§ 1. Definities
Artikel 1
In deze verordening wordt verstaan onder:
|
a. |
de wet: |
de Wet op de ondernemingsraden; |
|
b. |
de Minister: |
de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid; |
|
c. |
de Raad: |
de Sociaal-Economische Raad. |
§ 2. De samenstelling van de
bedrijfscommissies
Artikel 2
1.
De leden en de plaatsvervangende leden van
een bedrijfscommissie worden benoemd voor een zittingsperiode van vier
jaar. Zij treden tegelijk af en kunnen terstond opnieuw worden benoemd.
2.
Het tijdstip waarop de eerste
zittingsperiode aanvangt, wordt bepaald door de Raad.
3.
Hij die tot lid of tot plaatsvervangend lid
van een bedrijfscommissie is benoemd ter vervulling van een tussentijds
opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene, in wiens
plaats hij is benoemd, had moeten aftreden.
4.
Ten minste zes maanden voor het begin van
iedere zittingsperiode wint de Raad het advies in van de
bedrijfscommissie inzake de vraag of er grond bestaat wijziging te
brengen in de krachtens artikel 38 van de wet door de Raad gedane
aanwijzing van organisaties dan wel bepaling van het aantal leden dat
elke aangewezen organisatie kan benoemen. Van het inwinnen van het
advies wordt door de Raad mededeling gedaan in het Mededelingenblad
Bedrijfsorganisatie.
Artikel 3
1.
Van de benoeming van een lid of een
plaatsvervangend lid doet de organisatie die de benoeming verrichtte,
mededeling aan de bedrijfscommissie.
2.
Indien een organisatie niet binnen twee
maanden nadat zij tot het benoemen van een of meer leden of
plaatsvervangende leden van een bedrijfscommissie is aangewezen alsmede
uiterlijk vier weken voor het begin van iedere zittingsperiode van de
commissie, dan wel binnen twee maanden nadat een door haar vervulde
plaats in de commissie is opengevallen, een aantal mededelingen, als
bedoeld in het eerste lid, overeenkomende met het aantal door haar te
benoemen leden of bestuursleden, heeft doen toekomen aan de commissie,
doet de bedrijfscommissie hiervan binnen een week mededeling aan de
voorzitter van de Raad.
Artikel 4
1.
Een bedrijfscommissie wijst uit haar midden
een lid, benoemd door een organisatie van ondernemers, en een lid,
benoemd door een organisatie van werknemers, aan, die bij toerbeurt
volgens een door de commissie op te maken rooster als voorzitter en
plaatsvervangend voorzitter van de commissie optreden.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de
bedrijfscommissie een voorzitter buiten haar leden aanwijzen en aan deze
al dan niet stemrecht toekennen.
Artikel 5
Een bedrijfscommissie kan al dan niet uit
haar midden commissies of kamers instellen. Aan deze commissies of
kamers kunnen, geheel of gedeeltelijk en al dan niet voorwaardelijk,
bevoegdheden van de bedrijfscommissie worden overgedragen.
Artikel 6
De Raad draagt de kosten en voorziet in de
secretariële ondersteuning van de bedrijfscommissies.
§ 3. De werkwijze van de bedrijfscommissies
Artikel 7
Een bedrijfscommissie vergadert niet, indien
blijkens de presentielijst niet meer dan de helft van de zitting
hebbende leden is opgekomen. Nadat eenmaal tot een vergadering is
opgeroepen, zonder dat meer dan de helft van de zitting hebbende leden
is opgekomen, wordt de daarna uitgeschreven vergadering gehouden,
ongeacht het aantal opgekomen leden.
Artikel 8
De leden van een bedrijfscommissie stemmen
zonder last of ruggespraak.
Artikel 9
De leden van een bedrijfscommissie onthouden
zich van medestemmen over zaken die hun, hun echtgenoten of hun
geregistreerde partners of hun bloed- of aanverwanten tot de derde graad
ingesloten, persoonlijk aangaan, dan wel op grond van andere feiten of
omstandigheden waardoor hun onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
Artikel 10
1.
Over zaken wordt mondeling, over personen
bij gesloten en ongetekende briefjes gestemd.
2.
Indien bij het nemen van een besluit over
een zaak geen der leden stemming vraagt, wordt het voorstel geacht te
zijn aangenomen.
Artikel 11
1.
Een stemming is nietig, indien niet meer dan
de helft van het aantal zitting hebbende leden, die zich niet van
medestemmen moeten onthouden, aan de stemming heeft deelgenomen.
2.
Bij stemming over personen worden leden die
blanco briefjes hebben ingeleverd, voor de toepassing van dit artikel
geacht aan de stemming te hebben deelgenomen.
3.
In geval van een nietige stemming vindt in
een volgende vergadering herstemming plaats. Deze is geldig, ongeacht
het aantal leden dat eraan heeft deelgenomen.
4.
Een stemming, gehouden in een vergadering
als bedoeld in de tweede volzin van artikel 7, is geldig, ongeacht het
aantal leden dat aan de stemming heeft deelgenomen.
Artikel 12
1.
Ieder lid kan één stem uitbrengen.
2.
Voor het tot stand komen van een besluit is
de volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen vereist. Blanco
stemmen worden geacht niet te zijn uitgebracht.
Artikel 13
1.
Bij staking van stemmen in een voltallige
vergadering wordt, indien het zaken betreft, het voorstel geacht niet te
zijn aangenomen, en beslist, indien het personen betreft, het lot.
2.
Rij staking van stemmen in een andere dan
een voltallig vergadering wordt het nemen van een besluit tot een
volgende vergadering uitgesteld, waarin de beraadslagingen kunnen worden
heropend. Indien de stemmen dan opnieuw staken, is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 14
1.
Na ontvangst van een verzoek om bemiddeling
als bedoeld in artikel 36, derde lid, van de wet, gaat de
bedrijfscommissie na of zij bevoegd is om van het verzoek kennis te
nemen en of het verzoek voldoende is omschreven, gemotiveerd en
gedocumenteerd.
2.
De bedrijfscommissie zendt een verzoek als
bedoeld in het eerste lid, tot behandeling waarvan kennelijk een andere
bedrijfscommissie bevoegd is, onverwijld door naar die commissie, onder
gelijktijdige mededeling daarvan aan de verzoeker.
3.
Verklaart de bedrijfscommissie zich
onbevoegd op een andere grond dan in het tweede lid bedoeld, of
verklaart zij de verzoeker niet ontvankelijk, dan geeft zij daarvan
onverwijld een gemotiveerde mededeling aan de verzoeker.
4.
Acht de bedrijfscommissie een verzoek
onvoldoende omschreven, gemotiveerd of gedocumenteerd, dan bericht zij
aan verzoeker op welke punten en met welke documenten deze zijn verzoek
dient aan te vullen. Zij stelt daarbij aan de verzoeker een termijn. Een
verzoek om bemiddeling is in ieder geval onvoldoende gemotiveerd,
wanneer de verzoeker daarin niet zijn zienswijze weergeeft op hetgeen
blijkens de door hem overgelegde documenten zijn wederpartij in het
geschil schriftelijk heeft aangevoerd.
5.
De termijn waarbinnen een bedrijfscommissie
overeenkomstig artikel 36, derde lid, van de wet, schriftelijk verslag
van haar bevindingen dient uit te brengen, vangt aan op de dag waarop
het verzoek bij de bevoegde bedrijfscommissie is ontvangen, maar wordt
opgeschort met ingang van de dag waarop een bedrijfscommissie krachtens
het vierde lid de verzoeker uitnodigt het verzoek aan te vullen, tot de
dag waarop het verzoek is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn
ongebruikt is verstreken.
6.
Acht de bedrijfscommissie zich bevoegd en
acht zij het verzoek voldoende omschreven, gemotiveerd en
gedocumenteerd, dan doet zij daarvan mededeling aan de verzoeker en
diens wederpartij, en informeert hen daarbij over de procedure en de
vermoedelijke duur daarvan, alsmede de aanvang van de termijn, bedoeld
in het vijfde lid, en de eventuele opschorting daarvan.
7.
Onverminderd artikel 36, derde lid, laatste
volzin, van de wet verlengt de bedrijfscommissie de termijn in elk geval
indien een van de partijen zulks verzoekt en de andere partij daarmee
instemt.
8.
Indien de bedrijfscommissie er niet in
slaagt het schriftelijk verslag binnen de wettelijk bepaalde uiterste
termijn uit te brengen, stelt zij beide partijen daarvan zo spoedig
mogelijk in kennis.
Artikel 15
1.
Aangaande de wijze waarop zij, gelet op de
betrokken omstandigheden, tussen de partijen in het geschil zal
bemiddelen, beslist de bedrijfscommissie naar eigen oordeel, met dien
verstande dat zij daarbij het bepaalde in artikel 36, derde lid, van de
wet in acht neemt en voorts de partijen in de gelegenheid stelt hun
standpunten op een hoorzitting toe te lichten.
2.
Het schriftelijk verslag dat de
bedrijfscommissie overeenkomstig artikel 36, derde lid, van de wet
opmaakt van de bevindingen waartoe zij bij haar bemiddeling is gekomen,
bevat ten minste de volgende onderdelen:
- de datum waarop de bemiddeling is
gevraagd;
- een duidelijke vermelding van de partijen
bij het geschil;
- een omschrijving van het geschil en van de
standpunten en argumenten van partijen, onder vermelding van het artikel
of de artikelen van de wet waarop het geschil betrekking heeft;
- een mededeling over de wijze waarop de
bedrijfscommissie tussen partijen heeft bemiddeld;
- een advies aan partijen over de oplossing
van het geschil;
- de datum van het verslag.
3.
De bedrijfscommissie zendt een afschrift van
het verslag zo spoedig mogelijk aan de verzoeker en diens wederpartij.
Artikel 16
Een bedrijfscommissie dient de Minister en
de Raad en zijn commissies desgevraagd of uit eigen beweging van bericht
en advies over alle zaken haar werkterrein betreffende.
Artikel 17
1.
De bedrijfscommissie houdt een register bij
van de tot haar werkterrein behorende ondernemingen waarvoor met
inachtneming van de wet een ondernemingsraad is ingesteld. Onder ‘ondernemingsraad’
wordt mede verstaan: centrale ondernemingsraad en groeps
ondernemingsraad.
2. Bij
elke inschrijving van een onderneming in dit register worden vermeld:
- naam en adres van de onderneming;
- naam van de ondernemer die de onderneming
in stand houdt;
- datum waarop de bedrijfscommissie het
voorlopige reglement respectievelijk het reglement van de
ondernemingsraad heeft ontvangen;
- datum waarop de bedrijfscommissie
wijzigingen van het reglement heeft ontvangen.
3. De
bedrijfscommissie deelt aan een ieder desgevraagd schriftelijk mede of
voor een tot haar werkterrein behorende onderneming een ondernemingsraad
is ingesteld.
4. De
bedrijfscommissie verschaft desgevraagd inzage in het register aan de
Minister, aan de Raad, alsmede aan de centrale organisaties van
ondernemers en van werknemers.
Artikel 18
Een bedrijfscommissie brengt jaarlijks
voor 1 april aan de Minister en de Raad verslag uit van haar
werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt door de
bedrijfscommissie, zonodig tegen betaling van de kosten, algemeen
verkrijgbaar gesteld.
Artikel 19
1. Een
bedrijfscommissie kan nadere regelen stellen over haar werkwijze. Deze
regelen behoeven de goedkeuring van de Raad.
2.
In de in het eerste lid bedoelde regelen kan
worden opgenomen dat de leden van een bedrijfscommissie een
vacatievergoeding kunnen ontvangen. Deze vergoeding is niet hoger dan
€ 200 per vergadering van de bedrijfscommissie.
§ 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 20
Bij het voor de eerste maal samenstellen van
een bedrijfscommissie treedt voor de toepassing van artikel 3, eerste
lid, in plaats van de bedrijfscommissie de voorzitter van de Raad op.
Artikel 21
De verordening van de Raad van 19 maart
1971, Vb. Bo. no. RE 05/1971 (Verordening op de bedrijfscommissies
1971), wordt ingetrokken.
Artikel 22
Deze verordening treedt in werking met
ingang van de tweede dag na de dagtekening van het Verordeningenblad
Bedrijfsorganisatie waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 23
Deze verordening wordt aangehaald als:
Verordening op de bedrijfscommissies 2002.
Den Haag, 22 maart 2002.
H.H.F. Wijffels,
voorzitter.
N.C.M. van Niekerk,
secretaris.