| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de
rechterlijke organisatie (Wet RO)
REGLEMENT
VOOR DE BIJZONDERE KAMER BIJ HET
GERECHTSHOF TE ARNHEM
Tekst zoals deze geldt op
3 juli 2008
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 22 april 1976 tot uitvoering van artikel
73 van de Wet op de rechterlijke organisatie
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie van 12 maart 1976,
Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 120/676;
Gelet op artikel 73 van de Wet op de
rechterlijke organisatie;
De Raad van State gehoord (advies van 24 maart
1976, nr. 5);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 9 april 1976, Stafafdeling Wetgeving Publieksrecht, nr.
187/676;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
gerechtshof: het gerechtshof te Arnhem;
bijzondere kamer: de bijzondere kamer bij het gerechtshof als bedoeld
in artikel 73, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie;
raden: de niet tot de rechterlijke macht behorende personen die als
deskundige leden deel uitmaken van de bijzondere kamer;
plaatsvervangende raden: de voor de raden benoemde plaatsvervangers.
Artikel 2 [Vervallen per 01-07-1992]
Artikel 3
1. De rang van benoeming der raden,
onderscheidenlijk der plaatsvervangende raden van de bijzondere kamer,
wordt geregeld naar de dag waarop het besluit van een eerste benoeming
door Ons is getekend.
2. De rang van benoeming van verschillende op éénzelfde dag
benoemde raden of plaatsvervangende raden wordt, indien hun benoeming
bij hetzelfde besluit plaatsvindt, bepaald door de volgorde hunner
namen, en, indien zij bij verschillende besluiten benoemd zijn, door de
volgorde dezer besluiten.
De griffier van het gerechtshof houdt een lijst waarop de namen van
de raden en de plaatsvervangende raden in de bijzondere kamer geplaatst
worden met vermelding van ieders rang van benoeming.
Artikel 4
1. De in artikel 67, vijfde lid, van de Wet op de rechterlijke
organisatie, bedoelde eed of belofte wordt overeenkomstig het
formulier, genoemd in artikel 1g, zesde lid, van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren, afgenomen op requisitoir van het openbaar
ministerie.
2. Het formulier wordt ondertekend door degene die de eed of
belofte aflegt en tevens door degene ten overstaan van wie de eed of
belofte wordt afgelegd.
Artikel 5
1. Het bestuur van het gerechtshof houdt een register bij,
waarin de koninklijke besluiten betreffende de benoeming van de daar
beëdigde raden en plaatsvervangende raden en de formulieren
betreffende de afgelegde eed of belofte worden bewaard.
2. Een uittreksel uit dat register, inclusief het formulier
betreffende de eed of belofte, wordt aan de raden en plaatsvervangende
raden uitgereikt.
Artikel 6
De installatie van de raden en plaatsvervangende raden in de
bijzondere kamer geschiedt door middel van het op de terechtzitting
voorlezen van het formulier, bedoeld in artikel 4.
Artikel 7 [Vervallen per 01-07-1992]
Artikel 8 [Vervallen per 01-07-1992]
Artikel 9 [Vervallen per 01-07-1992]
Artikel 10
De raden en plaatsvervangende raden, die door de bijzondere kamer met
een opdracht zijn belast, zorgen dat zij de daaruit voortvloeiende
werkzaamheden op zodanige tijd verrichten, dat daardoor in de zittingen
van de kamer geen verhindering of vertraging wordt veroorzaakt.
Artikel 11
De griffie is gehouden de raden en plaatsvervangende raden bij te
staan in de gevallen waarin dat is vereist.
Artikel 12
De raden en de plaatsvervangende raden ontvangen van de griffier de
nodige kennisgeving van de terechtzittingen en andere bijeenkomsten,
waarbij zij tegenwoordig moeten zijn.
Artikel 13
Aan de raden en de plaatsvervangende raden wordt een vergoeding
toegekend met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor
de raadsheren-plaatsvervangers.
Artikel 14
1. De raden en plaatsvervangende raden genieten, zowel voor het
bijwonen van de bijeenkomsten van de bijzondere kamer als voor het
volbrengen van verrichtingen welke hun door de bijzondere kamer worden
opgedragen, reis- en verblijfkosten overeenkomstig de bepalingen van
het Reisbesluit 1971 en worden daarbij ingedeeld in categorie A.
2. Reis- en verblijfkosten worden hun overeenkomstig het vorige
lid eveneens vergoed ter gelegenheid van hun beëdiging en installatie.
Artikel 15
1. Aan het Ministerie van Justitie worden maandelijks
ingezonden:
a. de declaraties wegens vergoedingen, bedoeld in artikel 13;
b. de declaraties wegens reis- en verblijfkosten, bedoeld in
artikel 14.
2. De in het eerste lid onder a genoemde declaraties
vermelden de dagen waarop de bijeenkomsten zijn bijgewoond en bevatten
een verklaring van de voorzitter der bijzondere kamer dat de declarant
de opgegeven bijeenkomsten heeft bijgewoond.
3. De in het eerste lid onder b genoemde declaraties
worden voorzien van een verklaring van de voorzitter van de bijzondere
kamer, dat de gemaakte reizen noodzakelijk waren voor het bijwonen van
bijeenkomsten van de bijzondere kamer, voor het volbrengen van de door
haar opgedragen verrichtingen of voor de installatie van de declarant,
dan wel, dan wel voor het afleggen van de eed of belofte.
Artikel 16
1. Dit besluit kan worden aangehaald als: Reglement voor de
bijzondere kamer bij het gerechtshof te Arnhem.
2. Het treedt in werking met ingang van 1 mei 1976.
Lasten en bevelen dat dit besluit in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
Soestdijk, 22 april 1976
JULIANA
De Minister van Justitie a.i.,
De Gaay Fortman
Uitgegeven de zevenentwintigste april 1976
De Minister van Justitie a.i.,
De Gaay Fortman
|
|
|