BESLUIT van 7 maart 1985, houdende vaststelling van
een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 31a,
vijfde lid, van de Wet op de ondernemingsraden 1985
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
30 november 1984, Directoraat-Generaal voor Algemene
Beleidsaangelegenheden, Directie Bijzondere Vraagstukken van
Arbeidsverhoudingen, nr. BVA/84/4963/M&O, gedaan mede namens Onze
Minister van Justitie;
Gelet op artikel 31a, vijfde lid, van de
Wet op de ondernemingsraden, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de
Wet van 7 december 1983, Stb. 1983, 663;
De Raad van State gehoord (advies van 12
februari 1985, nr. W12.84.0727/12.5.06);
Gezien het nader rapport van Onze Ministers van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Justitie van 25 februari 1985,
Directoraat-Generaal voor Algemene Beleidsaangelegenheden, nr. ABA/BVA/85/785/M&O;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. ondernemer: de ondernemer, bedoeld in de Wet op de
ondernemingsraden (Stb. 1979, 449) die een ondernemingsraad
heeft ingesteld, met uitzondering van de coöperatieve vereniging,
de onderlinge waarborgmaatschappij, de naamloze vennootschap en de
besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid;
b. ondernemingsraad: de door de ondernemer ingestelde
ondernemingsraad waarop de bepalingen van de Wet op de
ondernemingsraden van toepassing zijn;
c. jaarstukken: de balans en de staat van baten en lasten, beide
met toelichting.
Artikel 2
De ondernemer die een natuurlijk persoon is, verstrekt jaarlijks
binnen zes maanden na afloop van het boekjaar ter bespreking aan de
ondernemingsraad jaarstukken betreffende de werkzaamheden die hij
verricht door middel van de onderneming waarvoor de ondernemingsraad is
ingesteld. De ondernemer verstrekt daarbij tevens de gegevens en
mededelingen als bedoeld in de artikelen 31a , eerste, zesde en
zevende lid, en 31b van de Wet op de ondernemingsraden.
Artikel 3
1. De ondernemer die een rechtspersoon is, verstrekt jaarlijks
binnen zes maanden na afloop van het boekjaar ter bespreking aan de
ondernemingsraad jaarstukken betreffende die rechtspersoon.
2. Is de ondernemer een kerkgenootschap of een zelfstandig
onderdeel daarvan, of een ander genootschap op geestelijke grondslag,
dan kan hij in plaats van jaarstukken betreffende die rechtspersoon, ter
bespreking aan de ondernemingsraad jaarstukken verstrekken betreffende
de werkzaamheden die hij verricht door middel van de onderneming
waarvoor de ondernemingsraad is ingesteld.
3. De ondernemer verstrekt daarbij tevens de gegevens en
mededelingen als bedoeld in de artikelen 31a , eerste, zesde en
zevende lid, en 31b van de Wet op de ondernemingsraden.
Artikel 4
1. Indien twee of meer personen te zamen werkzaamheden
verrichten in de vorm van een maatschap of een niet
rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap, draagt ieder van hen
zorg dat jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar ter
bespreking aan de ondernemingsraad jaarstukken worden verstrekt
betreffende die maatschap of vennootschap. Daarbij worden tevens de
gegevens en mededelingen als bedoeld in de artikelen 31a ,
eerste, zesde en zevende lid, en 31b van de Wet op de
ondernemingsraden, verstrekt.
2. Indien de maatschap of de niet rechtspersoonlijkheid
bezittende vennootschap een bestuur heeft, dan rusten de in dit besluit
vermelde verplichtingen op het bestuur.
Artikel 5
1. De jaarstukken geven volgens normen die in het
maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig
inzicht, dat de ondernemingsraad zich een verantwoord oordeel kan
vormen omtrent het vermogen en het resultaat alsmede, voor zover de
aard van jaarstukken dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de
liquiditeit van de betrokken ondernemer, maatschap of niet
rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap. De jaarstukken zijn in
de Nederlandse taal gesteld.
2. De balans met toelichting geeft getrouw, duidelijk en
stelselmatig de grootte van het vermogen en zijn samenstelling in
actief- en passiefposten op het einde van het boekjaar weer. De staat
van baten en lasten met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en
stelselmatig de grootte van het resultaat en zijn afleiding uit de
posten van baten en lasten weer.
3. De toelichtingen geven een uiteenzetting van de grondslagen
van de waardering van de activa en passiva en van de bepaling van de
baten en lasten. Slechts wegens gegronde redenen mogen de waardering van
de activa en passiva en de bepaling van de baten en lasten geschieden op
andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande boekjaar zijn
toegepast. De reden der verandering, alsmede haar betekenis voor het
vermogen en de baten en lasten worden in de toelichting uiteengezet.
4. De jaarstukken dienen voorts te voldoen aan de overige in dit
besluit gestelde eisen, tenzij dit zou leiden tot afzonderlijke
vermelding van posten die in het geheel van de jaarstukken van te
verwaarlozen betekenis zijn.
Artikel 6
Indien de jaarstukken zijn onderzocht door een accountant, die
daaromtrent een verklaring heeft afgelegd, wordt deze verklaring
eveneens aan de ondernemingsraad verstrekt.
Artikel 7
Indien de ondernemer deel uitmaakt van in een groep verbonden
ondernemers, verstrekt hij ter bespreking aan de ondernemingsraad tevens
schriftelijke gegevens waaruit de ondernemingsraad zich een verantwoord
oordeel kan vormen omtrent het gemeenschappelijk vermogen en het
gezamenlijke resultaat van de ondernemingen van die groep ondernemers.
Indien deze gegevens zijn opgenomen in een groepsjaarrekening als
bedoeld in artikel 379, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek, dan verstrekt de ondernemer deze groepsjaarrekening met het
groepsjaarverslag en de daarbij te voegen overige gegevens, bedoeld in
artikel 392 van dat boek, ter bespreking aan de ondernemingsraad.
Artikel 8
Indien de jaarstukken betrekking hebben op meer dan één
onderneming, verstrekt de ondernemer ter bespreking aan de
ondernemingsraad tevens schriftelijke gegevens waaruit deze zich een
verantwoord oordeel kan vormen omtrent de mate waarin de onderneming
waarvoor hij is ingesteld tot het gezamenlijke resultaat van die
ondernemingen heeft bijgedragen.
Hoofdstuk 2. Voorschriften omtrent de balans en de toelichting
Artikel 9
1. De balans bevat tenminste, voor zover van toepassing, de
volgende gegevens:
a. het totaal van de vaste activa, alsmede een onderscheiding naar
de immateriële activa, de materiële activa, de deelnemingen en de
andere financiële activa;
b. het totaal van de vlottende activa, alsmede een onderscheiding
naar de voorraden, de vorderingen en de liquide middelen;
c. het totaal van de passiva, met een onderscheiding naar het eigen
vermogen, de voorzieningen, de schulden op lange termijn en de
schulden op korte termijn.
2. De indeling van de balans mag slechts wegens gegronde redenen
afwijken van die van het voorafgaande boekjaar.
3. Zoveel mogelijk wordt bij iedere in het eerste lid genoemde
post het vergelijkbare bedrag van het voorafgaande boekjaar vermeld.
Artikel 10
1. In de toelichting op de balans worden, voor zover de balans
deze gegevens niet vermeldt, de materiële vaste activa tenminste
onderscheiden in:
a. bedrijfsgebouwen en -terreinen;
b. machines en installaties;
c. andere vaste bedrijfsmiddelen, zoals technische en
administratieve uitrusting;
d. materiële vaste bedrijfsactiva in uitvoering en
vooruitbetalingen op materiële vaste activa;
e. niet aan het productie- of dienstverleningsproces dienstbare
materiële vaste activa.
2. Indien de ondernemer met betrekking tot de in het eerste lid
bedoelde activa slechts een beperkt zakelijk of persoonlijk duurzaam
genotsrecht heeft, wordt dit in de toelichting vermeld.
3. In de toelichting wordt afzonderlijk melding gemaakt van ten
behoeve van deelnemers en derden gegeven garanties, voor zover daarvoor
op de balans geen voorzieningen zijn opgenomen.
4. Wijkt de indeling van de balans af van die van het
voorafgaande boekjaar, dan worden in de toelichting de verschillen
aangegeven en de redenen die tot afwijking hebben geleid uiteengezet.
Hoofdstuk 3. Voorschriften omtrent de staat van baten en lasten en de
toelichting
Artikel 11
1. De staat van baten en lasten bevat tenminste, voor zover van
toepassing, de volgende gegevens:
a. de baten en lasten van het productie- of dienstverleningsproces;
b. de baten en lasten uit deelnemingen;
c. de baten en lasten uit beleggingen;
d. de rentebaten en rentelasten;
e. de overige baten en lasten;
f. de buitengewone baten en lasten;
g. het resultaat voor belastingen;
h. het bedrag der verschuldigde vennootschapsbelasting, en het
resultaat na aftrek van deze belasting.
2. De indeling van de staat van baten en lasten mag slechts
wegens gegronde redenen afwijken van die van het voorafgaande boekjaar.
3. Zoveel mogelijk wordt bij iedere in het eerste en in het
tweede lid genoemde post het vergelijkbare bedrag van het voorafgaande
boekjaar vermeld en tevens, indien voor het betrokken boekjaar een
raming of een begroting van baten en lasten was opgesteld, het bedrag
dat in die raming of begroting was vermeld.
Artikel 12
1. In de toelichting op de staat van baten en lasten worden,
voor zover de staat deze gegevens niet vermeldt, ten aanzien van de
baten, tenminste afzonderlijk vermeld:
a. de subsidies met vermelding van de subsidieverlener;
b. de contributies;
c. de giften;
d. de legaten en erfstellingen.
2. In de toelichting op de staat van baten en lasten worden, voor
zover de staat deze gegevens niet vermeldt, ten aanzien van de lasten,
tenminste afzonderlijk vermeld:
a. de lonen;
b. de sociale lasten met afzonderlijke vermelding van de
pensioenlasten ten behoeve van de werknemers;
c. de afschrijvingen en waardeveranderingen ten laste van de
immateriële, materiële en financiële vaste activa, gesplitst naar
die groepen van activa.
3. Is de ondernemer geen rechtspersoon, dan wordt in de
toelichting vermeld of er ondernemersloon begrepen is in het totaal
bedrag van de lonen.
4. Wijkt de indeling van de staat van baten en lasten af van die
van het voorafgaande boekjaar, dan worden in de toelichting de
verschillen aangegeven en de redenen die tot afwijking hebben geleid,
uiteengezet.
Hoofdstuk 4. Bepalingen omtrent ondernemingen van onderscheiden aard
Artikel 13
1. De ondernemer die een krachtens artikel 5 van de Wet
toelating zorginstellingen als ziekenhuis toegelaten instelling
beheert en die krachtens artikel 15 van die wet een balans en een
resultatenrekening heeft vastgesteld, verstrekt deze stukken ter
bespreking aan de ondernemingsraad in plaats van jaarstukken die zijn
ingericht volgens de voorschriften van de hoofdstukken 2 en 3.
2. De ondernemer die een toegelaten instelling is als bedoeld in
artikel 59, eerste lid, van de Woningwet, en op grond van het Besluit
toegelaten instellingen volkshuisvesting een beredeneerd verslag van de
werkzaamheden en een jaarrekening heeft vastgesteld, verstrekt deze
stukken ter bespreking aan de ondernemingsraad in plaats van jaarstukken
die zijn ingericht volgens de voorschriften van de hoofdstukken 2 en 3.
3. De ondernemer die het kredietbedrijf uitoefent en op grond van
artikel 3:71 van de Wet op het financieel toezicht een jaarrekening
heeft vastgesteld, verstrekt deze jaarrekening ter bespreking aan de
ondernemingsraad in plaats van jaarstukken die zijn ingericht volgens de
voorschriften van de hoofdstukken 2 en 3. Indien de ondernemer zijn
bedrijf ook buiten Nederland uitoefent, verstrekt hij tevens
schriftelijke gegevens waaruit de ondernemingsraad zich een verantwoord
oordeel kan vormen omtrent het vermogen en het resultaat van het gehele
bedrijf van de ondernemer.
4. De ondernemer die het levens- of schadeverzekeringsbedrijf
uitoefent en krachtens wettelijke verplichting een verslag heeft
opgemaakt, verstrekt dit verslag ter bespreking aan de ondernemingsraad
in plaats van jaarstukken die zijn ingericht volgens de voorschriften
van de hoofdstukken 2 en 3. Indien de ondernemer zijn bedrijf ook buiten
Nederland uitoefent, verstrekt hij tevens schriftelijke gegevens waaruit
de ondernemingsraad zich een verantwoord oordeel kan vormen omtrent het
vermogen en het resultaat van het gehele bedrijf van de ondernemer.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 14
Het besluit verstrekking financiële informatie aan ondernemingsraden
van 22 april 1980 (Stb. 1980, 226) wordt ingetrokken.
Artikel 15
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag
na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1985.
2. Het vindt ten aanzien van iedere betrokken ondernemer voor het
eerst toepassing ten aanzien van het boekjaar dat in 1984 is
aangevangen.
Artikel 16
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit verstrekking
financiële informatie aan ondernemingsraden 1985.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
’s-Gravenhage, 7 maart 1985
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. de Koning
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Uitgegeven de achtentwintigste maart 1985
De Minister van Justitie a.i.,
Rietkerk