| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de
rechtsbijstand (Wrb)
BESLUIT
VERGOEDINGEN RECHTSBIJSTAND 2000
Tekst zoals deze geldt op
23 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 21 december 1999 tot vaststelling van het
Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 23 september 1999,
nr. 78770/99/6;
Gelet op de artikelen 37, 39 en 41 van de Wet
op de rechtsbijstand;
De Raad van State gehoord (advies van 30
november 1999, nr. W03.99.0493/I);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Justitie van 16 december 1999, nr. 5000238/99/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: de Wet op de rechtsbijstand;
b. procedure:
1. een zaak die aanhangig is gemaakt bij een bij wet
ingesteld tuchtrechtelijk college alsmede een zaak op het
terrein van het burgerlijk of bestuursrecht die aanhangig is
gemaakt bij:
– de burgerlijke rechter,
– de administratieve rechter,
– het bestuursorgaan dat in administratief beroep
oordeelt,
– het bestuursorgaan dat op grond van de Algemene wet
bestuursrecht oordeelt over een bezwaar,
– de regionaal directeur voor de arbeidsvoorziening in
het kader van het geven van een oordeel over een
ontslagvergunning op grond van artikel 6 van het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945,
– de huurcommissie die oordeelt in het kader van de
Huurprijzenwet woonruimte,
– de instantie die oordeelt over een geschil dat is
onderworpen aan arbitrage of bindend advies,
– de instantie die oordeelt in een wettelijk geregelde
klachtprocedure,
– de Minister voor Immigratie en Asiel in het kader van
het inbrengen van een zienswijze op het voornemen om:
1. een beslissing te nemen met betrekking tot de aanvraag
tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde
tijd als bedoeld in artikel 33, onderdeel a, van de
Vreemdelingenwet 2000;
2. een beslissing te nemen met betrekking tot de aanvraag
tot het verlengen van de geldigheidsduur van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in
artikel 28, eerste lid, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet
2000; dan wel
3. een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen
28, eerste lid, onderdeel c, en 33, onderdeel b, van de
Vreemdelingenwet 2000 in te trekken;
2. de behandeling door de Minister voor Immigratie en
Asiel van de aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in
artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet
2000, waaronder mede wordt begrepen de aan de aanvraag
voorafgaande termijn, bedoeld in artikel 3.109, eerste lid,
van het Vreemdelingenbesluit 2000;
c. advieszaak: een zaak op het terrein van het tuchtrecht of het
burgerlijk of bestuursrecht die geen procedure is;
d. strafzaak: een strafzaak jegens een verdachte als bedoeld in
artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering en een andere zaak die
in de bijlage als strafrechtelijke zaak is aangemerkt;
e. piketzaak: een zaak waarin een rechtsbijstandverlener
rechtsbijstand heeft verleend in het kader van een door het bestuur
getroffen regeling voor het beurtelings verlenen van rechtsbijstand
in de gevallen, bedoeld in de artikelen 23 en 23a.
Artikel 2
1.Rechtsbijstandverleners ontvangen overeenkomstig de bepalingen
van dit besluit een vergoeding voor de verlening van rechtsbijstand op
basis van een toevoeging als bedoeld in artikel 37 van de wet alsmede
voor de verlening van rechtsbijstand in een piketzaak.
2.De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, omvat:
a. de overeenkomstig dit besluit vastgestelde vergoeding voor
het verrichten van juridische werkzaamheden voor de zaak;
b. de overeenkomstig dit besluit vastgestelde vergoeding voor
bepaalde kosten en het tijdverlet in verband met reizen voor de
desbetreffende zaak, en
c. de omzetbelasting die is verschuldigd over de vergoedingen,
bedoeld onder a en b.
3.Ten behoeve van de berekening van de vergoeding worden de
krachtens dit besluit toegekende punten vermenigvuldigd met het
basisbedrag, genoemd in het eerste lid van artikel 3.
Artikel 3
1. Het basisbedrag bedraagt € 106,23.
2. Het basisbedrag en de vergoeding, bedoeld in artikel 27, eerste
lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari door Onze Minister
gewijzigd met een percentage dat overeenkomt met 0,6 x (A – B) +
(0,4 x C), waarbij:
a. A gelijk is aan het procentuele verschil tussen het
indexcijfer van de CAO-lonen per uur, inclusief de bijzondere
beloningen van het jaargemiddelde van het jaar t-2 en het daaraan
voorafgaande jaargemiddelde, zoals die door het Centraal Bureau
voor de Statistiek zijn bekendgemaakt;
b. B gelijk is aan het procentuele verschil tussen het
indexcijfer van de arbeidsproductiviteit in alle sectoren van het
jaargemiddelde van het jaar t-2 en het daaraan voorafgaande
jaargemiddelde, zoals die door het Centraal Bureau voor de
Statistiek zijn bekendgemaakt;
c. C gelijk is aan het procentuele verschil tussen de
consumentenprijsindexcijfers voor alle huishoudens op de meest
recente tijdsbasis van het jaargemiddelde van het jaar t-2 en het
daaraan voorafgaande jaargemiddelde, zoals die door het Centraal
Bureau voor de Statistiek zijn bekendgemaakt, en
d. onder t-2 wordt verstaan het tweede jaar voorafgaand aan het
jaar waarin de gewijzigde bedragen zullen gelden.
3. De vaststelling van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid van
artikel 2, vindt plaats met toepassing van het basisbedrag en de
vergoedingen, bedoeld in de artikelen 25 en 27, eerste lid, die golden
ten tijde van de afgifte van de toevoeging op grond waarvan de
rechtsbijstand is verleend of het tijdstip waarop rechtsbijstand is
verleend in een piketzaak.
Artikel 4
1.De rechtsbijstandverlener brengt aan de rechtzoekende de eigen
bijdrage die deze overeenkomstig artikel 35 van de wet verschuldigd
is, in rekening.
2.De rechtsbijstandverlener mag voorts aan de rechtzoekende geen
andere kosten in rekening brengen dan die ter zake van:
a. griffierechten;
b. getuigen en deskundigen;
c. uittreksels uit de openbare registers;
d. telegrammen, internationale telex, internationale telefax en
internationale telefoongesprekken;
e. rolverrichtingen in zaken die door de kantonrechter van de
rechtbank worden behandeld.
3.De kosten, bedoeld in het tweede lid, worden steeds aan de
rechtzoekende gespecificeerd.
Hoofdstuk II. Vergoedingsnormen
par. 1. zaken op het terrein van het burgerlijk en bestuursrecht en
het tuchtrecht
Artikel 5
1. Aan een procedure wordt het aantal punten toegekend dat in de
bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak is
bepaald.
2. Indien de procedure is beëindigd voordat de in artikel 1
bedoelde instantie uitspraak of tussenuitspraak heeft gedaan of een
beslissing heeft genomen dan wel voordat de rechtsbijstandverlener een
zitting als bedoeld in het eerste lid van artikel 7 heeft bijgewoond,
zijn de artikelen 12 en 13, tweede lid, van overeenkomstige
toepassing.
3. Indien ten tijde van de beëindiging van de procedure
uitsluitend een bestuursrechtelijke uitspraak over de proceskosten is
gedaan, zijn de artikelen 12 en 13, tweede lid, van overeenkomstige
toepassing.
4. In de gevallen, bedoeld in het tweede en derde lid, zijn de
overige bepalingen van deze paragraaf niet van toepassing.
Artikel 5a
1. In afwijking van artikel 5 wordt aan een procedure in het kader
van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van
de Vreemdelingenwet 2000 een vergoeding toegekend van:
a. vier punten, voor verleende rechtsbijstand gedurende de in
artikel 3.109 van het Vreemdelingenbesluit 2000 bedoelde termijn
tot en met het in artikel 3.113, derde lid, van dat besluit
bedoelde ter kennis brengen van een afschrift van het verslag
nader gehoor;
b. vier punten, voor verleende rechtsbijstand gedurende de in
artikel 3.113, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
bedoelde verstrekking van nadere gegevens tot en met het in
artikel 3.114, eerste lid, van dat besluit bedoelde uitreiken van
het schriftelijk voornemen tot afwijzen;
c. vier punten, voor verleende rechtsbijstand gedurende de in
artikel 3.114, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000
bedoelde zienswijze tot en met de in artikel 3.114, zesde lid, van
dat besluit bedoelde bekendmaking van de beschikking.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.116, eerste lid,
onderdeel a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een aanvullende
vergoeding wordt toegekend van twee punten.
3. De vergoeding op grond van het eerste lid wordt telkens met twee
punten verlaagd, indien de in de onderdelen a, b of c van dat lid
bedoelde rechtsbijstand geheel of gedeeltelijk is verleend in de vorm
van rechtshulp door een ander dan de toegevoegde
rechtsbijstandverlener.
4. Indien de procedure in het kader van de aanvraag tot het
verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in
artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000
wordt beëindigd door een beslissing op grond van artikel 30, eerste
lid, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt in afwijking van het eerste en
tweede lid een vergoeding van vier punten toegekend.
5. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid worden aan een
procedure in het kader van een tweede of volgende aanvraag tot het
verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in
artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000
zeven punten toegekend. Indien deze procedure wordt beëindigd door
een beslissing op grond van artikel 30, eerste lid, van de
Vreemdelingenwet 2000, worden hieraan evenwel twee punten toegekend.
6. In afwijking van artikel 13 wordt in een procedure als bedoeld
in het eerste, tweede en vierde lid, waarin de tijdsbesteding aan de
verlening van rechtsbijstand uitgaat boven de 24 uur, voor elk uur
waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één
punt toegekend mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding
voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld
artikel 31, eerste lid, heeft goedgekeurd.
Artikel 6
In afwijking van het eerste lid van artikel 5, worden aan een
procedure die in cassatie is gevoerd vijftien punten toegekend. Artikel
8 is niet van toepassing.
Artikel 7
1.Als zitting wordt voor de toepassing van dit artikel aangemerkt
elk optreden van een instantie bij welke de procedure wordt gevoerd
die dient ter behandeling van de zaak en waarbij de
rechtsbijstandverlener aanwezig kan zijn, met uitzondering van
rolzittingen.
2.Indien de rechtsbijstandverlener meer dan één zitting heeft
bijgewoond, wordt voor de tweede en elke daaropvolgende bijgewoonde
zitting het aantal toe te kennen punten telkens met twee verhoogd.
Artikel 8
In een procedure betreffende echtscheiding als bedoeld in de bijlage,
waarin geen tegenspraak is gevoerd, wordt het aantal toe te kennen
punten met drie verlaagd.
Artikel 9
Indien in een procedure rechtsbijstand is verleend door
achtereenvolgens twee of meer rechtsbijstandverleners die niet werkzaam
zijn in hetzelfde samenwerkingsverband, wordt het aantal toe te kennen
punten één maal met twee verhoogd.
Artikel 10 [Vervallen per 01-09-2008]
Artikel 11
1.Als samenhangende procedures worden beschouwd zaken die gevoegd,
gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend ter zitting als
bedoeld in het eerste lid van artikel 7, zijn behandeld, en waarvoor
één rechtsbijstandverlener is toegevoegd of meer dan één
rechtsbijstandverlener mits zij deel uitmaken van hetzelfde
samenwerkingsverband en voor zover de zaken naar hun aard verknocht
zijn.
2.In samenhangende procedures waarin twee of meer rechtzoekenden
een of meer procedures voeren, wordt in afwijking van het eerste lid
van artikel 5, aan de procedures gezamenlijk het aantal punten
toegekend dat wordt verkregen door het aantal punten dat in de bijlage
is bepaald voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak met het
hoogste aantal punten te vermenigvuldigen met de navolgende
percentages, al naar gelang het aantal toevoegingen: 2–3: 150%; 4–6:
200%; 7–10: 300%; 11–15: 400%;16–21: 500%; elke volgende 10:
100% extra.
3.In samenhangende procedures waarbij één rechtzoekende meer dan
één procedure voert, wordt in afwijking van het eerste lid van
artikel 5, aan de procedures gezamenlijk het aantal punten toegekend
dat wordt verkregen door het aantal punten dat in de bijlage is
bepaald voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak met het
hoogste aantal punten te verhogen met 50% voor elke procedure, met
uitzondering van de eerste.
4.Indien samenhangende procedures gevoegd, gelijktijdig,
aansluitend of nagenoeg aansluitend op een zitting als bedoeld in het
eerste lid van artikel 7 zijn behandeld, wordt deze zitting voor de
toekenning van de punten, bedoeld in het tweede lid van artikel 7,
aangemerkt als één zitting.
5.Op samenhangende procedures die in cassatie zijn gevoerd zijn het
tweede, derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat de berekening, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt
toegepast op vijftien punten.
6.Op een procedure inzake een gemeenschappelijk verzoek tot
echtscheiding is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12
1. Aan een advieszaak waarin minder dan zes uur rechtsbijstand
wordt verleend, worden vier punten toegekend.
2. Aan een advieszaak waarin zes uur of meer rechtsbijstand wordt
verleend, worden acht punten toegekend. Artikel 9 is van
overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid worden aan een zaak
waarin eenvoudig rechtskundig advies wordt gegeven twee punten
verleend.
Artikel 13
1. Indien in een procedure de tijdsbesteding aan de verlening van
rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie
maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende
rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 6 is bepaald,
wordt voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt
verleend, één punt toegekend mits het bestuur de begroting van de
tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten
werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft
goedgekeurd.
2. Indien in een advieszaak de tijdsbesteding aan de verlening van
rechtsbijstand uitgaat boven de 24 uur, wordt voor elk uur waarin
boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt
toegekend mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de
naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het
eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.
3. Indien in samenhangende procedures de tijdsbesteding aan de
verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk
is aan drie maal het aantal punten dat op grond van het tweede, derde
en vijfde lid van artikel 11 wordt toegekend wordt, voor elk uur
waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één
punt toegekend, mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding
voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in
het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.
par. 2. strafzaken
Artikel 14
Aan een strafzaak wordt het aantal punten toegekend dat in de bijlage
voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak is bepaald.
Artikel 14a
1. In afwijking van artikel 14 en de bijlage wordt in een zaak
betreffende vreemdelingenbewaring drie punten toegekend indien de
rechtsbijstand wordt verleend in een zaak op grond van artikel 96 van
de Vreemdelingenwet 2000, waarbij aan de betrokken vreemdeling reeds
een raadsman is toegevoegd in een zaak op grond van artikel 94, 95 of
96 van de Vreemdelingenwet 2000.
2. Indien in een zaak als bedoeld in het eerste lid geen zitting
plaatsvindt, of indien wel een zitting plaatsvindt doch deze niet
wordt bijgewoond door een raadsman, wordt het in het eerste lid
bedoelde aantal toe te kennen punten met twee verlaagd.
Artikel 15
1.In afwijking van artikel 14 worden aan een strafzaak, die bij de
Hoge Raad aanhangig is gemaakt en die in eerste aanleg door de
meervoudige kamer is behandeld, tien punten toegekend. Aan andere
strafzaken die bij de Hoge Raad aanhangig zijn gemaakt, worden, in
afwijking van artikel 14, zes punten toegekend.
2.Onder andere strafzaken als bedoeld in het eerste lid, zijn
begrepen de strafzaken waarin in eerste aanleg een beschikking is
gegeven, alsmede de strafzaken betreffende herziening.
3.Indien de rechtsbijstandverlener in een strafzaak als bedoeld in
het eerste en tweede lid, geen middelen heeft ingediend, wordt het
aantal toe te kennen punten met 50% verminderd.
4.Artikel 19 is niet van toepassing op strafzaken als bedoeld in
het eerste en tweede lid.
5.In afwijking van het eerste lid wordt aan een strafzaak, die bij
de Hoge Raad aanhangig is gemaakt en die in de Nederlandse Antillen of
Aruba in eerste aanleg is behandeld door een enkelvoudige kamer tien
punten toegekend, indien deze zaak in Nederland in eerste aanleg door
de meervoudige kamer zou zijn behandeld.
Artikel 16
1. Indien in een strafzaak in eerste aanleg of in hoger beroep over
de gevangenhouding of gevangenneming van de rechtzoekende is
geoordeeld, wordt, in afwijking van artikel 18, het aantal toe te
kennen punten met drie verhoogd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een zaak als bedoeld in
artikel 14a.
Artikel 17
Indien de rechtsbijstandverlener in het kader van een gerechtelijk
vooronderzoek of een daarmee gelijk gesteld onderzoek bij het verhoor
van een getuige of van de verdachte of bij een descente aanwezig is
geweest, wordt het aantal toe te kennen punten verhoogd met één punt
per gehoorde getuige, verdachte onderscheidenlijk per descente.
Artikel 18
1.Onder zitting wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan
elk optreden van de rechter in het kader van het onderzoek ter
terechtzitting en elke behandeling in rechte van de hoofdzaak of
hoofdvordering alsmede het horen van de verdachte door de officier van
justitie, met het oog op het uitvaardigen van een strafbeschikking,
met uitzondering van:
a. de zitting waarin tot aanhouding wordt besloten zonder dat
de zaak inhoudelijk is behandeld, of
b. de zitting waarin uitsluitend de uitspraak in de zaak is
gedaan.
2.Indien de rechtsbijstandverlener meer dan één zitting heeft
bijgewoond, wordt voor de tweede en elke daaropvolgende bijgewoonde
zitting het aantal toe te kennen punten telkens met twee verhoogd.
Artikel 19
Indien een strafzaak vóór het onderzoek ter terechtzitting of voor
de behandeling in rechte van de hoofdzaak of hoofdvordering wordt
beëindigd, worden in afwijking van artikel 14 vijf punten toegekend,
tenzij in de bijlage een lager puntenaantal is bepaald.
Artikel 20
Indien in een strafzaak rechtsbijstand is verleend door
achtereenvolgens twee of meer rechtsbijstandverleners die niet werkzaam
zijn in hetzelfde samenwerkingsverband, wordt het aantal toe te kennen
punten één maal met twee verhoogd.
Artikel 21
1.Als samenhangende strafzaken worden beschouwd zaken die gevoegd,
gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend ter zitting als
bedoeld in het eerste lid van artikel 18, zijn behandeld, en waarvoor
één rechtsbijstandverlener is toegevoegd of meer dan één
rechtsbijstandverlener mits zij deel uitmaken van hetzelfde
samenwerkingsverband en voor zover de zaken naar hun aard verknocht
zijn.
2.In samenhangende strafzaken waarbij twee of meer rechtzoekenden
zijn betrokken bij een of meer zaken, wordt in afwijking van artikel
14, aan de zaken gezamenlijk het aantal punten toegekend dat wordt
verkregen door het aantal punten dat in de bijlage is bepaald voor het
desbetreffende rechtsterrein of soort zaak met het hoogste aantal
punten te vermenigvuldigen met de navolgende percentages, al naar
gelang het aantal zaken: 2–3: 150%; 4–6: 200%; 7–10: 300%; 11–15:
400%;16–21: 500%; elke volgende 10: 100% extra.
3.In samenhangende strafzaken waarbij één rechtzoekende is
betrokken bij meer dan één zaak, wordt in afwijking van artikel 14,
aan de zaken gezamenlijk het aantal punten toegekend dat wordt
verkregen door het aantal punten dat in de bijlage is bepaald voor het
desbetreffende rechtsterrein of soort zaak met het hoogste aantal
punten te verhogen met 50% voor elke zaak, met uitzondering van de
eerste.
4.Indien samenhangende strafzaken gevoegd, gelijktijdig,
aansluitend of nagenoeg aansluitend op een zitting als bedoeld in het
eerste lid van artikel 18 zijn behandeld, wordt deze zitting voor de
toekenning van de punten, bedoeld in het tweede lid van artikel 18,
aangemerkt als één zitting.
5.Op samenhangende strafzaken die bij de Hoge Raad aanhangig zijn
gemaakt zijn het tweede, derde en vierde lid van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat voor de berekening, bedoeld in het
tweede en derde lid, wordt uitgegaan van de strafzaak waaraan op grond
van artikel 15 het hoogste aantal punten wordt toegekend.
Artikel 22
1. Indien in een strafzaak de tijdsbesteding aan de verlening van
rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie
maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende
rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 15 is bepaald,
wordt voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt
verleend, één punt toegekend mits het bestuur de begroting van de
tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten
werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft
goedgekeurd.
2. Indien in een strafzaak die is beëindigd in de situaties,
bedoeld in artikel 19, de tijdsbesteding aan de verlening van
rechtsbijstand is uitgegaan boven het aantal uren dat gelijk is aan
drie maal het aantal punten dat wordt toegekend op grond van artikel
19, wordt voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand is
verleend, één punt toegekend mits het bestuur de begroting van de
tijdsbesteding voor de verrichte werkzaamheden, bedoeld in het eerste
lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.
3. Indien in samenhangende strafzaken de tijdsbesteding aan de
verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk
is aan drie maal het aantal punten dat op grond van het tweede, derde
en vijfde lid van artikel 21 wordt toegekend wordt, voor elk uur
waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één
punt toegekend, mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding
voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in
het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.
par. 3. piketzaken
Artikel 23
1. In een piketzaak wordt 1,5 punt toegekend, indien rechtsbijstand
wordt verleend:
a. aan in verzekering gestelde verdachten als bedoeld in
artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering, in het
politiebureau,
b. aan in verzekering gestelde verdachten als bedoeld in
artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering, tijdens een
voorgeleiding voor de rechter-commissaris,
c. aan in verzekering gestelde verdachten als bedoeld in
artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering in geval van hoger
beroep van de officier van justitie tegen de beschikking tot
onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte,
d. op grond van artikel 22 van de Wet bijzondere opnemingen in
psychiatrische ziekenhuizen,
e. aan personen die krachtens de Vreemdelingenwet 2000 in hun
vrijheid zijn beperkt of wier vrijheid krachtens de
Vreemdelingenwet 2000 is ontnomen.
2. In afwijking van het eerste lid wordt in een piketzaak 0,75 punt
toegekend, indien rechtsbijstand wordt verleend voorafgaand aan één
of meer verhoren:
a. van in verzekering gestelde verdachten als bedoeld in
artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering;
b. als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering van verdachten van een strafbaar feit waarvoor een
bevel tot inverzekeringstelling kan worden verleend.
3. In afwijking van het eerste lid wordt voor verleende
rechtsbijstand in een piketzaak na het verhoor als bedoeld in het
tweede lid aanvullend 0,75 punt toegekend.
4. Indien rechtsbijstand wordt verleend aan personen die op grond
van artikel 154a of 176a van de Gemeentewet tijdelijk worden
opgehouden wordt voor de verlening van rechtsbijstand, met
uitzondering van het doen van een verzoek om een voorlopige
voorziening, aan alle personen gezamenlijk 1,5 punt toegekend.
5. Indien in de periode voorafgaand aan het verzoek om een
voorlopige voorziening rechtsbijstand wordt verleend aan een
uithuisgeplaatste die de wens, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van
de Wet tijdelijk huisverbod, te kennen heeft gegeven, wordt 1,5 punt
toegekend.
6. Indien de rechtsbijstand in een piketzaak is verleend op een
zaterdag, zondag, een algemeen erkende feestdag of een bij of
krachtens de Algemene termijnenwet met algemeen erkende feestdagen
gelijkgestelde dag, wordt aanvullend 0,5 punt toegekend.
Artikel 23a
1. Indien in een piketzaak als bedoeld in artikel 23, eerste lid,
onderdelen a tot en met c, of tweede lid, tijdens één of meer
verhoren rechtsbijstand wordt verleend aan verdachten van een
strafbaar feit die ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd
van achttien jaren nog niet hebben bereikt, en de verdenking ziet op
een strafbaar feit waarvoor een bevel tot inverzekeringstelling kan
worden verleend, wordt in aanvulling op de vergoeding op grond van
artikel 23 een vergoeding toegekend van:
a. 2 punten, indien er sprake is van een verdenking van een
verdenking van:
– een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf is gesteld van twaalf jaar of meer;
– een misdrijf met een slachtoffer dat is overleden dan
wel zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen; of
– een zedenmisdrijf waarop naar de wettelijke
omschrijving een gevangenisstraf is gesteld van acht jaar of
meer, of sprake is van een zedenmisdrijf waarbij de
strafverzwaringsgrond van artikel 248, tweede lid, van het
Wetboek van Strafrecht van toepassing is;
b. 1 punt in alle overige gevallen.
2. Artikel 23, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk III. Vergoedingen in verband met reistijdverlet en overige
kosten
Artikel 24
1. Voor het tijdverlet in verband met reizen ten behoeve van de
verlening van rechtsbijstand in een andere zaak dan een piketzaak
wordt, uitgaande van de totale afstand die is afgelegd bij reizen naar
de zitting, bedoeld in het eerste lid van artikel 7 en het eerste lid
van artikel 18, en naar rechtzoekenden wier vrijheid is ontnomen of
beperkt, per volle gereisde 60 kilometer een halve punt toegekend.
Onder reizen naar de zitting is mede begrepen het reizen in verband
met de behandeling van de gevangenhouding of gevangenneming, bedoeld
in artikel 16, alsmede in verband met het verhoor, bedoeld in artikel
17.
2. Voor het tijdverlet in verband met reizen van een
rechtsbijstandverlener die met toestemming van het bestuur aan een
vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 rechtsbijstand
verleent, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
3. Indien naar en in het buitenland wordt gereisd per vliegtuig
wordt per volle gereisde 500 kilometer een halve punt toegekend.
4. Het bestuur bepaalt de reisafstand op gestandaardiseerde wijze.
5. Indien een reis wordt afgelegd ten behoeve van de verlening van
rechtsbijstand aan meerdere rechtzoekenden op dezelfde locatie, wordt
het tijdverlet in verband met deze reis slechts eenmaal vergoed.
Artikel 25
1. Voor de kosten die worden gemaakt voor reizen naar de zitting,
bedoeld in het eerste lid van artikel 7 en het eerste lid van artikel
18, alsmede naar rechtzoekenden wier vrijheid is ontnomen of beperkt,
wordt een kilometervergoeding toegekend overeenkomstig de vergoeding
die krachtens artikel 8 van het Reisbesluit binnenland wordt verleend.
Dezelfde kilometervergoeding wordt toegekend voor de kosten die worden
gemaakt voor reizen in verband met de behandeling van de
gevangenhouding of gevangenneming, bedoeld in artikel 16, alsmede in
verband met het verhoor, bedoeld in artikel 17.
2. Een rechtsbijstandverlener die met toestemming van het bestuur
aan een vreemdeling in de zin van Vreemdelingenwet 2000 rechtsbijstand
verleent, ontvangt overeenkomstig het eerste lid een vergoeding voor
de kosten die worden gemaakt voor reizen naar de vreemdeling.
3. Voor de kosten die in piketzaken worden gemaakt voor reizen naar
de rechtzoekende wordt een kilometervergoeding toegekend
overeenkomstig de vergoeding die krachtens artikel 7 van het
Reisbesluit binnenland wordt verleend. Indien de rechtzoekende zich
ten tijde van de piketmelding buiten het ressort van de
rechtsbijstandverlener bevond, is het eerste lid van overeenkomstige
toepassing.
4. Ten behoeve van de berekening van de kilometervergoeding,
bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, bepaalt het bestuur de
reisafstand op gestandaardiseerde wijze.
5. Indien een reis wordt afgelegd ten behoeve van de verlening van
rechtsbijstand aan meerdere rechtzoekenden op dezelfde locatie, wordt
in verband met deze reis slechts eenmaal een kilometervergoeding
toegekend.
Artikel 26
De kosten die de rechtsbijstandverlener heeft moeten maken doordat
hij zich bij de verlening van rechtsbijstand in een strafzaak of een
piketzaak van een tolk heeft moeten bedienen, worden vergoed tot ten
hoogste het bedrag waarop een tolk ingevolge het Besluit tarieven in
strafzaken 2003 aanspraak heeft.
Artikel 27
1. Voor de administratieve kosten die in het kader van de
rechtsbijstandverlening worden gemaakt, wordt per toevoeging een
vergoeding van € 16,33 [Red: Per 1 juli 2011: €18,61] toegekend.
2. Het eerste lid is niet van toepassing in gevallen waarin op
grond van de wet aan een rechtzoekende op last van de rechter een
raadsman wordt toegevoegd door het bestuur, alsmede in geval van een
procedure in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28,
eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000.
Hoofdstuk IV. Toepassing
par. 1. vaststelling van de vergoeding
Artikel 28
1. Na beëindiging van de verlening van de rechtsbijstand dient de
rechtsbijstandverlener bij het bestuur een aanvraag in tot
vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden.
2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een procedure of een
strafzaak, voegt de rechtsbijstandverlener hierbij de uitspraak of
beslissing in de zaak, voorzover deze in schriftelijke vorm
beschikbaar is.
Artikel 29
1. Het bestuur kan de juistheid of volledigheid van de door de
rechtsbijstandverlener verstrekte informatie of overgelegde bescheiden
bij de desbetreffende instantie controleren.
2. Het bestuur stelt de vergoeding vast op grond van de door de
rechtsbijstandverlener verstrekte informatie en met inachtneming van
artikel 2.
3. Indien de bij de aanvraag verstrekte informatie onjuist of
onvolledig is, kan het bestuur de vergoeding vaststellen met
inachtneming van de beschikbare juiste informatie.
4. De vergoeding wordt op nihil gesteld indien bij de vaststelling
blijkt dat de zaak onder het bereik van een toevoeging van een andere
zaak valt.
Artikel 30
Indien na de vaststelling van de vergoeding feiten of omstandigheden
bekend worden waarvan het bestuur redelijkerwijs niet bij de
vaststelling op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de vergoeding
lager zou zijn vastgesteld, dan wel indien de vaststelling onjuist was
en de rechtsbijstandverlener dit wist of behoorde te weten, kan het
bestuur de vaststelling met terugwerkende kracht wijzigen of intrekken,
tenzij vijf jaren zijn verstreken sedert de dag van de vaststelling.
Artikel 31
1. In afwijking van het eerste lid van artikel 28 dient de
rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de in de artikelen 13 en
22 bedoelde tijdgrens een aanvraag in bij het bestuur tot vaststelling
van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd legt
hij een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de
naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden.
2. Het bestuur stemt geheel of gedeeltelijk in met de begroting,
bedoeld in het eerste lid, indien het van oordeel is dat de
rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.
3. Nadat de tijd waarmee het bestuur heeft ingestemd is verstreken,
dient de rechtsbijstandverlener een aanvraag in tot vaststelling van
de vergoeding voor de desbetreffende werkzaamheden en kan hij daarbij
een begroting indienen met betrekking tot de tijdsbesteding van de
naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden. Het tweede lid is
van overeenkomstige toepassing.
par. 2. betaling en verrekening
Artikel 32
1. Het bestuur betaalt overeenkomstig de vaststelling, bedoeld in
het tweede lid van artikel 29, de vergoeding met inachtneming van het
bepaalde in artikel 37, tweede lid, van de wet.
2. In zaken, waarin krachtens een besluit van het bestuur als
bedoeld in artikel 33, eerste lid, onder c van de wet de verlening van
rechtsbijstand tussentijds is beëindigd, is het voorgaande lid
slechts van toepassing voor zover de rechtzoekende het van hem
verlangde voorschot, of de verhoging daarvan, heeft voldaan.
3. Indien de rechtsbijstandverlener blijkens zijn opgave aan het
bestuur recht heeft op betalingen van derden voor de kosten van de
verlening van rechtsbijstand, anders dan op de voet van artikel 8:75,
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden deze bedragen
tot ten hoogste het bedrag van de overeenkomstig dit besluit
vastgestelde vergoeding op die vergoeding in mindering gebracht.
4. Onverschuldigd betaalde vergoedingen kunnen worden
teruggevorderd of verrekend met nog verschuldigde vergoedingen.
Artikel 33
Indien in een zaak achtereenvolgens door twee of meer
rechtsbijstandverleners, niet werkzaam in hetzelfde
samenwerkingsverband, rechtsbijstand is verleend, wordt de vergoeding
betaald aan de rechtsbijstandverlener die het laatst is toegevoegd. De
rechtsbijstandverleners verdelen het bedrag in onderling overleg naar
verhouding van de verrichte werkzaamheden.
Artikel 34 [Vervallen per 01-07-2009]
par. 3. bevoorschotting
Artikel 35
1. Het bestuur verleent aan de advocaat die is ingeschreven op
grond van artikel 14 van de wet, telkens in de eerste maand van elk
kwartaal een voorschot voor de krachtens dit besluit toe te kennen
vergoedingen.
2. Per jaar is de hoogte van het kwartaalvoorschot gelijk aan 50
procent van het door Onze Minister vast te stellen normbedrag
vermenigvuldigd met een vierde deel van het aantal toevoegingen dat
aan de advocaat is afgegeven in de periode van 1 september van het
voorlaatste jaar tot 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het
jaar waarin het kwartaalvoorschot wordt verleend.
3. Indien het normbedrag wijzigt, wijzigt het bestuur met ingang
van het eerstvolgende kwartaal dienovereenkomstig de verlening van het
kwartaalvoorschot.
4. Het voorschot bedraagt ten hoogste een door Onze Minister te
bepalen bedrag. Het voorschot wordt op nihil gesteld indien het aantal
toevoegingen als bedoeld in het tweede lid blijft beneden een door
Onze Minister te bepalen aantal.
5. Indien de hoogte van het kwartaalvoorschot niet overeenkomstig
de norm in het tweede lid kan worden berekend kan het bestuur
gedurende de periode dat voornoemde norm niet kan worden toegepast,
telkens een voorschot verlenen dat is gerelateerd aan het aantal
toevoegingen dat aan de advocaat is afgegeven in het voorafgaande
kwartaal. In afwijking van de eerste volzin wordt bij het berekenen
van het eerste kwartaalvoorschot dat aan de betrokken advocaat wordt
verleend het voorschot gerelateerd aan het aantal toevoegingen dat aan
de advocaat is afgegeven in de voorafgaande maand. De tweede volzin
van het vierde lid is niet van toepassing.
Artikel 36
1. Het bestuur kan besluiten de hoogte van de voorschotten te
verlagen met ten hoogste 10% indien het door Onze Minister voor het
bestuur vastgestelde budget dreigt te worden overschreden.
2. Het bestuur kan in uitzonderlijke gevallen besluiten het
voorschot te verlagen of niet langer te verlenen.
Artikel 37
Indien de inschrijving van de advocaat door het bestuur wordt
doorgehaald overeenkomstig artikel 17 van de wet, is de advocaat
gehouden op vordering van het bestuur het verleende voorschot met
verrekening van de toegekende vergoedingen onverwijld terug te betalen.
Artikel 38
1. Het bestuur kan een vordering jegens een advocaat als bedoeld in
artikel 37 overdragen aan een door Onze Minister voor dit doel erkende
rechtspersoon indien de advocaat niet voldoet aan zijn
betalingsverplichting.
2. De advocaat die een voorschot ontvangt, is jaarlijks een nader
door Onze Minister te bepalen bedrag verschuldigd aan de in het eerste
lid bedoelde rechtspersoon.
Hoofdstuk V. Afwijkende vergoedingen
Artikel 39
1. In afwijking van de hoofdstukken II en III kan het bestuur de
vergoeding bepalen met inachtneming van nader vast te stellen
kwaliteitscriteria, mits de desbetreffende rechtsbijstandverlener of
rechtsbijstandverleners daarmee instemmen.
2. Het bestuur kan met instemming van de rechtsbijstandverlener
afwijken van het bepaalde in hoofdstuk IV over de wijze van aanvragen
en de overige procedureregels inzake de vaststelling van de
vergoeding.
3. Het bestuur stelt beleidsregels vast voor de toepassing van het
eerste en tweede lid en vermeldt deze beleidsregels in het jaarplan,
bedoeld in artikel 7a, tweede lid, van de wet.
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 40
1.Gerechtsdeurwaarders aan wie in een zaak waarin op grond van een
toevoeging rechtsbijstand wordt verleend, het uitbrengen van een
exploot of het opmaken van een proces-verbaal is opgedragen, of die
bijstand hebben verleend bij de tenuitvoerlegging van de in een
zodanige zaak gegeven uitspraak, ontvangen van rijkswege 75% van het
bedrag dat zij volgens het Besluit tarieven ambtshandelingen
gerechtsdeurwaarders zouden hebben mogen berekenen, met dien verstande
dat de verschotten voor rekening van de opdrachtgever blijven.
2.Gerechtsdeurwaarders die overeenkomstig het eerste lid aan een
rechtsbijstandverlener bijstand hebben verleend, zenden met een
afschrift van het exploot of de akte, vermeldende dat in de
desbetreffende zaak rechtsbijstand is verleend, een aanvraag in voor
vergoeding van de verrichte werkzaamheden bij een door Onze Minister
aan te wijzen instantie. Deze instantie draagt zorg voor de
uitbetaling van de vergoeding.
Artikel 41
1.De dag- en nieuwsbladen ontvangen van rechtswege een vergoeding
voor de door hen geplaatste oproepingen of aankondigingen, bedoeld in
artikel 39 van de wet, ten bedrage van het normale in rekening te
brengen advertentietarief voorzover niet een afwijkend tarief met die
bladen overeen is gekomen.
2.Indien een rechtsbijstandverlener een dag- of nieuwsblad opdracht
heeft gegeven tot het krachtens wettelijk voorschrift of rechterlijk
bevel plaatsen van een oproeping of mededeling, zendt hij – onder
overlegging van een exemplaar van de editie, waarin de oproeping of
aankondiging is opgenomen – de nota in bij een door Onze Minister
aan te wijzen instantie. Deze instantie draagt zorg voor de
uitbetaling van de vergoeding.
Artikel 42
[Wijzigt het Besluit regels vergoeding advocaat voor rechtsbijstand
ex artikel 817 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering]
Artikel 43
[Wijzigt het Deurwaardersreglement.]
Artikel 44
Het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 1994 wordt ingetrokken.
Artikel 45
1. Het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 1994 blijft van
toepassing op toevoegingen afgegeven vóór het moment van
inwerkingtreding van dit besluit.
2. Het Besluit vergoedingen rechtsbijstand, met uitzondering van de
hoofdstukken V en VI, blijft van toepassing op toevoegingen afgegeven
vóór 1 januari 1994.
3. Het Besluit vergoedingen rechtsbijstand in strafzaken, met
uitzondering van de hoofdstukken VII en VIII, blijft van toepassing op
toevoegingen afgegeven vóór 1 januari 1994.
Artikel 46
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2000.
Artikel 47
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vergoedingen rechtsbijstand
2000.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 21 december 1999
BEATRIX
De Staatssecretaris van Justitie,
M.J. Cohen
Uitgegeven de achtentwintigste december 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Bijlage
De punten geven het gewicht per
rechtsterrein of soort zaak aan:
| |
punten |
|
Zaken op het terrein van het
burgerlijk recht |
|
| |
|
|
– arbeidsrecht |
|
| |
|
|
– arbeidsrecht algemeen |
11 |
|
– ontslagvergunning |
7 |
|
– ontbinding arbeidsovereenkomst |
8 |
| |
|
|
– personen/familierecht |
|
| |
|
|
– echtscheiding |
10 |
|
– echtscheiding,
gemeenschappelijk verzoek |
7 |
|
– alimentatie/levensonderhoud |
7 |
|
– ouderlijk gezag/omgangsregeling |
7 |
|
– boedelscheiding/erfrecht |
12 |
|
– overige |
7 |
| |
|
|
– verbintenissenrecht |
11 |
| |
|
|
– huurrecht |
|
|
– huurrecht algemeen |
9 |
|
– wet huurprijzen woonruimte |
5 |
|
– onderhoud door verhuurder |
12 |
| |
|
|
– goederenrecht |
12 |
| |
|
|
overige zaken burgerlijk recht |
9 |
| |
|
|
Bestuursrechtelijke zaken |
|
| |
|
|
– bestuurszaken algemeen |
8 |
|
– uitkering
vervolgingsslachtoffers |
11 |
|
– vreemdelingenrecht algemeen |
8 |
|
– asiel |
|
|
– voornemen |
7 |
|
– beroep |
8 |
|
– hoger beroep |
5 |
|
– ambtenarenrecht |
10 |
|
– tijdelijk huisverbod |
|
|
– voorlopige voorziening |
4 |
|
– beroep |
4 |
|
– hoger beroep |
4 |
| |
|
|
Strafrechtelijke zaken |
|
| |
|
|
– strafrecht verdachten |
|
|
– zaken waarvan de kennisneming
in eerste aanleg heeft of zou hebben plaatsgevonden door de
kantonrechter |
5 |
|
– jeugdstrafzaken |
6 |
|
– rijden onder invloed |
5 |
|
– zaken betreffende misdrijven
waarvan de kennisneming in eerste aanleg heeft of zou hebben
plaatsgevonden door de enkelvoudige kamer |
6 |
|
– zaken betreffende misdrijven
waarvan de kennisneming in eerste aanleg heeft of zou hebben
plaatsgevonden door de meervoudige kamer |
8 |
| |
|
|
– strafrecht niet-verdachten |
|
|
– Uitleveringswet |
9 |
|
– Wet overdracht
tenuitvoerlegging strafvonnissen (Wots) |
8 |
|
– Wet bijzondere opnemingen in
psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) |
4 |
|
– vreemdelingenbewaring |
4 |
|
– terbeschikkingstelling (Tbs) |
7 |
|
– geschillen/klachtzaken
gedetineerden |
5 |
|
– vordering benadeelde partij |
5 |
|
– beklag niet-vervolging |
5 |
|
– ontnemingsvordering |
3 |
|
– tenuitvoerlegging
voorwaardelijke straf |
3 |
|
– bezwaarschrift DNA-profiel |
3 |
|
– overige strafzaken |
4 |
|
|
|