in artikel 35h, derde lid, van de wet,
de belasting in aan de hand van de gegevens, vermeld in het hoofd van
de loonstaat.
Artikel 11.5. Administratie
kostenvergoedingen, verstrekkingen en aanspraken
1. De inhoudingsplichtige administreert
bij de loonadministratie de gegevens met betrekking tot de aan het
buitenlandse gezelschap verstrekte kostenvergoedingen en
verstrekkingen, voor zover deze niet tot de gage, bedoeld in artikel
35g van de wet, behoren, alsmede aanspraken om na verloop van tijd of
onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te
ontvangen.
2. De inhoudingsplichtige kan de in het
eerste lid bedoelde gegevens op een andere plaats administreren, mits:
a. hij dit onder vermelding van de
nieuwe bewaarplaats vooraf meldt aan de inspecteur, en
b. de gegevens op verzoek van de
inspecteur voor controle beschikbaar komen op de plaats waar de
administratie wordt gevoerd.
Artikel 11.6. Identificatieplicht
1. De inhoudingsplichtige stelt zodra
het buitenlandse gezelschap zijn werkzaamheden aanvangt de identiteit
van een zo groot mogelijk deel, maar van ten minste het merendeel van
de leden van het gezelschap vast aan de hand van een document als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet
op de identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor
controle beschikbaar bij de loonadministratie.
2. Artikel 7.5, tweede, derde en vierde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.7. Uitzonderingen op de
toepassing van artikel 11.4
1. Artikel 11.4 is niet van toepassing
indien de in te houden belasting nihil bedraagt doordat:
a. het buitenlandse gezelschap
slechts vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 35g,
derde lid, onderdelen a, b en c, van de wet ontvangt, of
b. met betrekking tot het optreden
of de sportbeoefening de gezelschapskostenvergoedingsbeschikking,
bedoeld in artikel 12a, zevende lid, van het besluit, wordt
toegepast.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing voor zover de inspecteur zulks ten aanzien van de
inhoudingsplichtige bij voor bezwaar vatbare beschikking verklaart.
Hoofdstuk 12. Overgangs-en slotbepalingen
Artikel 12.1. Overgangsregeling
loonbelastingverklaring
1. Ten aanzien van de werknemer die op
31 december 2000 overeenkomstig de loonbelastingverklaring was
ingedeeld in tariefgroep 0, wordt de belasting ingehouden zonder
toepassing van de heffingskorting.
2. Ten aanzien van de werknemer die op
31 december 2000 overeenkomstig de loonbelastingverklaring was
ingedeeld in tariefgroep 1, 2, 3, 4 of 5, wordt de belasting
ingehouden met toepassing van de heffingskorting.
3. Het bepaalde in het eerste lid en
tweede lid is van toepassing totdat de inhoudingsplichtige op grond
van het bepaalde in artikel 65, eerste lid, onderdeel b of onderdeel
c, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, zoals dat op 31
december 2006 luidde, aan de werknemer een loonbelastingverklaring
moet uitreiken of totdat de werknemer op grond van artikel 23, eerste
lid, van de wet een verzoek doet om toepassing van de heffingskorting
of overeenkomstig deze bepaling verzoekt de heffingskorting niet meer
toe te passen.
4. De laatstelijk van de werknemer
terugontvangen loonbelastingverklaring, bedoeld in artikel 29, vierde
lid, van de wet, zoals dat op 31 december 2006 luidde, wordt voor de
toepassing van de heffingskorting aangemerkt als een verzoek als
bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet onderscheidenlijk de
intrekking van een dergelijk verzoek.
5. De inhoudingsplichtige bewaart de in
het vierde lid bedoelde loonbelastingverklaring ten minste vijf jaren
na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is
geëindigd bij de loonadministratie.
Artikel 12.2. Overgangsregeling
niet-drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor
vervroegde uittreding
1. Voor de toepassing van artikel 32ba,
derde lid, van de wet, blijven bedragen die de inhoudingsplichtige van
werknemers heeft ingehouden buiten aanmerking, voor zover deze
bedragen ingevolge de op het moment van inhouding ter zake van deze
inhouding geldende tekst van artikel 11 van de wet niet tot het loon
behoren.
2. Voor de toepassing van artikel 32ba,
derde lid, van de wet, blijven bijdragen en premies die de
inhoudingsplichtige van andere inhoudingsplichtigen voldaan heeft
gekregen buiten aanmerking, voor zover artikel 32ba, eerste lid, van
de wet, bij die andere inhoudingsplichtigen niet van toepassing is op
deze bijdragen en premies.
Artikel 12.2a. Overgangsregeling
gedeeltelijk drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een
regeling voor vervroegde uittreding
1. Voor de toepassing van artikel 32ba,
derde lid, van de wet, blijven bedragen die de inhoudingsplichtige van
werknemers heeft ingehouden voor de helft buiten aanmerking, voor
zover deze bedragen ingevolge de op het moment van inhouding ter zake
van deze inhouding geldende tekst van artikel 11 van de wet voor de
helft niet tot het loon behoren en voor zover blijkt dat deze bedragen
met het oog op de toepassing van artikel 32ba, derde lid, van de wet
op een ongebruikelijk tijdstip zijn ingehouden.
2. Voor de toepassing van artikel 32ba,
derde lid, van de wet, blijven bijdragen en premies die de
inhoudingsplichtige van andere inhoudingsplichtigen voldaan heeft
gekregen voor de helft buiten aanmerking, voor zover artikel 32ba,
eerste lid, van de wet bij die andere inhoudingsplichtigen naar een
tarief van 26% van toepassing is op deze bijdragen en premies en voor
zover blijkt dat deze bijdragen en premies met het oog op de
toepassing van artikel 32ba, derde lid, van de wet op een
ongebruikelijk tijdstip zijn voldaan.
Artikel 12.3. Actuariële herrekening bij
uitstel ingangsdatum
Voor de actuariële herrekening, bedoeld
in de artikelen 38c en 38d van de wet, mag de in de regeling
vastgestelde ingangsdatum worden vervangen door 1 januari 2006, indien
de ingangsdatum in de regeling is vastgesteld op een eerdere datum dan 1
januari 2006.
Artikel 12.4. Overgangsregeling
aanspraken ingevolge een verlofspaarregeling
Voor aanspraken ingevolge een regeling
voor verlofsparen als bedoeld in artikel 11 van de wet, zoals dit op 31
december 2005 luidde, blijven de artikelen 12 tot en met 16 van de
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, zoals deze op 31 december 2005
luidden, van toepassing, voor zover deze aanspraken niet zijn omgezet in
aanspraken ingevolge een levensloopregeling.
Artikel 12.5 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 12.6 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 12.7. Toepassing keuzeregime
Ingeval de inhoudingsplichtige artikel
39c, eerste lid, van de wet toepast:
a. zijn niet van toepassing:
1°. hoofdstuk 4a van het
besluit;
2°. deartikelen 3.7, 3.8, 3.9,
3.10, 3.11, 7.3, 8.2, 8.3, 8.4, 8.5,10.1, 11.2 en 12.7a;
b. blijven van toepassing:
1°. de artikelen 8 tot en met 10
en 10f van het besluit, zoals deze op 31 december 2010 luidden;
2°. de artikelen 2, 8, 9, 20,
21, 21a, 21b, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 32a,
33, 34, 35, 36, 37, 41, 43, 44, 45, 46, 47, 51, 52, 55, 56, 59,
68, 82, 82a, 84 en 84a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting
2001, zoals deze op 31 december 2010 luidden, met inachtneming
van de krachtens artikel 39c, derde lid, van de wet aangebrachte
wijzigingen.
Artikel 12.7a. Overgangsregeling
saldering reiskosten
Ingeval de inhoudingsplichtige in het aan
het kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar artikel 10f, eerste of vierde
lid, van het besluit, zoals dat luidde op 31 december 2010, heeft
toegepast, wordt het in dat voorafgaande kalenderjaar in artikel 10f,
tweede of vierde lid, van het besluit, zoals dat luidde op 31 december
2010, bedoelde bedrag geacht te behoren tot het loon van het eerste
loontijdvak van het kalenderjaar en geacht te zijn betaald op de laatste
werkdag in januari van het kalenderjaar.
Artikel 12.7b. Uitvoering looncriterium
30%-regeling bij toepassing overgangsregeling werkkostenregeling
Ingeval het loon, bedoeld in artikel 9a,
eerste en tweede lid, van het besluit zoals dat luidde op 31 december
2010, van een werknemer als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de
wet als gevolg van het opnemen van ouderschapsverlof of
zwangerschapsverlof in een tijdvak op jaarbasis lager is dan het bedrag,
genoemd in artikel 9a, eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, van het
besluit zoals dat luidde op 31 december 2010, wordt in dat loontijdvak
bij de toepassing van dat artikel ten aanzien van de werknemer uitgegaan
van het loon, bedoeld in dat artikel, dat de werknemer zou hebben
genoten indien hij geen ouderschapsverlof of zwangerschapsverlof zou
hebben opgenomen.
Artikel 12.8. Intrekking
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001
De Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001
wordt ingetrokken.
Artikel 12.9. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met
ingang van 1 januari 2011.
Artikel 12.10. Citeertitel
1. Deze regeling wordt aangehaald als:
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.
2. De citeertitel kan worden afgekort
tot: URLB 2011.
Deze regeling
zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Financiën,
J.C. de Jager.
|