De
ledenvergadering van de Orde Koninklijk Nederlands Instituut van
Registeraccountants;
Gelet op artikel 19 van de Wet op de
Registeraccountants;
Stelt de
volgende verordening vast:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van deze verordening en de daarop rustende
bepalingen wordt verstaan onder:
– Orde: de Orde Koninklijk Nederlands Instituut van
Registeraccountants;
– bestuur het bestuur van de Orde;
– college: het college toetsing kwaliteit
– accountant: de openbaar accountant, de intern accountant en
de overheidsaccountant, zoals gedefinieerd in de Verordening
gedragscode;
– accountantskantoor: de accountantspraktijk en de
accountantsafdeling, zoals gedefinieerd in de Verordening
gedragscode;
– vestiging: een specifieke subgroep van een
accountantskantoor, die wordt onderscheiden op basis van
geografische criteria of op grond van eigenschappen van de praktijk;
– koepelorganisatie: een organisatie waarbij een
accountantskantoor is aangesloten en die het accountantskantoor
bindende regels voor de kwaliteitsbeheersing heeft opgelegd, deze
toetst en de naleving daarvan kan afdwingen;
– beroepsorganisatie: een organisatie die aan de leden van die
organisatie een dwingende inspanningsverplichting heeft opgelegd dat
de accountantskantoren waarin zij optreden, beschikken over een
intern kwaliteitsbeheersingsstelsel dat aan in Nederland algemeen
aanvaarde normen voor de beroepsuitoefening voldoet, die de
invoering en het gebruik van deze interne stelsels van
kwaliteitsbeheersing bij de accountantskantoren toetst en die aan
onvoldoende toetsingsresultaten adequate sancties tegen de betrokken
leden verbindt;
– stelsel van kwaliteitsbeheersing: de door een
accountantskantoor getroffen maatregelen en ingestelde procedures
voor de toetsing van de deskundigheid, de onafhankelijkheid en de
kwaliteit van de werkzaamheden van de bij het accountantskantoor
werkzame accountants en andere personen;
– stelsel van kwaliteitsbewaking: de interne controle van het
accountantskantoor op de naleving van de
kwaliteitsbeheersingsmaatregelen;
– systeem van kwaliteitsborging: de door een beroepsorganisatie
of koepelorganisatie getroffen maatregelen en ingestelde procedures
ter bevordering en handhaving van de deskundigheid, de
onafhankelijkheid en de kwaliteit van de werkzaamheden van
accountants en accountantskantoren;
– (her)toetsing: de toetsing van de kwaliteit van de
beroepsuitoefening van een accountant die optreedt in een
accountantskantoor, door niet aan dat accountantskantoor gelieerde
accountants aan de in Nederland algemeen aanvaarde normen voor de
beroepsuitoefening;
– onderzoeker: een persoon, belast met de uitvoering van de
(her)toetsing van een accountantskantoor;
– organisatie van openbaar belang: huishouding waarvoor bij het
publiek een grote mate van belangstelling bestaat omdat de
bedrijfsactiviteit, de omvang, het personeelsbestand of de
bedrijfsstatus van dien aard is dat zij een breed scala van
belanghebbenden bestrijkt, volgens een door het bestuur vast te
stellen nadere uitwerking.
Hoofdstuk II. Toetsing
Artikel 2
1. De accountant draagt er zorg voor dat het accountantskantoor
waarin hij optreedt, beschikt over een intern stelsel van
kwaliteitsbeheersing dat voldoet aan in Nederland algemeen aanvaarde
normen voor de beroepsuitoefening.
2. De in het eerste lid bedoelde normen zijn neergelegd in
wettelijke voorschriften, verordeningen van de Orde, of worden door het
bestuur – de leden gehoord – vastgelegd in nadere voorschriften,
richtlijnen of meningsuitingen.
Artikel 3
1. Teneinde de kwaliteit van de beroepsuitoefening van een
accountant te kunnen beoordelen, wordt het accountantskantoor waarin
de accountant optreedt aan toetsing onderworpen.
2. De accountant spant zich ervoor in dat het accountantskantoor
waarin hij optreedt, zijn medewerking verleent aan toetsing en de
daaraan verbonden procedures als bedoeld in deze verordening.
Artikel 4
1. De toetsing houdt een onderzoek in of het interne stelsel
van kwaliteitsbeheersing in opzet en werking voldoet aan de in artikel
2 bedoelde normen.
2. De toetsing omvat alle vormen van dienstverlening van het
accountantskantoor waarin de accountant optreedt.
Artikel 5
1. Indien een accountantskantoor twee of meer vestigingen
heeft, geldt de vestiging als eenheid van toetsing.
2. Indien een accountantskantoor twee of meer vestigingen heeft,
maakt een stelsel van kwaliteitsbewaking van de vestigingen onderdeel
uit van het stelsel van kwaliteitsbeheersing.
Artikel 6
1. Er is een college toetsing kwaliteit.
2. Het college is belast met de uitvoering van deze verordening.
3. Het bestuur bepaalt het aantal leden en benoemt deze uit de
leden van de Orde.
4. Het bestuur wijst uit de leden van het college een voorzitter
aan.
5. De zittingsduur van de leden bedraagt maximaal drie jaar met
eenmaal de mogelijkheid van herbenoeming voor wederom maximaal drie
jaar. Degene die benoemd is ter vervulling van een tussentijds
opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens
plaats de benoeming is geschied had moeten aftreden.
6. De leden van het college treden af volgens een door het
bestuur vast te stellen rooster.
7. De leden van het college ontvangen voor hun werkzaamheden een
vergoeding van reis- en verblijfkosten en een vergoeding voor bestede
tijd volgens door het bestuur vast te stellen regelen.
Artikel 7
1. De toetsing wordt uitgevoerd door één of meer
onderzoekers. Ten minste één onderzoeker is accountant.
2. Het college is belast met de selectie van de onderzoekers aan
de hand van door het bestuur, op voorstel van het college, vastgestelde
criteria.
3. Voor elke uit te voeren toetsing stelt het college vast welke
persoon (personen) als onderzoekers) zal (zullen) optreden, waarbij
rekening wordt gehouden met aard en omvang van het te onderzoeken
accountantskantoor en met mogelijke feiten en omstandigheden waardoor de
onpartijdigheid van de onderzoekers) schade zou kunnen lijden.
4. De onderzoeker ontvangt voor zijn werkzaamheden een vergoeding
van reis- en verblijfkosten en een vergoeding voor bestede tijd volgens
door het bestuur vast te stellen regelen.
5. Met als doel kennis te nemen van de wijze van uitvoering van
de Verordening op de kwaliteitstoetsing kan een medewerker van de AFM
een toetsing bijwonen, in het kader van het voorbereiden van de taak van
de AFM onder de Wet toezicht accountantsorganisaties.
Artikel 8
1. De onderzoeker voert de toetsing uit aan de hand van door
het bestuur, op voorstel van het college, vastgestelde werkprogramma’s.
De werkprogramma’s worden door het bestuur aan de leden van de Orde
bekendgemaakt.
2. Welk werkprogramma wordt toegepast, wordt bepaald aan de hand
van door het bestuur, op voorstel van het college, vastgestelde
criteria. De criteria worden door het bestuur aan de leden van de Orde
bekendgemaakt.
Artikel 9
1. Het college selecteert jaarlijks de accountantskantoren die
in aanmerking komen voor een toetsing aan de hand van door het
bestuur, op voorstel van het college, vastgestelde selectiecriteria,
met inachtneming van het bepaalde in artikel 10. De criteria worden
door het bestuur aan de leden van de Orde bekendgemaakt.
2. Het college geeft het geselecteerde accountantskantoor te
kennen dat het zal worden getoetst.
3. Het college geeft het accountantskantoor minimaal zes weken
van tevoren te kennen wanneer toetsing zal plaatsvinden en wie als
onderzoeker is aangewezen.
4. Indien geen medewerking aan de toetsing of de daaraan
verbonden procedures wordt verleend zal een aanmaning tot medewerking
door het college worden verstuurd. Indien binnen twee weken na
verzending van de aanmaning geen medewerking wordt verleend, vindt de
procedure van artikel 16 overeenkomstige toepassing.
Artikel 10
1. Accountantskantoren die diensten verlenen aan organisaties
van openbaar belang en/of beursgenoteerde ondernemingen worden eenmaal
in de twee jaar aan toetsing onderworpen.
2. Accountantskantoren die controle-opdrachten uitvoeren en geen
diensten verlenen aan organisaties van openbaar belang en/of
beursgenoteerde ondernemingen worden eenmaal in de vier jaar aan
toetsing onderworpen.
3. Accountantskantoren die geen controle-opdrachten uitvoeren en
geen diensten verlenen aan organisaties van openbaar belang en/of
beursgenoteerde ondernemingen worden eenmaal in de zes jaar aan toetsing
onderworpen, met dien verstande dat deze termijn met twee jaar wordt
ingekort indien het eindoordeel bij de laatst uitgevoerde (her)toetsing
luidt als bedoeld in artikel 14 lid 3 onder b of c.
Artikel 11
Jaarlijks stuurt het college alle accountantskantoren een vragenlijst
teneinde inzicht in de specifieke situatie van deze kantoren te krijgen.
Deze vragenlijst dient uiterlijk binnen vier weken ingevuld te worden
geretourneerd.
Artikel 12
1. Het accountantskantoor stelt aan de onderzoeker alle
gegevens ter beschikking, die deze nodig acht voor de vervulling van
zijn werkzaamheden.
2. Indien zich over de wijze van uitvoering van de toetsing een
meningsverschil voordoet tussen het accountantskantoor en de onderzoeker
zal de onderzoeker de kwestie voorleggen aan het college, dat zo snel
mogelijk een uitspraak doet. Indien het accountantskantoor dan wel de
onderzoeker zich niet kan verenigen met deze uitspraak, kan binnen zes
weken na de uitspraak van het college de meest gerede partij het bestuur
vragen een definitieve beslissing te nemen.
Artikel 13
1. De onderzoeker neemt ter afronding van de toetsing, op
hoofdlijnen zijn bevindingen door met het accountantskantoor.
2. De onderzoeker stelt binnen een door het college te stellen
termijn een conceptrapport op.
3. Het conceptrapport als bedoeld in het tweede lid omvat naast
de bevindingen van de onderzoeker tevens een deugdelijk gemotiveerd
voorstel voor een oordeel als bedoeld in artikel 14 lid 3.
4. In het geval het voorstel voor een oordeel van de onderzoeker
luidt als omschreven in artikel 14 lid 3 onder b of c, zal de
onderzoeker tevens een voorstel ten behoeve van het college doen,
inhoudende aanbevelingen respectievelijk aanwijzingen voor het treffen
van maatregelen ter verbetering.
5. De onderzoeker stuurt het conceptrapport naar het
accountantskantoor.
6. Het accountantskantoor kan binnen twee weken schriftelijk
commentaar op het conceptrapport zenden aan de onderzoeker.
7. Binnen drie weken na afloop van de in het vorige lid bedoelde
termijn maakt de onderzoeker zijn rapport definitief, en zendt dit
onverwijld toe aan het college en het accountantskantoor.
Artikel 14
1. Het accountantskantoor kan binnen een door het college te
stellen termijn schriftelijk commentaar op het definitieve rapport van
de onderzoeker aan het college zenden.
2. Het college toetst het definitieve rapport en stelt naar
aanleiding hiervan en het eventuele commentaar als bedoeld in het vorige
lid een eindoordeel vast dat het binnen twee maanden na afloop van de in
het eerste lid bedoelde termijn ter kennis brengt van het
accountantskantoor.
3. Het eindoordeel kan als volgt luiden:
a. het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing voldoet aan
de in Nederland algemeen aanvaarde nonnen voor de beroepsuitoefening;
b. het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing voldoet aan
de in Nederland algemeen aanvaarde normen voor de beroepsuitoefening,
maar is vatbaar voor verbetering;
c. het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing voldoet niet
aan de in Nederland algemeen aanvaarde normen voor de
beroepsuitoefening.
4. Indien het eindoordeel luidt als omschreven onder b of c van
het vorige lid gaat het eindoordeel vergezeld van aanbevelingen
respectievelijk aanwijzingen voor het treffen van maatregelen ter
verbetering.
Artikel 15
1. In het geval dat het eindoordeel luidt als omschreven in
artikel 14 lid 3 onder c, dient het accountantskantoor binnen een door
het college te stellen termijn een verbeterplan bij het college in,
dat gebaseerd is op de bij het eindoordeel gegeven aanwijzingen.
2. Het in het eerste lid bedoelde verbeterplan dient te worden
goedgekeurd door een daartoe door het college geaccrediteerde
registeraccountant of organisatie.
3. Na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn vindt er
een gesprek plaats tussen het college en het accountantskantoor over het
door het accountantskantoor ingediende verbeterplan.
4. In het in het vorige lid bedoelde gesprek worden bindende
afspraken gemaakt teneinde het stelsel van kwaliteitsbeheersing van het
accountantskantoor binnen een bepaalde termijn aan de normen als bedoeld
in artikel 2 te laten voldoen.
5. De in het vorige lid bedoelde afspraken worden door het
college op schrift gesteld en ter ondertekening aan het
accountantskantoor gezonden.
6. Het college zal na afloop van de in vierde lid bedoelde
termijn een hertoetsing laten uitvoeren bij het accountantskantoor.
7. De hertoetsing geschiedt door tenminste twee onderzoekers,
waarvan ten minste één onderzoeker een ander is dan degene, die de
eerste toetsing heeft uitgevoerd. Artikel 7, lid 3, artikel 13 en
artikel 14 zijn op de aanwijzing van de onderzoekers, respectievelijk op
de procedure van de toetsing, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16
1. Indien het eindoordeel van de hertoetsing luidt als
omschreven in artikel 14 lid 3 onder c stelt het college het bestuur
daarvan in kennis.
2. De in het vorige lid bedoelde in kennisstelling wordt begeleid
van een deugdelijk gemotiveerd voorstel om een tuchtrechtelijke
procedure tegen de verantwoordelijke accountant(s) aanhangig te maken,
onder overhandiging door het toetsingsdossier.
3. Het bestuur zal naar aanleiding van de omstandigheid als
bedoeld in het eerste en tweede lid een tuchtrechtelijke procedure tegen
de verantwoordelijke accountants) aanhangig maken, tenzij de
redelijkheid of gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
Artikel 17
1. Het college kan besluiten het eind oordeel als bedoeld in
artikel 14 lid 2 of het toetsingsdossier aan derden beschikbaar te
stellen ten behoeve van de door deze derden uit te voeren beoordeling
van de beroepsuitoefening door accountantskantoren) die hieraan
verplicht zijn onderworpen.
2. Aan de terbeschikkingstelling als bedoeld in het eerste lid
kunnen voorwaarden worden verbonden.
3. Het getoetste accountantskantoor alsmede de individuele
accountant is niet gerechtigd enige informatie met betrekking tot de
toetsing, in enige vorm of op enige wijze, aan derden kenbaar te maken.
4. Het in het vorige lid bepaalde is niet van toepassing indien
informatieverstrekking aan derden noodzakelijk is voor de uitvoering van
de aanbevelingen en aanwijzingen van het college.
Hoofdstuk III. Accreditatie, tijdelijke vrijstelling en
plaatsvervangende toetsing
Artikel 18
1. Het college kan op verzoek van een koepel- of
beroepsorganisatie het door deze organisatie ingestelde systeem van
kwaliteitsborging accrediteren.
2. Accreditatie houdt in dat de accountantskantoren, die lid zijn
van de koepelorganisatie of waarvan de meerderheid van de
maatschapsleden, vennoten, partners of hoe ook genaamd, lid is van de
beroepsorganisatie, zijn vrijgesteld van toetsing door het college.
3. Accountantskantoren die zijn onderworpen aan een systeem van
kwaliteitsborging waarvoor een verzoek als bedoeld in lid 1 is
ingediend, zijn gedurende de periode waarin het college op het verzoek
nog geen beslissing heeft genomen, vrijgesteld van toetsing door het
college.
4. Ten behoeve van de accreditatie toetst het college de opzet en
werking van het systeem van kwaliteitsborging.
5. De accreditatie wordt verleend voor de duur van maximaal drie
jaar. Verlenging voor telkens dezelfde termijn is mogelijk, indien en
zolang als aan de door net college gestelde voorwaarden wordt voldaan.
6. Het college kan te allen tijde de accreditatie intrekken.
7. Het college zal aan de accreditatie voorwaarden verbinden.
8. Het college kan te allen tijde de gestelde voorwaarden
aanvullen of wijzigen indien het dit nodig acht voor het voortduren van
de accreditatie.
9. De koepel- of beroepsorganisatie doet onverwijld mededeling
aan het college van wijzigingen in het geaccrediteerde systeem van
kwaliteitsborging van de koepel- of beroepsorganisatie.
10. Het college bericht de koepel- of beroepsorganisatie binnen
een door het college te stellen termijn welke gevolgen de wijzigingen
hebben voor de accreditatie.
Artikel 19
1. Indien het eindoordeel naar aanleiding van een hertoetsing
van een accountantskantoor door een koepel of beroepsorganisatie met
een geaccrediteerd systeem van kwaliteitsborging de strekking heeft
als omschreven in artikel 14 lid 3 onder c, is deze koepel- of
beroepsorganisatie gehouden het toetsingsdossier, opgesteld naar
aanleiding van de hertoetsing, binnen twee weken na de vaststelling
van het eindoordeel aan het college te zenden.
2. Het college voert een toetsing uit op het van de koepel- of
beroepsorganisatie ingevolge het eerste lid ontvangen toetsingsdossier.
Ingeval het college oordeelt dat de koepel- of beroepsorganisatie in
redelijkheid tot haar eindoordeel heeft kunnen komen vindt artikel 16
overeenkomstige toepassing.
Artikel 20
1. Het college kan naar aanleiding van een daartoe door een
accountantskantoor schriftelijk ingediend, gemotiveerd, verzoek
besluiten tijdelijk vrijstelling van toetsing te verlenen.
2. Tijdelijke vrijstelling kan slechts worden verleend op grond
van bijzondere omstandigheden.
3. Tijdelijke vrijstelling kan slechts worden verleend voor de
duur van maximaal één jaar met de mogelijkheid tot verlenging.
4. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, moet worden gedaan
binnen vier weken na ontvangst van de mededeling als bedoeld in artikel
9, lid 2, dat het accountantskantoor is geselecteerd voor toetsing.
Artikel 21
1. Het college kan op verzoek van een accountantskantoor
besluiten de toetsing te doen uitvoeren door onderzoekers van een door
het accountantskantoor in zijn verzoek genoemd ander
accountantskantoor, in plaats van door onderzoekers, aangewezen door
het college conform artikel 7.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, dient te worden
gedaan binnen vier weken na de mededeling als bedoeld in artikel 9, lid
2, dat het accountantskantoor is geselecteerd voor toetsing.
3. Het college zal aan zijn besluit voorwaarden verbinden.
4. De toetsing als bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd aan
de hand van een door het college goedgekeurd werkprogramma.
5. Het college stelt nadere criteria vast waaraan alle bij de
uitvoering van de toetsing betrokken personen dienen te voldoen.
6. Indien de toetsing niet volgens de voorwaarden wordt of is
uitgevoerd of in geval van andere gewichtige redenen kan het college
besluiten tot eigen toetsing over te gaan.
7. Het accountantskantoor, dat de toetsing uitvoert, is gehouden
het toetsingsdossier, opgesteld naar aanleiding van de toetsing, binnen
zes weken na de toetsing aan het college te zenden.
8. Het college toetst het van het toetsende accountantskantoor
ontvangen toetsingsdossier.
9. Indien een hertoetsing volgens artikel 15, lid 6, noodzakelijk
is, kan het college besluiten die hertoetsing door onderzoekers van
hetzelfde accountantskantoor te doen uitvoeren, mits dit niet dezelfde
personen zijn die de eerste toetsing hebben uitgevoerd.
Ingeval het oordeel na een hertoetsing de strekking heeft als
omschreven in artikel 14 lid 3 onder c vindt artikel 16 overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk IV. Overige bepalingen
Artikel 22
1. Jaarlijks brengt het college aan het bestuur een verslag uit
omtrent zijn werkzaamheden, waaronder een geanonimiseerd overzicht van
de eindoordelen naar aanleiding van de in het afgelopen jaar gehouden
toetsingen, opgesteld volgens de indeling van artikel 10.
2. Jaarlijks brengt het bestuur, na het in het eerste lid
bedoelde verslag te hebben ontvangen, een geanonimiseerd verslag uit aan
de leden van de Orde over de werkzaamheden van het college en de
uitkomsten van de toetsingen.
Artikel 23
1. Voor de registeraccountant die betrokken is bij de
uitvoering van deze verordening en daarbij kennis neemt van feiten of
omstandigheden waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of
redelijkerwijs moet vermoeden, geldt buiten de gevallen voorzien in
deze verordening een geheimhoudingsplicht terzake van die gegevens.
Van vertrouwelijke gegevens in het kader van de toetsing verkregen,
kan geen verder en ander gebruik worden gemaakt dan bij of krachtens
deze verordening is vereist.
2. De registeraccountant draagt er zorg voor dat voor of met hem
werkzame personen zijn onderworpen aan de in het eerste lid omschreven
geheimhouding.
3. De registeraccountant is ter zake van de voldoening aan de in
deze verordening opgenomen verplichtingen tegenover het college en de
onderzoeker(s) ontheven van de plicht tot geheimhouding als bedoeld in
artikel A-100.4, onderdeel d, en hoofdstuk A-140 van de Verordening
gedragscode.
Artikel 24
De kosten van de toetsing door het college zijn volgens door het
bestuur, op voorstel van het college, vast te stellen tarieven voor
rekening van het betrokken accountantskantoor. De tarieven worden door
het bestuur aan de leden van de Orde bekendgemaakt.
Artikel 25
1. De Verordening op de collegiale toetsing van 12 december
1996 wordt ingetrokken met dien verstande dat zij van toepassing
blijft op aanhangige toetsingen.
2. Besluiten genomen op basis van de Verordening op de collegiale
toetsing van 12 december 1996 blijven van kracht voorzover
overeenkomstige bevoegdheid bij of krachtens deze verordening is
gegeven.
Artikel 26
Het bestuur is bevoegd om nadere voorschriften vast te stellen
terzake van de bij deze verordening geregelde onderwerpen.
Artikel 27
1. De verordening treedt in werking op 1 januari 2003.
2. Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening op de
kwaliteitstoetsing.