BESLUIT van 17 januari 2007, houdende nieuwe eisen
inzake de veiligheid en kwaliteit van lichaamsmateriaal (Eisenbesluit
lichaamsmateriaal 2006)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van
16 augustus 2006, kenmerk GMT/MVG 2698800;
Gelet op Richtlijn 2004/23/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van
kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen,
bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen (PbEU
L 102), alsmede artikel 8 van de Wet veiligheid en kwaliteit
lichaamsmateriaal en artikel 18, derde lid, van de Wet op de
orgaandonatie;
De Raad van State gehoord (advies van
22 september 2006, nr. W13.06.0351/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 januari 2007, kenmerk GMT/MVG
2727986;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1.1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. wet: de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal;
b. donor: elke menselijke bron, dood of levend, van
lichaamsmateriaal;
c. donatie: het doneren van lichaamsmateriaal;
d. orgaan: een gedifferentieerd, vitaal deel van het menselijk
lichaam, dat is opgebouwd uit verschillende weefsels en zijn
structuur, vascularisatie en vermogen om met een aanzienlijke
autonomie fysiologische functies te ontwikkelen, behoudt;
e. quarantaine: de status van uitgenomen lichaamsmateriaal, dan wel
van weefsel dat fysisch of op een andere doeltreffende wijze is
geïsoleerd, in afwachting van een beslissing over de vrijgave of
afkeuring ervan;
f. ernstig ongewenst voorval: een ongewenst voorval in verband met
het verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van
lichaamsmateriaal, dat voor een patiënt overlijden, levensgevaar,
invaliditeit, arbeidsongeschiktheid of besmetting met een
overdraagbare ziekte tot gevolg kan hebben, dan wel zou kunnen leiden
tot opname in een ziekenhuis of de duur van de ziekte verlengt;
g. ernstige bijwerking: een onbedoelde reactie, met inbegrip van
een overdraagbare ziekte, bij de donor of de ontvanger in verband met
het verkrijgen of het toepassen op de mens van lichaamsmateriaal, die
dodelijk is, levensgevaar oplevert, invaliditeit of
arbeidsongeschiktheid veroorzaakt, dan wel leidt tot opname in een
ziekenhuis of de duur van de ziekte verlengt.
2. In de hoofdstukken 6, 7 en 8 worden onder lichaamsmateriaal
tevens begrepen uit weefsel of cellen bereide producten waarin geen
menselijke cellen meer voorkomen.
Artikel 1.2
1. Een wijziging van de krachtens artikel 28, onder b, c, d, e,
f, g en h van de richtlijn gestelde voorschriften gaat voor de
toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de
betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
2. Het totstandkomen van de krachtens artikel 28, onder b, c, d,
e, f en h van de richtlijn gestelde voorschriften wordt door Onze
Minister bekendgemaakt in de Staatscourant.
Hoofdstuk 2. Orgaancentrum
Artikel 2.1
1. De binnen het orgaancentrum te verrichten werkzaamheden en
geldende verantwoordelijkheden zijn schriftelijk in
functie-omschrijvingen vastgelegd.
2. De medewerkers zijn, onder meer wat betreft opleidingsniveau,
kennis en ervaring, geschikt voor de door hen uit te voeren
werkzaamheden.
Artikel 2.2
1. Het orgaancentrum onderhoudt een kwaliteitssysteem.
2. Het kwaliteitssysteem omvat een documentatie die in ieder
geval een beschrijving inhoudt van de verschillende processen en een
registratie van het verloop daarvan, waaronder begrepen een beschrijving
van de wijze waarop vrijwaringsmaatregelen worden genomen.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de inrichting van het kwaliteitssysteem.
Artikel 2.3
1. Het orgaancentrum kent bij elke donatie een unieke
identificatiecode toe aan het betreffende lichaamsmateriaal.
2. Het orgaancentrum richt zijn administratie zodanig in dat ten
aanzien van lichaamsmateriaal dat door bemiddeling van het centrum is
toegewezen, met behulp van de identificatiecode kunnen worden
achterhaald:
a. de voor het gebruik van het lichaamsmateriaal relevante
persoonsgegevens van de donor;
b. de instelling waar het materiaal ter beschikking is gekomen;
c. de datum en het tijdstip van het ter beschikking komen van het
materiaal;
d. in voorkomend geval de bestemming waarvoor de donor
overeenkomstig de Wet op de orgaandonatie toestemming heeft verleend;
e. de kenmerken en eigenschappen van het materiaal en de doeleinden
waarvoor het, indien van toepassing mede gelet op de verleende
toestemming, geschikt is;
f. de noodzakelijke aanwijzingen voor het bewaren en het gebruik;
g. eventuele bijwerkingen bij het gebruik;
h. de bij het vervoer gebruikte stoffen en materialen, de
leverancier en het batchnummer ervan;
i. de naam en het adres van de instelling waaraan het
lichaamsmateriaal is afgeleverd;
j. de persoonsgegevens van degene bij wiens geneeskundige
behandeling het lichaamsmateriaal is gebruikt.
3. Het orgaancentrum bewaart de in het eerste en tweede lid
bedoelde gegevens tenminste 30 jaar na de toewijzing.
Artikel 2.4
Het orgaancentrum kan slechts werkzaamheden aan derden uitbesteden
door middel van een schriftelijke overeenkomst.
Artikel 2.5
1. Het orgaancentrum wijst overeenkomstig de Wet op de
orgaandonatie aangemeld lichaamsmateriaal niet toe dan nadat het zich
ervan heeft vergewist dat de donor als zodanig medisch in aanmerking
komt en is onderzocht met het oog op de factoren, genoemd in artikel
18, derde lid, van de Wet op de orgaandonatie, in het bijzonder dat
bloed of lichaamsmateriaal van de donor is onderzocht op de
aanwezigheid van overdraagbare-ziekteverwekkers en op andere van
belang zijnde aspecten.
2. Het orgaancentrum vergewist zich er voorts van dat de toestand
van het betrokken materiaal in overeenstemming is met de volgens de
laatste stand van de wetenschap geldende eisen, waarbij in het bijzonder
aandacht wordt besteed aan de nodige overeenkomst tussen de kenmerken
van het materiaal en de voor de implantatie van belang zijnde kenmerken
van de ontvanger, alsmede aan het voorkomen van ziekten.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld inzake de bij uitvoering van het eerste lid te hanteren criteria
en uit te voeren laboratoriumtests.
Hoofdstuk 3. Verkrijgen en testen
Artikel 3.1
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op organen.
Artikel 3.2
1. Het verkrijgen en het testen van lichaamsmateriaal wordt
uitgevoerd door personen met een gedegen opleiding en ervaring.
2. Het verkrijgen en het testen van lichaamsmateriaal voldoet aan
de krachtens artikel 28, onder b, e en f van de richtlijn gestelde
voorschriften.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot het verkrijgen en testen van
lichaamsmateriaal.
Artikel 3.3
1. De werkzaamheden in verband met het verkrijgen van
lichaamsmateriaal worden zodanig uitgevoerd dat donors worden
beoordeeld en geselecteerd overeenkomstig de krachtens artikel 28,
onder d en e, van de richtlijn gestelde voorschriften en dat het
lichaamsmateriaal wordt verkregen, verpakt en vervoerd overeenkomstig
de krachtens artikel 28, onder f, van de richtlijn gestelde
voorschriften.
2. In geval van autologe donatie wordt de naleving van de
geschiktheidseisen vastgesteld overeenkomstig de krachtens artikel 28,
onder d, van de richtlijn gestelde criteria.
3. De resultaten van de donorbeoordeling en de uitgevoerde tests
worden vastgelegd en eventuele afwijkende bevindingen worden meegedeeld
overeenkomstig de bijlage bij de richtlijn.
Hoofdstuk 4. Ontvangen en bewaren
Artikel 4.1
1. De weefselinstelling zorgt ervoor dat alle donaties van
lichaamsmateriaal overeenkomstig de krachtens artikel 28, onder e, van
de richtlijn gestelde voorschriften worden getest en dat bij de
selectie en acceptatie van lichaamsmateriaal wordt voldaan aan de
krachtens artikel 28, onder f, van de richtlijn gestelde
voorschriften.
2. De weefselinstelling zorgt ervoor dat het lichaamsmateriaal en
de daarbij behorende documentatie voldoen aan de krachtens artikel 28,
onder f, van de richtlijn gestelde voorschriften.
3. De weefselinstelling verifieert dat de verpakking van het
ontvangen menselijk lichaamsmateriaal voldoet aan de krachtens artikel
28, onder f, van de richtlijn gestelde voorschriften en noteert dit.
Ontvangen lichaamsmateriaal dat niet voldoet aan die voorschriften wordt
niet gebruikt voor medische toepassing op de mens, behoudens indien dat
lichaamsmateriaal dermate uniek is dat onverwijlde toepassing ervan
levensreddend kan zijn.
4. De acceptatie of afkeuring van het ontvangen lichaamsmateriaal
wordt schriftelijk vastgelegd.
5. De weefselinstelling zorgt ervoor dat lichaamsmateriaal altijd
juist geïdentificeerd is. Elke levering of partij lichaamsmateriaal
krijgt een identificatiecode, overeenkomstig artikel 4.2.
6. Lichaamsmateriaal wordt in quarantaine gehouden totdat
minstens aan de voorschriften inzake onderzoek en informatie van de
donor is voldaan overeenkomstig hoofdstuk 3.
7. De weefselinstelling ontvangt en bewaart alleen
lichaamsmateriaal dat is getest door een laboratorium dat daartoe een
vergunning heeft verkregen op grond van artikel 12 van de wet.
Artikel 4.2
1. De weefselinstelling kent aan elke donatie en aan elk
daarmee verbonden product een unieke identificatiecode toe.
2. Indien het lichaamsmateriaal door bemiddeling van het
orgaancentrum aan de weefselinstelling is aangeboden, gaat de
weefselinstelling uit van de door het orgaancentrum aan het materiaal
toegekende identificatiecode.
3. De weefselinstelling richt haar administratie zodanig in dat
ten aanzien van lichaamsmateriaal dat aan haar is aangeboden, met behulp
van de identificatiecode kunnen worden achterhaald:
a. de voor het gebruik van het lichaamsmateriaal relevante
persoonsgegevens van de persoon van wie het materiaal afkomstig is;
b. de instelling waar het materiaal ter beschikking is gekomen;
c. de datum en het tijdstip van het ter beschikking komen van het
materiaal;
d. de datum waarop de weefselinstelling het materiaal in ontvangst
heeft genomen;
e. in voorkomend geval de bestemming waarvoor degene van wie het
materiaal afkomstig is, overeenkomstig enige wettelijke regeling
toestemming heeft verleend of het ter beschikking heeft gesteld;
f. de kenmerken en eigenschappen van het materiaal en de doeleinden
waarvoor het, indien van toepassing mede gelet op de verleende
toestemming of terbeschikkingstelling, geschikt is;
g. de eventuele bewerkingen die het materiaal heeft ondergaan;
h. de bij het vervoeren, bewaren of bewerken gebruikte stoffen en
materialen, de leverancier en het batchnummer ervan;
i. de noodzakelijke aanwijzingen voor het bewaren en het gebruik;
j. de termijn van houdbaarheid;
k. eventuele bijwerkingen bij het gebruik;
l. de naam en het adres van de instelling waaraan het
lichaamsmateriaal is overgedragen.
4. De weefselinstelling bewaart de in het eerste en derde lid
bedoelde gegevens tenminste 30 jaar na het laatste gebruik van het
betrokken materiaal.
Artikel 4.3
1. Lichaamsmateriaal dat in een weefselinstelling aanwezig is,
is te allen tijde identificeerbaar.
2. Tijdens het bewaren is lichaamsmateriaal op de verpakking of
op een daaraan onlosmakelijk verbonden etiket in ieder geval voorzien
van de identificatiecode, bedoeld in de aanhef van artikel 4.2, eerste
lid, alsmede de in artikel 28, onder f en h, van de richtlijn bedoelde
gegevens of verwijzingen naar die gegevens.
Artikel 4.4
1. De weefselinstelling wijst een persoon aan die in ieder
geval:
a. houder is van een diploma, certificaat of ander bewijsstuk van
afsluiting van een universitaire opleiding op het gebied van
geneeskunde of biologie, of van een opleiding die door Onze Minister
als gelijkwaardig wordt erkend;
b. twee jaar praktijkervaring heeft op de relevante gebieden.
2. De in het eerste lid bedoelde persoon is er onverminderd
artikel 19 van de wet verantwoordelijk voor dat:
a. Onze Minister de voor artikel 9 van de wet benodigde informatie
ontvangt, en
b. de weefselinstelling overeenkomstig dit besluit handelt.
3. De weefselinstelling deelt Onze Minister de naam van de in het
eerste lid bedoelde verantwoordelijke persoon mee. Bij permanente of
tijdelijke vervanging van de verantwoordelijke persoon deelt de
weefselinstelling Onze Minister onmiddellijk de naam van de nieuwe
verantwoordelijke persoon en de datum van zijn infunctietreding mee.
Artikel 4.5
1. Het personeel van de weefselinstelling dat rechtstreeks is
betrokken bij de werkzaamheden waarvoor de weefselinstelling is
erkend, is, onder meer wat betreft kennis en ervaring, geschikt voor
de uit te voeren werkzaamheden en heeft een krachtens artikel 28,
onder c, van de richtlijn vastgestelde opleiding gekregen.
2. De binnen de weefselinstelling te verrichten werkzaamheden en
geldende verantwoordelijkheden zijn schriftelijk in
functie-omschrijvingen vastgelegd.
Artikel 4.6
1. De weefselinstelling onderhoudt een kwaliteitssysteem dat in
ieder geval de volgende documentatie omvat:
– standaardpraktijkvoorschriften;
– richtsnoeren;
– handboeken en handleidingen;
– rapportageformulieren;
– donordossiers;
– informatie over de eindbestemming van het lichaamsmateriaal.
2. In afwijking van het eerste lid behoeft het kwaliteitssysteem
geen donordossiers te omvatten, voorzover gebruik wordt gemaakt van
donordossiers die door het orgaancentrum voor raadpleging beschikbaar
worden gesteld bij het toepassing geven aan artikel 18, tweede lid, van
de Wet op de orgaandonatie.
3. De weefselinstelling houdt de documentatie beschikbaar voor de
met het toezicht op de naleving van dit besluit belaste ambtenaren.
4. Het kwaliteitssysteem voldoet aan de krachtens artikel 28,
onder c, van de richtlijn gestelde normen en specificaties.
Artikel 4.7
1. De weefselinstelling zorgt ervoor dat alle procedures voor
het bewaren van lichaamsmateriaal in de standaardpraktijkvoorschriften
staan beschreven en dat de bewaarcondities voldoen aan de krachtens
artikel 28, onder h, van de richtlijn gestelde voorschriften.
2. De weefselinstelling zorgt ervoor dat alle bewaarprocédés
onder gecontroleerde omstandigheden plaatsvinden.
3. De weefselinstelling stelt procedures vast voor het
controleren van de verpakkings- en bewaarruimten en past die procedures
toe, teneinde elke omstandigheid die de functionaliteit of integriteit
van het lichaamsmateriaal nadelig kan beïnvloeden, te voorkomen.
4. De weefselinstelling beschikt over overeenkomsten en
procedures die verzekeren dat in geval van bedrijfsbeëindiging,
ongeacht de reden daarvoor, het daar bewaarde lichaamsmateriaal wordt
overgedragen overeenkomstig de daarop betrekking hebbende toestemming,
aan een of meer andere weefselinstellingen die daarvoor zijn erkend.
Hoofdstuk 5. Bewerken
Artikel 5.1
1. De weefselinstelling neemt in haar
standaardpraktijkvoorschriften alle bewerkingen op die van invloed
zijn op de kwaliteit en de veiligheid en zorgt ervoor dat deze onder
gecontroleerde omstandigheden worden verricht. De weefselinstelling
zorgt ervoor dat de gebruikte apparatuur, de omgeving, de procesopzet,
de validatie en de controlevoorwaarden in overeenstemming zijn met de
krachtens artikel 28, onder g en h, van de richtlijn gestelde
voorschriften.
2. Alle wijzigingen in de voor bewerking van het
lichaamsmateriaal toegepaste procédés voldoen eveneens aan de in het
eerste lid bedoelde criteria.
3. De weefselinstelling neemt in haar
standaardpraktijkvoorschriften speciale regels op voor het hanteren van
lichaamsmateriaal dat moet worden afgevoerd, teneinde besmetting van
ander lichaamsmateriaal en het personeel te voorkomen.
Artikel 5.2
1. Wanneer een handeling buiten de weefselinstelling moet
plaatsvinden en die handeling van invloed is op de kwaliteit en de
veiligheid van het lichaamsmateriaal, sluit de weefselinstelling een
schriftelijke overeenkomst met een derde, met name in de volgende
gevallen:
a. wanneer de weefselinstelling de verantwoordelijkheid voor een
deel van de bewerking van lichaamsmateriaal aan een derde overdraagt;
b. wanneer een derde goederen en diensten levert die van invloed
zijn op de waarborging van de kwaliteit en veiligheid van het
lichaamsmateriaal, met inbegrip van de distributie ervan;
c. wanneer een weefselinstelling diensten verleent aan een
niet-erkende weefselinstelling;
d. wanneer een weefselinstelling door derden bewerkt
lichaamsmateriaal distribueert.
2. De weefselinstelling evalueert en selecteert derden aan de
hand van hun vermogen om aan de eisen, gesteld bij of krachtens dit
besluit , te voldoen.
3. De weefselinstelling houdt een volledige lijst bij van de in
het eerste lid bedoelde overeenkomsten die zij met derden heeft
gesloten.
4. In de overeenkomst tussen een weefselinstelling en een derde
worden de verantwoordelijkheden van de derde alsmede de te volgen
procedures nauwkeurig gepreciseerd.
5. De weefselinstelling verstrekt de ingevolge artikel 19 van de
wet met het toezicht op de naleving van de wet belaste ambtenaar op
verzoek een afschrift van de overeenkomsten met derden.
Hoofdstuk 6. Distributie
Artikel 6.1
1. Er vindt geen distributie van bewerkt lichaamsmateriaal
plaats zolang niet aan alle voorschriften van dit besluit is voldaan.
2. De weefselinstelling draagt lichaamsmateriaal niet over ten
behoeve van toepassing op de mens na afloop van de periode gedurende
welke volgens de laatste stand van de wetenschap de beoogde functie van
het materiaal behouden blijft.
Artikel 6.2
1. De weefselinstelling behoudens indien dat lichaamsmateriaal
dermate uniek is dat onverwijlde toepassing ervan levensreddend kan
zijn die erkend is voor de distributie van lichaamsmateriaal, draagt
zorg voor transport- en afleveringsomstandigheden die de veiligheid en
de kwaliteit van het lichaamsmateriaal waarborgen.
2. Bij het transport en de aflevering worden de krachtens artikel
28, onder h, van de richtlijn gestelde voorschriften in acht genomen.
3. De in het eerste lid bedoelde weefselinstelling neemt bij het
overdragen van lichaamsmateriaal aan derden in voorkomend geval de
bestemming in acht waarvoor overeenkomstig enige wettelijke regeling
toestemming is verleend of het ter beschikking is gesteld.
Hoofdstuk 7. Gebruiken
Artikel 7.1
Het voorhanden houden van lichaamsmateriaal in afwachting van gebruik
geschiedt op zodanige wijze dat de veiligheid en de kwaliteit van het
materiaal behouden blijven.
Artikel 7.2
De instelling kan lichaamsmateriaal dat aan haar is afgeleverd met
het oog op het toepassen op de mens maar daarvoor niet wordt gebruikt,
vernietigen onder kennisgeving aan de instantie die het aan haar heeft
afgeleverd, dan wel aan die instantie teruggeven.
Artikel 7.3
1. De instelling waar lichaamsmateriaal is toegepast op de
mens, legt de volgende gegevens vast:
a. de identificatiecode, bedoeld in de aanhef van artikel 4.2,
eerste lid;
b. de soort van het materiaal;
c. de herkomst van het materiaal;
d. de persoonsgegevens van de persoon op wie het materiaal is
toegepast;
e. de datum en het tijdstip van de toepassing.
2. De instelling bewaart de in het eerste lid genoemde gegevens
minstens 30 jaar.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld over de wijze waarop en de vorm waarin de gegevens worden
vastgelegd.
Artikel 7.4
Een ieder die gebruik maakt van lichaamsmateriaal, geeft alle
relevante informatie door aan het orgaancentrum of de weefselinstelling,
waarvan het materiaal afkomstig is, teneinde de traceerbaarheid te
vergemakkelijken en de kwaliteitsbewaking en de veiligheid te
waarborgen.
Hoofdstuk 8. Ernstige ongewenste voorvallen en bijwerkingen
Artikel 8.1
1. Het orgaancentrum en de weefselinstelling dragen zorg voor
het systematisch melden, onderzoeken, registreren en doorgeven van
gegevens over ernstige ongewenste voorvallen en bijwerkingen, die van
invloed kunnen zijn op de kwaliteit en de veiligheid van
lichaamsmateriaal en mogelijk toe te schrijven zijn aan het
verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van
lichaamsmateriaal, en over ernstige ongewenste voorvallen of
bijwerkingen die tijdens of na de klinische toepassing worden
vastgesteld en die verband kunnen houden met de kwaliteit en de
veiligheid van lichaamsmateriaal.
2. De in artikel 4.4, eerste lid, bedoelde persoon zorgt ervoor
dat ernstige ongewenste voorvallen en bijwerkingen worden gemeld aan de
ingevolge artikel 19 van de wet met het toezicht op de naleving van die
wet belaste ambtenaar, alsook dat aan deze ambtenaar een analytisch
verslag over de oorzaken en gevolgen ervan wordt overlegd.
3. De weefselinstelling zorgt voor een nauwkeurige, snelle en
controleerbare procedure aan de hand waarvan zij producten waarmee
ernstige ongewenste voorvallen of bijwerkingen in verband kunnen worden
gebracht, uit de distributie kan nemen.
Hoofdstuk 9. Gegevensbescherming en vertrouwelijkheid
Artikel 9.1
1. Het orgaancentrum en de weefselinstellingen zorgen ervoor
dat de in het kader van dit besluit verzamelde gegevens die door
derden kunnen worden geraadpleegd, met inbegrip van genetische
informatie, geanonimiseerd zijn, zodat de donor en de ontvanger niet
meer te identificeren zijn. Daartoe zorgen zij voor:
a. gegevensbeveiligingsmaatregelen en garanties tegen ongeoorloofde
toevoeging, schrapping of wijziging in donorbestanden of
uitsluitingsregisters, alsmede tegen overdracht van informatie;
b. procedures voor het oplossen van discrepanties tussen de
gegevens;
c. het voorkomen van ongeoorloofde bekendmaking van informatie,
waarbij de donaties echter wel traceerbaar moeten blijven.
2. De identiteit van de ontvanger van lichaamsmateriaal wordt
niet aan de donor of diens familie bekendgemaakt, en andersom.
Hoofdstuk 10. Normen
Artikel 10.1
Onze Minister kan normen aanwijzen, bij het voldoen waaraan de
orgaancentra, de weefselinstellingen of de in de hoofdstukken 7 bedoelde
instellingen worden vermoed te voldoen aan de in dit besluit gestelde
eisen.
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Artikel 11.1
Het Eisenbesluit lichaamsmateriaal wordt ingetrokken.
Artikel 11.2
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 11.3
Dit besluit wordt aangehaald als: Eisenbesluit lichaamsmateriaal
2006.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 17 januari 2007
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de vijftiende februari 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin