| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de
omzetbelasting 1968 (Wet OB)
BESLUIT
UITSLUITING AFTREK OMZETBELASTING 1968
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 23 september 1968 tot vaststelling van het
Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 23 september 1968,
nr. D 68/6240, directie Wetgeving Douane en Verbruiksbelastingen;
Gelet op artikel 16 van de Wet op de
omzetbelasting 1968 (Stb. 1968, 329);
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. De in artikel 15, eerste lid, van de
Wet op de omzetbelasting 1968 bedoelde aftrek wordt uitgesloten in de
gevallen waarin en voor zover de goederen en diensten worden gebezigd
voor:
a. het voeren van een zekere staat;
b. het geven van relatiegeschenken of het doen van andere giften
aan degenen bij wie, indien aan hen ter zake omzetbelasting in
rekening is of zou zijn gebracht, deze in het geheel niet of
hoofdzakelijk niet voor aftrek in aanmerking komt of zou komen;
c. het aan het personeel van de
ondernemer verlenen van huisvesting, uitkeren van loon in natura,
geven van gelegenheid tot sport, ontspanning of privé-vervoer, dan
wel voor andere persoonlijke doeleinden van dat personeel. De
terbeschikkingstelling van een auto wordt van het vorenstaande
uitgezonderd.
2. Onder relatiegeschenken of andere giften worden verstaan alle
prestaties welke de ondernemer in verband met zakelijke verhoudingen of
uit vrijgevigheid ten behoeve van anderen verricht zonder vergoeding of
tegen een vergoeding welke lager is dan de aanschaffings- of
voortbrengingskosten dan wel, in geval van diensten, de kostprijs van
die prestaties de omzetbelasting niet daaronder begrepen.
3. Onder de prestaties als zijn bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, worden niet begrepen:
a. het verstrekken van spijzen en dranken aan het personeel van de
ondernemer;
b. het vervoer van het personeel van de ondernemer tussen de woon-
of verblijfplaats en de plaats waar de werkzaamheden worden verricht,
indien dit vervoer geschiedt in de vorm van besloten busvervoer als
bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van de Wet personenvervoer 2000 op
grond van een krachtens die wet daartoe verleende vergunning;
c. het aan een werknemer verstrekken of ter beschikking stellen van
een fiets voor het vervoer van die werknemer tussen zijn woon- of
verblijfplaats en de plaats waar deze zijn werkzaamheden verricht,
voorzover:
1°. de
aanschaffings- of voortbrengingskosten van de fiets niet meer bedragen
dan € 749 inclusief omzetbelasting of, in gevallen waarin de
werkgever een gebruiksrecht van een derde heeft verworven, de totale
kostprijs inclusief omzetbelasting van dat recht niet meer bedraagt
dan € 749;
2°. in het kalenderjaar en de twee
voorafgaande kalenderjaren aan de werknemer geen fiets is verstrekt of
ter beschikking is gesteld; en
3°. vanaf het verstrekken of ter beschikking
stellen tot het einde van het kalenderjaar en in elk van de twee
daaropvolgende kalenderjaren niet voor 50 percent of meer van het
aantal dagen dat de werknemer pleegt te reizen tussen zijn woon- of
verblijfplaats en de plaats waar deze zijn werkzaamheden verricht,
wordt voorzien in een vergoeding of ander vervoer dan het vervoer per
fiets;
d. outplacement ten behoeve van het personeel van de ondernemer.
Artikel 2
Ingeval de ondernemer ter zake van een prestatie als is bedoeld in
artikel 1, eerste lid, letter b of c, een vergoeding in rekening heeft
gebracht en deswege omzetbelasting is verschuldigd, wordt de aftrek niet
uitgesloten tot het bedrag van de ter zake van die prestatie
verschuldigde belasting.
Artikel 3
1. Indien goederen en diensten door de ondernemer worden
gebezigd ten behoeve van de verstrekking van spijzen en dranken aan
zijn personeel en hij ter zake van die verstrekking minder in rekening
heeft gebracht dan het in het tweede lid omschreven bedrag, wordt de
aftrek uitgesloten tot 6 percent van het verschil tussen dat bedrag en
hetgeen in rekening is gebracht.
2. Het in het eerste lid bedoelde bedrag bestaat uit de
aanschaffingskosten van de spijzen en dranken, de omzetbelasting niet
daaronder begrepen, vermeerderd met 25 percent. Voor zover de ondernemer
de spijzen en dranken zelf heeft vervaardigd, worden in plaats van de
aanschaffingskosten van de spijzen en dranken de aanschaffingskosten van
de grondstoffen in aanmerking genomen.
Artikel 4
1. Indien het totaal van de
aanschaffings- of voortbrengingskosten dan wel de kostprijs, de
omzetbelasting niet daaronder begrepen, van alle door de ondernemer in
een boekjaar ten behoeve van eenzelfde belanghebbende verrichte
prestaties als zijn bedoeld in artikel 1, eerste lid, letters b en c, en
het op die belanghebbende betrekking hebbende deel van het in artikel 3,
eerste lid, bedoelde verschil niet meer bedraagt dan € 227, blijven
die prestaties en dat deel van bedoeld verschil voor de toepassing van
dit besluit buiten aanmerking.
2. Bij het berekenen van het in het eerste lid bedoelde totaal
blijft het in artikel 3, eerste lid, bedoelde verschil buiten
aanmerking, indien ter zake van het verstrekken van spijzen en dranken
aan het personeel van de ondernemer uitsluiting van de aftrek heeft
plaatsgevonden op de voet van artikel 3.
Artikel 5
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1969.
2. Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit uitsluiting
aftrek omzetbelasting 1968.
Onze Minister van Financiën is belast met
de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
Soestdijk, 25 september 1968
JULIANA
De Staatssecretaris van Financiën,
F.H.M. Grapperhaus
Uitgegeven de zevenentwintigste september 1968
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
|
|
|