|
BESLUIT van 12 augustus 1968 tot vaststelling van het
Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 19 juli 1968, nr.
D68/4876, directie Wetgeving Douane en Verbruiksbelastingen;
Gelet op de artikel 8, zesde lid, 9, tweede
lid, onderdeel b, 10, 11, eerste lid, aanhef en onder f, onder
2º, en u, 12, derde lid, 20, tweede lid, onderdeel b, 29,
derde lid, 39, 41b, eerste lid, 50, achtste en elfde lid, alsmede
50a, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Stb.
1968, 329);
De Raad van State gehoord (advies van 31 juli
1968, nr. 45);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Financiën van 7 augustus 1968, nr. D68/4944,
directie Wetgeving Douane en Verbruiksbelastingen;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Begripsbepalingen
Artikel 1
1. Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 8, vijfde lid, 9,
tweede lid, onderdeel b, 11, eerste lid, aanhef en onderdelen f, o,
2° en u, 12, vijfde lid, 17c, tweede lid, 17d, 20, tweede lid,
onderdeel b, 29, derde lid, 29a, tweede lid, 33g, tweede, vierde en
zesde lid, 39, 50, achtste en elfde lid, en 50a, vierde lid, van de
Wet op de omzetbelasting 1968, alsmede aan artikel III van de wet van
30 september 1986 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968
(Stb. 1986, 479) en aan artikel 10a van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen.
2. Dit besluit verstaat onder:
a. wet: Wet op de omzetbelasting 1968;
b. belasting: omzetbelasting.
Hoofdstuk I. Vergoeding
Artikel 2
1.Met kortingen wegens contante betaling wordt voor de bepaling van
de vergoeding terstond rekening gehouden, mits op de factuur - ingeval
deze wordt uitgereikt - de korting in mindering wordt gebracht op het
in rekening te brengen bedrag.
2.In gevallen waarin het eerste lid toepassing heeft gevonden en de
korting wegens contante betaling uiteindelijk geheel of ten dele niet
wordt genoten, wordt de belasting alsnog verschuldigd over het bedrag
van de niet genoten korting. De artikelen 13, 17g en 35 van de wet
zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het
tijdstip waarop het niet-genieten van de korting komt vast te staan,
geacht wordt te zijn het tijdstip waarop de levering, de
intracommunautaire verwerving of de dienst is verricht.
Artikel 3
Artikel 29, eerste en tweede lid, en artikel 29a, eerste lid, van de
wet zijn niet van toepassing op bedragen welke niet zijn ontvangen
onderscheidenlijk betaald ten gevolge van een korting voor contante
betaling, indien niet ter zake van die korting een aanvullende factuur
is uitgereikt.
Artikel 4
1.Tot de vergoeding behoren niet:
a. [vervallen;]
b. de assurantiekosten welke de ondernemer die de prestatie
verricht, aan een andere ondernemer moet voldoen, mits zij
afzonderlijk in rekening worden gebracht;
c. de voor degene aan wie de dienst wordt bewezen, aan rechten
bij invoer als bedoeld in artikel 7:3 van de Algemene douanewet en
andere belastingen en heffingen gedane uitschotten, alsmede andere
bij ministeriële regeling aan te wijzen met doorlopende posten
gelijk te stellen bedragen betreffende niet belastbare of
vrijgestelde prestaties.
2.Voorts behoort bij levering van gebruikte personenauto’s,
gebruikte motorrijwielen en gebruikte bestelauto’s anders dan met
toepassing van artikel 28b of 28d van de wet, niet tot de vergoeding,
het bij de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto nog
behorende bedrag aan belasting bedoeld in en berekend overeenkomstig
het bij of krachtens artikel 10, derde en zesde lid, van de Wet op de
belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 bepaalde. In
afwijking hiervan behoort bij levering van gebruikte motorrijtuigen
waarvoor op de voet van de in de vorige volzin genoemde wet een
vrijstelling of een teruggaaf is verleend, niet tot de vergoeding het
bedrag dat ingevolge die wet bij het afstoten van het motorrijtuig
moet worden voldaan door de ondernemer die het motorrijtuig levert,
met dien verstande dat de eerste volzin van overeenkomstige toepassing
is voor zover de belasting voor het motorrijtuig al op een eerder
tijdstip is voldaan omdat niet langer aan de voorwaarden van de
vrijstelling, onderscheidenlijk de teruggaaf, werd voldaan.
3.Het tweede lid is alleen van toepassing indien de ondernemer op
de factuur het bedrag vermeldt dat hij als belasting als bedoeld in de
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 op de
vergoeding in mindering heeft gebracht.
Artikel 5
1.Bij vestiging, overdracht, afstand en opzegging van de rechten
van erfpacht, opstal, erfdienstbaarheid of beklemming behoort de
waarde van de canon, de retributie of de huur tot de vergoeding, met
dien verstande dat de vergoeding hierdoor niet hoger kan zijn dan de
waarde in het economische verkeer van de zaak waarop het recht
betrekking heeft. De waarde in het economische verkeer bedraagt ten
minste de kostprijs, met inbegrip van de omzetbelasting, van de
onroerende zaak waarop het recht betrekking heeft, zoals die zou
ontstaan bij de voortbrenging door een onafhankelijke derde op het
tijdstip van de handeling.
2.Bij levering van onroerende zaken, bezwaard met een recht van
erfpacht, opstal, erfdienstbaarheid of beklemming, wordt de vergoeding
verminderd met de waarde van de canon, de retributie of de huur.
3.Bij wijziging van een recht van erfpacht, opstal,
erfdienstbaarheid of beklemming behoort het verschil in waarde tussen
de canon, de retributie of de huur vóór en na de wijziging tot de
vergoeding, met dien verstande dat bij vermindering van de waarde van
de canon, de retributie of de huur, voor zover daar geen vermindering
van de rechten van de zakelijk gerechtigde tegenover staat, het
verschil in waarde op de vergoeding in mindering wordt gebracht.
4.Bij levering onder voorbehoud van grondrente of van met
grondrente bezwaarde eigendom behoort de waarde van de uitkering tot
de vergoeding, met dien verstande dat de vergoeding hierdoor niet
hoger kan zijn dan de waarde in het economische verkeer van de zaak
waarop het recht betrekking heeft.
5.De waarde van een canon, een retributie, een huur of een
uitkering wordt bepaald met inachtneming van de bij dit besluit
behorende bijlage A.
6.Het tweede tot en met het vijfde lid is niet van toepassing voor
zover de vestiging, overdracht, wijziging, afstand en opzegging van
rechten waaraan onroerende zaken zijn onderworpen niet op grond van
artikel 3, tweede lid, van de wet, met toepassing van de voorgaande
leden, als levering van goederen wordt aangemerkt.
Artikel 5a
Bij de berekening van de belasting over de vergoeding en over de
douanewaarde overeenkomstig de artikelen 8, eerste lid, en 17c, eerste
lid, respectievelijk artikel 19, eerste lid, van de wet, wordt het
bedrag van de verschuldigde belasting rekenkundig afgerond op centen.
Deze rekenkundige afronding op centen wordt zodanig toegepast dat bij
bedragen waarbij de derde decimaal het cijfer 5 of een hoger cijfer
bereikt omhoog wordt afgerond, en dat in geval de derde decimaal dit
cijfer niet bereikt omlaag wordt afgerond.
Hoofdstuk II. Vrijstellingen; tarief
Artikel 6
Voor de toepassing van de in artikel 11 van de wet vervatte
vrijstellingen is de ondernemer gehouden een boekhouding te voeren
waarin de voor die toepassing nodige gegevens op duidelijke en
overzichtelijke wijze zijn vermeld.
Artikel 7
1. Als leveringen en diensten van sociale of culturele aard als
bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel f , van de wet, worden
aangewezen de leveringen en diensten, genoemd in de bij dit besluit
behorende bijlage B.
2. Voor zover niet vallend onder de bij dit besluit behorende
bijlage B worden voorts als leveringen en diensten als bedoeld in
artikel 11, eerste lid, van de wet aangewezen:
a. leveringen en diensten die nauw samenhangen met
maatschappelijk werk, met de sociale zekerheid en met de
bescherming van kinderen en jongeren;
en
b. diensten van culturele aard andere dan die genoemd in de bij
de wet behorende tabel I, onderdeel b, alsmede nauw daarmee
samenhangende leveringen;
voor zover met deze leveringen en diensten geen winst wordt beoogd
en niet een ernstige verstoring van concurrentieverhoudingen optreedt
ten opzichte van ondernemers die winst beogen en welke worden verricht
door een publiekrechtelijk lichaam of door een andere organisatie die,
na een daartoe gedaan schriftelijk verzoek, door de inspecteur ter
zake bij voor bezwaar vatbare beschikking is erkend als instelling van
sociale of culturele aard. De inspecteur geeft in deze beschikking aan
welke activiteiten van een instelling behoren tot dan wel niet behoren
tot de aangewezen leveringen en diensten.
3. De inspecteur trekt de erkenning, bedoeld in het tweede lid, bij
voor bezwaar vatbare beschikking in en vervangt deze al dan niet door
een nieuwe erkenning bij:
a. wijzigingen in de aard en samenstelling van de leveringen en
diensten van de instelling;
b. het beogen van winst door de instelling;
c. het optreden van een ernstige verstoring van
concurrentieverhoudingen ten opzichte van ondernemers die winst
beogen.
4. Als leveringen en diensten van sociale of culturele aard als
bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de wet, worden
niet aangemerkt:
a. de leveringen van goederen welke door de in het tweede lid
bedoelde instellingen in het kader van arbeidstherapie zijn
voortgebracht en de diensten welke door die instellingen in dat
kader worden verricht;
b. diensten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g,
onder 2°, van de wet, die worden verleend aan personen die niet
beschikken over een in dat onderdeel g, onder 2°, bedoeld
indicatiebesluit of besluit op grond van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten of ingevolge de Wet maatschappelijke
ondersteuning.
5. Onder het niet beogen van winst, bedoeld in het tweede en derde
lid, wordt verstaan dat niet systematisch het maken van winst mag
worden beoogd en, zo er wel winst wordt gemaakt, deze niet mag worden
uitgekeerd, maar die winst moet worden aangewend voor de
instandhouding of verbetering van de leveringen en diensten die worden
verleend.
6. Tot de in het eerste lid bedoelde leveringen en diensten behoren
niet, behoudens voor zover in bijlage B bij dit besluit anders is
bepaald:
a. het verstrekken van spijzen en dranken;
b. het verrichten van onderzoek;
c. het ter beschikking stellen van personeel;
d. het verzorgen van loon- en salarisadministraties,
financiële administraties en grootboekadministraties;
e. andere bij ministeriële regeling in verband met het
voorkomen van een ernstige verstoring van concurrentieverhoudingen
aan te wijzen leveringen of diensten.
7. Tot de in het tweede lid bedoelde leveringen en diensten behoren
in elk geval niet de in het zesde lid opgenomen leveringen en
diensten.
8. Bij wijzigingen in de aard en samenstelling van de leveringen en
diensten van een instelling stelt de instelling de inspecteur daarvan
in kennis.
Artikel 8
1. Als onderwijs als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel
o, 2°, van de wet, wordt aangewezen:
a. beroepsopleidingen, voor zover verstrekt door instituten
welke opgenomen zijn in het Register Kort Beroepsonderwijs of door
de uit de openbare kassen bekostigde instellingen genoemd in de
bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek of bedoeld bij de Wet educatie en beroepsonderwijs;
b. algemeen vormend onderwijs, ontleend aan het uit de openbare
kassen bekostigde onderwijs dat is vrijgesteld op grond van
artikel 11, eerste lid, onderdeel o, 1°, van de wet, met
uitzondering van het onderwijs dat een vrijetijds-karakter heeft
dan wel dient om vaardigheden in de persoonlijke levenssfeer te
verwerven;
c. onderwijs in muziek, dans, drama en beeldende vorming, aan
personen jonger dan 21 jaar;
d. bijlessen en tentamen- of examentrainingen die worden
verstrekt in het kader van het onderwijs als bedoeld in artikel
11, eerste lid, onderdeel o, van de wet.
2. Onder onderwijs wordt mede begrepen het afnemen van examens ter
afsluiting van onderwijs als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
onderdeel o, van de wet, ook indien dat geschiedt door een ander dan
de ondernemer die voor het desbetreffende examen heeft opgeleid.
Artikel 9
1. Als diensten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel u
, van de wet, worden aangewezen de diensten, verleend aan hun leden
door zelfstandige groeperingen van:
a. [vervallen;]
b. instellingen welke zijn toegelaten om op de voet van de
Woningwet werkzaam te zijn in het belang van de volkshuisvesting,
voor zover de diensten rechtstreeks nodig zijn voor het beheer of
het onderhoud van woningwet- of premiewoningen;
c. [vervallen;]
d. verplegings- en verzorgingsinstellingen waarvan de
prestaties zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid,
onderdeel c , van de wet, voor zover de diensten rechtstreeks
nodig zijn voor het verrichten van die prestaties, met
uitzondering van de diensten, bestaande in de wasverzorging en het
verzorgen van de loon- en salarisadministratie, de financiële
administratie en de grootboekadministratie;
e. kruisverenigingen waarvan de prestaties zijn vrijgesteld op
grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel f , van de wet, voor
zover de diensten rechtstreeks nodig zijn voor het verrichten van
die prestaties;
f. andere dan hiervoor genoemde personen of lichamen in de zin
van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die prestaties
verrichten welke zijn vrijgesteld of waarvoor zij geen ondernemer
zijn, voor zover de diensten rechtstreeks nodig zijn voor het
verrichten van die prestaties, met uitzondering van de diensten,
bestaande in het verzorgen van de loon- en salarisadministratie,
de financiële administratie en de grootboekadministratie.
2. Het eerste lid is alleen van toepassing, indien de daar bedoelde
zelfstandige groeperingen ter zake van de aan hun leden verrichte
diensten slechts terugbetaling vorderen van het aandeel van die leden
in de gezamenlijke uitgaven.
3. Het eerste lid geldt niet voor diensten bestaande in het ter
beschikking stellen van personeel en andere bij ministeriële regeling
in verband met het voorkomen van een ernstige verstoring van
concurrentieverhoudingen aan te wijzen diensten.
Artikel 10 [Vervallen per 01-07-1988]
Artikel 11 [Vervallen per 01-07-1988]
Hoofdstuk III. Grensoverschrijdend verkeer van goederen en diensten
Artikel 12
1.De aanspraak op toepassing van het tarief van nihil voor
leveringen, intracommunautaire verwervingen en invoer van goederen en
voor diensten, genoemd in de bij de wet behorende tabel II, geldt
slechts, indien de toepasselijkheid van dat tarief uit boeken en
bescheiden blijkt.
2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, is het tarief van
nihil slechts van toepassing:
a.
1°. voor wat betreft de levering, de intracommunautaire
verwerving en de invoer van luchtvaartuigen, alsmede de
diensten welke ten aanzien van luchtvaartuigen worden
verricht, indien de ondernemer kan overleggen een
schriftelijke verklaring van de afnemer van de
luchtvaartuigen, onderscheidenlijk degene aan wie de diensten
ten aanzien van luchtvaartuigen worden verleend, dat het
luchtvaartuigen betreft als bedoeld in de bij de wet behorende
tabel II, onderdeel a, post 3;
2°. voor wat betreft de leveringen van goederen als
bedoeld in de bij de wet behorende tabel II, onderdeel a, post
6, indien de ondernemer beschikt over het
btw-identificatienummer van degene die de goederen afneemt;
b.
1°. voor wat betreft de leveringen van accijnsgoederen als
bedoeld in de bij de wet behorende tabel II, onderdeel a, post
7, onder a, indien de ondernemer kan overleggen een
schriftelijke verklaring van de ondernemer die de
accijnsgoederen afneemt dat deze de goederen geleverd krijgt
en in opslag neemt in een accijnsgoederenplaats als bedoeld in
de Wet op de accijns die voor die soort accijnsgoederen als
zodanig is aangewezen, en dat deze de goederen niet aan dat
regime zal onttrekken, anders dan in het kader van een
levering ter zake waarvan gehele aftrek van belasting op de
voet van artikel 15 van de wet door die ondernemer mogelijk
is;
2°. voor wat betreft de leveringen van minerale oliën als
bedoeld in de bij de wet behorende tabel II, onderdeel a, post
7, onder b, indien de ondernemer kan overleggen een afschrift
van het geleidedocument alsmede een schriftelijke verklaring
van de ondernemer die de minerale oliën afneemt dat deze de
minerale oliën niet aan het geleidedocument zal onttrekken,
anders dan in het kader van een levering ter zake waarvan
gehele aftrek van belasting op de voet van artikel 15 van de
wet door die ondernemer mogelijk is;
c. voor wat betreft de leveringen van goederen als bedoeld in
de bij de wet behorende tabel II, onderdeel a, post 8, onder a,
indien de ondernemer kan overleggen een schriftelijke verklaring
van de ondernemer die de goederen afneemt dat deze die goederen
opneemt in zijn niet-plaatsgebonden entrepot als bedoeld in die
post, onder vermelding van het nummer van zijn entrepotvergunning,
en dat deze de goederen niet aan dat regime zal onttrekken, anders
dan in het kader van een levering ter zake waarvan gehele aftrek
van belasting op de voet van artikel 15 van de wet door die
ondernemer mogelijk is.
d. voor wat betreft de achtereenvolgende leveringen die
plaatsvinden ingeval door meer dan één persoon overeenkomsten
worden gesloten met de verplichting tot levering van eenzelfde
goed dat vervolgens door de eerste persoon rechtstreeks aan de
laatste afnemer buiten de Gemeenschap of in een entrepot wordt
afgeleverd, indien een door iedere afnemer - behalve de
buitenlandse - aan zijn leverancier uit te reiken schriftelijke
opdracht tot uitvoer uit de Gemeenschap of tot plaatsing onder het
stelsel van douane-entrepots op basis van artikel 98, lid 1, onder
b), van het Communautair douanewetboek kan worden overgelegd;
e. voor wat betreft de levering van een motorrijtuig waarvoor
ter zake van de in artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994
bedoelde opgaaf van een kenteken een bewijs is afgegeven en welk
motorrijtuig door een ondernemer wordt vervoerd naar een andere
Lid-Staat, wordt uitgevoerd uit de Gemeenschap of wordt gebracht
onder het stelsel van douane-entrepots op basis van artikel 98,
lid 1, onder b), van het Communautair douanewetboek, indien de
ondernemer een terzake door de Dienst Wegverkeer (RDW) opgemaakte
verklaring kan overleggen;
f. voor wat betreft de levering door een ondernemer als bedoeld
in artikel 7, zesde lid, van de wet, van een nieuw vervoermiddel
dat wordt vervoerd naar een andere Lid-Staat, indien de ondernemer
aan de inspecteur de naam en het adres meldt van degene aan wie de
levering is verricht.
In geval de leverancier of de afnemer in de gevallen bedoeld in de
onderdelen b en c niet in Nederland woont of is gevestigd dan wel
aldaar geen vaste inrichting heeft, dient deze voor de toepassing van
het tarief van nihil een fiscaal vertegenwoordiger als bedoeld in
artikel 24c te hebben aangesteld.
3.In geval een ondernemer die een verklaring als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel b of c, heeft afgegeven, aan de desbetreffende
goederen een andere bestemming geeft, wordt de belasting ter zake van
de aan hem verrichte levering van die goederen alsnog verschuldigd
naar het tarief als bedoeld in artikel 9, eerste lid, dan wel tweede
lid, onderdeel a, van de wet.
4.In geval het derde lid toepassing vindt met betrekking tot
accijnsgoederen als bedoeld in de bij de wet behorende tabel II,
onderdeel a, post 7, wordt de maatstaf van heffing verhoogd met het
bedrag van de accijns dat voor die goederen ingevolge de Wet op de
accijns bij uitslag verschuldigd zou zijn.
5.Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden
gegeven met betrekking tot de wijze waarop de aanspraak op toepassing
van het tarief van nihil wordt aangetoond.
Artikel 12a
1.Met betrekking tot de leveringen van minerale oliën als bedoeld
in de bij de wet behorende tabel II, onderdeel a, post 7, onder a, die
zich bevinden in een accijnsgoederenplaats is artikel 12, tweede lid,
onderdeel b, onder 1°, niet van toepassing indien ter zake van die
accijnsgoederenplaats de bijzondere bepaling van tabel II, onderdeel
a, post 7, van toepassing is.
2.Met betrekking tot de leveringen bedoeld in het eerste lid is
artikel 12, tweede lid, slotzin, niet van toepassing.
Artikel 13
Bij ministeriële regeling kunnen aan de teruggaaf op de voet van
artikel 24, eerste lid, van de wet voorwaarden worden verbonden welke
betrekking kunnen hebben op:
a. het overleggen van bescheiden bij de aangifte ter verkrijging
van de teruggaaf;
b. de wijze waarop wordt aangetoond, dat de goederen waarvan de
belasting wordt teruggevraagd, de Gemeenschap hebben verlaten of
onder het stelsel van douane-entrepots zijn gebracht op basis van
artikel 98, lid 1, onder b), van het Communautair douanewetboek.
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1993]
Hoofdstuk IV. Suppletie
Artikel 15
1. Zodra de belastingplichtige constateert dat hij een aangifte
over een tijdvak in de afgelopen vijf kalenderjaren onjuist of
onvolledig heeft gedaan waardoor te veel of te weinig belasting is
betaald, is hij gehouden alsnog bij wijze van suppletie de juiste en
volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken.
2. De suppletie moet gedaan worden voordat de belastingplichtige
weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de
desbetreffende onjuistheid of onvolledigheid bekend is of zal worden.
3. De suppletie, bedoeld in het eerste lid, geschiedt zo spoedig
mogelijk op de door de inspecteur aangegeven wijze.
4. Het niet of niet tijdig doen van de suppletie, bedoeld in het
eerste lid, en het niet doen van de suppletie op de op grond van het
derde lid aangegeven wijze worden aangemerkt als een overtreding.
5. De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete op grond
van het vierde lid vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van
het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf
is verleend.
Hoofdstuk V. Bijzondere regelingen
Afdeling A. Ondernemers met verschillende tarieven
Artikel 16
De ondernemer die krachtens artikel 26 van de wet de belasting kan
voldoen naar ontvangsten, kan, indien hij leveringen verricht zowel van
6%-goederen als van 19%-goederen, die hij niet zelf heeft vervaardigd,
de ter zake verschuldigde belasting berekenen op een van de hierna
omschreven wijzen.
I.
a. De ondernemer splitst zijn inkopen van voor wederverkoop
bestemde goederen in 6%-goederen en 19%-goederen;
b. hij bepaalt voor alle in onderdeel a bedoelde goederen de
winkelwaarde, waaronder in deze afdeling wordt verstaan de prijs
waarvoor de goederen door hem worden verkocht;
c. hij berekent de totale winkelwaarde van de in het lopende
boekjaar tot en met het aan de orde zijnde belastingtijdvak
ingekochte goederen naar de in onderdeel a bedoelde splitsing;
d. de totale ontvangsten in het belastingtijdvak wegens
levering van goederen verdeelt hij in ontvangsten voor
6%-goederen en ontvangsten voor 19%-goederen naar evenredigheid
van de in onderdeel c bedoelde totale winkelwaarden;
e. over het aldus berekende deel van de ontvangsten dat
betrekking heeft op de 6%-goederen, bedraagt de belasting 6/106
en over het deel dat betrekking heeft op de 19%-goederen, 19/119
gedeelte;
f. de som van beide belastingbedragen vormt het bedrag dat
geacht wordt in het belastingtijdvak aan belasting te zijn
verschuldigd; op die som worden vervolgens de overige bepalingen
van de wet toegepast (aftrek van voorbelasting, kleine
ondernemersregeling enz.);
g. na afloop van het boekjaar wordt de belasting herrekend
als volgt:
1°. de ondernemer bepaalt de winkelwaarde van de ten
verkoop in voorraad zijnde goederen, gesplitst in
6%-goederen en 19%-goederen;
2°. de onder 1° bedoelde winkelwaarde van de
6%-goederen wordt afgetrokken van de winkelwaarde van de in
het boekjaar ingekochte 6%-goederen en de aldaar bedoelde
winkelwaarde van de 19%-goederen wordt afgetrokken van de
winkelwaarde van de in het boekjaar ingekochte 19%-goederen;
3°. de totale ontvangsten in het boekjaar wegens
levering van goederen verdeelt de ondernemer over de 6%- en
de 19%-goederen naar evenredigheid van de uit 2°
voortvloeiende saldi aan winkelwaarden voor die goederen;
4°. van het aldus berekende deel van de ontvangsten dat
betrekking heeft op de 6%-goederen, wordt 6/106 en over het
deel dat betrekking heeft op de 19%-goederen, wordt 19/119
gedeelte genomen;
5°. de som van de uitkomsten van de berekeningen onder
4° vormt het bedrag dat geacht wordt in het boekjaar aan
belasting te zijn verschuldigd; op die som worden vervolgens
de overige bepalingen van de wet toegepast (aftrek van
voorbelasting, kleine ondernemersregeling enz.);
6°. indien deze herrekening leidt tot een hoger bedrag
dan over het boekjaar aan belasting is afgedragen, moet het
verschil worden voldaan op de aangifte over het eerste
belastingtijdvak van het volgende boekjaar; leidt de
herrekening tot een lager bedrag dan over het boekjaar aan
belasting is afgedragen, dan wordt het verschil aan de
ondernemer op verzoek teruggegeven;
7°. op die aangifte voldoet de ondernemer tevens de
belasting ter zake van het beschikken over goederen in de
zin van artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de wet (eigen
gebruik) in het boekjaar, voor zover de vergoeding voor deze
goederen niet in de onder 3° bedoelde ontvangsten zijn
begrepen;
h. de in onderdeel g - 1° bedoelde in voorraad zijnde
goederen worden beschouwd als goederen die in het eerste
belastingtijdvak van het volgende boekjaar zijn ingekocht.
II.
a. De ondernemer houdt afzonderlijk aantekening van zijn
inkopen van voor wederverkoop bestemde 19%-goederen;
b. hij bepaalt voor die goederen de winkelwaarde;
c. hij berekent de totale winkelwaarde van de in het
belastingtijdvak ingekochte 19%-goederen en het verschil tussen
de totale ontvangsten in dat belastingtijdvak wegens leveringen
van goederen en die totale winkelwaarde;
d. de belasting bedraagt 19/119 gedeelte van de in onderdeel
c bedoelde totale winkelwaarde, benevens 6/106 gedeelte van het
in onderdeel c bedoelde verschil indien de totale ontvangsten de
totale winkelwaarde overtreffen;
e. de som van beide belastingbedragen vormt het bedrag dat
geacht wordt in het belastingtijdvak aan belasting te zijn
verschuldigd; op die som worden vervolgens de overige bepalingen
van de wet toegepast (aftrek van voorbelasting, kleine
ondernemersregeling, enz.);
f. overtreft de in onderdeel c bedoelde totale winkelwaarde
de aldaar bedoelde totale ontvangsten, dan wordt het verschil in
mindering gebracht op de totale ontvangsten van het volgende
belastingtijdvak;
g. ter zake van het eigen gebruik vindt, voor zover de
belasting wordt voldaan naar de ontvangsten, het bepaalde in
I-g-7° overeenkomstige toepassing, en kan de ondernemer, voor
zover de belasting wordt voldaan naar de winkelwaarde, op de in
die bepaling bedoelde aangifte in mindering brengen de belasting
over het verschil tussen de winkelwaarde en de vergoeding voor
de goederen voor eigen gebruik, terwijl de in die aangifte te
begrijpen ontvangsten met laatstbedoelde winkelwaarde worden
verhoogd;
h. deze regeling is van overeenkomstige toepassing voor
6%-goederen.
III.
a. De ondernemer splitst zijn inkopen van voor wederverkoop
bestemde goederen in 6%-goederen en 19%-goederen;
b. hij bepaalt voor alle in onderdeel a bedoelde goederen de
winkelwaarde;
c. hij berekent de totale winkelwaarde van de in een
belastingtijdvak ingekochte goederen naar de in onderdeel a
bedoelde splitsing;
d. over de aldus berekende totale winkelwaarde die betrekking
heeft op de 6%-goederen, bedraagt de belasting 6/106 gedeelte en
over de aldus berekende totale winkelwaarde die betrekking heeft
op de 19%-goederen, bedraagt de belasting 19/119 gedeelte;
e. de som van beide belastingbedragen vormt het bedrag dat
geacht wordt in het belastingtijdvak aan belasting te zijn
verschuldigd; op die som worden vervolgens de overige bepalingen
van de wet toegepast (aftrek van voorbelasting, kleine
ondernemersregeling, enz.);
f. na afloop van het boekjaar kan de ondernemer op zijn
aangifte over het eerste belastingtijdvak van het volgende
boekjaar in mindering brengen de belasting over het verschil
tussen de winkelwaarde en de vergoeding voor de goederen voor
eigen gebruik.
Algemene aantekeningen
1. Dit artikel is slechts van toepassing, indien en voor zover de
ondernemer niet op grond van zijn bedrijfsadministratie kan
vaststellen welk gedeelte van de ontvangsten betrekking heeft op
leveringen van 6%-goederen en welk gedeelte op leveringen van
19%-goederen.
2. Dit artikel heeft niet betrekking op goederen die worden
geleverd ingevolge een overeenkomst van huurkoop of een andere
overeenkomst van koop en verkoop op afbetaling.
3. Ingeval de ondernemer naast leveringen van 6%-goederen en/of
19%-goederen tevens leveringen verricht van tabaksprodukten, als
bedoeld in artikel 29 van de Wet op de accijns, is dit artikel op
laatstbedoelde goederen van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16a
Bij een tariefwijziging met ingang van een boekjaar wordt met
betrekking tot het daaraan voorafgaande boekjaar het in artikel 16 voor
methode I in onderdeel g bepaalde toegepast met inachtneming van de
vóór die wijziging geldende tarieven.
Artikel 16b
1. Bij een tariefwijziging in de loop van een boekjaar handelt de
ondernemer, in afwijking in zoverre van het in artikel 16 voor methode
I in de onderdelen a tot en met h bepaalde, als is aangegeven in het
tweede tot en met het vijfde lid.
2. Met betrekking tot een in het boekjaar gelegen belastingtijdvak
na het tijdstip van tariefwijziging kan de ondernemer voor de
toepassing van het voor methode I in de onderdelen c en d bepaalde:
1°. de winkelwaarde van de goederen die zijn ingekocht in het
lopende boekjaar tot en met het aan de orde zijnde
belastingtijdvak, berekenen met inachtneming van de op het moment
van inkoop geldende tarieven; en
2°. de totale ontvangsten verdelen naar evenredigheid van de
aldus bepaalde totale winkelwaarden.
3. Voor de herrekening van de belasting na afloop van het boekjaar
past de ondernemer het voor methode I in onderdeel g, aanhef en onder
1° tot en met 4°, bepaalde afzonderlijk toe zowel op het gedeelte
van het boekjaar vóór de tariefwijziging als op het gedeelte daarna
met inachtneming van de tarieven die gelden voor het desbetreffende
gedeelte van het boekjaar.
4. Bij de in het derde lid bedoelde herrekening kan de ondernemer
met betrekking tot het gedeelte van het boekjaar vóór de
tariefwijziging voor de toepassing van het voor methode I in onderdeel
g, onder 1°, bepaalde de winkelwaarde van de op het tijdstip van
tariefwijziging ten verkoop in voorraad zijnde goederen stellen op het
verschil tussen de totale winkelwaarde van de in dat gedeelte van het
boekjaar ingekochte goederen, bepaald met inachtneming van en
gesplitst naar de vóór die tariefwijziging geldende tarieven, en de
naar evenredigheid van deze winkelwaarden gesplitste ontvangsten in
dat gedeelte van het boekjaar.
5. Bij de in het derde lid bedoelde herrekening worden met
betrekking tot het gedeelte van het boekjaar na de tariefwijziging
voor de toepassing van het voor methode I in onderdeel h bepaalde in
samenhang met het bepaalde in onderdeel g, onder 1°, de op het
tijdstip van de tariefwijziging ten verkoop in voorraad zijnde
goederen beschouwd als goederen die zijn ingekocht in het na dat
tijdstip gelegen gedeelte van het boekjaar en wordt de winkelwaarde
van die goederen bepaald met inachtneming van de na de tariefwijziging
geldende tarieven.
Artikel 16c
1.Bij een wijziging van de hoogte van het in artikel 16 bij methode
II in onderdeel a vermelde tarief met ingang van een boekjaar of in de
loop daarvan wordt, in afwijking in zoverre van het voor die methode
in onderdeel f bepaalde, het op de totale ontvangsten van het volgende
belastingtijdvak in mindering te brengen verschil bepaald met
inachtneming van de tariefwijziging.
2.In geval van tariefverlaging wordt op de verschuldigde belasting
in het in het eerste lid bedoelde belastingtijdvak in mindering
gebracht een bedrag gelijk aan het bedrag waarmee het voor methode II
in onderdeel f bedoelde verschil berekend zonder de tariefwijziging
uitgaat boven dat verschil bepaald met inachtneming van de
tariefwijziging.
3.In geval van tariefverhoging wordt in het in het eerste lid
bedoelde belastingtijdvak aan belasting verschuldigd een bedrag gelijk
aan het bedrag waarmee het voor methode II in onderdeel f bedoelde
verschil bepaald met inachtneming van de tariefwijziging uitgaat boven
dat verschil berekend zonder de tariefwijziging.
Artikel 16d
Bij een wijziging van de hoogte van het in artikel 16 bij methode II
in onderdeel h vermelde tarief met ingang van een boekjaar of in de loop
daarvan is het bepaalde in artikel 16c van overeenkomstige toepassing.
Artikel 17
1.Ingeval de ondernemer goederen levert welke hijzelf heeft
vervaardigd, is daarop artikel 16 van overeenkomstige toepassing, met
inachtneming van het volgende:
a. in de plaats van de inkopen van de goederen worden gesteld
de inkopen van de grondstoffen welke voor de vervaardiging zijn
bestemd, gesplitst naar grondstoffen voor 6%-goederen en
grondstoffen voor 19%-goederen;
b. de winkelwaarden van de zelf vervaardigde goederen worden
gesteld op de som van de inkoopprijzen van de grondstoffen,
vermeerderd met een zodanig percentage van die som, dat de prijs
waarvoor de zelf vervaardigde goederen worden verkocht, zo dicht
mogelijk wordt benaderd;
c. de in onderdeel b bedoelde winkelwaarden worden gevoegd bij
de winkelwaarden van de voor wederverkoop ingekochte 6%-goederen
onderscheidenlijk 19%-goederen;
d. onder de voorraad zelf vervaardigde goederen wordt begrepen
de voorraad grondstoffen en wel voor de inkoopprijs vermeerderd
met het in onderdeel b bedoelde percentage.
2.Bij ministeriële regeling kan het in het eerste lid, onderdeel
b, bedoelde percentage voor de verschillende goederen of groepen van
goederen worden vastgesteld.
3.Voor de ondernemer bij wie toepassing van het bij ministeriële
regeling vastgestelde percentage leidt tot een winkelwaarde welke in
betekenende mate afwijkt van de prijs waarvoor de goederen worden
verkocht, kan de inspecteur een ander percentage vaststellen.
4.Voor de ondernemer te wiens aanzien bij ministeriële regeling
geen percentage is vastgesteld, geschiedt zulks door de inspecteur.
5.De vaststelling door de inspecteur van het percentage geschiedt
bij voor bezwaar vatbare beschikking. Het percentage geldt met ingang
van het tijdvak, volgende op dat waarin een afschrift van de
beschikking aan de ondernemer is verzonden.
Artikel 17a
Het bepaalde in de artikelen 16a, 16b, 16c en 16d is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van een ondernemer als bedoeld in
artikel 17, eerste lid.
Artikel 18
1.Grondstoffen en voor verkoop bestemde goederen, die aanwezig zijn
bij de aanvang van het eerste belastingtijdvak waarover een in deze
afdeling opgenomen regeling wordt toegepast, worden beschouwd als in
dat tijdvak te zijn ingekocht. Voor zelf vervaardigde goederen treden
hierbij in de plaats de grondstoffen waaruit zij zijn vervaardigd.
2.Het eerste lid vindt bij de in artikel 16 omschreven methode II
geen toepassing ten aanzien van 6%-goederen en voor de vervaardiging
daarvan bestemde grondstoffen, alsmede ten aanzien van tabaksprodukten
als bedoeld in artikel 29 van de Wet op de accijns.
3.Indien blijkt, dat de voorraad aan goederen als bedoeld in het
tweede lid, op enig tijdstip groter is dan bij de aanvang van het
eerste belastingtijdvak waarover de in artikel 16 omschreven methode
II is toegepast, kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare
beschikking bepalen, dat de inkopen van die goederen in een door hem
aan te wijzen belastingtijdvak met het verschil in de voorraad worden
verminderd.
Artikel 19
Een in deze afdeling opgenomen regeling mag slechts worden toegepast
met ingang van het boekjaar, volgende op dat waarin de ondernemer van
zijn voornemen daartoe schriftelijk mededeling aan de inspecteur heeft
gedaan. Zij vindt dan toepassing tot het boekjaar, volgende op dat
waarin de ondernemer aan de inspecteur schriftelijk heeft medegedeeld,
dat hij haar niet langer wenst toe te passen.
Afdeling B. Zegelsystemen, waardebonnen enz.
Artikel 20
1.In gevallen waarin bij de levering van goederen of het verrichten
van diensten gratis zegels worden verstrekt die kunnen worden
ingewisseld tegen geld of geldswaardige papieren - al dan niet met
bijbetaling - wordt, in afwijking in zoverre van artikel 29, eerste
lid, onderdeel b, van de wet, de belasting berekend overeenkomstig de
hierna volgende regels:
a. op de totale vergoeding of ontvangsten wordt niets in aftrek
gebracht voor de verstrekte zegels;
b. op de door een ondernemer in een tijdvak verschuldigde
belasting brengt deze in mindering:
1°. ingeval de geldswaarde van de zegels pas te zijnen
laste komt bij inwisseling van de zegels: de belasting over
het bedrag van de in dat tijdvak bij hem ingewisselde zegels;
2°. ingeval de geldswaarde van de zegels reeds te zijnen
laste komt vóór de verstrekking van de zegels: de belasting
over het bedrag van de in dat tijdvak door hem verstrekte
zegels.
2.Onder zegels worden begrepen andere voorwerpen welke een
soortgelijke functie vervullen.
Artikel 21
1.In gevallen waarin de ondernemer aan zijn afnemers bij de
levering van goederen zegels (waardebonnen) verstrekt, welke bij hem
of bij een andere ondernemer kunnen worden ingewisseld tegen goederen
- al dan niet met bijbetaling - wordt de belasting berekend
overeenkomstig de hierna volgende regels:
a. op de totale vergoeding of ontvangsten voor de goederen
waarbij de waardebonnen zijn verstrekt, wordt niets in aftrek
gebracht voor de verstrekte waardebonnen;
b. ter zake van de levering van goederen tegen inwisseling van
de waardebonnen bedraagt de belasting:
1°. indien die goederen aan hetzelfde tarief zijn
onderworpen als die waarbij de waardebonnen zijn verstrekt:
dat tarief over de vergoeding zonder inbegrip van de waarde
van de waardebonnen;
2°. indien die goederen aan 19% zijn onderworpen en de
goederen waarbij de waardebonnen zijn verstrekt, aan 6%:
19/119 van het bedrag van de bijbetaling en (19/119–6/106)
van de resterende winkelwaarde;
3°. indien die goederen aan 6% zijn onderworpen en de
goederen waarbij de waardebonnen zijn verstrekt, aan 19%:
6/106 van het bedrag van de bijbetaling, terwijl over de
resterende winkelwaarde (19/119–6/106) aan belasting wordt
teruggegeven.
2.Onder waardebonnen worden begrepen andere voorwerpen welke een
soortgelijke functie vervullen.
Afdeling C. Aftrek van voorbelasting
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 23 [Vervallen per 01-10-2002]
Artikel 24 [Vervallen per 01-10-2002]
Afdeling D. Bevoorrading van vervoermiddelen
Artikel 24a
1.Van niet in het vrije verkeer zijnde goederen waarmee in
Nederland een vervoermiddel wordt bevoorraad, moet degene voor wie de
goederen zijn bestemd, niet zijnde een ondernemer of lichaam in de zin
van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, aangifte doen. Op de
aangifte en de goederen zijn de wettelijke bepalingen, bedoeld in
artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, van
toepassing als ware sprake van een aangifte voor het vrije verkeer en
van voor de douaneregeling vrij verkeer aangegeven goederen.
2.De in het eerste lid bedoelde goederen worden slechts vrijgegeven
als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van het Communautair
douanewetboek indien wordt aangetoond dat de in het eerste lid van dit
artikel bedoelde aangifte is gedaan.
Afdeling E. Verlegging
Artikel 24b
1. Dit artikel verstaat onder:
a. werknemer, dienstbetrekking en inhoudingsplichtige: hetgeen
daaronder wordt verstaan voor de toepassing van de Wet op de
loonbelasting 1964;
b. aannemer: degene, die zich jegens een ander, de
opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking tegen een te
betalen prijs een werk van stoffelijke aard uit te voeren dat
betrekking heeft op onroerende zaken of schepen als bedoeld in
Bijlage I, deel II, hoofdstuk 89, van verordening (EEG) nr.
2658/87 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli
1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en
het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG L 256), dan wel op de
vervaardiging en elke daarop gerichte handeling van kleding,
andere dan schoeisel;
c. onderaannemer: degene, die zich jegens een aannemer verbindt
om buiten dienstbetrekking tegen een te betalen prijs het in
onderdeel b bedoelde werk geheel of gedeeltelijk uit te voeren.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt de onderaannemer ten
opzichte van zijn onderaannemer als aannemer beschouwd.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een aannemer
gelijkgesteld degene, die zonder daartoe van een opdrachtgever
opdracht te hebben gekregen buiten dienstbetrekking in de normale
uitoefening van zijn bedrijf een in het eerste lid, onderdeel b,
bedoeld werk uitvoert.
4. Voor de toepassing van dit artikel wordt ten opzichte van de
aannemer als onderaannemer beschouwd de verkoper van een toekomstige
zaak, indien en voor zover de koop en verkoop voortvloeit uit of
verband houdt met het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde werk.
5. Als gevallen als zijn bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de
wet worden aangewezen de gevallen waarin:
a. een onderaannemer een in het eerste lid, onderdeel b,
bedoeld werk geheel of gedeeltelijk uitvoert;
b. een werknemer met instandhouding van de dienstbetrekking tot
zijn inhoudingsplichtige ter beschikking is gesteld van een derde
om werkzaam te zijn bij de uitvoering van een in het eerste lid,
onderdeel b, bedoeld werk.
6. Indien het vijfde lid van toepassing is, dient op de uit te
reiken factuur te worden vermeld: omzetbelasting verlegd.
7. De voorgaande leden zijn niet van toepassing:
1°. indien een werk dat betrekking heeft op onroerende zaken
of schepen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, tot de
uitvoering waarvan een onderaannemer zich jegens een aannemer
heeft verbonden, geheel of grotendeels wordt verricht op de
plaats, waar de onderneming van de onderaannemer is gevestigd, of
2°. indien de uitvoering van een werk waartoe een
onderaannemer zich jegens de aannemer heeft verbonden
ondergeschikt is aan een tussen hen gesloten overeenkomst van koop
en verkoop van een bestaande zaak.
8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven
inzake de toepassing van dit artikel.
Artikel 24ba
1. Als gevallen als bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de wet,
worden mede aangewezen de gevallen waarin:
a. een onroerende zaak of een recht waaraan deze is
onderworpen, wordt geleverd met toepassing van artikel 11, eerste
lid, onderdeel a, 2°, van de wet;
b. goud of een halffabrikaat met een zuiverheid van ten minste
325/1000 wordt geleverd aan een ondernemer;
c. beleggingsgoud wordt geleverd met toepassing van het in
artikel 28l van de wet opgenomen keuzerecht;
d. een in zekerheid gegeven roerende of onroerende zaak dan wel
een recht waaraan een onroerende zaak is onderworpen, wordt
geleverd aan een ondernemer tot executie van die zekerheid;
e. een onroerende zaak of een recht waaraan deze is
onderworpen, wordt geleverd aan een ondernemer op grond van een
executoriale titel door de executieschuldenaar;
f. een overdracht plaatsvindt van broeikasgasemissierechten,
als omschreven in artikel 3 van Richtlijn 2003/87/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling
van en regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen
de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de
Raad, die overdraagbaar zijn overeenkomstig artikel 12 van die
richtlijn alsmede de overdracht van andere eenheden die door
exploitanten kunnen worden gebruikt om aan de betreffende
richtlijn te voldoen.
2. Artikel 24b, zesde en achtste lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 24bb
1. Als gevallen als bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de wet,
worden tevens aangewezen de gevallen waarin sprake is van de levering
aan een ondernemer van oude materialen, oude materialen ongeschikt
voor hergebruik in dezelfde staat, industrieel en niet-industrieel
afval, afval voor hergebruik, gedeeltelijk verwerkt afval, schroot, en
van bepaalde goederen en diensten, voorzover het betreft:
a. de levering van resten en afval van ferro- en
non-ferroproducten en oude materialen, halffabrikaten daaronder
begrepen, die het resultaat zijn van het verwerken, vervaardigen
of smelten van ferro- en non-ferrometalen of legeringen daarvan;
b. de levering van ferro- en non-ferrohalffabrikaten en daarmee
samenhangende verwerkingsdiensten;
c. de levering van residuen en andere materialen voor
hergebruik bestaande uit ferro- en non-ferrometalen, legeringen
daarvan, slakken, assen, bladders en industriële residuen die
metalen of legeringen daarvan bevatten, alsmede de diensten
bestaande in het scheiden, snijden, fragmenteren en samenpersen
van deze producten;
d. de levering van en verwerkingsdiensten met betrekking tot
afval van ferro-en non-ferroproducten alsmede snippers, schroot,
resten en afval, en oud materiaal en materiaal voor hergebruik
bestaande uit glasscherven en glas, papier en karton, lompen,
beenderen, leder, kunstleder, perkament, huiden en vellen, pezen
en zenen, bindgaren, touw en kabel, rubber en kunststof;
e. de levering van de in dit lid genoemde materialen na
bewerking in de vorm van reinigen, polijsten, scheiden, snijden,
fragmenteren, samenpersen of gieten tot ingots;
f. de levering van resten en afval dat ontstaat bij de
bewerking van grondstoffen.
2. Artikel 24b, zesde en achtste lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. Dit artikel is niet van toepassing bij levering van de in het
eerste lid genoemde goederen door een wederverkoper met toepassing van
artikel 28b van de wet.
Afdeling F. Fiscaal vertegenwoordiger
Artikel 24c
1.Het verzoek om een vergunning voor een fiscaal vertegenwoordiger
dient de volgende gegevens te bevatten:
a. naam, adres en woonplaats van de verzoeker;
b. het beoogde tijdstip van aanvang van het fiscaal
vertegenwoordigerschap;
c. de vermoedelijke aard en omvang van de belastbare
handelingen per kalenderjaar.
2.Het verzoek om een algemene vergunning voor een fiscaal
vertegenwoordiger dient voorts de volgende gegevens te bevatten:
a. naam, adres en woonplaats van de ondernemer die niet in
Nederland woont of is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting
heeft (in dit hoofdstuk: buitenlandse ondernemer) alsmede, indien
de ondernemer is gevestigd in een Lid-Staat het
btw-identificatienummer dat is toegekend door die Lid-Staat;
b. de aard van het bedrijf van de buitenlandse ondernemer.
3.Tenzij de inspecteur anders bepaalt wordt een vergunning voor een
fiscaal vertegenwoordiger slechts verleend indien de verzoeker:
a. in Nederland woont of is gevestigd;
b. in de afgelopen vijf jaren niet wegens overtreding van de
wettelijke bepalingen inzake rijksbelastingen dan wel douane
onherroepelijk is veroordeeld;
c. een administratie voert die voldoet aan bij ministeriële
regeling te stellen voorwaarden;
d. onder de in het zevende lid genoemde voorwaarden zekerheid
stelt tot het beloop van een door de inspecteur vastgesteld
bedrag;
e. op verzoek aan de inspecteur de inlichtingen verstrekt die
noodzakelijk zijn om het beloop van de zekerheid vast te stellen.
4.De verlening van een algemene vergunning voor een fiscaal
vertegenwoordiger is tevens gebonden aan de volgende voorwaarden:
a. de verzoeker treedt op namens de buitenlandse ondernemer
voor alle leveringen en diensten waarvoor belasting is
verschuldigd en de intracommunautaire verwervingen en invoer
behoudens in de gevallen dat een fiscaal vertegenwoordiger met een
beperkte vergunning is aangesteld;
b. de verzoeker is per kalenderjaar mede aansprakelijk voor de
verschuldigde belasting en de daarmee samenhangende heffingsrente,
invorderingsrente en administratieve boetes tot een maximum van de
gestelde zekerheid.
5.De verlening van een beperkte vergunning voor een fiscaal
vertegenwoordiger is tevens gebonden aan de volgende voorwaarden:
a. de verzoeker kan namens de buitenlandse ondernemer waarvoor
hij als fiscaal vertegenwoordiger met een beperkte vergunning is
aangesteld, optreden voor:
1°. de invoer van goederen;
2°. de op de invoer volgende levering van goederen andere
dan bedoeld in artikel 5a, eerste lid, van de wet;
3°. de levering van goederen met toepassing van het tarief
van nihil op de voet van tabel II, onderdeel a, post 7 of 8,
van de wet;
4°. de intracommunautaire verwerving van goederen die
voorafgaat aan een levering als bedoeld onder 3°;
5°. de levering van goederen met toepassing van het tarief
van nihil op de voet van tabel II, onderdeel a, post 2 of 6,
van de wet die volgt op een levering als bedoeld onder 3°;
6°. de levering bedoeld in de bij de wet behorende tabel
II, onderdeel a, post 7, Bijzondere bepaling, dan wel post 8,
Bijzondere bepaling, voor de buitenlandse ondernemer indien de
levering aan hem is verricht, alsmede voor de door die
ondernemer te verrichten volgende levering.
b. de verzoeker is mede aansprakelijk voor de belasting die is
verschuldigd ter zake van de in onderdeel a genoemde belastbare
handelingen en de daarmee samenhangende heffingsrente,
invorderingsrente en administratieve boetes.
6.De aansprakelijkstelling op grond van het vierde en het vijfde
lid vindt plaats met toepassing van hoofdstuk VI, afdeling 2, van de
Invorderingswet 1990.
7.Het bedrag van de zekerheid wordt door de inspecteur zodanig
vastgesteld dat de te verhalen bedragen voldoende verzekerd kunnen
worden geacht. De ontvanger beslist of de door de verzoeker aangeboden
vorm van zekerheid wordt aanvaard. Het bedrag van de zekerheid kan
door de inspecteur worden gewijzigd.
8.De inspecteur kan de vergunning intrekken of wijzigen:
a. op verzoek van de fiscaal vertegenwoordiger met
schriftelijke instemming van de buitenlandse ondernemer;
b. op verzoek van de buitenlandse ondernemer;
c. indien de fiscaal vertegenwoordiger niet meer voldoet aan de
aan de vergunning gebonden voorwaarden.
De buitenlandse ondernemer wordt van de intrekking van de
vergunning in kennis gesteld, alsmede van de gronden waarop deze
berust.
Artikel 24d
1.De buitenlandse ondernemer die in Nederland belasting
verschuldigd is ingevolge artikel 5a, eerste lid, van de wet, stelt
een fiscaal vertegenwoordiger met een algemene vergunning aan wanneer
het hoofdkantoor of de vestiging van de ondernemer is gelegen in een
derde-land waarmee geen rechtsinstrument inzake wederzijdse bijstand
bestaat als bedoeld in artikel 204, lid 1, tweede alinea, van de
BTW-richtlijn 2006.
2.De buitenlandse ondernemer is gehouden een fiscaal
vertegenwoordiger aan te stellen voor de levering die aan hem wordt
verricht en waarvoor van hem de belasting wordt geheven ingevolge de
bij de wet behorende tabel II, onderdeel a, post 7, Bijzondere
bepaling, dan wel post 8, Bijzondere bepaling. De eerste volzin is
eveneens van toepassing op de door de buitenlandse ondernemer
verrichte levering die volgt op de aldaar bedoelde levering.
Hoofdstuk VI
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-1993]
Hoofdstuk VII
Artikel 25a [Vervallen per 01-01-1993]
Slotbepaling
Artikel 26
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1969.
2. Dit besluit kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbesluit
omzetbelasting 1968.
Onze Minister van
Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad
zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
Porto Ercole, 12 augustus 1968
JULIANA
De Staatssecretaris van
Financiën,
F.H.M. Grapperhaus
Uitgegeven de tweeëntwintigste
augustus 1968
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
Bijlage A
a. De waarde van een canon, een
retributie, een huur of een uitkering van het leven van één
persoon afhankelijk, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag,
vermenigvuldigd met:
|
16, |
wanneer degene gedurende wiens
leven de schuldplichtigheid moet plaatshebben |
jonger dan 20 jaar is, |
|
15, |
20 jaar of ouder, doch jonger dan
30 jaar is, |
|
14, |
30 jaar of ouder, doch jonger dan
40 jaar is, |
|
13, |
40 jaar of ouder, doch jonger dan
50 jaar is, |
|
12, |
50 jaar of ouder, doch jonger dan
55 jaar is, |
|
11, |
55 jaar of ouder, doch jonger dan
60 jaar is, |
|
10, |
60 jaar of ouder, doch jonger dan
65 jaar is, |
|
8, |
65 jaar of ouder, doch jonger dan
70 jaar is, |
|
7, |
70 jaar of ouder, doch jonger dan
75 jaar is, |
|
5, |
75 jaar of ouder, doch jonger dan
80 jaar is |
|
4, |
80 jaar of ouder, doch jonger dan
85 jaar is, |
|
3, |
85 jaar of ouder, doch jonger dan
90 jaar is, |
|
2, |
90 jaar of ouder is. |
b. De waarde van een canon, een
retributie, een huur of een uitkering die na een bepaalde tijd
vervalt, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, vermenigvuldigd
met het aantal jaren gedurende welke zij moet plaatshebben, iedere
euro berekend tegen de volgende bedragen:
| |
indien de
schuldplichtigheid afhankelijk is van het leven van een persoon |
|
|
|
| |
jonger dan 40 jaar |
40 jaar of ouder,
doch jonger dan 60 jaar |
60 jaar of ouder |
indien de
schuldplichtigheid niet van het leven afhankelijk is |
|
het eerste vijftal jaren |
0,84 |
0,83 |
0,75 |
0,85 |
|
het tweede vijftal jaren |
0,62 |
0,60 |
0,40 |
0,64 |
|
het derde vijftal jaren |
0,46 |
0,42 |
0,15 |
0,48 |
|
het vierde vijftal jaren |
0,34 |
0,28 |
0,04 |
0,36 |
|
het vijfde vijftal jaren |
0,25 |
0,18 |
0,02 |
0,28 |
|
de volgende jaren |
0,12 |
0,06 |
– |
0,15 |
c. De waarde van een canon, een
retributie, een huur of een uitkering voor onbepaalde tijd, die
niet van het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het
zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag.
d. De overeenkomstig onderdeel b
berekende waarde kan, indien de schuldplichtigheid:
1. van het leven afhankelijk
is, niet hoger zijn dan de waarde die verkregen zou zijn,
wanneer de schuldplichtigheid niet tevens na een bepaalde tijd
zou vervallen;
2. niet van het leven
afhankelijk is, niet hoger zijn dan het zeventienvoud van het
jaarlijkse bedrag.
e. Een canon, een retributie, een
huur of een uitkering die vervalt bij het overlijden:
1. van de langstlevende van
twee of meer personen, wordt gelijkgesteld met een canon, een
retributie, een huur of een uitkering, afhankelijk van het
leven van iemand die vijf jaren jonger is dan de jongste van
de vorenbedoelde personen;
2. van de eerststervende van
twee of meer personen, wordt gelijkgesteld met een canon, een
retributie, een huur of een uitkering, afhankelijk van het
leven van iemand die vijf jaren ouder is dan de oudste van de
vorenbedoelde personen.
f. Een canon, een retributie, een
huur of een uitkering tot een onzeker jaarlijks bedrag wordt
gelijkgesteld met een canon, een retributie, een huur of een
uitkering tot het geschatte gemiddelde jaarlijkse bedrag.
g. De waarde van een
schuldplichtigheid, niet vallende onder een van de vorige leden,
wordt gesteld op het bedrag waarvoor zodanige schuldplichtigheid
zou kunnen worden verkocht.
h. Een canon, een retributie, een
huur of een uitkering tot andere zaken dan geld, wordt
gelijkgesteld met een canon, een retributie, een huur of een
uitkering tot een jaarlijks bedrag gelijk aan de waarde welke aan
die zaken in het economische verkeer kan worden toegekend.
Bijlage B
a. [Vervallen;]
b. De leveringen en diensten als
bedoeld in artikel 7 van het besluit, die als zodanig worden
verricht door de hierna genoemde instellingen:
1. kruisverenigingen;
2. instellingen tot bestrijding
van de tuberculose;
3. instellingen voor
reumatiekbestrijding;
4. instellingen werkzaam op het
gebied van de Eerste Hulp Bij Ongevallen;
5. instellingen werkzaam op het
gebied van adoptiebemiddeling;
6. scholen voor langdurig zieke
kinderen;
7. consultatiebureaus voor
alcohol en drugs;
8. bureaus voor seksuele en
huwelijksvoorlichting, alleen voor diensten;
9. instellingen van verpleging,
kraam- en gezinsverzorging, voor zover de diensten niet reeds
kunnen worden gerangschikt onder artikel 11, eerste lid,
onderdelen c of g , van de wet;
10. speeltuinverenigingen;
11. [vervallen;]
12. dagverblijven voor
gehandicapten;
13. ziekenhuizen, poliklinieken,
psychiatrische inrichtingen en dergelijke inrichtingen, voor
zover de diensten niet reeds kunnen worden gerangschikt onder
artikel 11, eerste lid, onderdeel c , van de wet;
14. instellingen van zeemanszorg,
mede voor het verstrekken van spijzen en dranken;
15.
a. instellingen die werkzaam
zijn op het terrein van op preventie gerichte ondersteuning
van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met
problemen met opvoeden als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder g, onderdeel 2, van de Wet maatschappelijke
ondersteuning, voor zover werkzaam op het gebied van het
jeugd- en jongerenwerk;
b. instellingen op het
terrein van het bevorderen sociale samenhang in en
leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 1, van de Wet
maatschappelijke ondersteuning, voor zover werkzaam op het
gebied van het club- en buurthuiswerk;
16. instellingen die zich
bezighouden met vormingswerk in internaatsverband, mede voor het
verstrekken van spijzen en dranken;
17. [vervallen;]
18. [vervallen;]
19. instellingen die zich ten
doel stellen de bestrijding van bos- en heidebranden;
20. [vervallen;]
21. [vervallen;]
22. militaire tehuizen, mede voor
het verstrekken van spijzen en dranken;
23. bejaardenoorden en andere
instellingen op het gebied van bejaardenzorg voor prestaties die
in het bijzonder zijn gericht op het handhaven of bevorderen van
de mogelijkheden voor ouderen om zo lang mogelijk zelfstandig te
blijven wonen, alsmede voor het verstrekken van spijzen en
dranken;
24. [vervallen;]
25. gemeenten of door gemeenten
aangewezen rechtspersonen voor prestaties verricht op grond van
artikel 7 van de Wet werk en bijstand;
26. [vervallen;]
27. instellingen die
schoolbegeleiding verzorgen als bedoeld in artikel 180 van de
Wet op het primair onderwijs, artikel 166 van de Wet op de
expertisecentra en artikel 18 van de Wet op het voortgezet
onderwijs;
28. [vervallen;]
29. instellingen voor algemeen
maatschappelijk en bedrijfsmaatschappelijk werk;
30. stichtingen en zorgaanbieders
als bedoeld in artikel 1, eerst lid, van de Wet op de jeugdzorg,
mede voor het verstrekken van spijzen en dranken;
31. natuurijsbanen, alleen voor
het geven van gelegenheid tot sportbeoefening;
32. instellingen ter bestrijding
van hart- en vaatziekten voorzover het reanimatieonderwijs
betreft, die daarvoor via convenanten nauw samenwerken met de
Nederlandse Hartstichting;
33. instellingen die werkzaam
zijn op het gebied van schuldhulpverlening, met uitzondering van
bewindvoering in het kader van de wettelijke schuldregeling,
voorzover de diensten niet reeds kunnen worden gerangschikt
onder artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de wet;
34. amateurtoneelverenigingen;
35. amateurmuziekverenigingen;
36. carnavalsverenigingen;
37. kleindierverenigingen.
Algemene aantekening
Als leveringen en diensten van sociale of
culturele aard worden niet aangemerkt de leveringen van goederen welke
door de in onderdeel b bedoelde instellingen in het kader van
arbeidstherapie zijn voortgebracht en de diensten welke door die
instellingen in dat kader worden verricht.
Als diensten van sociale of culturele
aard worden voorts niet aangemerkt diensten als bedoeld in artikel 11,
eerste lid, onderdeel g, onder 2°, van de wet, die worden verleend aan
personen die niet beschikken over een in dat onderdeel g, onder 2°,
bedoeld indicatiebesluit of besluit op grond van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten of ingevolge de Wet maatschappelijke
ondersteuning.
De in onderdeel b bedoelde instellingen,
behoudens die bedoeld in de posten 12, voor zover betrekking hebbend op
gehandicapten die beschikken over een indicatiebesluit op grond van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, 29, 30 en 33 van onderdeel b,
mogen niet systematisch het maken van winst beogen en, zo er wel winst
wordt gemaakt, mogen zij deze niet uitkeren, maar moet die winst worden
aangewend voor de instandhouding of verbetering van de leveringen en
diensten die worden verleend.
Bijlage C
[Vervallen]
|