| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de
rechterlijke organisatie (Wet RO)
BESLUIT
ORDE VAN DIENST GERECHTEN
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 10 december 2001, houdende regels voor de
orde van dienst binnen de gerechten (Besluit orde van dienst
gerechten)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie van 6 november 2001, nr.
5130698/01/6;
Gelet op artikel 11 van de Wet op de
rechterlijke organisatie;
De Raad van State gehoord (advies van 28
november 2001, nr. W03.01.0583/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 5 december 2001, nr. 5136853/01/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
§ 1. Definitiebepaling
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder «bestuur van een gerecht»: de
Hoge Raad, het bestuur van een rechtbank dan wel het bestuur van een
gerechtshof.
§ 2. Zittingen
Artikel 2
De dagen waarop de gewone zittingen worden gehouden en de tijdstippen
waarop de zittingen aanvangen, worden door het bestuur van een gerecht
vastgesteld bij reglement. Voor burgerlijke zaken die met een
dagvaarding worden ingeleid, worden in dat reglement de dag en het uur
van de rolbehandeling opgenomen.
Artikel 3
1.De voorzitter van de meervoudige kamer of degene die zitting
heeft in een enkelvoudige kamer kan bepalen dat in verband met de
omstandigheden in een bepaalde zaak voor de behandeling van die zaak
op andere dagen, tijdstippen of plaatsen zittingen worden gehouden dan
is vastgesteld in het reglement, bedoeld in artikel 2.
2.Het bestuur van een gerecht kan bepalen dat voor enig ander doel
een buitengewone zitting plaatsvindt.
Artikel 4
1.De voorzitter van de meervoudige kamer of degene die zitting
heeft in een enkelvoudige kamer bepaalt de duur van zittingen.
2.Het bestuur van een gerecht draagt zorg voor het op tijd
aanvangen van de zittingen.
Artikel 5
1.Iedere rechterlijke ambtenaar met rechtspraak belast is bevoegd
aan de procespartijen, advocaten en gemachtigden die optreden in zaken
in zijn kamer aanhangig, inlichtingen te vragen naar aanleiding van de
processtukken en de mondelinge voordrachten.
2.De voorzitter van de meervoudige kamer of degene die zitting
heeft in een enkelvoudige kamer is belast met de handhaving van de
orde tijdens de zittingen.
§ 3. Indeling kamers
Artikel 6
1.Het bestuur onderscheidenlijk de president van de Hoge Raad stelt
vast hoe de voorzitter van een meervoudige kamer, bedoeld in de
artikelen 6, tweede lid, en 75, tweede lid, van de Wet op de
rechterlijke organisatie wordt aangewezen.
2.De leden van een kamer kunnen zich met instemming van het bestuur
onderscheidenlijk de president van de Hoge Raad laten vervangen door
een andere rechterlijke ambtenaar met rechtspraak belast, tenzij de
goede gang van zaken binnen het gerecht zich daartegen verzet.
3.Een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast heeft, indien
hij dit wenst, niet langer dan vier achtereenvolgende jaren zitting in
dezelfde sector.
4.Het derde lid is niet van toepassing, indien een rechterlijk
ambtenaar wordt herplaatst in het kader van een reorganisatie als
bedoeld in hoofdstuk 4A van het Besluit rechtspositie rechterlijke
ambtenaren.
§ 4. De griffie
Artikel 7
1.Het bestuur van een gerecht draagt zorg voor de bewaring van de
aan de griffie toegezonden of ter griffie neergelegde stukken en
geldbedragen.
2.Het bestuur van een gerecht draagt er zorg voor dat binnen een
dag aan het openbaar ministerie kennis wordt gegeven van de ontvangst
van processtukken in strafzaken die ingevolge de wet aan de griffie
moeten worden toegezonden of ter griffie moeten worden neergelegd.
Artikel 8
1.De arresten of vonnissen, in strafzaken gewezen, worden binnen
het Rijk betekend.
2.Indien de betekening of tenuitvoerlegging geschiedt binnen het
Rijk worden ten uitvoer gelegd en betekend:
a. beschikkingen in raadkamer genomen;
b. bevelen tot voorlopige aanhouding, gevangenhouding,
gevangenneming en medebrenging.
3.De stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden afgegeven
aan degenen die met de uitvoering zijn belast.
Artikel 9
1.De ambtenaren van het openbaar ministerie kunnen de uitspraken in
strafzaken gewezen op hun parket ontvangen, met uitzondering van de
stukken, bedoeld in artikel 8, ten behoeve van de betekening.
2.Indien het parket gevestigd is buiten de gemeente waar het
gerecht zijn hoofdplaats heeft, geschiedt de verzending van uitspraken
per dienstbrief of op een andere veilige wijze.
Artikel 10
1.De openingstijden van de griffie worden, met inachtneming van het
tweede lid, door het bestuur van een gerecht vastgesteld bij
reglement.
2.De griffie is in de hoofdplaats, de nevenvestigingsplaats en de
nevenzittingsplaats op de dagen waarop terechtzittingen worden
gehouden ten behoeve van de bij die zittingen betrokken procespartijen
en hun advocaten en gemachtigden tenminste een kwartier voor de
aanvang van een zitting en een kwartier na afloop daarvan geopend.
3.Bij de behandeling van zaken in een nevenzittingsplaats buiten
het rechtsgebied treedt de griffie van het gerecht binnen wiens
rechtsgebied de nevenzittingsplaats is gelegen op als griffie van de
hoofdplaats als bedoeld in de artikelen 41, zesde lid, en 59, zesde
lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie. De besturen van de
betrokken gerechten dragen er zorg voor dat de griffie, de
griffierwerkzaamheden en de administratie van zaken van het gerecht op
de nevenzittingsplaats gescheiden en als zodanig herkenbaar worden
uitgevoerd van de griffie, de griffierwerkzaamheden en administratie
van zaken van het gerecht binnen wiens rechtsgebied de zittingsplaats
is gelegen.
Artikel 11
Naast de bij of krachtens de wet aan de griffier opgedragen taken
bestaan griffierswerkzaamheden in ieder geval uit:
a. het bijwonen van terechtzittingen en verhoren;
b. het maken van aantekeningen, en
c. het bieden van ondersteuning aan een rechterlijk ambtenaar met
rechtspraak belast in al diens ambtsverrichtingen.
Artikel 12
1.Indien door feitelijke omstandigheden van tijdelijke aard het
niet mogelijk is dat griffierswerkzaamheden worden uitgevoerd in de
hoofdplaats, de nevenvestigingsplaats of de nevenzittingsplaats, kan
het bestuur van een gerecht bepalen dat voor de duur van die
omstandigheden griffierswerkzaamheden elders worden verricht.
2.Het besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
Artikel 12a
Griffierswerkzaamheden voor strafzaken van het gerechtshof te
Amsterdam worden met ingang van 13 oktober 2003 tijdelijk mede verricht
te Amstelveen.
§ 5. Administratie van aanhangige zaken
Artikel 13
1.Het bestuur van een gerecht draagt zorg voor een deugdelijke
administratie van de bij het gerecht aanhangige zaken, met dien
verstande dat deze administratie tenminste voldoet aan de volgende
eisen:
a. de rol deel uitmaakt van de administratie en dat
inschrijving ter rolle gebeurt door inschrijving in de
administratie;
b. zaken worden ingeschreven in de volgorde waarin zij worden
aangebracht;
c. elke zaak een afzonderlijk nummer wordt toegekend;
d. bij elke zaak tenminste worden vermeld de namen van de
partijen en, indien van toepassing, van de advocaten of
gemachtigden, en
e. bij elke zaak aantekening wordt gehouden van het verloop van
de procedure en van hetgeen verder dienstig wordt geacht.
2.Een kamer kan, met instemming van het bestuur van het gerecht,
bij haar aanhangige zaken verwijzen naar een andere kamer van gelijk
getal binnen dezelfde sector.
Artikel 14
1.Het bestuur van een rechtbank of gerechtshof geeft voor
burgerlijke zaken die met een dagvaarding worden ingeleid en die in
een nevenvestigings- of nevenzittingsplaats worden of kunnen worden
behandeld, in het bestuursreglement, bedoeld in artikel 19 van de Wet
op de rechterlijke organisatie, aan in welke plaats de rolbehandeling
plaatsvindt.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op zaken die door de
kantonrechter worden behandeld.
Artikel 15
1.Het bestuur van een gerecht draagt er zorg voor dat tijdig voor
elke openbare zitting een overzicht van de te behandelen zaken
beschikbaar is, onder vermelding van:
a. de zaken die ter zitting zullen worden behandeld, en
b. de namen van de behandelende rechterlijke ambtenaren met
rechtspraak belast.
2.Het in het eerste lid bedoelde overzicht kan ook elektronisch
beschikbaar worden gesteld.
3.In afwijking van het eerste lid kan het bestuur ter bescherming
van zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen,
geen of een beperkt overzicht ter beschikking stellen.
4.Indien de zaken gereed zijn voor voordracht, gebeurt dit in de
volgorde waarin zij op de rol voorkomen.
5.Indien de behandelend rechterlijk ambtenaar met rechtspraak
belast dit noodzakelijk acht in verband met de spoedeisendheid van een
zaak, kan deze zaak worden voorgedragen in afwijking van de volgorde
op de rol.
Artikel 16
1.Een vonnis, arrest of beschikking in burgerlijke zaken wordt
uitgesproken door:
a. de voorzitter of een lid van de meervoudige kamer die dit
vonnis of arrest heeft gewezen of de beschikking heeft gegeven;
b. het lid van de enkelvoudige kamer dat dit vonnis of arrest
heeft gewezen of de beschikking heeft gegeven, of
c. de rolrechter onderscheidenlijk de rolraadsheer.
2.Een vonnis, arrest of beschikking in strafzaken wordt zo mogelijk
uitgesproken door de voorzitter of één der rechterlijke ambtenaren
met rechtspraak belast die over de zaak hebben geoordeeld.
3.Een uitspraak in bestuursrechtelijke zaken en in belastingzaken
wordt zo mogelijk door de voorzitter of één der rechterlijke
ambtenaren met rechtspraak belast die over de zaak hebben geoordeeld
ter zitting meegedeeld.
4.Wanneer een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast of
griffier buiten staat is een uitspraak of een proces-verbaal te
ondertekenen wordt daarvan in het betreffende stuk melding gemaakt.
§ 6. Inzage stukken
Artikel 17
In strafzaken waarin de stukken ingevolge de wet aan de griffie
moeten worden toegezonden of ter griffie ter inzage moeten worden
neergelegd, worden door het bestuur van een gerecht bij reglement de
tijden vastgesteld waarop inzage in de stukken kan worden verkregen door
de ambtenaren van het openbaar ministerie of van het parket bij de Hoge
Raad, de verdachten, de raadslieden van de verdachten, de benadeelde
partijen in strafzaken en hun advocaten en gemachtigden.
Artikel 18
Voor andere zaken dan strafzaken waarin recht op inzage van stukken
bestaat, worden door het bestuur van een gerecht de tijden en de wijze
waarop inzage kan plaatsvinden, vastgesteld bij reglement.
Artikel 19
1.Indien een verdachte of een raadsman van een verdachte ingevolge
de wet bevoegd is kennis te nemen van de processtukken wordt hem
daartoe de gelegenheid geboden hetzij ter griffie hetzij, indien de
verdachte rechtens van zijn vrijheid is beroofd, daar waar hij zich
bevindt hetzij elders.
2.Indien door feitelijke omstandigheden van tijdelijke aard het
niet mogelijk is dat aan – al dan niet rechtens van hun vrijheid
beroofde – verdachten of hun raadslieden als bedoeld in het eerste
lid, ter griffie gelegenheid wordt geboden kennis te nemen van
processtukken kan het bestuur van een gerecht bepalen dat voor de duur
van die omstandigheden elders gelegenheid wordt geboden tot
kennisneming van processtukken.
3.Het besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
Artikel 19a
Kennisneming van processtukken van strafzaken van het gerechtshof te
Amsterdam door een verdachte die niet rechtens van zijn vrijheid is
beroofd of diens raadsman, vindt met ingang van 13 oktober 2003
tijdelijk plaats in Amstelveen.
Artikel 20
1.Indien dat noodzakelijk wordt geacht door:
a. de rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk
vooronderzoek,
b. een ambtenaar van het openbaar ministerie tijdens het
overige voorbereidend onderzoek,
c. de voorzitter van de kamer dan wel degene die zitting heeft
in een enkelvoudige kamer door wie de zaak wordt behandeld van het
tijdstip af, bedoeld in artikel 33 van het Wetboek van
Strafvordering,
wordt de kennisneming onder toezicht gehouden.
2.De mogelijkheid tot kennisneming wordt aldus geboden:
a. van de stukken wordt het origineel dan wel een afschrift
voorgelegd;
b. de betrokkene kan uit de stukken aantekeningen maken;
c. aan de verdachte die rechtens van zijn vrijheid is beroofd,
worden desgewenst de voor het maken van de aantekeningen vereiste
middelen ter beschikking gesteld.
Artikel 21
1.Aan de raadslieden van verdachten in strafzaken worden zo spoedig
als mogelijk is afschriften toegezonden van processtukken waarvan de
kennisneming wettelijk is toegestaan.
2.Op verzoek van de verdachte of diens raadslieden worden zo
spoedig als mogelijk is afschriften van processtukken waarvan de
kennisneming wettelijk is toegestaan, aan hen verstrekt. Voor meer dan
eenmalige verstrekking als bedoeld in dit lid kan van de verzoeker een
vergoeding worden gevraagd met toepassing van artikel 2, tweede lid,
van het Besluit tarieven openbaarheid van bestuur.
3.De verzending, bedoeld in het eerste lid, en de verstrekking,
bedoeld in het tweede lid, vindt plaats door degene onder wie de
processtukken zich bevinden.
Hoofdstuk 2. Openbaar ministerie en procureur-generaal bij de Hoge
Raad
Artikel 22
1.De ambtenaren van het openbaar ministerie werkzaam bij de
arrondissementsparketten en bij de ressortsparketten zenden een
afschrift van een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van een
rechtbank of gerechtshof in burgerlijke zaken en belastingzaken naar
de procureur-generaal bij de Hoge Raad, indien deze uitspraak naar hun
mening in aanmerking komt voor cassatie in het belang der wet.
2.De inzending van de afschriften, bedoeld in het eerste lid, wordt
met redenen omkleed.
Artikel 23
1.De ambtenaren van het openbaar ministerie zenden een afschrift
van een in kracht van gewijsde gegane uitspraak in strafzaken van een
rechtbank of gerechtshof van de plaats van vestiging van hun
arrondissementsparket onderscheidenlijk ressortsparket, naar de
procureur-generaal bij de Hoge Raad, indien deze uitspraak naar hun
mening onder zijn aandacht moet worden gebracht wegens het algemeen
belang of een andere reden.
2.De inzending van de afschriften, bedoeld in het eerste lid wordt
met redenen omkleed.
Artikel 24
De leden van het openbaar ministerie en van het parket bij de Hoge
Raad nemen geen deel aan de beraadslagingen in de raadkamer over het
opmaken van een beschikking, vonnis of arrest.
Hoofdstuk 3. Hoge Raad
Artikel 25
1. De griffier van de Hoge Raad draagt zorg voor de bij de Hoge
Raad in behandeling zijnde stukken.
2. Bij afwezigheid van de griffier treedt op de substituut-griffier
dan wel, bij afwezigheid van de substituut-griffier, een waarnemend
griffier, op basis van een volgorde die, na overleg met de president,
door de griffier is vastgesteld.
Artikel 26
1. De in artikel 72, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke
organisatie, genoemde rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast
en de griffier vormen tezamen de gerechtsvergadering van de Hoge Raad.
2. De president is voorzitter van de gerechtsvergadering.
3. Het bijeenroepen geschiedt door een schriftelijke kennisgeving
van de president. Hij doet dit ten minste zeven dagen voorafgaand aan
de bijeenkomst.
4. De bij de Hoge Raad werkzame gerechtsauditeurs,
substituut-griffier en gerechtsambtenaren en de bij het parket van de
Hoge Raad werkzame rechterlijke ambtenaren en gerechtsambtenaren
kunnen op uitnodiging deelnemen aan de gerechtsvergadering.
Artikel 27
1.In de gedingen, bedoeld in artikel 76 van de Wet op de
rechterlijke organisatie, zal een lid van de bij het reglement van
inwendige dienst, bedoeld in artikel 75, vierde lid, van de Wet op de
rechterlijke organisatie, aangewezen kamer tot commissaris worden
benoemd, en wordt tevens de behandeling aan die kamer opgedragen, met
uitzondering van de behandeling op de openbare terechtzitting.
2.De behandeling op de openbare terechtzitting vindt plaats door
een andere, eveneens bij het reglement van inwendige dienst
aangewezen, kamer dan de kamer, bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 4. Overige bepalingen
Artikel 28
1.De reglementen, genoemd in de artikelen 2, 10, 17 en 18, worden
door het gerechtsbestuur vastgesteld nadat de vertegenwoordigers van
het openbaar ministerie, de Nederlandse orde van advocaten en de
Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders in het
arrondissement onderscheidenlijk in het ressort zijn gehoord.
2.De reglementen, bedoeld in het eerste lid, worden gepubliceerd in
de Staatscourant.
Artikel 29
Het Reglement I wordt ingetrokken.
Artikel 30
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 31
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit orde van dienst gerechten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 10 december 2001
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de twintigste december 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|