BESLUIT van 18 december 1933 tot vaststelling van een
algemene maatregel van bestuur, ter uitvoering van de wet op de
strandvonderij van 27 juli 1931, Stb. 321
WIJ WILHELMINA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Justitie en van
Waterstaat van 20 April 1933, 1ste afdeeling C, n°. 878, en van 25
April 1933, afdeeling Vervoer- en Mijnwezen, La. C;
Den Raad van State gehoord (advies van 30 Mei
1933, n°. 31);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde
Ministers van 6 December 1933, 1ste Afdeeling C, n°. 893 en van 13
December 1933, La. K., Afdeeling Vervoer- en Mijnwezen;
Gelet op de artikelen 21 en 23 van de wet op de
strandvonderij van 27 Juli 1931 (Staatsblad n°. 321);
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Met ingang van
den dag, waarop de wet op de strandvonderij van 27 Juli 1931 (Staatsblad
n°. 321) in werking treedt, de volgende bepalingen vast te stellen: