| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de
motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB 1994)
UITVOERINGSREGELING
MOTORRIJTUIGENBELASTING 1994
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
De
Staatssecretaris van Financiën;
Gelet op de artikelen 3, tweede lid, en 15,
tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en artikel XI,
eerste lid, van de Invoeringswet Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994;
Besluit:
Artikel 1
Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 3, tweede lid, 7,
tweede lid, 15, tweede en derde lid, 24a, achtste lid, 24b, tweede en
vijfde lid, en 37f van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994,
artikel XII, eerste lid, van de Invoeringswet Wet op de
motorrijtuigenbelasting 1994, en artikel 7a, onderdeel b, van het
Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994.
Artikel 2
In deze regeling wordt verstaan onder:
wet: Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994;
belasting: motorrijtuigenbelasting.
Artikel 3
1.De laadruimte voldoet aan de gestelde voorwaarden met betrekking
tot de lengte en de hoogte indien deze in gesloten toestand een
rechthoekig, rechtop geplaatst blok kan bevatten waarvan de lengte, de
hoogte en de breedte ten minste gelijk zijn aan de in artikel 3 van de
wet voor de desbetreffende laadruimte genoemde afmetingen, en waarvan
de lengte-as evenwijdig is aan die van het desbetreffende
motorrijtuig. Voor de toepassing van deze bepaling worden, indien de
laadruimte niet van de bestuurderszitplaats is afgescheiden door een
vaste wand, de zitplaatsen voor de bestuurder en de bijrijder in de
achterste stand geplaatst.
2.Het verschil in hoogte tussen de cabine en de laadruimte is de
verticale afstand tussen het denkbeeldige horizontale vlak waarin de
beide hoogste punten van de dagopening van de deuren bij de
voorzitplaatsen zijn gelegen, en het hoogste gedeelte van het dak van
de laadruimte, gemeten over een breedte van ten minste 20 cm.
3.De hoogte van de cabine van een motorrijtuig met een dubbele
cabine is de grootste afstand tussen vloer en dak van de cabine,
gemeten over een breedte van ten minste 20 cm.
4.De lengte van de cabine van een motorrijtuig met een dubbele
cabine is de evenwijdig aan de lengte-as van het desbetreffende
motorrijtuig gemeten afstand tussen het achterste punt van het
stuurwiel en de vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt.
5.De lengte van de laadruimte van een motorrijtuig met een dubbele
cabine is gelijk aan de lengte van het langste rechthoekige, rechtop
geplaatste blok met een hoogte van 130 cm en een breedte van 20 cm dat
de laadruimte in gesloten toestand kan bevatten, waarvan de lengte-as
evenwijdig is aan die van het desbetreffende motorrijtuig.
6.De lengte die de laadruimte van een motorrijtuig met een dubbele
cabine zou hebben indien de zitruimte achter de bestuurder zou
ontbreken, is gelijk aan de lengte van het langste rechthoekige,
rechtop geplaatste blok met een hoogte van 130 cm en een breedte van
20 cm dat de laadruimte in gesloten toestand kan bevatten, waarvan de
lengte-as evenwijdig is aan die van het desbetreffende motorrijtuig,
en waarbij er voor het nemen van de maat van wordt uitgegaan dat die
laadruimte van de cabine is gescheiden door middel van een 115 cm
achter het achterste punt van het stuurwiel geplaatste vaste wand.
7.De hoogte van de vaste wand die de cabine van de laadruimte
scheidt, is de afstand tussen het laagste punt van de bovenzijde van
de wand en het hoogste punt van de laadvloer.
8.De vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt, dient
verticaal en in een hoek van 90° ten opzichte van de lengte-as te
zijn geplaatst en wel:
indien het motorrijtuig niet is voorzien van een dubbele
cabine: ten hoogste 115 cm achter het achterste punt van het
stuurwiel;
indien het motorrijtuig is voorzien van een dubbele cabine:
direct achter de achterste zitplaatsen.
9.De vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt dient:
te zijn vervaardigd uit ondoorzichtig en vormvast materiaal,
waarbij een vast raam met een hoogte van 40 cm is toegestaan;
geheel vlak te zijn;
uit één geheel te bestaan, waarbij voorzieningen zijn
toegestaan ten behoeve van het aan het desbetreffende motorrijtuig
noodzakelijk te plegen onderhoud; en
zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks
met de carrosserie te zijn verbonden.
10.Een laadruimte is niet voorzien van zijruiten indien de
zijruiten geheel zijn verwijderd en zijn vervangen door niet uit glas
bestaande panelen uit één stuk van ondoorzichtig en vormvast
materiaal. De panelen dienen zoveel mogelijk rondom en op
onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie te zijn
verbonden.
11.De laadruimte dient in haar geheel te zijn voorzien van een
vaste, vlakke laadvloer. De laadvloer dient zoveel mogelijk rondom en
op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie te zijn
verbonden.
Artikel 3a
Artikel 7, tweede lid, eerste volzin, van de wet is van toepassing
voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de
Regeling uitzondering kentekenplicht voor leden aangewezen krijgsmacht
of civiele dienst.
Artikel 4
1. De belasting voor een motorrijtuig behoeft niet bij de aanvang
van een tijdvak te zijn betaald indien het een ander tijdvak betreft
dan:
a. een tijdvak als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de
wet, met uitzondering van het tijdvak dat aanvangt met ingang van
de dag van dagtekening van de eerste tenaamstelling van het voor
het motorrijtuig afgegeven kentekenbewijs;
b. een tijdvak als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de
wet.
2. Bij toepassing van het eerste lid dient de belasting te zijn
betaald binnen veertien dagen na de aanvang van het tijdvak, doch
uiterlijk vóór het door de inspecteur daarvoor bepaalde tijdstip.
Artikel 4a
1.Onder een niet-opvouwbare rolstoel wordt voor de toepassing van
artikel 24a van de wet mede verstaan een ander in verband met de
handicap noodzakelijk hulpmiddel van een dusdanige omvang of een
dusdanig gewicht, dat de gehandicapte, rekening houdend met zijn
specifieke handicap, voor zijn vervoer is aangewezen op het gebruik
van een bestelauto.
2.Onder een bestelauto, ingericht voor het vervoer als bedoeld in
artikel 24a, eerste lid, van de wet, wordt verstaan een bestelauto die
voorzieningen bevat ten behoeve van het vervoer van een
niet-opvouwbare rolstoel of het vervoer van een ander hulpmiddel als
bedoeld in het eerste lid en het gelijktijdige vervoer van de
gehandicapte, zoals voorzieningen voor het met of vanuit een rolstoel
of een ander hulpmiddel kunnen plaatsnemen in en verlaten van de
bestelauto, voor het vastzetten van een rolstoel of een ander
hulpmiddel in de cabine op de plaats van een zitplaats, en voor het
vastzetten van een rolstoel of een ander hulpmiddel zonder passagier
in de laadruimte.
Artikel 4b
1.De in artikel 24b, tweede lid, van de wet bedoelde periode van
terbeschikkingstelling van een bestelauto bedraagt vier weken,
verminderd met voorafgaande aansluitende periodes van
terbeschikkingstelling van enige bestelauto door de ondernemer aan
dezelfde persoon.
2.Indien een ondernemer een bestelauto waarvoor de belasting wordt
geheven op de voet van artikel 24b van de wet ter beschikking stelt
aan een derde, neemt hij in zijn administratie de volgende gegevens en
bescheiden op:
a. de naam, het adres en een kopie van het legitimatiebewijs
van degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld; en
b. een kopie van het contract tussen de ondernemer en degene
aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld, waaruit het
kenteken van de bestelauto en de periode van
terbeschikkingstelling blijkt.
3.Ingeval de in het tweede lid bedoelde ondernemer de bestelauto
langer dan de in het eerste lid bedoelde periode ter beschikking stelt
aan een derde die voldoet aan het gestelde in artikel 24b, tweede lid,
van de wet, verstrekt degene aan wie de bestelauto ter beschikking
wordt gesteld aan de ondernemer een verklaring:
a. dat hij ondernemer is als bedoeld in artikel 7 van de Wet op
de omzetbelasting 1968;
b. dat het geen ondernemerschap betreft als bedoeld in artikel
7, zesde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968;
c. dat de bestelauto meer dan bijkomstig in zijn onderneming
zal worden gebruikt; en
d. dat hij bij een wijziging in deze omstandigheden
onmiddellijk de ondernemer die de bestelauto aan hem ter
beschikking stelt zal informeren en de verklaring zal intrekken.
4.De ondernemer die een bestelauto langer dan de in het eerste lid
bedoelde periode ter beschikking stelt aan een derde als bedoeld in
het derde lid, neemt in zijn administratie naast de in het tweede lid
bedoelde gegevens en bescheiden de volgende gegevens en bescheiden op:
a. het BTW-identificatienummer van degene aan wie de bestelauto
ter beschikking wordt gesteld, en een afdruk van de verificatie
van dit nummer uit het Europese datasysteem van
BTW-identificatienummers; en
b. de in het derde lid bedoelde verklaring van degene aan wie
de bestelauto ter beschikking wordt gesteld.
5.Indien de in het derde lid bedoelde verklaring niet langer juist
is, brengt degene aan wie de bestelauto ter beschikking wordt gesteld
onmiddellijk de ondernemer die de bestelauto aan hem ter beschikking
stelt daarvan op de hoogte, onder intrekking van de eerder afgegeven
verklaring.
Artikel 4c
1. De houder van een personenauto, een bestelauto, een motorrijwiel
of een autobus waarvoor een kenteken is opgegeven dan wel degene op
wiens naam een kenteken is gesteld als bedoeld in artikel 37, derde
lid, van de Wegenverkeerswet 1994 kan bij de inspecteur een vergunning
aanvragen om de belasting over nog niet aangevangen tijdvakken te
mogen betalen in maandelijkse termijnen. Op het aanvraagformulier
machtigt de aanvrager de ontvanger tot automatische incasso van de
termijnen. Op het formulier worden tevens vermeld de naam, het adres
en het rekeningnummer van de aanvrager en het kenteken van het
motorrijtuig. De aanvrager ondertekent het formulier.
2. De in het eerste lid bedoelde vergunning alsmede de in dat lid
bedoelde machtiging heeft betrekking op elke personenauto, bestelauto
en autobus en elk motorrijwiel waarvan het kenteken op naam van de
aanvrager is gesteld of zal worden gesteld, tenzij de aanvrager in
zijn verzoek aangeeft dat het verzoek uitsluitend geldt voor een
bepaald motorrijtuig.
3. De inspecteur verleent de vergunning bij beschikking.
4. De inspecteur wijst de aanvraag af indien hij een eerder aan de
aanvrager verleende vergunning heeft ingetrokken en er sedertdien
minder dan een jaar is verstreken.
5. De inspecteur kan de vergunning intrekken, indien binnen een
periode van een jaar de incasso van een termijn driemaal niet is
geslaagd.
6. De vergunning eindigt:
indien deze geldt voor een bepaald motorrijtuig bij
beëindiging van het houderschap daarvan; en
door opzegging door de aanvrager.
7. Indien de vergunning is ingetrokken of geëindigd wordt een
resterende belastingschuld over het lopende tijdvak nageheven.
Artikel 5
1.De nummerplaat, bedoeld in artikel XII, eerste lid, van de
Invoeringswet Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en in artikel 7a,
onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994,
bestaat uit een op zijn punt geplaatste vierkante plaat met zijden van
21 centimeter, waarop in witte onuitwisbare tekens op een rode
achtergrond, volgens RAL standaardkleur nr. 3000, de kentekens van het
registratiebewijs dat krachtens artikel 5 van het Reglement
kentekenregistratie voor het voertuig is afgegeven, en een
gewichtscode zijn aangebracht. Het type en de afmetingen van letters,
cijfers en horizontale streep alsmede van de onderlinge afstand
daarvan, zijn die welke in de Bijlage bij de Regeling kentekens en
kentekenplaten als model A.2. voor het kenteken van motorrijwielen
zijn voorgeschreven. De plaatsing van de tekens op de plaat geschiedt
overeenkomstig het model van de bijlage bij deze regeling.
2.De in het eerste lid bedoelde gewichtscode geeft het tot het
naaste honderdtal kilogrammen afgeronde gewicht aan, waarbij 50
kilogram naar beneden wordt afgerond. De gewichtscode bestaat uit twee
cijfers of uit één letter en één cijfer. Het eerste cijfer geeft
de duizendtallen aan van het gewicht in kilogrammen. Het tweede cijfer
geeft de honderdtallen aan van het afgeronde gewicht in kilogrammen.
Indien het gewicht tienduizend kilogram of meer bedraagt, begint de
code met een letter die de duizendtallen aangeeft van het gewicht
overeenkomstig de volgende tabel:
A is 10;G is 16;N is 22;V is 28;
B is 11;H is 17;P is 23;W is 29;
C is 12;J is 18;R is 24;X is 30
D is 13;K is 19;S is 25;Z is 31;
E is 14;L is 20;T is 26;
F is 15;M is 21;U is 27;
XX is meer dan 31950 kilogram.
3.De plaat moet duidelijk als zodanig kenbaar worden aangebracht
aan de achterzijde van het voertuig. Indien het motorrijtuig is
verbonden met meer dan één voertuig, dienen de platen van die
voertuigen op het achterste voertuig te zijn aangebracht. De plaat mag
niet hoger zijn aangebracht dan 2 meter boven het wegdek en niet in de
onmiddellijke nabijheid van de op het rij- of voertuig aangebrachte
kentekenplaat met het kenteken van het motorrijtuig.
Artikel 5a
1.Het verzoek om toepassing van artikel 37a, tweede lid, van de wet
gaat vergezeld van een afschrift van de beschikking, bedoeld in
artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969,
onderscheidenlijk in artikel 7, vierde lid, van de Wet op de
omzetbelasting 1968.
2.Het verzoek om toepassing van artikel 37b, eerste lid, van de wet
gaat vergezeld van
afschriften van de kentekenbewijzen van de vrachtauto’s die
deel uit zullen maken van het bedrijfsvoertuigenpark;
afschriften van het registratiebewijs of de registratiebewijzen
van de aanhangwagens die deel uit zullen maken van het
bedrijfsvoertuigenpark;
een schriftelijke verklaring van de houder dat geen van de
vrachtwagens die deel zullen uitmaken van het
bedrijfsvoertuigenpark zal worden verbonden met een aanhangwagen
die daarvan geen deel uitmaakt; en
een schriftelijke verklaring van de houder dat hij wijzigingen
met betrekking tot de in het bedrijfsvoertuigenpark opgenomen
vrachtauto’s en aanhangwagens terstond aan de inspecteur zal
melden.
Artikel 6
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 1995.
2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsregeling
motorrijtuigenbelasting 1994.
Deze regeling zal in de Staatscourant
worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt
gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
De Staatssecretaris van Financiën,
W.A.F.G. Vermeend.
Bijlage
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Financiën]
|
|
|